Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1685

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-03-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_6031
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage AWBZ zorg met verblijf. Vermogensinkomensbijtelling. Geen sprake van schending artikel 1 van het Eerste Protocol. De wetgever heeft ervoor gekozen om verzekerden die, naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen, een vermogen hebben een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bijdragebesluit zorg een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz voor eiseres leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de rechtbank niet gebleken. Gelet op de afweging van de wetgever ten aanzien van de gevolgen voor de betrokken burgers, bestuursorganen en de (kosten voor de) samenleving, is de rechtbank van oordeel dat met de keuze voor een vermogensinkomensbijtelling middels een percentage van het box 3 vermogen is voorts voldaan aan het subsidiariteitsvereiste.

Niet gebleken is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen eiseres en andere personen met vermogen, nu voor iedereen op wie het Bbz van toepassing is voor de berekening van de eigen bijdrage 8% van de grondslag sparen en beleggen wordt bijgeteld. Bij het met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 ingevoerde artikel 1a van het Bbz (Stb. 2013, 535), waarin in het vierde lid een uitzondering is gemaakt voor bedragen ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen (waaronder letselschade uitkeringen), is in de nota van toelichting uitvoerig stilgestaan bij de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangedragen ongewenste gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling. De Tweede Kamer heeft ten aanzien van deze groepen gewezen op het feit dat het gaat om personen die smartengeld of een schadevergoeding hebben gekregen als compensatie voor het aangedragen leed, mede omdat zij niet meer kunnen werken en niet meer het nodige kunnen doen om hun eigen financiële positie te verbeteren door andermans toedoen. Nu dat bij eiseres niet het geval is, kan niet gezegd worden dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid in de situatie van eiseres en de uitgezonderde groepen.

De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van de inkomensgegevens van het peiljaar. Daaruit volgt al dat betrokkenen er steeds rekening mee moeten houden dat de verschuldigde bijdrage voor enig jaar anders kan zijn dan die voor het voorgaande jaar. Dat het gewijzigde Bbz inzake de vermogensinkomensbijtelling eerst op 5 december 2012 is gepubliceerd en per 1 januari 2013 in werking trad en aldus een zeer kort tijdsverloop was tussen bekendmaking en inwerkingtreding, maakt niet dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 6
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2014/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 13/6031

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

E.M.S. de Bruyn, wettelijk vertegenwoordigd door C.G.M. de Bruyn, te[woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.B.J. de Bruyn),

en

de besloten vennootschap Centrale Administratiekantoor (CAK), te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de eigen bijdrage van eiseres voor zorg met verblijf per 1 januari 2013 vastgesteld op € 871,07 per maand.

Bij besluit van 1 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde C. Pahlatsing.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is bekend met beperkingen wegens een verstandelijke handicap en zij is rolstoel gebonden. Eiseres ontvangt een Wajong-uitkering. Eiseres verblijft in een zorginstelling in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de met dat verblijf verband houdende eigen bijdrage vastgesteld op € 871,07 per maand per 1 januari 2013. Verweerder is daarbij voor dat jaar uitgegaan van het inkomen en vermogen van eiseres over het jaar 2011. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

3.

Eiseres heeft aangevoerd dat er met de heffing van de eigen bijdrage, mede gebaseerd op vermogensinkomensbijtelling, sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht. Er is niet voldaan aan de vereisten die artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het Eerste Protocol) stelt. De proportionaliteit wordt overschreden omdat eiseres onevenredig zwaar wordt getroffen door de vermogensinkomensbijtelling. Eiseres wordt immers geconfronteerd met een stijging van

€ 330 per maand in haar bijdrageplicht. Eiseres heeft een betaalspecificatie van haar Wajong-uitkering overgelegd, waaruit blijkt dat zij nog geen € 60 per maand overhoudt van haar uitkering. Hiervan dient eiseres nog extra kosten te voldoen aan zorginstelling Zozijn.

4.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de AWBZ kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de aanspraak op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. De bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg die verstrekt wordt, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door middel van de vaststelling van het Bijdragebesluit zorg (Bbz).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbz, zoals dat luidde op 1 januari 2013, wordt het bijdrageplichtig inkomen als volgt berekend: het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2011, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.

Bij Besluit van 4 december 2013 (Stb. 2013, 535) is artikel 6, eerste lid, onder c, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 als volgt gewijzigd: het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.

5.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat eiseres op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ een eigen bijdrage is verschuldigd voor haar verblijf in een instelling als bedoeld in de AWBZ.

