Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1642

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-03-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
05/901112-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/901112-10

Rechtbanknummer : 13/1970

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer inzake het op 04 oktober 2013 bij de rechtbank Gelderland ingekomen bezwaarschrift, ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

naam: [veroordeelde], hierna te noemen: veroordeelde,

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

strekkende tot gegrondverklaring van het klaagschrift en vernietiging van het afgenomen celmateriaal van veroordeelde.

De procedure

In besloten raadkamer d.d. 15 januari 2014 is de behandeling op verzoek van veroordeelde aangehouden.

In besloten raadkamer van 05 maart 2014 zijn gehoord veroordeelde en de officier van justitie, mr. D.E. Schaap.

De feiten

Uit het dossier blijkt - onder meer - het navolgende.

Veroordeelde is op 25 februari 2013 door de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ter zake (tweemaal) het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst.

Op 27 februari 2013 is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 12 augustus 2013 is door de officier van justitie bevolen dat celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek bij veroordeelde zal worden afgenomen. Op 02 oktober 2013 heeft afname van celmateriaal plaatsgevonden.

Het standpunt van veroordeelde

Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat zij nooit eerder in aanraking is geweest met justitie en de zaak dateert uit 2007 c.q. 2009. Ook zou het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld, niet voorkomen in artikel 67 Wetboek van Strafvordering en derhalve niet in aanmerking komen voor toepasselijkheid van de Wet DNA-onderzoek bij Veroordeelden. Dit geldt temeer nu het vonnis niet onherroepelijk is. Veroordeelde stelt voorts dat zij nooit eerder veroordeeld is voor ernstige misdrijven, waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. Tot slot ervaart veroordeelde opname van haar DNA in de DNA-databank als een ernstige inbreuk op haar privacy. Op grond van het voorgaande is veroordeelde van oordeel dat haar bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet uitgesloten is dat ook bij de opsporing, vervolging en berechting van witwas-feiten DNA-onderzoek een rol van betekenis speelt. Voorts strekt afname, bepalen en verwerken van DNA ook tot het weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Gelet hierop doen zich geen uitzonderingsgronden voor en is het openbaar ministerie gehouden DNA-materiaal van veroordeelde af te nemen en hieruit het DNA-profiel te bepalen. Ten slotte heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Van der Velden tegen Nederland al uitgemaakt dat uitvoering van de Wet DNA bij Veroordeelden geen schending van de privacy oplevert.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij Veroordeelden bepaalt dat de officier bij de justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (onder meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaar of meer is gesteld), celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. In het eerste lid onder a en b zijn de limitatieve uitzonderingsbepalingen opgenomen. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar is gesteld en dus valt onder het gestelde in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van veroordeelde betreffende het gestelde in artikel 67, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan de raadkamer in het kader van deze procedure niet plaatsen en speelt in deze procedure geen rol.

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden dient onder veroordeelde te worden verstaan: een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht (…). De omstandigheid dat veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 25 februari 2013 doet, gelet hierop, derhalve niet ter zake.

De raadkamer overweegt voorts dat - krachtens EHRM-jurisprudentie - uitvoering van de Wet DNA bij Veroordeelden geen ontoelaatbare schending van de privacy oplevert.

Door de wetgever is voorts bepaald in welke gevallen het bepalen en verwerken van DNA-profiel in de databank is toegestaan. In deze zaak is aan de wettelijke vereisten voldaan.

Naar het oordeel van de raadkamer biedt hetgeen door veroordeelde naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Daartoe overweegt de raadkamer als volgt.

Veroordeelde is veroordeeld voor – kort weergegeven – het (meermalen) gebruik maken van een vals of vervalst geschrift. Voor de raadkamer geldt als uitgangspunt dat een dergelijk delict naar zijn aard niet een misdrijf betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA-onderzoek geen enkele rol van betekenis kan spelen in het voorkomen, opsporen, vervolgen dan wel berechten van dergelijke misdrijven. Immers, naar zijn aard wordt dit misdrijf gekenmerkt door ‘gebruik maken’, hetgeen in veel gevallen zal betekenen dat het valse of vervalste document wordt voorhanden gehad, getoond, overgelegd, verstuurd, overhandigd etc. Bij het aldus gebruik maken van valse of vervalste documenten is niet onaannemelijk dat contactsporen op die documenten achterblijven.

Alleen al dit gegeven maakt dat DNA-onderzoek op die contactsporen zinvol kan zijn bij de opsporing van dergelijke feiten, alsmede bij de vaststelling van de betrokkenheid van een bepaalde persoon bij die documenten.

Ook in de bijzondere omstandigheden van het concrete misdrijf waarvoor veroordeelde is veroordeeld ziet de raadkamer geen aanleiding tot afwijking van voornoemde uitgangspunten.

De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. P.C. Quak, rechter, in tegenwoordigheid van

R. van Dijk, als griffier, en uitgesproken in raadkamer van 05 maart 2014.