Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1632

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
244534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[eiser] stelt dat ABCO is tekortgeschoten subsidiair onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende gedragscode en zich dusdoende aan een misleidende handelspraktijk schuldig heeft gemaakt. Zij heeft, zo betoogt [eiser], niet volgens de normen van een BORG gecertificeerd beveiligingsbedrijf gehandeld. De beveiliging had in ieder geval aanbrengen van alarm in de slaapkamer en de inloopkast moeten omvatten en moeten voorzien in een alarm bij de kluis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/244534 / HA ZA 13-386

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [plaats],

2. [eiser],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. R.J.A. Bron-Slis te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABCO BEVEILIGING BV,

gevestigd te Laag Soeren, gemeente Rheden,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] – voor eisers gezamenlijk – en ABCO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2009/2010 laat [eiser] een woonhuis voor zijn gezin bouwen. Hierbij is bestek opgesteld voor technische installaties door TRIAS Advies en Energiemanagement B.V. (hierna: TRIAS). Voor het installeren van de technische installaties schakelt [eiser] [derde 1] (hierna: [derde 1]) in, die gebruik maakt van[derde 2](hierna: [derde 2]) als onderaannemer.

2.2.

[eiser] vraagt [derde 1] om een offerte voor het aanleggen van een alarminstallatie. Deze schakelt hiervoor [derde 2] in en doet op 6 oktober 2009 een prijsopgave voor een beveiligingsinstallatie ad € 6.987,00 aan [eiser] toekomen, die geldt voor drie maanden; hierin worden ook de kosten van een onderhouds- en servicecontract genoemd. Op de bijbehorende tekeningen staat op de verdieping waar [eiser] slaapkamer met inloopkast zich bevindt, een alarmsensor ingetekend op de overloop, niet in de slaapkamer of de inloopkast.

2.3.

[derde 1] biedt [eiser] het onder 2.2 bedoelde stuk aan bij brief van 6 oktober 2009. Deze brief luidt onder meer als volgt.

Hiermee hebben wij het genoegen u onze prijsopgave te doen toekomen betreffende: beveiligingsinstallatie tbv bovenstaand project.

Onze prijsopgave is gebaseerd op onderstaande technische omschrijving, programma van eisen en bijgevoegde tekeningen.

Technische omschrijving:

*Beveiligingsplan

Dit beveiligingsplan is opgesteld volgens de van toepassing zijnde voorschriften conform het handboek beveiligingstechniek juli 2000

(vermeld worden dan onder meer tien bewegingsdetectoren, de rechtbank).

(…)

Wij vertrouwen erop u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan en graag zien wij uw gewaardeerde opdracht tegemoet.

2.4.

In november 2009 ontmoet [eiser] [naam], directeur van ABCO. Zij spreken over het nieuwe huis van [eiser] en over de beveiliging daarvan.

2.5.

ABCO is blijkens haar website lid van de Uneto VNI sectie Beveiliging en een BORG gecertificeerd beveiligingsbedrijf, wat onder meer inhoudt dat de uitvoering van de beveiliging die ABCO verzorgt, is afgestemd op de specifieke omstandigheden in het gebouw en de leefgewoonten van de opdrachtgever.

2.6.

[eiser] stuurt ABCO de onder 2.2-2.3 hierboven bedoelde stukken van [derde 1]. Vervolgens vindt een gesprek tussen [eiser] en ABCO. Daar komen het aanbrengen van onder meer een ‘beveiligingsring’ rond de woning voor ongeveer € 16.000,00 en het aanbrengen van vingercontacten op de sloten aan de orde.

2.7.

[eiser] is op dat moment al met de aannemer overeengekomen dat in de slaapkamer een kluis zal worden aangebracht.

2.8.

ABCO stuurt [eiser] op 1 december 2009 een offerte met een bestektekening.

2.9.

[eiser] stuurt deze offerte door naar TRIAS, waarop nog enig overleg plaatsvindt. TRIAS is niet op de hoogte van de plaatsing van de kluis in de slaapkamer.

2.10.

