Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1217

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
250552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Artikel 185 WVW. Beroep op overmacht slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/132

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/250552 / HA RK 13-159

Beschikking van 3 februari 2014

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaats],

verzoekster,

advocaat mr. S. Demirtas te Arnhem,

tegen

naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

verweerster,

advocaat mr. S.W. Polak te Utrecht.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Reaal genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de kantonrechter van 6 september 2013 (2198217 \ AZ VERZ 13-7066) waarin de zaak is verwezen naar de civiele kamer,

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    de brief van mr. Demirtas van 15 oktober 2013,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: [verzoekster], mr. Demirtas en mr. Polak.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is op 7 november 2008 betrokken geweest bij een verkeersongeval op het kruispunt IJssellaan – Marsdiep te Arnhem. [verzoekster] is, rijdend op haar fiets, in botsing gekomen met een vrachtwagen met aanhanger (met daarop zes personenauto’s en een bestelbus), die toebehoort aan Koopman Autotransport B.V. [verzoekster] is met haar rechterbeen/voet onder het rechterachterwiel van de aanhangwagen terechtgekomen en heeft daardoor letsel opgelopen.

2.2.

De vrachtwagencombinatie werd bestuurd door de heer [naam] (hierna: [naam]). Deze vrachtwagen is voor het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Reaal. Reaal heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval betwist.

2.3.

[naam] heeft op 7 november 2008 tegenover de politie verklaard:

“(…) Op de kruising IJssellaan met het Marsdiep stond ik te wachten voor het verkeerslicht aldaar, welke op rood stond. Op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong, trok ik met de combinatie op en sloeg ik rechtsaf de Marsdiep op. Ik heb meerdere malen naar rechts, naar het naast gelegen fietspad, gekeken om te kijken of er fietsers aan kwamen. Ik weet zeker dat er geen fietsers of voetgangers bij de verkeerslichten stonden op het moment dat ik op trok. Er was geen overig verkeer, uitgezonderd van auto’s, op de kruising. Op het moment dat ik ongeveer drie kwart de bocht door/ingedraaid was, hoorde ik een krakend geluid en geschreeuw. Ik keek direct in de rechterspiegels en zag een meisje met haar fiets op de grond ter hoogte van de aanhanger liggen. Ik ben direct gestopt en naar haar toegerend. Ik zag dat ze aan de rechterzijde naast de aanhanger lag en dat haar schoen nog klem onder het wiel van de aanhanger zat. Ze schreeuwde hevig en ik zag dat haar rechtervoet en been geheel open lag. Ik vermoedde dat ze onder het wiel was gekomen met haar been. (…) Op het moment dat ik stil stond op de IJsselbaan, voor het verkeerslicht, zag ik 2 mensen in het bushokje daar rechts staan. Mogelijk hebben zij gezien wat er is gebeurd. Dit waren een man en een vrouw.(…) Ik heb niet gezien of het verkeerslicht voor de fietsers en voetgangers op rood stond op het moment dat ik optrok, maar zag dat er niemand bij het verkeerslicht stond op dat moment. Ik de bocht naar rechts heb ik maar beperkt zicht op het fietspad.”

2.4.

In het proces-verbaal van verhoor, opgemaakt op 12 november 2008, is te lezen hetgeen [verzoekster] tegenover de politie - terwijl zij in het ziekenhuis lag - heeft verklaard:

“(…) Ik reed alleen. Ik kwam aanrijden en zag dat het fietsverkeerslicht op rood stond. Ik zag dat ruim voordat ik bij het verkeerslicht aan kwam, het verkeerslicht op groen was gesprongen. Er reden geen andere fietsers voor mij. Bij het verkeerslicht reed ik het kruispunt op. Plotseling zag ik dat er een vrachtauto dwars voor mij reed. Ik heb niet naar links gekeken; ik had immers ‘groen’. Ik heb de vrachtwagen niet van de voorkant gezien, alleen maar van de zijkant.

Ik stuurde direct rechts de weg (Marsdiep) richting de stoep op omdat ik anders tegen de vrachtauto zou botsen. Ik viel vervolgens met de fiets op het wegdek, zonder dat de vrachtwagen en ik elkaar hebben geraakt. Ik werd daarna enkele meters door de vrachtauto meegesleurd. (…) Ik zag dat mijn rechter schoen onder het wiel van de aanhangwagen van de vrachtauto geklemd zat. (…) Ik weet niet of de vrachtauto of aanhangwagen mijn fiets heeft geraakt.(…)”

2.5.

Het politierapport maakt melding van een tweetal getuigen, [naam] en [naam]. In het proces-verbaal van verhoor, opgemaakt op 7 november 2008, is te lezen dat [naam] het volgende heeft verklaard:

“Op vrijdag 07 november 2008 rond 14:30 uur stond ik te wachten bij de bushalte aan de IJssellaan. Ik zag dat er een grote vrachtwagen met aanhangwagen langs kwam rijden, komende uit de richting van Het Lange water, en rechtsaf sloeg bij het verkeerslicht het Marsdiep op.

Ik zag dat [verzoekster] aan kwam fietsen in de zelfde richting als de vrachtwagen reed en rechtdoor wilde.

Het verkeerslicht voor de vrachtwagen stond op groen en de vrachtwagen reed door en sloeg rechtsaf. Ik zag dat het meisje van school, [verzoekster], vervolgens stond te wachten voor de fietsverkeerslichten.

Het fietsverkeerslicht stond eerst op rood toen de vrachtwagen de bocht in reed.

