Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1256

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
AWB-12_586
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie, Wet op het specifiek cultuurbeleid, Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013 – 2016, artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht, besluit, beëindiging langjarige subsidie, erfpachtovereenkomst tussen eiseres en de Staat der Nederlanden, Haviltex, vertrouwensbeginsel.

Beëindiging langjarige exploitatiesubsidie wegens bezuinigingen in de cultuursector. Beleidswijzigingen in de subsidiëring van de culturele basisinfrastructuur hebben op zichzelf betrekking op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de brief van de minister van 23 juni 2008 op zichzelf geen aanleiding voor verweerder om van het beleid af te wijken.

In de erfpachtovereenkomst tussen eiseres en de Staat der Nederlanden is echter een inspanningsverplichting van de Staat opgenomen, gericht op het genereren van middelen om het exploitatietekort te dekken. Naar het oordeel van de rechtbank rust deze inspanningsverplichting op verweerder. Uitleg van de erfpachtovereenkomst in dit geval.

De rechtbank neemt een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2014/83

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/586, 12/1511 en 13/6684

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe, te Hoenderloo, eiseres

(gemachtigde: mr. J.G. Bos),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

Procesverloop

Bij brief van 14 juni 2011 heeft eiseres bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor 2012 een instellingssubsidie aangevraagd ten behoeve van activiteiten van het Jachthuis Sint Hubertus (hierna: het Jachthuis).

Bij besluit van 16 september 2011 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres voor 2012 een instellingssubsidie verleend van [bedrag]. Tevens heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de eenjarige instellingssubsidies, bedoeld voor het dekken van een exploitatietekort, met ingang van 2013 worden beëindigd en dat een aanvraag om een instellingssubsidie voor 2013 zal worden afgewezen.

Bij besluit van 27 januari 2012 (het bestreden besluit 1) heeft de directeur Produkten en Diensten van de Dienst Uitvoering en Onderwijs namens de staatssecretaris van OCW het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 12 maart 2012 heeft verweerder dit besluit bekrachtigd. Tegen bestreden besluit 1 is beroep ingesteld (zaaknummer 12/586).

Bij brief van 5 april 2012 heeft eiseres bij verweerder een instellingssubsidie voor het jaar 2013 aangevraagd.

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Daarbij heeft eiseres aan verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb. Nadat verweerder hiermee heeft ingestemd, is het bezwaar doorgezonden naar de rechtbank.

Het besluit van 7 augustus 2012 wordt hierna aangeduid met bestreden besluit 2 (zaaknummer 12/1511).

Bij besluit van 6 december 2012 heeft de minister van OCW de grondslag van zijn besluit van 7 augustus 2012 gewijzigd.

Bij brief van 2 mei 2013 heeft eiseres bij verweerder een instellingssubsidie voor het jaar 2014 aangevraagd.

Bij besluit van 4 september 2013 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Ook ten aanzien van dit besluit hebben partijen toepassing gegeven aan artikel 7:1a van de Awb en het gemaakte bezwaar doorgezonden naar de rechtbank. Dit besluit wordt hierna aangeduid met bestreden besluit 4 (zaaknummer 13/6684).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Namens eiseres is H. Beukhof (bestuurslid) verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Bos. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D. Cossee-Gosschalk en N. van Driel.

Overwegingen

1.De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Het Jachthuis behoort tot het cultureel erfgoed en is eigendom van eiseres. Zij heeft het in erfpacht uitgegeven aan de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat). Het Jachthuis is gedeeltelijk toegankelijk voor publiek, maar wordt ook door de Staat gebruikt als conferentieoord en als logeeradres voor bewindspersonen, ambassadeurs en bijzondere gasten van het Nationaal Park Hoge Veluwe. Sinds 1947 ontvangt eiseres van de Staat jaarlijks een instellingssubsidie voor het dekken van het exploitatietekort van het Jachthuis.

De bevoegdheid te beslissen inzake subsidies op het gebied van OCW is inmiddels overgedragen van de staatssecretaris naar verweerder.