Bij brief van 11 december 2009 brengt ABCO een offerte uit voor de beveiliging van het woonhuis waarbij de uitgangspunten zijn een inbraaksignaleringssysteem, een meldkamerabonnement en een onderhoud- en serviceabonnement. De minimale eisen omvatten onder meer ‘ruimtelijke detectie op plaatsen waar zich de attractieve goederen concentreren en op strategische plaatsen in het pand voor vroegtijdige detectie’ en ‘ruimtelijke detectie in en aangrenzend aan de ruimten met een waardeberging [safe] of wanneer daar meeneem beperkende maatregelen zijn toegepast’. De kosten van de voorgestelde installatie bedragen € 6.879,00. De offerte noemt tevens de kosten van een onderhoud- en service alsmede van een meldkamerabonnement.

2.11.

Verschillen tussen [derde 2] offerte en die van ABCO zijn onder meer dat eerstgenoemde tien detectoren noemt en ABCO elf, dat [derde 1] 72 magneetcontacten wil aanbrengen en ABCO 69 en dat ABCO vier binnensirenes voorstelt en [derde 1] twee. Op de tekeningen is zichtbaar dat ABCO één extra bewegingsdetector op de begane grond in het trappenhuis heeft gepland. Wat de verdieping waar [eiser] slaapkamer met inloopkast zich bevindt, betreft, is ook door ABCO een alarmsensor ingetekend op de overloop en niet in de slaapkamer of de inloopkast.

2.12.

[eiser] tekent ABCO’s offerte voor akkoord. De laatste zin van de offerte boven de ondertekening luidt:

Het beveiligingsplan wat aan deze offerte ten grondslag ligt, beperkt de kans op inbraak en diefstal aanzienlijk. ABCO Beveiliging kan echter geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden indien u toch slachtoffer van inbraak bent geworden.

2.13.

In de zomer van 2010 is het huis klaar en trekt [eiser] gezin erin. De aannemer heeft de kluis dan ingebouwd. ABCO installeert de beveiligingsinstallatie en deze wordt op 3 september 2010 opgeleverd.

2.14.

Op 31 december 2012 brengt [eiser] de jaarwisseling bij vrienden door. Om 17.25 uur worden de vier zones van de alarminstallatie ingeschakeld. Zij worden op 1 januari 2013 om 2.49 uur uitgeschakeld.

2.15.

[eiser] doet aangifte gedaan van diefstal uit het woonhuis die blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft plaatsgevonden tussen 31 december 2012, 17.20 uur en 1 januari 2013, 2.50 uur. Uit de aangifte blijkt dat

  • -

    bij thuiskomst van [eiser] de buitenverlichting uit was,

  • -

    een ladder tegen de achtergevel stond die er bij vertrek niet had gestaan,

  • -

    het raam van de inloopkast op de eerste verdieping met grof geweld verbroken was,

  • -

    de inloopkast en kasten in de slaapkamer doorzocht waren,

  • -

    de kluis in de slaapkamer, waar een foto voor gehangen had, was opengebroken en

  • -

    dat door dit openbreken tegels in de badkamerwand achter de kluis beschadigd waren.

De ladder was uit de opengebroken schuur van [eiser] gehaald.

2.16.

Uit de kluis zijn volgens [eiser] aangifte sieraden gestolen ter waarde van € 177.635,00 en € 8.000,00 aan contant geld.

2.17.

In de inloopkast en de slaapkamer bevonden zich geen alarmsensoren. De ingeslagen ruit bevatte geen alarm, maar was wel van gelaagd glas.

2.18.

Bij brief van 14 januari 2013 stelt [eiser] advocaat ABCO aansprakelijk voor de schade ad € 190.000,00 die het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming welke bestond in het niet adequaat beveiligen van de woning. De brief luidt onder meer:

De dieven hebben de enige ruit ingeslagen die – naar thans blijkt – (in strijd met de afspraken) niet was voorzien van een alarm en zich zo via een aangrenzende ruimte (opnieuw anders dan afgesproken was) ongestoord de toegang kunnen verschaffen tot de ruimte waarin zich de kluis van de familie bevond. In deze ruimte was – anders dan in het beveiligingsplan tot uitgangspunt was genomen – (ook) geen alarminstallatie aanwezig.