Op het moment dat de voorkant van de vrachtwagen langs [verzoekster] was gegaan, werd haar verkeerslicht groen en fietste [verzoekster] op. Op het moment dat [verzoekster] wegfietste, botste zij tegen de rechterzijde van de aanhangwagen. [verzoekster] schoof hierdoor onderuit onder de aanhangwagen. De vrachtwagen reed nog voordat hij stopte. (…) [verzoekster] lag met haar been bij het wiel van de aanhangwagen. (…) Ik zag dat [verzoekster] alleen bij het verkeerslicht stond. Er stonden geen andere fietsers/voetgangers te wachten.”

2.6.

In het proces-verbaal van verhoor, opgemaakt op 25 november 2008, van getuige [naam] is het volgende te lezen:

“Op vrijdag 07 november 2008, omstreeks 14.30 uur stond ik bij de bushalte op de IJssellaan in Arnhem.

Ik zag toen een meisje op het fietspad fietsen richting het centrum. Ik ken dit meisje van school. (…)

Ik zag dat het fietsstoplicht op rood stond. Ik zag dat het meisje stopte. Toen het stoplicht op groen sprong, zag ik dat zij de weg op reed en tegen een vrachtwagen aan botste.

Ik heb niet gezien of het stoplicht voor de vrachtauto op groen of op rood stond.”

2.7.

In het “proces-verbaal van een verkeersongeval” hebben politieagenten Sersansie en March op 26 december 2008 het volgende verklaard:

“Ter plaatse zagen wij dat een vrachtwagen met een aanhangwagen (…) stil stond op het Marsdiep. Wij zagen dat het achterste deel van de aanhangwagen op het kruisingsvlak van het Marsdiep met het fietspad van de IJssellaan stond.

Rechts naast het achterste gedeelte van de aanhangwagen zagen wij, verbalisanten, een meisje op het wegdek liggen. Wij zagen dat de rechtervoet / onderbeen van het slachtoffer was afgedekt. Kennelijk was zij hieraan gewond geraakt. Wij zagen dat onder het rechterachterwiel van de aanhangwagen een schoen beklemd zat. (…) Kennelijk had de aanrijding plaatsgevonden tussen het meisje (fietsster) en het achterste gedeelte van de aanhangwagen. (…)”

2.8.

In de door Sersansie en March opgestelde verkeersongevallenregistratieset (behorend bij het proces-verbaal van een verkeersongeval, r.o. 2.7.) is over de toedracht van het ongeval het volgende opgenomen:

18. Beknopte duidelijk omschrijving van het ongeval

14.1 (

de vrachtauto, rb) reed over de IJssellaan in Arnhem komende uit de richting van het lange Water en gaande in de richting van het centrum

14.2 (

[verzoekster], rb) reed op het rechtsgelegen fietspad van de IJssellaan komende en gaande in dezelfde richting als 14.1

14.1

sloeg bij groen verkeerslicht het kruispunt met het Marsdiep rechtsaf en reed met stapvoetse snelheid.

Daar waar verkeer komende van de IJsselaan het Marsdiep oprijdt moet dit verkeer het kruisend verkeer op bovengenoemd kruisend fietspad voorrang verlenen. Dit is aangegeven middels bord B6 (+ onderbord )B5030B02) en middels haaientanden.

14.2

reed eveneens met groen het kruisingsvlak op, echter op het moment dat 14.1 het kruisingsvlak al grotendeels was gepasseerd.

14.2

zag dat kennelijk te laat en sloeg rechtsaf het Marsdiep op om een aanrijding met de aanhangwagen van 14.1 te voorkomen.

14.2

kwam hierbij ten val en werd op onbekende wijze enkele meters meegesleurd door 14.1 en kwam deels onder dan wel bijna onder een wiel van de aanhangwagen van 14.1 met als gevolg vermeld letsel.

2.9.

De politie Gelderland-Midden heeft bij rapport van 29 januari 2009 een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse opgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

2.2.3 Verkeersmaatregelen ter plaatse

(…)

Ter plaatse waren de volgende verkeerstekens van toepassing.

  • -

    Op zowel de rijbaan als het fietspad is voor de verkeerslichten een stopstreep aangebracht.

  • -

    Komende vanaf de IJssellaan staan voor de oversteekplaats van de fietsers over de rijbaan van het Marsdiep haaietanden op de rijbaan.

  • -

    In die richting is rechts van de rijbaan een verkeersbord geplaatst van het model B06 van de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. Daaronder is een bord geplaatst ter indicatie dat er fietsverkeer in beide richtingen is.

(…)

2.4.1

Bepaling botsposities

Op de voor en de rechterzijkant van de DAF zagen wij geen sporen welke herleidbaar waren op een botscontact met de fiets. Om die reden was een exacte bepaling van de botsplaats tegen de DAF niet mogelijk. De metalen delen van de DAF waren bedekt met een dunne laag (straat)vuil. De lage horizontale constructiedelen waren bedekt met een laagje zand of daarop gelijke materiaal. In die vuile en met zand bedekte delen zagen wij geen sporen die duidden op een botscontact van de fiets.

Wij zagen op de band van het rechter voorwiel van de aanhangwagen van de DAF weefseldelen. Die delen waren zichtbaar aan de buitenzijde op de schouder/wang van de band. Vermoedelijk zijn die weefseldelen achtergebleven tijdens de confrontatie tussen de bestuurster van de fiets en de band. (…)

3.3.