Vast staat dat verweerder in overeenstemming met artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz de eigen bijdrage voor aanspraak op zorg heeft opgelegd omdat eiseres in het peiljaar 2011 inkomen en vermogen had. In geding is of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van deze artikelen vanaf januari 2013 verenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol.

In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van het Eerst Protocol is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (‘possessions’). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Onder ‘possessions’ moet niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Als sprake is van ‘possessions’ en daarmee van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het Eerste Protocol, moet worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres, maar niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. De door eiseres aangevochten inbreuk op haar eigendomsrecht is bij wet voorzien, nu deze inbreuk direct volgt uit toepassing van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz.

Blijkens de memorie van toelichting (TK 2011-2012, 33 204, nr. 3) wordt met de vermogensinkomensbijtelling beoogd om bij het inkomen dat relevant is voor het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage een klein percentage van het vermogen van betrokkene bij te tellen. Dit levert volgens de wetgever circa € 80 miljoen per jaar aan kostenbesparing op. Vanwege het gezamenlijke inkomensafhankelijke maximum heeft de maatregel niet alleen betrekking op de eigen bijdrage voor zorg op grond van de AWBZ, maar ook op de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze eigen bijdrage wordt geheven, omdat het redelijk wordt geacht dat de gebruiker van zorg bijdraagt in de kosten van zorg. Voor zorg met verblijf geldt bovendien dat de verzekerde aanzienlijk bespaart op uitgaven van wonen, eten en drinken en andere kosten die verband houden met zelfstandig wonen. Eigen bijdragen zijn ook nodig om de AWBZ betaalbaar te houden. Een belangrijke overweging om een vermogensinkomensbijtelling op grond van de AWBZ en Wmo te introduceren is om verzekerden die, al dan niet naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen, een vermogen hebben een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie.

Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz voor eiseres leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zal moeten worden beoordeeld of niet met een minder ingrijpend middel hetzelfde doel had kunnen worden bereikt en dat verweerder niet heeft onderbouwd dat de aantasting van het eigendom van eiseres ook die subsidiariteitstoets doorstaat.

6.

De rechtbank overweegt als volgt. In de voornoemde memorie van toelichting is een toelichting gegeven over de aansluiting met het box 3 vermogen. De vermogensinkomensbijtelling houdt in dat het bijdrageplichtige inkomen dat de basis vormt voor de eigen bijdrage of voor de maximale eigen bijdrage wordt verhoogd met 4% van het box 3 vermogen als indicatie voor de vermogenspositie van de verzekerde. Het gaat daarbij om het bedrag boven het bedrag aan heffingvrij vermogen van artikel 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bij de uitvoering van de maatregel zijn het CAK en de Belastingdienst betrokken. De Belastingdienst levert inkomens- en belastinggegevens voor de vaststelling van de eigen bijdrage door het CAK aan. De Belastingdienst zal ook de uitlevering van de voor deze maatregel noodzakelijke vermogensgegevens gaan verzorgen. De Belastingdienst is daartoe in staat. Ook het CAK is in staat deze maatregel uit te voeren. De maatregel is in technische zin eenvoudig uit te voeren. Het gaat immers slechts om een geautomatiseerde extra optelpost die bestaat uit bij de Belastingdienst bekende gegevens. Deze gegevens zijn door de burger zelf bij de Belastingdienst aangeleverd.

Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag op het voorstel van wet houdende Wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de vaststelling van de eigen bijdragen voor zorg of voorzieningen op grond van die wetten (TK 2011-2012, 33 204, nr. 6) heeft de wetgever uitvoerig stilgestaan bij de grondslag in box 3. In de nota staat daarover onder meer dat als voor de vermogensbijstelling zou worden uitgegaan van een andere grondslag, dit voor de burger moeilijker te begrijpen is, de regeling moeilijker zou zijn uit te voeren voor de Belastingdienst en het CAK en dat daarmee de uitvoeringskosten hoger zouden worden.

Gelet op de afweging van de wetgever ten aanzien van de gevolgen voor de betrokken burgers, bestuursorganen en de (kosten voor de) samenleving, is de rechtbank van oordeel dat met de keuze voor een vermogensinkomensbijtelling middels een percentage van het box 3 vermogen is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. De beroepsgrond slaagt niet.

7.

Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat met de vermogensinkomensbijtelling sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres betaalt meer voor dezelfde zorg dan degenen die met haar in een gelijke verzorgingssituatie verkeren en niet worden geconfronteerd met de vermogensinkomensbijtelling. Daarbij speelt voorts dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Staatssecretaris) te kennen heeft gegeven enkele groepen uit te willen zonderen van de vermogensinkomensbijtelling, waaronder de groep die over vermogen beschikt ingevolge een letselschade uitkering.