2.19.

Ondertussen heeft [eiser] ABCO gevraagd een alarmsensor in de inloopkast te plaatsen. Op 24 januari 2013 brengt zij een offerte uit voor alarmsensoren in de slaapkamer en de inloopkast. De werkzaamheden worden de volgende dag uitgevoerd.

2.20.

[eiser] heeft geen kostbaarhedenverzekering. [eiser] inboedelverzekering dekt sieraden tot € 3.500,00. De verzekeraar heeft dit bedrag uitgekeerd en voorts € 1.250,00 uitgekeerd, de maximumvergoeding voor gestolen contant geld. De overige schade aan inboedel en woning is door de verzekeraar geheel vergoed.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat ABCO is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de onder 2.12 bedoelde overeenkomst, subsidiair onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende gedragscode en zich dusdoende aan een misleidende handelspraktijk schuldig heeft gemaakt. Zij heeft, zo betoogt [eiser], niet volgens de normen van een BORG gecertificeerd beveiligingsbedrijf gehandeld. De beveiliging had in ieder geval aanbrengen van alarm in de slaapkamer en de inloopkast moeten omvatten en moeten voorzien in een alarm bij de kluis. De tekortkoming is ABCO toe te rekenen. De schade van [eiser] beloopt € 177.635,00 voor de sieraden en € 8.000,00 voor het contante geld, waarvan de verzekeraar € 4.750,00 heeft vergoed.

3.2.

Op grond van het voorgaande vordert [eiser] – samengevat – een verklaring voor recht primair inhoudend dat ABCO toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis, subsidiair dat ABCO onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], en dat zij aansprakelijk is voor de als gevolg hiervan door [eiser] geleden schade, veroordeling van ABCO tot betaling van € 180.885,00 en van € 2.842,00 aan buitengerechteijke kosten, een en ander vermeerderd met rente en kosten waaronder nakosten.

3.3.

ABCO voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

ABCO beroept er zich op dat in haar offerte de aansprakelijkheid voor de gevolgen van diefstal expliciet, vlak boven de handtekening van [eiser], is uitgesloten (2.12).

4.2.

Door ondertekening is deze bepaling onderdeel van de overeenkomst van partijen geworden. ABCO mocht ervan uit gaan dat [eiser] de bepaling gelezen en begrepen had. Deze, uitdrukkelijk aan het einde van de offerte gestelde bepaling, maakt geen onderdeel uit van algemene voorwaarden. [eiser] beroep op vernietigbaarheid ervan gaat niet op.

4.3.

[eiser] stelt dat ABCO in geval van opzet of grove schuld aan haar kant geen beroep op de bepaling kan doen. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven omdat de stellingen van [eiser] niet inhouden dat er sprake is van opzet of grove schuld, maar primair (slechts) van een toerekenbare tekortkoming, namelijk het niet nakomen van de verbintenis tot beveiliging van de plaats waar de kluis zich bevond. Is ABCO inderdaad in die zin tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, dan kan zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet beroepen op de slotzinnen van de offerte. De ondertekende offerte bevat dan immers niet een overeenkomst met de zekerheden die daaraan volgens ABCO zelf, zoals blijkt uit de overwegingen 2.5 en 2.10 hierboven, zijn verbonden.

4.4.

De rol die de onder 4.1 bedoelde bepaling in deze zaak speelt is dus beperkt, zo niet verwaarloosbaar.

4.5.

Bij de beoordeling speelt wel een rol dat partijen van elkaar afwijkende visies hebben op de inhoud van de overeenkomst. ABCO stelt dat zij tegenover [eiser] verplicht was het beveiligingsplan uit te voeren zoals dat in de offerte van [derde 1] was neergelegd. Daarnaast is er alleen op enig moment sprake geweest van de mogelijkheid van het aanleggen van een beveiligingsring, maar daar is geen opdracht toe gegeven en daarmee bleef de beveiliging op een aantal details na tot het oorspronkelijke plan van [derde 1] beperkt.

4.6.