Groenewold (merk aanhangwagen, rb)

(…)

Aan de DAF zagen wij geen tot de aanrijding herleidbare schade. De metalen delen van de DAF waren in meer of mindere mate bevuild, meest opspattend straatvuil. Indien een ander voorwerp met een dergelijk bevuild deel in aanraking komt is het nagenoeg zeker dat het beeld van de bevuiling wordt verstoord en op het deel sporen achterblijven.

Wij zagen op de delen vrachtwagen geen verstoringen of sporen die op een dergelijk contact duidden.

(…)

3.4.

Fiets

(…)

Schade

Wij zagen dat de fiets geen tot de aanrijding herleidbare schade vertoonde.

(…)

4. Nader onderzoek en berekening

(…)

4.1.2

Verkeersregeling

(…)

De getuige [naam] verklaart tijdens haar verhoor kort en zakelijk samengevat:

  • -

    Het verkeerslicht voor de vrachtwagen stond op groen.

  • -

    Het fietsverkeerslicht stond eerst op rood toen de vrachtwagen de bocht inreed. [verzoekster] stond te wachten voor de fietsverkeerslichten.

De getuige [naam] verklaart kort en zakelijk samengevat:

  • -

    Ik zag dat het fietsstoplicht op rood stond.

  • -

    Ik zag dat het meisje stopte.

  • -

    Toen het stoplicht op groen sprong zag ik dat zij de weg opreed en tegen een vrachtwagen aanbotste.

De verkeersregelinstallatie was tijdens het ongeval zodanig ingesteld dat nadat het verkeerslicht voor de DAF groen kreeg het twee seconde duurt voordat het verkeerslicht voor de fiets groen kreeg. Nadat het verkeerslicht voor de DAF rood werd duurde het 5 seconde voor het verkeerslicht voor de fiets groen kreeg.

Gelet op de verklaringen van de getuigen en de afstelling van de verkeersregelinstallatie zijn de volgende scenario’s denkbaar:

  1. De vrachtwagenbestuurder reed door het voor verkeer in zijn richting bestemde groene verkeerslicht en de fietser is niet gestopt voor het voor verkeer in haar richting bestemde rode verkeerslicht.

  2. De vrachtwagenbestuurder reed door het voor verkeer zijn richting bestemde groene verkeerslicht. Het rijden door de bocht naar rechts vergde meer tijd dan de ontruimingstijd van 5 seconde. Daardoor zou de fietser groen licht hebben gekregen terwijl de DAF het kruisingsvlak nog niet geheel was gepasseerd.

(…)

4.2.

Proefnemingen

4.2.1

Registratieblad controleapparaat (tachograaf)

Het registratieblad dat ten tijde van het ongeval in het controleapparaat (tachograaf) werd beschreven is voor nader onderzoek ingenomen. Het registratieblad blijft ingenomen.

De tachograaf was geijkt op 22 maart 2007.

(…)

Deze lijnen geven vermoedelijk het snelheidsverloop van direct na het ongeval weer waarbij de DAF werd afgeremd en tot stilstand kwam. Na stilstand nam de snelheid van de DAF toe tot iets minder dan 20 km/h. Het is daardoor aannemelijk dat de DAF direct voor het ongeval, vermoedelijk bij de verkeerslichten heeft stilgestaan waarna hij uit stilstand wegreed tot het moment waarop het verkeersongeval plaatsvond waarna de DAF tot stilstand werd gebracht.

(…)

5. Interpretatie en analyse

(…)

5.2.

Oorzaak, toedracht en gevolg

(…)

Gelet op de plaats van de confrontatie tussen de bestuurster van de fiets en de DAF is het aannemelijk dat de DAF toen al voor een groot gedeelte op het Marsdiep reed. Het is daarom aannemelijk dat de bestuurster van de fiets aan de oversteek over de rijbaan van het Marsdiep begon terwijl de DAF bezig was de oversteekplaats te passeren.(…)”

2.10.

[naam] heeft op 21 februari 2010 een schriftelijke verklaring afgelegd:

“(…) Het verkeerslicht van [verzoekster] sprong op groen en is zij gaan fietsen. Op dat moment zag ik een vrachtwagen langs mij rijden en dat hij naar rechts afsloeg. De vrachtwagen heeft niet stilgestaan voor het stoplicht. Ik stond op dat moment met een andere persoon bij het bushokje. Ik hoorde opeens een harde gil en zag de vrachtwagen doorrijden. Nadat hij was doorgereden zag ik hem stoppen en [verzoekster] op de grond liggen. De vrachtwagen is nog iets naar voren gereden om de voet van [verzoekster] los te krijgen. (…)”

2.11.

Bij verzoekschrift van 23 augustus 2011 heeft mr. Demirtas namens [verzoekster] een voorlopig getuigenverhoor verzocht naar de toedracht van het ongeval. Dat verzoek is toegewezen bij beschikking van 12 september 2011 (219707 / HA RK 11-257). Op 30 januari 2012 is een viertal getuigen gehoord. [verzoekster] en [naam], [naam] en [naam] (deze personen bevonden zich op de dag van het ongeval in dezelfde auto). De afgelegde verklaringen worden hierna weergegeven:

[naam]

(…)

U vraagt mij naar mijn herinnering aan het ongeval op 7 november 2008 op de kruising van de IJssellaan en het Marsdiep te Arnhem. Ik reed met twee vrienden van mij, de broers [naam], over de IJssellaan. Ik zat rechts voorin de auto. We gingen een pak ophalen voor de bruiloft. Het ongeval zelf heb ik niet waargenomen. Mijn vrienden riepen op een gegeven moment: “Kijk dan”. De precieze woorden die mijn vrienden riepen weet ik niet meer. Het is inmiddels zo lang geleden. Toen ik keek stond de vrachtwagen al stil. Het enige wat ik gezien heb is dat het meisje met haar voet onder een wiel van de vrachtwagen lag.