Beroep met zaaknummer 12/586

2.Ambtshalve moet de rechtbank beoordelen of primair besluit 1 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Bij besluit van 4 augustus 2011 betreffende de vaststelling van de subsidie voor 2010 heeft de staatssecretaris tevens aan eiseres meegedeeld dat de eenjarige instellingssubsidies bedoeld voor het dekken van het exploitatietekort met ingang van 1 januari 2013 worden beëindigd. In die brief is tevens aangekondigd dat een aanvraag voor een instellingssubsidie voor het jaar 2013 zal worden afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 24 april 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE1842) moet de brief van 4 augustus 2011 ook in zoverre worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien de bescherming die artikel 4:51 van de Awb wil verlenen aan subsidieontvangers die drie of meer jaren subsidie ontvangen, niet tot haar recht komt, indien de bekendmaking van het voornemen tot weigering van de subsidie wordt gezien als een aankondiging zonder rechtsgevolg.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres dat zij op grond van de e-mail van 15 september 2011 mocht menen dat de brief van 4 augustus 2011 geen besluit was, niet. Anders dan het geval was in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de AbRvS van 13 februari 2013 (AB 2014, 16) bevatte de brief van 4 augustus 2011 geen uitdrukkelijke mededeling dat deze brief geen aankondiging in de zin van artikel 4:51 van de Awb bevatte, zodat in die brief zelf geen reden is gelegen om af te wijken van het uitgangspunt dat de brief ook in zoverre een besluit bevatte. De e-mail van 15 september 2011 doet hieraan evenmin af omdat de in die e-mail vervatte mededeling dat de voornemenbrieven niet het karakter van een besluit dragen, blijkens die e-mail betrekking heeft op specifieke, na de e-mail nog te verzenden, brieven.

Aangezien de staatssecretaris zijn voornemen tot weigering van de subsidie in primair besluit 1 heeft herhaald, kan die brief in zoverre niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, aangezien deze herhaling geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven roept. Hieruit volgt dat de staatssecretaris eiseres ten onrechte in haar bezwaar tegen dat besluit heeft ontvangen. Het beroep met zaaknummer 12/586 is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beroep met zaaknummer 12/1511, voor zover gericht tegen bestreden besluit 2

3.De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn besluit van 6 december 2012 de grondslag van bestreden besluit 2 heeft gewijzigd, doch de afwijzing van de subsidie heeft gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank dient het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 6 december 2012, omdat dit besluit nog steeds niet aan het beroep tegemoet komt. Dit besluit wordt hierna aangeduid met bestreden besluit 3. Omdat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen bestreden besluit 2, dient dat beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beroepen met zaaknummer 12/1511 voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 en 13/6684

4.Gelet op het feit dat de bestreden besluiten 3 en 4 zijn genomen naar aanleiding van concrete aanvragen van eiseres om toekenning van een subsidie voor de jaren 2013 en 2014, is de rechtbank van oordeel dat deze besluiten op rechtsgevolg zijn gericht, zodat de rechtbank deze besluiten inhoudelijk kan beoordelen.

5.Aan de bestreden besluiten 3 en 4 ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat in het kader van een ingrijpende landelijke bezuiniging op het cultuurbudget per 1 januari 2013 geen eenjarige instellingssubsidies meer worden verleend.

Verweerder heeft voor de motivering van zijn standpunt verwezen naar zijn brief van 10 juni 2011 aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, getiteld “Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid”, waarin een nieuwe visie op het cultuurbeleid in de periode 2013 - 2016 uiteen wordt gezet en waarbij de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013 -2016 is aangeboden. In voormelde brief wordt aangegeven dat het gaat om een bezuiniging van € 200 miljoen, waarvan ongeveer € 123 miljoen op culturele instellingen en fondsen die een directe subsidie van het rijk ontvangen (de culturele basisinfrastructuur).

De nieuwe basisinfrastructuur gaat in op 1 januari 2013. Verder wordt vermeld dat het kabinet de eenjarige instellingssubsidies, bedoeld voor het dekken van het exploitatietekort van erfgoedinstellingen, in 2013 zal beëindigen.

6.Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet tot de culturele basisinfrastructuur behoort zodat de herziening hiervan onverlet laat dat de subsidie aan haar kan en moet worden gecontinueerd.

Daartoe is allereerst betoogd dat de grondslag van de jaarlijkse instellingssubsidie aan eiseres, te weten artikel 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc) en artikel 1 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid (Bsc), ongewijzigd blijft. Volgens eiseres zijn de brief van 10 juni 2011 en de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013 - 2016 dus niet op haar van toepassing. Dit leidt zij af uit de brief van voormalig minister Plasterk van 23 juni 2008. Verder rechtvaardigt de herziening van de culturele basisinfrastructuur volgens haar niet dat verweerder zich onttrekt aan de bijzondere regeling die sinds 1947 voor de exploitatie van het Jachthuis is getroffen in de elkaar opvolgende erfpachtovereenkomsten. In dat verband doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel.