Hier staat tegenover dat volgens [eiser] de overeenkomst inhield dat ABCO voor het beveiligen van zijn woning zorg zou dragen en dat de uitvoering van de beveiliging zou zijn afgestemd op de specifieke omstandigheden in de woning en de leefgewoonten van [eiser] en zijn gezin, waarin [eiser] aansluit bij de Nationale Beoordelingsrichtlijn BORG 2005 Versie 2. Daarbij was het aan ABCO om met de kennis die zij van het te beveiligen woonhuis had of door navraag bij [eiser] behoorde te hebben, waaronder kennis over de aanwezigheid van de kluis, overeenkomstig deze normen een alarmsysteem aan te brengen.

4.7.

In deze stelling van [eiser] speelt een rol dat volgens hem het onder 2.2 en 2.3 bedoelde stuk van [derde 1] geen offerte was, maar een ‘eerste opzet voor de installatie van een alarminstallatie, voorzien van een prijsopgave van de onderaannemer van [derde 2]’, zoals het stuk wordt aangeduid in de akte overlegging producties van [eiser]. Dit standpunt acht de rechtbank onjuist. In de dagvaarding staat uitdrukkelijk dat [eiser] [derde 2] heeft gevraagd een offerte uit te brengen, dat een onderaannemer van [derde 2] dit heeft gedaan en dat op naam van [derde 1] een eerste opzet is gemaakt. Uit deze formulering blijkt ondubbelzinnig dat [eiser] om een offerte heeft gevraagd. Even ondubbelzinnig, zo blijkt uit de onder 2.3 weergegeven feiten, heeft [derde 1] deze verschaft.

4.8.

De status van dit stuk is van belang omdat nu er sprake is van een offerte van [derde 1], het voor ABCO op zichzelf mogelijk was hierbij aan te sluiten. De stelling van [eiser] dat dit al niet kon omdat de ‘opzet’ van [derde 1] daarvoor geen bruikbaar stuk was, wordt dan ook verworpen.

4.9.

Het geringe verschil, juist ten aanzien van de bewegingsdetectoren, tussen de offerte van [derde 1] en die van ABCO lijkt erop te duiden dat ABCO zich minst genomen oriënteerde op [derde 2] offerte. Dit mocht zij, zolang zij maar voldeed aan haar verplichtingen, die volgens haar offerte (2.10) onder meer gericht waren op ‘ruimtelijke detectie in en aangrenzend aan de ruimten met een waardeberging [safe]’.

4.10.

De aanwezigheid van een kluis en de kennis van die aanwezigheid zijn wezenlijke elementen van [eiser] stellingen. Hij stelt immers dat het beveiligingsplan van ABCO in het bijzonder daarin te kort schoot, dat geen maatregelen waren genomen om de ruimte waarin de kluis zich bevond, de slaapkamer, en de toegang(en) tot die ruimte, de inloopkast, afdoende te beveiligen. Dit terwijl in de offerte nadrukkelijk sprake was van ‘ruimtelijke detectie in en aangrenzend aan de ruimten met een waardeberging [safe]’. ABCO ontkent dat zij van de aanwezigheid van de kluis op de hoogte was.

4.11.

Op de tekeningen van zowel [derde 1] als ABCO is duidelijk zichtbaar dat er zich in de inloopkast noch in de slaapkamer een bewegingsmelder bevindt. Dit zijn ‘ruimten met een waardeberging [safe]’.

4.12.

De verplichtingen van ABCO concentreren zich hiermee op de beveiliging van de kluis in de slaapkamerwand. Daarbij acht de rechtbank essentieel dat zich in de slaapkamer geen alarmsensor (bewegingsmelder) bevond. Op welke wijze dieven ook in de slaapkamer gekomen zouden zijn, met een alarmsensor gericht op de wand waarin zich de kluis bevond, was de beveiliging in werking getreden op het moment dat zij die wand naderden – ervan uitgaande dat het systeem naar behoren werkte en niet gesaboteerd was, twee kwesties die hier niet aan de orde zijn. Zonder die sensor hadden zij vrij spel.

4.13.

Zo'n sensor zat noch in de inloopkast die als toegang voor de dief/dieven heeft gefungeerd, noch in de slaapkamer. Er waren er elf op andere plaatsen in het huis aangebracht. Het zijn kleine kastjes die aan de wand of het plafond bevestigd zijn.