[naam]

(…)

U vraagt mij naar mijn herinnering aan een ongeval op 7 november 2008 op de kruising IJssellaan Marsdiep. Die dag zat ik in de auto samen met mijn broer en [naam]. Ik zat achterin en mijn broer reed. Wij reden op de IJssellaan richting Arnhem. Wij wilden bij de stoplichten rechtdoor rijden en moesten stoppen voor een rood stoplicht. Ik zag dat naast ons een vrachtwagen rechtsaf sloeg. Daarna was er ineens paniek en geschreeuw. Wij hebben de auto in de berm gezet om te kijken wat er was. [verzoekster] lag met haar been onder de vrachtwagen en was meegesleept.

U vraagt mij wat ik heb waargenomen van het ongeval. Mijn broer riep: “Kijk wat er gebeurd is”. De precieze woorden van mijn broer kan ik mij nu niet meer herinneren, maar zoiets heeft hij wel gezegd. Ik heb zelf gezien dat het meisje geraakt werd door de vrachtwagen. De voorkant van de vrachtauto raakte het voorwiel van de fiets. Het meisje is toen gevallen. De vrachtwagen stopte meteen nadat ze was gevallen, maar zij zat er wel onder. Het meisje zat met haar been onder een wiel van de aanhangwagen van de vrachtwagen. Ik heb er geen verklaring voor waarom zij onder het wiel van de aanhangwagen zat, terwijl ze door de voorkant van de vrachtwagen is geraakt.

Op vragen van mr. Demirtas:

Ik heb niet gezien dat de chauffeur na het ongeval de vrachtwagen nog verplaatst heeft.

Een opmerking van mr. Polak:

Mr. Polak heeft de getuige horen verklaren en heeft in zijn aantekeningen staan, we kwamen aanrijden, en rechtsaf was groen, wij stonden stil. [naam] heeft in zijn aantekeningen staan: rechtsaf groen.

Opmerking van de rechter:

Voornoemde aantekening van mr. Polak en [naam] kunnen niet worden bevestigd door de waarneming van de rechter-commissaris.

Mr. Demirtas heeft evenmin gehoord dat de getuige heeft verklaard dat de vrachtwagen rechtsaf door groen licht is gereden.

[naam]

(…)

U vraagt mij naar mijn herinnering aan een ongeval op 7 november 2008 op de kruising IJssellaan Marsdiep. Wij waren van plan om in Arnhem naar de stad te gaan. Wij kwamen vanuit de richting Presikhaaf. Ik bestuurde de auto. Wij stonden bij de stoplichten om rechtdoor te gaan, de stoplichten stonden op rood. Ik zag een vrachtwagen rechtsaf slaan. Op dat moment waren nog fietsers rechtdoor aan het oversteken. Ineens hoorde ik geschreeuw en zag ik een meisje worden meegesleurd door de vrachtwagen.

De vrachtwagen en onze auto reden in dezelfde richting. Wij reden op de linker rijstrook en de vrachtwagen op de rechter rijstrook. We reden op de stoplichten af en reden op dat moment de vrachtwagen voorbij. Vervolgens zijn wij gestopt voor het rode verkeerslicht. De vrachtauto reed vervolgens rechts langs ons en sloeg rechtsaf door rood licht. Iedereen was daarna in paniek. We zijn daarna uitgestapt uit de auto.

Ik heb gezien dat de voorzijde van de fiets in aanraking is gekomen met de achterband van de vrachtauto. Daarmee bedoel ik het voorste wiel van de drie wielen van de aanhangwagen.

De fiets met het meisje is gevallen en zij is met haar voet onder het wiel gekomen.

Op vragen van mr. Demirtas:

Ik weet zeker dat het meisje ten val is gekomen door het achterwiel van de vrachtwagen. Ze viel van haar fiets en haar fiets en haar voet zijn meegesleept door de vrachtwagen. Voor mij stond een andere auto voor de stoplichten. Om die reden heb ik de vrachtwagen en de dode hoek van de vrachtwagen goed kunnen zien. Ik durf niet te zeggen of het meisje ook door de voorkant van de vrachtauto is geraakt. Het is al een lange tijd geleden. Op het moment dat de vrachtauto rechtsaf sloeg waren er nog andere fietsers de weg rechtdoor aan het oversteken.

[verzoekster]

(…)

U vraagt mij naar mijn herinnering aan het ongeval dat ik heb gehad op 7 november 2008. Ik reed op het fietspad en stopte bij het stoplicht. Het stoplicht was op dat moment rood. Ik keek naar het stoplicht waarna het licht groen werd. Daarna ben ik doorgereden. Vanaf dat moment weet ik het niet meer. Het is nu al meer dan 3 jaar geleden. Ik kan mij er niets meer van herinneren. Ook heb ik geen nadere herinnering aan de periode voor het ongeval.

U houdt mij mijn verklaring voor zoals die volgens het proces-verbaal van de politie op 12 november 2008 is afgelegd. Daarin staat onder meer dat ik bij het oprijden van het kruispunt plotseling een vrachtauto zag die dwars voor me reed. Deze verklaring zegt mij nu niets meer. Ook roept de verklaring geen nadere herinneringen bij mij op.