8.

De rechtbank kan eiseres niet volgen. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de doelstelling van de vermogensinkomensbijtelling is om verzekerden die, al dan niet naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen, een vermogen hebben een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Op deze wijze wordt de scheve situatie verminderd tussen personen met enkel een (hoog) inkomen, die een relatief hoge eigen bijdrage betalen, ten opzichte van personen met een laag inkomen en een (hoog) vermogen, waarover geen eigen bijdrage werd geheven. Het inkomen dat gegenereerd wordt uit vermogen kan te weinig zijn om de extra eigen bijdrage te betalen, zeker in tijden van economische crisis. Het vermogen zelf dat personen bezitten, is echter voldoende om de verhoging van de eigen bijdrage op te vangen (zie ook TK, vergaderjaar 2011-2012, 33 204, nr. 3, blz. 2). Met dit streven naar meer gelijkheid in de financiële situaties van personen met en zonder vermogen, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het gelijkheidsbeginsel.

Niet gebleken is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen eiseres en andere personen met vermogen, nu voor iedereen op wie het Bbz van toepassing is voor de berekening van de eigen bijdrage 8% van de grondslag sparen en beleggen wordt bijgeteld. Bij het met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 ingevoerde artikel 1a van het Bbz (Stb. 2013, 535), waarin in het vierde lid een uitzondering is gemaakt voor bedragen ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn aangewezen (waaronder letselschade uitkeringen), is in de nota van toelichting uitvoerig stilgestaan bij de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: de Tweede Kamer) aangedragen ongewenste gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling. De Tweede Kamer heeft gevraagd de vermogensinkomensbijtelling op een aantal punten te verzachten, te weten het treffen van een uitzondering voor eenmalige uitkeringen en letselschade-uitkeringen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onderdeel b, en 9bis van de Uitvoeringsregeling Awir, conform de vermogenstoets bij de zorgtoeslag, en de invoering van een extra vermogensvrijstelling voor verzekerden die AWBZ-zorg met verblijf ontvangen en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt (vanaf 1 januari 2014). Gelet op de doelstelling van de vermogensinkomensbijtelling valt niet in te zien waarom de Staatssecretaris geen uitzondering heeft mogen maken, respectievelijk, zal mogen maken voor bepaalde groepen die specifieke ongewenste gevolgen ondervonden van de vermogensinkomensbijtelling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Tweede Kamer ten aanzien van deze groepen heeft gewezen op het feit dat het gaat om personen die smartengeld of een schadevergoeding hebben gekregen als compensatie voor het aangedragen leed, mede omdat zij niet meer kunnen werken en niet meer het nodige kunnen doen om hun eigen financiële positie te verbeteren door andermans toedoen (Handelingen II 2012-2013, nr. 71, item 15, blz 53-69). Nu dat, gelet op de toelichting ter zitting, bij eiseres niet het geval is, kan niet gezegd worden dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid in de situatie van eiseres en de uitgezonderde groepen. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eiseres heeft en slotte aangevoerd dat de vermogensinkomensbijtelling de facto een terugwerkende kracht kent, omdat immers het vermogen van eisers over 2011 bepalend is voor de eigen bijdrage over 2013 en dit vermogen met terugwerkende kracht wordt ontnomen dan wel aangetast. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ter zitting is namens eiseres nog toegelicht dat als de vermogensinkomensbijtelling eerder bekend was geweest, bepaalde uitgaven eerder waren gedaan.

10.

De rechtbank kan eiseres ook hierin niet volgen. De vermogensbijtelling is eerst per 1 januari 2013 gaan gelden voor de eigen bijdragen ingevolge de AWBZ. Dat dit ingevolge de artikelen 1 en 6 van het Bbz op grond van het peiljaar van 2 jaar daarvoor geschiedt, hetgeen overigens onveranderd is, brengt niet mee dat sprake is van het opleggen van een eigen bijdrage met terugwerkende kracht.

De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van de inkomensgegevens van het peiljaar. Daaruit volgt al dat betrokkenen er steeds rekening mee moeten houden dat de verschuldigde bijdrage voor enig jaar anders kan zijn dan die voor het voorgaande jaar. Dat het gewijzigde Bbz inzake de vermogensinkomensbijtelling eerst op 5 december 2012 (Stb. 2012, 628) is gepubliceerd en per 1 januari 2013 in werking trad en aldus een zeer kort tijdsverloop was tussen bekendmaking en inwerkingtreding, maakt niet dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld.



11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Verwijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.