4.14.

Al aangenomen, stelt ABCO, dat zij tekortgeschoten was in de nakoming van de overeenkomst door noch in de inloopkast noch in de slaapkamer een sensor aan te brengen, dan had [eiser] dit terstond na het aanbrengen van de elf sensoren moeten merken. Hij had zich dan op dit duidelijk zichtbare gebrek moeten beroepen binnen bekwame tijd nadat hij het had ontdekt (art. 6:89 Burgerlijk Wetboek).

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of [eiser] wist of behoorde te weten dat er zich in de slaapkamer geen alarmsensor bevond. Daargelaten dat het kastje aan de wand zichtbaar is, heeft [eiser] overigens de offerte van ABCO bekeken, goedgekeurd en ondertekend en mocht ABCO er door de ondertekening vanuit gaan dat [eiser] de plattegronden had bekeken waarop overduidelijk géén sensor in de slaapkamer en/of de inloopkast stond.

4.16.

Belangrijker dan deze wetenschap van [eiser] echter is dat van ABCO, zowel wanneer zij [derde 2] offerte volgde als wanneer zij een geheel eigen beveiligingsplan maakte, verwacht mocht worden dat als zij wist dat zich in de slaapkamer een kluis bevond, zij maatregelen had genomen om die ruimte te beveiligen of, minst genomen, daartoe een voorstel had gedaan aan [eiser].

4.17.

Dit betekent dat [eiser] er ondanks de afwezigheid van een zichtbare detector in de slaapkamer en/of de inloopkast, op mocht vertrouwen dat ABCO voldaan had aan haar eigen eis (zie 2.10) ruimtelijke detectie toe te passen in en aangrenzend aan de ‘ruimten met een waardeberging [safe]’. Dit mocht hij echter alleen als hij ervan uit mocht gaan dat ABCO op de hoogte was van het feit dat de woning zo’n ruimte bevatte.

4.18.

Daarmee is de kern van deze zaak komen te liggen in de vraag of ABCO op de hoogte was van het voornemen van [eiser] in de slaapkamerwand een kluis aan te brengen. Zij stelt dit niet geweten te hebben tot de inbraak, maar [eiser] stelt dat hij haar op de hoogte had gebracht voordat de beveiliging geïnstalleerd werd. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of ABCO tekortgeschoten is, is of zij ten tijde van het installeren van het alarm wist of behoorde te weten dat in de slaapkamerwand een kluis aangebracht was dan wel zou worden.

4.19.

Een en ander betekent dat het volgens de hoofdregel van het bewijsrecht aan [eiser] is te bewijzen dat ABCO ten tijde van het uitvoeren van het beveiligingsplan voor [eiser] bekend was, althans behoorde te zijn, met het gegeven dat in de slaapkamer op de eerste verdieping een kluis ingebouwd was of zou worden.

4.20.

Slaagt [eiser] niet in dit bewijs, dan is er geen sprake van de door [eiser] gestelde tekortkoming van ABCO. Van haar kon immers niet verwacht worden dat zij rekening hield met de noodzaak van beveiliging van een ruimte die een kluis bevatte, als zij niet behoorde te weten dat er zich ergens een kluis bevond. Slaagt [eiser] niet in zijn bewijs dan is ook de grond aan het door hem gestelde onrechtmatig handelen van ABCO ontvallen.

4.21.

Slaagt [eiser] echter in het bewijs, dan is er sprake van een tekortkoming aan de zijde van ABCO omdat er geen bijzondere maatregelen waren genomen om de ruimte waarin de kluis zich bevond te beveiligen.

4.22.