Op vragen van mr. Demirtas:

U houdt mij voor dat in mijn verklaring bij de politie staat dat het fietsverkeerslicht al op groen sprong terwijl ik aan kwam fietsen. Ik weet zeker dat ik ben gestopt voor een rood verkeerslicht zoals ik zojuist heb verklaard. Verdere herinneringen heb ik niet aan het ongeval. Het is al lang geleden.

Op vragen van mr. Polak:

Op verzoek van mr. Polak leest de rechter-commissaris de gehele verklaring van de getuige voor zoals opgenomen in het proces-verbaal van de politie.

Ook dit voorlezen van deze verklaring roept bij mij geen nadere herinneringen op. Deze verklaring is destijds door de politie niet aan mij voorgelezen.

2.12.

Op 18 juni 2012 zijn vervolgens nog [naam] gehoord en [naam]:

[naam]

(…)

U vraagt mij naar mijn herinneringen aan een ongeval op vrijdag 7 november 2008 te Arnhem. Ik stond bij de bushalte op de bus te wachten. Van het ongeval kan ik mij herinneren dat ik de fietsster op de grond zag vallen. Ik hoorde een harde klap en ben er meteen heen gerend. Ik heb daarvoor gezien dat de vrachtwagen door de bocht was gereden door rood licht, want het stoplicht van de fietsster stond op groen. Ik heb voorafgaand aan de klap gezien dat het verkeerslicht voor de vrachtwagen op rood stond. Ik heb gezien dat de vrachtwagen door rood licht reed. De vrachtwagen heeft niet stilgestaan voor het stoplicht. Verder heb ik gezien dat de fietsster in één keer doorreed zonder te stoppen, terwijl het fietsverkeerslicht op groen was. Ik heb gezien dat zij in contact is gekomen met de vrachtwagen. Zij is geraakt door het achterste gedeelte van de vrachtwagen, bij het achterwiel. Zij is niet geraakt door de voorkant van de vrachtwagen.

Op vragen van mr. Demirtas antwoord ik:

De klap heb ik gehoord kort nadat zij was geraakt door de achterkant van de vrachtwagen. Op dat moment was zij al gevallen. Ik heb naast de klap haar ook horen schreeuwen. Ik hoorde het schreeuwen na de klap.

Zoals ik al heb verklaard heb ik gezien dat het verkeerslicht voor de vrachtwagen op rood stond en dat de vrachtwagen door rood licht is gereden. Ik zou niet weten waarom het anders in mijn verklaring bij de politie staat. Ik kan dat niet verklaren. Ik heb destijds geen verklaring ondertekend bij de politie. Ik ben gehoord door de politie, waarbij de politie aantekeningen heeft gemaakt.

[naam]

(….)

U vraagt mij naar mijn herinneringen aan het ongeval van 7 november 2008. Ik kwam met mijn vrachtwagen aanrijden over de IJssellaan en was van plan om rechtsaf het Marsdiep in te slaan. Het was niet heel druk, ik zag twee mensen bij de bushalte en er was weinig beweging op straat. Ik ben met mijn vrachtwagen gestopt voor het rode verkeerslicht. Toen het verkeerslicht op groen sprong heb ik goed in mijn spiegels gekeken en ben vervolgens stapvoets de bocht ingegaan. Nadat ik met mijn combinatie bijna de bocht door was hoorde ik plotseling hard gegil. Ik ben meteen gestopt en uitgestapt. Inmiddels was een meisje dat bij de bushalte stond te wachten ook ter plaatse gekomen. Het bleek dat het wiel van de vrachtwagen nog op de voet van het meisje stond. Het meisje dat vanaf de bushalte is komen aanlopen heeft 112 gebeld. Op dat moment heb ik geen andere omstanders waargenomen. Ik heb haar verzocht om het meisje onder de vrachtauto kalm te houden waarna ik de vrachtwagen langzaam van haar voet heb afgerold.

Toen ik kwam aanrijden over de IJssellaan richting de verkeerslichten heb ik geen fietsers op het fietspad waargenomen. Voor mij is het gebruikelijk om bij het aanrijden op een kruispunt ook fietsers en voetgangers in de omgeving in de gaten te houden. Bij het optrekken nadat mijn verkeerslicht groen was geworden heb ik goed naar rechts gekeken op het fietspad en ook in mijn spiegels. Tijdens het optrekken door de bocht ben ik in mijn spiegels blijven kijken en ook links en rechts om mij heen. Bij het verrichten van een dergelijke manoeuvre ben ik gewend om constant op te letten op hetgeen er om mij gebeurd. Ik heb daarbij geen fietser waargenomen. Naast en achter mij heb ik op dat moment ook geen andere auto’s waargenomen.

U houdt mij voor dat er verklaringen zijn dat de fietser in aanraking is gekomen met de voorkant van mijn vrachtwagen. Dat is absoluut onmogelijk. Ik was met mijn combinatie al volledig op het Marsdiep op het moment van de aanrijding. De achterlichten van de vrachtwagen waren al op het Marsdiep.

U houdt mij voor de getuigenverklaringen van de gebroeders [naam]. Zij hebben verklaard een vrachtwagen rechts langs hun auto te hebben zien rijden, welke door rood is gereden. Dat is onmogelijk. Zoals ik heb verklaard was er voorafgaand en tijdens het afslaan door rechts door mij geen ander verkeer naast en achter mij op de IJssellaan. Bovendien zou ik niet naar rechts zijn afgeslagen op het moment dat zich op de rijbaan voor rechtdoor nog ander verkeer bevindt. Het is namelijk zo dat bij het naar rechts afslaan met mijn vrachtwagencombinatie deze enigszins naar links uitwijkt. Ik kan dus niet naar rechts afslaan zonder het verkeer op de naast liggende rijbaan te hinderen. Ik weet dan ook zeker dat zich op de rijbaan naast mij geen ander autoverkeer bevond.