7.De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4 van de Wsc kan de minister ten behoeve van cultuuruitingen subsidies verstrekken.

Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wsc stelt de minister bij ministeriële regeling eenmaal per vier jaar regels vast voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende periode van vier kalenderjaren.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het op artikel 8 van de Wsc gebaseerde Bsc kan de minister ten behoeve van cultuuruitingen als bedoeld in artikel 4 van de Wsc jaarlijkse instellingssubsidies en projectsubsidies verstrekken.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Bsc, voor zover van belang, is een jaarlijkse instellingssubsidie een subsidie aan een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid gedurende een kalenderjaar voor het geheel of gedeelte van de activiteiten van die rechtspersoon, waarbij het kalenderjaar gelijk is aan het boekjaar.

8.In de brief van de minister van OCW van 23 juni 2008 aan eiseres is het volgende vermeld: “Uw instelling komt niet in aanmerking voor langjarige subsidie en verricht evenmin functies die in aanmerking komen voor vierjaarlijkse subsidie uit het subsidieplan. Vanuit de verantwoordelijkheid van het rijk op grond van de met uw stichting gesloten erfpachtovereenkomst ben ik echter in beginsel bereid de subsidierelatie te continueren, op grond van artikel 4 van de Wsc. Ik wil evenwel de komende jaren in overleg met betrokkenen ten principale stilstaan bij de bestuurlijke verantwoordelijkheden voor uw instelling. In afwachting en afhankelijk van verdere besluitvorming hierover ben ik voornemens u voor de komende vier jaar (te rekenen vanaf 1 januari 2009) jaarlijks een instellingssubsidie te verlenen …”.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiseres in het verleden, hoewel zij niet tot de culturele basisinfrastructuur behoorde, de jaarlijkse instellingssubsidie ontving op grond van het cultuurbeleid zoals dat binnen de kaders van de Wsc werd gevoerd.

9.De rechtbank stelt vast dat de criteria om voor een subsidie als bedoeld in artikel 4 van de Wsc in aanmerking te komen, ingevolge het bepaalde in artikel 4a, eerste lid, van de Wsc eenmaal per vier jaar worden vastgesteld. Op die basis heeft verweerder de Regeling van 14 oktober 2011, nr. WJZ/299782 (8314), houdende wijziging van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid in verband met het vaststellen van de criteria voor vierjaarlijkse subsidiëring in de periode 2013–2016 (Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016) vastgesteld (Staatscourant 31 oktober 2011, nummer 19431, hierna: de Subsidieregeling 2013-2016). Niet in geding is dat eiseres niet tot de culturele basisinfrastructuur behoort als omschreven in de Subsidieregeling 2013-2016, en dat niet langer jaarlijkse exploitatiesubsidies worden verleend. Dit maakt dat eiseres op grond van het gewijzigde beleid niet langer voor subsidie in aanmerking komt. Het betoog dat deze wijzigingen geen betrekking kunnen hebben op de aan haar verstrekte subsidie faalt om die reden.

10.Anders dan eiseres heeft betoogd, behoeft de door toenmalig minister Plasterk gedane toezegging in de brief van 23 juni 2008, mede gelet op de veranderde financiële positie van het Rijk en de gevolgen die de rijksoverheid daaraan heeft verbonden, voor verweerder op zichzelf geen aanleiding te zijn om van het beleid af te wijken door eiseres na 2013 buiten het kader van de culturele basisinfrastructuur te subsidiëren. Aan die toezegging kon eiseres op zichzelf niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de subsidie ook na afloop van de huidige subsidieperiode aan haar zou worden verleend. In dat verband verwijst de rechtbank nog naar de uitspraak van de AbRvS van 31 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9097, Gst 2013/94), waarin ook een jaarlijkse exploitatiesubsidie aan een instelling die niet onder culturele basisinfrastructuur viel kon worden beëindigd hoewel ook in dat geval door toenmalig minister Plasterk een toezegging zou zijn gedaan.

