Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1236

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
01-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_4463 en 13_4464
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van de bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, onder f, van de Wwb; inbeslaggenomen goederen; beschikking van de raadkamer; artikel 119, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering; aanspraak op schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 13/4463 en 13/4464

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers], eisers

(gemachtigde: mr. G. Oudshoorn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft verweerder het recht op bijstand van eisers met ingang

van 1 oktober 2012 ingetrokken en een bedrag aan teveel betaalde bijstand van € 3.435,86

teruggevorderd.

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft verweerder over de periode van 26 juli 2010 tot en

met 30 september 2012 een bedrag van € 33.099,22 aan teveel betaalde bijstand van eisers

teruggevorderd.

Bij besluiten van 14 juni 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep tegen de terugvordering van € 33.099,22 heeft zaaknummer 13/4463 gekregen en het beroep tegen de intrekking van de bijstand en de daaruit voortvloeiende terugvordering zaaknummer 13/4464.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Eisers zijn verschenen,

bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

N.C. Vlaskamp.

Overwegingen

1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eisers ontvingen sedert 19 februari 2009, met uitzondering van enige korte periodes vanwege detentie, bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). In november 2004 zijn in het kader van een strafrechtelijk onderzoek onder [naam eiser] goederen in beslag genomen, die hij in twee garageboxen had ondergebracht. Het betrof volgens [naam eiser] goederen die bestemd waren om op de markt te worden verkocht. Het ter zake ingediend klaagschrift, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen goederen, heeft de enkelvoudige raadkamer, sector strafrecht, van de rechtbank Arnhem op 26 juli 2010 gegrond verklaard. Overwogen is dat nu de goederen inmiddels zijn vernietigd en/of verkocht,[naam eiser] bij het Openbaar Ministerie een schadevergoedingsverzoek kan indienen.[naam eiser] heeft ter zake in een brief aan het College van Procureurs-Generaal van 22 april 2011 een bedrag geclaimd bij de Dienst Domeinen van € 130.242,40, vermeerderd met rente.

Blijkens de brief van 13 september 2012 is afgesproken dat de Dienst Domeinen op grond van het bepaalde in artikel 119, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter finale kwijting een bedrag van € 55.000 aan[naam eiser] uit zal keren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2010. Op 1 oktober 2012 wordt een bedrag van € 55.000 gestort op de rekening van de zoon van eisers. Op diezelfde dag wordt er € 10.000 opgenomen van die rekening en op 4 oktober 2012 nog eens € 45.000.

Het vorenstaande heeft geleid tot de onder procesverloop vermelde besluiten.

2

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wwb worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.

In het tweede lid is bepaald dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

(…) 

l.    bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;

m.    giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;

(…).

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wwb wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

In artikel 54, derde lid, aanhef. onder a en b, van de Wwb is opgenomen dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 58, tweede lid, is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voorzover de bijstand:

(…)

f.    anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

1°.   de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;

(…)

Ingevolge artikel 119, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven, gericht tot de bewaarder.

In artikel 119, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is, voor zover van belang, bepaald dat indien de bewaarder niet aan de last tot teruggave kan voldoen, de bewaarder over gaat tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.

3

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding voor de in beslag genomen goederen moet worden aangemerkt als middelen, als bedoeld in artikel 31 van de Wwb. De schadevergoeding kan volgens verweerder niet buiten beschouwing worden gelaten, aangezien de te vervangen goederen, handelswaar en visgerei met een waarde van minimaal € 55.000, naar hun aard voor een bijstandsgezin niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden gezien.

4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin gevolgd kan worden. Het betoog van eiser dat verweerder niet afdoende heeft gemotiveerd waarom de schadevergoeding niet buiten beschouwing wordt gelaten treft dan ook geen doel, nu in de besluiten op bezwaar van 14 juni 2013 de onder 3 weergegeven motivering is opgenomen. Dat eisers op het moment van inbeslagname van de goederen in 2004 eisers geen bijstand ontvingen en er geen rekening mee hoefden te houden dat de goederen niet algemeen gebruikelijk waren is niet relevant voor de onderhavige beoordeling. Voorts valt de schadevergoeding niet onder de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Wwb bedoelde ministeriële regeling, waarin voor nader omschreven vergoedingen is bepaald dat die niet als middel in aanmerking worden genomen.

5

Eisers hebben voorts aangevoerd dat tegenover de goederen waarvoor de schadevergoeding is gegeven schulden stonden, te weten de nog openstaande bedragen waarvoor de goederen waren gekocht, en dat deze schulden thans contant zijn voldaan. Dit betekent volgens eisers dat hun vermogen weer op nihil staat en dat de besluiten daarom onjuist zijn.

6

Dit betoogt slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF5131) kunnen schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. De rechtbank stelt vast dat eisers van het bestaan van de schulden en het afbetalen daarvan geen enkel bewijs hebben geleverd, zodat verweerder daaraan terecht voorbij is kunnen gaan.

7

Met betrekking tot de terugvordering van de bijstand op grond van artikel 58,

tweede lid, onder f, van de Wwb over de periode 26 juli 2010 tot en met 30 september 2012

is voorts nog de in aanmerking te nemen periode in geschil.

8

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1592) ligt aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wwb – vanaf 1 januari 2013 artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste - de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wwb biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan met ingang van de datum waarop de aanspraak op de desbetreffende middelen is ontstaan.

9

Verweerder heeft in dit verband aansluiting gezocht bij de datum van de beschikking van de raadkamer, 26 juli 2010, als zijnde het tijdstip waarop de aanspraak op die middelen is ontstaan. De datum waarop over die middelen kan worden beschikt is vastgesteld op 1 oktober 2012.

10

De rechtbank overweegt dat de beschikking van de raadkamer een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen bevat, en dat, indien niet meer aan de last tot teruggave kan worden voldaan, ingevolge artikel 119, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering door de bewaarder (in het onderhavige geval de Dienst Domeinen) dient te worden overgegaan tot uitbetaling van de prijs die de goederen bij verkoop hebben opgebracht of redelijkerwijs zouden hebben opgebracht. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 119, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op 26 juli 2010 een aanspraak op schadevergoeding is ontstaan.

11

Eisers kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat pas vanaf het moment van overeenkomen van het bedrag van € 55.000, zoals verwoord in de brief van de Dienst Domeinen van 13 september 2012, aanspraak op schadevergoeding is ontstaan. Voor de vaststelling van een dergelijke aanspraak is immers de omvang van de vergoeding niet bepalend. De rechtbank merkt overigens nog op dat het oorspronkelijke schadeverzoek van eisers zag op een bedrag van ruim € 130.000.

12

Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand per 1 oktober 2012 heeft verweerder zich in het besluit op bezwaar van 14 juni 2013 op het standpunt gesteld dat de intrekking in stand kan blijven, maar dat de grondslag dient te worden gewijzigd.

13

Eisers hebben aangevoerd dat de intrekking niet in stand kan blijven, nu zij niet redelijkerwijs hoefden te begrijpen dat zij met de ontvangst van de schadevergoeding teveel of ten onrechte bijstand hebben ontvangen.

14

Deze grond faalt. De rechtbank is van oordeel dat het eisers, gelet op hoogte en aard van de vergoeding, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn, dat zij vanaf 1 oktober 2012 teveel of ten onrechte bijstand hebben ontvangen.

15

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Eskes, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.