In dit verband wil ik er verder nog op wijzen dat de politie direct na het ongeval de tachograafschijf uit mijn vrachtwagen heeft gehaald. Aan de hand daarvan is aantoonbaar dat ik wel degelijk ben gestopt voor het verkeerslicht.

Op vragen van mr. Demirtas antwoord ik:

U vraagt mij naar degenen die ik heb waargenomen direct na het ongeval. Zoals ik verklaarde was dat één meisje die bij de bushalte stond en vandaar naar de ongevalplaats was gelopen. Het meisje onder de vrachtwagen kermde van de pijn en ik heb tegen het andere meisje gezegd bel 112. Verder weet ik dat er kort daarna heel veel omstanders waren.

Ik herinner mij dat het meisje aan het bloeden was. Er is iets van een jas onder haar been gelegd. Ik weet niet wie dat heeft gedaan, ik was het niet zelf. Direct na het ongeval was ik uiteraard geschrokken.

Ik blijf erbij zoals ik al eerder heb verklaard dat er geen andere auto’s naast of achter mij reden op de IJssellaan. Ik ben mijn verklaring daarover begonnen omdat ik daar altijd op let bij het benaderen van een kruispunt met een vrachtwagencombinatie.

Op mijn werk wordt geen gebruik gemaakt van bijrijders. Dat gebeurt zelden. Als het gebeurt dan vindt dat plaats vanuit de opleiding van chauffeurs. Maar nooit om redenen van verkeersveiligheid. Op mijn werk wordt strikt met veiligheidsvoorschriften rekening gehouden. Wij rijden met kostbare ladingen. Een vrachtwagenchauffeur die bij ons in dienst komt en in het bezit is van alle vereiste papieren, mag pas na drie maanden opleiding zelfstandig de weg op. Gedurende deze drie maanden opleiding is deze dan bijrijder. De drie maandenperiode is bedoeld voor zowel opleiding als proefperiode. Gedurende deze drie maanden rijdt de nieuwe chauffeur wel, maar met een ervaren collega naast hem. Tijdens deze drie maanden is de nieuwe chauffeur gedurende ongeveer de helft van de werktijd chauffeur, onder toezicht van de ervaren collega.

U vraagt mij naar mijn kijkgedrag bij het wegrijden. Voor mij is gebruikelijk dat ik rechts in de dode hoekspiegel kijk, daarna in de grote spiegel en dan rechts door het raam. Vervolgens kijk ik ook links in de spiegel. Zoals ik al verklaarde kijk ik bij het wegrijden constant naar hetgeen om mij heen gebeurd.

U houdt mij voor dat getuige [naam] vandaag heeft verklaard dat ik door rood ben gereden. U vraagt mij of er een kans is dat ik door rood ben gereden. Ik herhaal nogmaals dat ik absoluut niet rechtsaf door rood ben gereden. Ik had bij het wegrijden bij het stoplicht voldoende zicht naar rechts, maar ik heb daarbij geen fietsers waargenomen.

Na het ongeval heb ik de vrachtwagen ongeveer 30 cm laten wegrollen om de voet van het meisje te bevrijden.

Op vragen van mr. Polak antwoord ik:

U houdt mij voor mijn verklaring dat ik geen fietser heb waargenomen, maar uiteindelijk wel met een fietser in aanraking ben gekomen. U vraagt mij hoe dit kan worden verklaard. Ik blijf erbij dat ik niemand voor het fietsverkeerslicht heb zien staan. Ik vermoed dat zij vanaf het fietspad aan is komen fietsen en vervolgens onder de aanhanger van de vrachtwagen is gekomen.

Ik ben stapvoets rechtsaf door de bocht gereden. Daarmee bedoel ik dat ik een snelheid van een paar km per uur had. Overigens is de snelheid ook van de ingenomen tachograafschijf af te lezen.

Ik stond vrijwel direct na het horen van de gil stil met mijn vrachtwagen. Zoals ik zei rolde ik stapvoets met de combinatie door de bocht. Als je dan op de rem trapt, sta je vrijwel meteen stil.

Het jasje dat onder het been van het slachtoffer is gelegd is daar neergelegd nadat ik de vrachtwagen van haar voet had afgerold.

U houdt mij voor dat andere getuigen hebben verklaard dat zij met hun auto op de linkerrijbaan voor het stoplicht stonden te wachten. U vraagt mij of ik dan rechtsaf kan slaan over de andere rijstrook. Dat wordt heel krap. In een dergelijke situatie zou ik hebben gewacht totdat deze auto zou zijn weggereden om pas dan rechtsaf te slaan. Dit om contact tussen de vrachtwagen en de auto te mijden.

Ik heb gezien dat er geen fietsers stonden te wachten bij het fietsverkeerslicht.

Op een aanvullende vraag van mr. Demirtas antwoord ik:

Ik heb zojuist verklaard dat mijn combinatie bij het rechtsaf slaan iets naar links uitwijkt. Voordat ik optrek kijk ik naar links en links in de spiegel om te zien of er verkeer links naast mij is. Bij het optrekken is het zo dat ik telkens afwisselend links en rechts om mij heen en in de spiegels kijk om al het verkeer in de gaten te houden.