11.Vervolgens moet worden beoordeeld of de tussen partijen geldende erfpachtovereenkomst maakt dat verweerder in weerwil van het voorgaande gehouden is het jaarlijkse exploitatietekort van eiseres te blijven subsidiëren.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat door eiseres op 12 maart 1947 aan de Staat der Nederlanden het recht van erfpacht is verleend van het Jachtslot “St. Hubertus” met rozentuinen, gelegen in het Nationale Park “De Hoge Veluwe”. Dat recht van erfpacht is bij overeenkomst van 7 december 1977 voor een periode van 5 jaar verlengd. Nadien is de overeenkomst nog meerdere malen verlengd en bij briefwisseling van 18 december 2009 en 22 januari 2010 zijn partijen overeengekomen dat de erfpachtovereenkomst blijft doorlopen in afwachting van een nieuw te sluiten erfpachtovereenkomst. Ter zitting is gebleken dat het recht van erfpacht nog steeds geldt.

In de overeenkomst van 7 december 1977 is in artikel 7 – welke bepaling in latere overeenkomsten inhoudelijk is gehandhaafd – het volgende opgenomen:

“De Stichting zal zich blijven belasten met de exploitatie van Het Jachtslot, met dien verstande, dat de Staat zich sterk maakt voor dekking van het exploitatietekort, echter uitsluitend voor zover de wetgever daartoe de middelen beschikbaar stelt. De subsidie kan echter in geen geval meer bedragen dan het tekort van een door de Staat aanvaarde exploitatiebegroting. De hoogte van de subsidie zal jaarlijks definitief worden vastgesteld aan de hand van een door een registeraccountant gecertificeerde jaarrekening.”.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt deze bepaling een inspanningsverplichting van de Staat in, gericht op het genereren van middelen om het exploitatietekort van eiseres te dekken.

12.Uit de jurisprudentie van de AbRvS, zie onder meer de uitspraak van 8 september 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924, AB 2004/458) volgt dat dergelijke privaatrechtelijk overeengekomen verplichtingen verwachtingen kunnen wekken die, op grond van het vertrouwensbeginsel, bij de beoordeling van bestuursrechtelijke geschillen betrokken moeten worden.

In aanmerking genomen de bepaling in de meest recente erfpachtovereenkomst van 6 juli 2000 dat het recht van erfpacht wordt verleend aan “de Staat (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)”, het gebruik van het woord subsidie, de omstandigheid dat het tekort in het verleden door middel van een subsidie van (rechtsvoorgangers van) verweerder is gedekt en in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat de inspanningsverplichting op een ander orgaan van de Staat is komen te rusten, is de rechtbank van oordeel dat de overeengekomen inspanningsverplichting op verweerder rust. Ook is de rechtbank van oordeel dat op grond van de erfpachtovereenkomst gewekte verwachtingen bij de beoordeling van de onderhavige subsidieaanvragen betrokken moeten worden. Daartoe is van belang dat verweerder aan de op hem rustende verplichting in de afgelopen jaren uitvoering heeft gegeven door op grond van de Wsc subsidie te verstrekken, dit ondanks dat minister Plasterk al twijfels had over de vraag of het Jachtslot strikt genomen binnen het kader van die wet en het daarop gebaseerde beleid viel. Verder is in dat verband van belang dat gesteld noch gebleken is dat verweerder op een andere wijze invulling heeft gegeven aan deze verplichting.

13.Voor de beoordeling of en in hoeverre bij eiseres op grond van de erfpachtovereenkomst verwachtingen zijn gewekt die grond vormen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, is van belang hoe ver de in de erfpachtovereenkomst opgenomen inspanningsverplichting strekt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, Haviltex) volgt dat daarbij niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de contractsbepaling maar ook naar de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij op dat punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In de meest recente erfpachtovereenkomst van 6 juli 2000 is bepaald dat de Staat het Jachtslot gebruikt voor conferenties en soortgelijke doeleinden, voor de ontvangst van bijzondere gasten en voor kort verblijf van ministers, ambassadeurs en staatssecretarissen. De Staat is daarvoor een jaarlijkse canon van één gulden verschuldigd en de Staat onderhoudt gedurende de erfpachttermijn het Jachtslot. Naar het oordeel van de rechtbank vormt een vergoeding van één gulden per jaar en onderhoud een slechts geringe tegenprestatie voor het in erfpacht krijgen van het Jachthuis, zodat kan worden aangenomen dat de ook in de overeenkomst opgenomen vergoeding in de vorm van het dekken van het exploitatietekort, een wezenlijk onderdeel van de tegenprestatie van de Staat vormt. Daar komt bij dat eiseres in haar exploitatiemogelijkheden wordt beperkt door de rechten die de Staat op het Jachthuis kan doen gelden. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 6 van de erfpachtovereenkomst dan ook aldus worden uitgelegd dat verweerder er, voor zover het in zijn macht ligt, voor moet zorgen dat het tekort van eiseres wordt gedekt en dat hij slechts van dekking kan afzien indien de wetgever weigert hem de daarvoor benodigde middelen beschikbaar te stellen. Hierop mocht eiseres vertrouwen.