Komt de tekortkoming vast te staan, dan is de vraag aan de orde of deze de schade tot gevolg heeft gehad die [eiser] stelt. De rechtbank is van oordeel dat een deel van deze vraag eenvoudig is beantwoorden aan de hand van het politieproces-verbaal: de dieven hebben de woning binnen kunnen komen door de ruit van de inloopkast te verbreken en vervolgens hebben zij de slaapkamer kunnen doorzoeken. Het eerste was bemoeilijkt doordat er sprake was van een gelaagde ruit die slechts met grof geweld en veel lawaai te verbreken is. Dat is gelukt in de oudejaarsnacht onder dekking van vuurwerklawaai. Doorslaggevend is dat de inbrekers vervolgens de slaapkamer betrekkelijk ongehinderd hebben kunnen doorzoeken, waarbij zij de kluis aantroffen. Gesteld noch gebleken is dat dit had kunnen gebeuren wanneer een bewegingssensor in die ruimte was aangebracht, waardoor de inbraak gesignaleerd zou zijn. Dat dit in de voor de politie drukke oudejaarsnacht weinig of niets zou hebben uitgemaakt, zoals ABCO suggereert, laat de rechtbank voor wat het is: een suggestie.

4.23.

Als de tekortkoming van ABCO vast staat dat er ten onrechte geen rekening was gehouden met de aanwezigheid van de kluis in de slaapkamer, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank op grond van het voorgaande vast dat een gevolg hiervan is geweest dat de inbrekers slaapkamer betrekkelijk ongehinderd hebben kunnen doorzoeken, waarbij zij de kluis aantroffen.

4.24.

[eiser] betoogt dat een melding van de inbraak als deze wel gesignaleerd was, de schade had kunnen voorkomen althans beperken. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit voor de hand. Hierbij laat de rechtbank meewegen dat de inbrekers al in hun tijd en bewegingsvrijheid beperkt zouden zijn geweest doordat zij zelf wanneer een sensor aanwezig geweest was in de slaapkamer of de inloopkast – die immers goed zichtbaar is, zoals ABCO zelf aanvoert – hadden geweten dat er een melding gedaan zou worden.

4.25.

Mede op grond van het zojuist overwogene verwerpt de rechtbank het betoog van ABCO dat nu de kluis in een tijdsbestek van 30 seconden tot enkele minuten te openen was, de aanwezigheid van bewegingsdetectie de schade niet had kunnen voorkomen of beperken. De vraag is in dit geval niet of de mogelijke zwakte van deze kluis de diefstal vergemakkelijkt heeft, maar of een zwaardere kluis bestand zou zijn geweest tegen het inbrekersgeweld in de lange periode – uit de aangifte blijkt dat zij twee uur de tijd hebben gehad – die zij door het ontbreken van alarm hadden. Dat zij in de tijd die hen ter beschikking stond, ook een zwaardere kluis niet hadden open gekregen, stelt ABCO niet.

4.26.

Vervolgens is de kluis naar [eiser] stelt, leeggehaald. Het zal aan hem zijn te bewijzen, nu dit betwist wordt, dat het door hem genoemde geldbedrag en de sieraden zich daarin bevonden. Dit staat op grond van de aangifte, immers een eenzijdige verklaring van [eiser], niet vast. De aankoopbewijzen doen niet meer dan dit woord zegt: de aankoop bewijzen. Een taxatierapport waaruit blijkt dat de sieraden zich in de woning bevonden zou al grotere zekerheid bieden, maar dit is niet overgelegd.

4.27.

De rechtbank overweegt in verband met de bewijsopdracht die zij te dezen mogelijk [eiser] moet geven, dat enerzijds geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld aan het bewijs van de aanwezigheid van te eniger tijd verworven sieraden, maar dat anderzijds [eiser] zelf het risico dient te dragen van het niet kunnen beschikken over een taxatierapport, zoals bijvoorbeeld, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, bij een kostbaarhedenverzekering verplicht is. Ten aanzien van het geld overigens, is tot nu toe geen enkel bewijs overgelegd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiser] op te bewijzen dat ABCO ten tijde van het uitvoeren van het beveiligingsplan voor [eiser] bekend was, althans behoorde te zijn, met het gegeven dat in de slaapkamer op de eerste verdieping een kluis ingebouwd was of zou worden,

5.2.

bepaalt dat, voor zover [eiser] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 maart 2014 voor het opgeven door [eiser] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden maart tot en met juni 2014, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4.

verwijst voor het geval [eiser] op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien [eiser] daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser], waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

5.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.