Ik wil aanvullend nog opmerken dat ik na het ongeval en nadat het meisje was afgevoerd naar het ziekenhuis, ben gehoord door een politieagent. Die politieagent zei tegen mij dat zich op dat moment geen getuigen van het ongeval hadden gemeld. Ik vind het dus vreemd dat er nu dus kennelijk wel diverse getuigenverklaringen zijn.

2.13.

In opdracht van Reaal heeft Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse nog onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Meuwissen heeft onderzoek (laten) verricht(en) naar de tachograafschijf en de uitkomsten van dat onderzoek vergeleken met de getuigenverklaring zoals weergegeven in 2.11 en 2.12. Het rapport dateert van 7 september 2012. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

1. Informatie uit de tachograafschijf.

(…) Na een eigen verkennende analyse (met een USB-microscoop) van deze tachograafschijf stelde ik vast, dat er inderdaad sprake kan zijn geweest van stilstand kort voor de aanrijding, zoals gesteld door de “VOA” (rb: proces-verbaal verkeerongevalsanalyse). Dit was de reden om de betreffende tachograafschijf voor een zogenaamde tachodata-analyse voor te leggen aan het hierin gespecialiseerd bedrijf ITAS Systems gevestigd te Heeze. (…) Uit deze tachodata-analyse is het volgende gebleken:

  • -

    Het eindpunt van de registratie was te 14 uur 18 minuten en 23 seconden, daarna bleef het voertuig langere tijd stilstaan en werd de tachograafschijf uitgenomen. Dit moet door de “VOA” zijn gedaan; dit betekent, dat dit eindpunt van de registratie (bij genoemde tijd) het tot stilstand brengen van de DAF tijdens/na aanrijding is geweest.

  • -

    Vóór deze stilstand (eindpunt van de registratie) werd een rijtijd geregistreerd over een tijdspanne van 14 á 18 seconden; binnen deze tijdspanne werd vanuit stilstand opgetrokken tot 13,6 km/h en direct aansluitend afgeremd tot stilstand (het eindpunt van de registratie).

  • -

    Vóór dit optrekken (deze tijdspanne van 14 á 18 seconde) werd een volledige stilstand tijd gedurende 7 seconden geregistreerd.

(…)

De op de vorige pagina beschreven registraties, kunnen omgekeerd gezien, dus in tijd voorwaarts en daarmee mogelijk beter begrijpelijk, als volgt worden uitgelegd:

  • -

    De DAFcombinatie heeft 7 seconden stilgestaan.

  • -

    Aansluitend trekt de DAFcombinatie vanuit stilstand op en blijft deze rijden gedurende een tijdspanne van 14 á 18 seconden, waarbij een snelheid van 13,6 km/h wordt bereikt.

  • -

    Aansluitend wordt de combinatie afgeremd tot stilstand en blijft deze staan (eindpunt van de registratie).

(…)

Het voorgaande betekent, dat de registratie op de tachograafschijf van deze DAFcombinatie wijst op de omstandigheid, dat de DAF voorafgaand aan de laatst gereden rijtijd (voor stilstand/eindpunt registratie) 7 seconden stil heeft gestaan. De simulaties hebben uitgewezen, dat deze stilstand ter hoogte van de stopstreep kan zijn geweest.

2 Beschouwing verklaringen versus Verkeersregelinstallatie.

a) Enkele woorden en uitleg vooraf

(…)

- De richting 28 (fietsster) wordt alleen “aangemeld” indien de detectielus ten minste 3 seconden wordt bezet. (…) Deze lussen liggen dus direct voor de stopstreep. Om deze lussen 3 seconden blijvend te bezetten moet een fietsster daar stil op gaan staan. Anders gezegd indien een fietster, bij rood licht richting 28, aan komt rijden en door blijft rijden zal hij zich niet aanmelden (wordt hij/zij niet gedetecteerd) en reageert richting 28 niet van rood naar groen licht; dit licht blijft dus op rood staan. Kortom een fietser die door blijft rijden zal dan door rood rijden.

Bij richting 2 (rb: vrachtwagen) is deze zogenaamde bezettijd overigens niet het geval (staat op 0 seconde).

  • -

    De richting 2 heef teen maximale groentijd van 15 seconden. Er is één uitzondering, namelijk als er een bus van achter nadert en er staat een file op richting 2, dan wordt groen richting 2 verlengd, om de bus door te laten rijden naar de naastgelegen baan bij de bushalte (de bus geniet prioriteit).

  • -

    Indien richting 2 én 28 op rood staan en bij beide richtingen is verkeer aangemeld (staat “in de wacht” via de detectielus en volgende gemelde voorwaarden) dan krijgt richting 28 éérst 2 seconden (eerder) groen, voordat richting 2 groen krijgt (de zogenaamde voorstart groen, zoals ook al uitgelegd door de “VOA”). Dit doet zich aldus voor indien beide richtingen zijn aangemeld en “in de wacht” staan.

Indien richting 2 al groen heeft en er volgt tijdens deze groenfase (van richting 2) een aanmelding bij de richting 28 dan krijgt de richting 28 pas groen, nadát bij de richting 2 groen licht eindigt en deze richting nog 3 seconden geel én 5 seconden rood is. Er zit aldus 8 seconden tussen einde groen bij richting 2 en start groen bij richting 28.

Ernaar gevraagd kunnen zich op dit kruispunt alleen deze twee situaties tussen richting 2 naar 28 voordoen.

b) Beschouwing verklaringen

(…)

 Betrokkene [verzoekster]

In de politieverklaring komt zij aanrijden en ziet zij het verkeerslicht (28) op rood staan; ruim voordat zij bij het verkeerslicht aan kwam sprong het licht op groen; er reden geen fietsers voor haar.