Indien verweerder zich niet langer wenste sterk te maken voor vergoeding van dat tekort had het op zijn weg gelegen de, inmiddels afgelopen en aan nieuwe onderhandelingen onderhevige, erfpachtovereenkomst op te zeggen dan wel te wijzigen.

14.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder aan die inspanningsverplichting heeft voldaan, aangezien uit niets is gebleken dat de minister zich ten behoeve van eiseres sterk heeft gemaakt om na 1 januari 2013 het exploitatietekort te dekken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet anders worden afgeleid dan dat aan eiseres geen subsidie meer wordt verstrekt omdat het beleid de verstrekking niet langer mogelijk maakt. Op geen enkele wijze is gebleken dat gepoogd is het beleid anders vast te stellen, terwijl evenmin is onderzocht of voor eiseres een uitzondering kon worden gemaakt.

De rechtbank is evenmin gebleken van een beslissing van de wetgever, inhoudende dat per 1 januari 2013 geen middelen meer voor eiseres beschikbaar worden gesteld. Weliswaar is gebleken van vergaande bezuinigingen, maar blijkens de door verweerder aangehaalde brief van 10 juni 2011 zijn de wel beschikbaar gestelde middelen nog voldoende om bijvoorbeeld ruim 143 miljoen euro uit te geven aan alleen al subsidiëring van erfgoed. Hieruit volgt dat de wetgever ruim voldoende middelen ter beschikking heeft gesteld aan verweerder, maar dat het beleid en dus de keuze van verweerder zelf maakt dat eiseres geen subsidie krijgt. Daarmee heeft verweerder het vertrouwen geschonden dat eiseres op grond van de erfpachtovereenkomst mocht hebben.

15.Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen met de zaaknummers 12/1511, voor zover gericht tegen bestreden besluit 3, en 13/6684 gegrond zijn en dat de bestreden besluiten 3 en 4 voor vernietiging in aanmerking komen.

16.In aanmerking genomen dat het hier een geschil tussen twee partijen betreft en dat om die reden belangen van derden ook niet aan toepassing van het vertrouwensbeginsel in de weg kunnen staan, volgt uit het voorgaande dat verweerder gehouden is aan eiseres over de jaren 2013 en 2014 een subsidie te verlenen ter dekking van de exploitatietekorten. Slechts omdat de rechtbank niet over alle gegevens beschikt die nodig zijn voor een vaststelling van deze subsidies inclusief de daarbij behorende voorwaarden, ziet de rechtbank geen mogelijkheid hier zelf in te voorzien. Verweerder dient opnieuw te beslissen op de aanvragen van eiseres van 5 april 2012 en 2 mei 2013 met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Met het oog hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiseres geen bespreking meer.

17.Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast:

Zaaknummer 12/586: € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487).

Zaaknummer 12/1511: € 487 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, dat met toepassing van artikel 7:1a van de Awb is behandeld als beroepschrift).

Zaaknummer 13/6684: € 487 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, dat met toepassing van artikel 7:1a van de Awb is behandeld als beroepschrift).

Van proceskosten in bezwaar is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

verklaart het beroep met zaaknummer 12/586 gegrond;

vernietigt bestreden besluit 1;

verklaart het bezwaar tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep met zaaknummer 12/1511, voor zover gericht tegen bestreden besluit 2, niet ontvankelijk;

verklaart de beroepen met zaaknummer 12/1511, voor zover gericht tegen bestreden besluit 3, en met zaaknummer 13/6684 gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten 3 en 4;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt op de aanvragen van eiseres van 5 april 2012 en 2 mei 2013 met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 310 (12/586), € 310 (12/1511) en € 318 (13/6684) aan haar vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € € 974 (12/586),

€ 487 (12/1511) en € 487 (13/6684).

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. J.J. Penning en

mr. R.J.B. Schutgens, leden, in aanwezigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.