Dit is niet mogelijk, immers indien er geen fietsers voor haar reden en zij door blijft rijden kan richting 28 niet van rood naar groen schakelen; de detectielus vlak voor het verkeerslicht moet immers 3 seconden blijvend worden bezet.

Tijdens het getuigenverhoor stopte zij voor het stoplicht, dit was rood. Zij keek naar het stoplicht waarna het licht groen werd; daarna reed zij door.

Dit is mogelijk, immers nu zal zij de detectielus wel 3 seconden bezet kunnen houden en zich daarmee hebben aangemeld voor groen licht.

Binnen dit kader zij wel opgemerkt, dat indien zij daadwerkelijk naar het stoplicht heeft gekeken en daarna is opgereden dan zou zij toch ook al de zijkant van de motorwagen van de DAFcombinatie prominent in beeld moeten hebben gehad. (…)

 Betrokkene [naam]:

In de politieverklaring geeft hij aan, dat hij op de IJssellaan stilstond voor het rode verkeerslicht. Toen dit op groen sprong trok hij op en sloeg hij af de weg Marsdiep op. Hij heeft rechts van hem geen fietsers of voetgangers gezien.

Tijdens het getuigenverhoor herhaalt [naam] het bovenstaande.

De gestelde stilstand wordt bevestigd door de registratie op de tachograafschijf (zoals eerder

Behandeld). Het groene licht voor richting 2 is mogelijk.

 Getuige [naam]:

In de politieverklaring geeft zij aan, dat zij staande bij de bushalte zag, dat er een vrachtwagen met aanhangwagen langs kwam rijden en rechtsaf sloeg. Het verkeerslicht voor deze vrachtwagen stond op groen. Zij zag dat de fietsster stond te wachten voor het verkeerslicht, dat op rood stond. Op het moment dat de voorkant van de vrachtwagen langs [verzoekster] (de fietsster) was gegaan werd haar verkeerslicht groen en fietste zij op waarna zij tegen de rechterzijde van de aanhangwagen botste.

De hieronder ingevoegde foto laat zien, dat deze getuige dit alles kan hebben waargenomen, zij had zicht op het verkeerslicht van zowel richting 2 (…) als van richting 28 (…). Verder geldt, dat het mogelijk is, dat als richting 2 groen is, de richting 28 nóg niet groen is, omdat er zich bij 28 nog niemand heeft aangemeld (getuige [naam] ziet dat [verzoekster] aan komt fietsen). (…) Getuige [naam] ziet de fietsster vervolgens bij richting 28 stilstaan, nu kan voldaan worden aan de 3 seconden bezetting van de detectielus richting 28 en kan 28 groen worden, maar eerst nader het bij richting 2 na groen, 3 seconden geel en 5 seconden rood is. Ook dit is mogelijk als wij kijken naar de door de DAFcombinatie afgelegde weg van stopstreep tot passage; (…). Het is aldus mogelijk, dat nadat de DAFcombinatie bij groen licht, bij de stopstreep is weggereden, dat het licht van richting 2 van groen naar geel en rood heeft geschakeld en het licht van richting 28 groen werd. De verklaring van deze getuige is aldus plausibel te noemen.

Tijdens het getuigenverhoor verklaart getuige [naam], dat de DAFcombinatie niet stil heeft gestaan voor het stoplicht; dat de DAFcombinatie door rood licht reed. De fietsster was in één keer doorgereden zonder te stoppen terwijl het fietsverkeerslicht op groen was.

Deze lezing is niet alleen tegenstrijdig aan hetgeen er ten overstaan van de politie werd verklaard, maar kan op ten minste twee punten ook niet kloppen met hetgeen thans bekend is. Ten 1e is dit de omstandigheid, dat de registratie op de tachograafschijf wijst op de omstandigheid, dat de DAFcombinatie voor het afslaan wel stil heeft gestaan. Ten 2e wordt richting 28 niet groen als er niet ten minste 3 seconden voor het licht (op de lussen) stil is gestaan.

 Getuige [naam]:

Hij staat ook bij de bushalte en ziet, dat de fietsster aan komt rijden en bij het fietsstoplicht stopt voor rood. Toen het stoplicht op groen sprong zag hij dat zij de weg op reed en tegen de vrachtwagen botste.

Deze getuige kan dit vanuit zijn positie hebben waargenomen (…). Ook hier hebben wij een roodlicht situatie bij richting 28 en een stilstaande fietsster bij dit licht, dus een mogelijk langere bezetting (ten minste 3 seconden), waarna deze richting groen kan worden.

Zijn lezing bevestigt een deel van de 1e verklaring (politie) van getuige [naam].

In een later (21-02-2010) schriftelijk ingediende verklaring (mede ondertekend door zijn moeder) geeft hij aan, dat het verkeerslicht van [verzoekster] (de fietsster) op groen sprong en zij is gaan fietsen. Op dat moment zag hij een vrachtwagen langs hem rijden en dat deze naar rechts afsloeg. De vrachtwagen heeft niet stilgestaan voor het stoplicht. Hij stond bij het bushokje.

Deze verklaring klopt op twee punten zeker niet. Kijken wij nog eens naar de foto hieronder, dan kunnen wij de verhouding tussen plaats bushokje (positie getuige [naam]) en stopstreep zien. In de afbeelding rechts heb ik de DAFcombinatie voor de stopstreep gepositioneerd, als zijnde de beschreven situatie dat deze vrachtwagen langs getuige [naam] reed. Met blauw is een fietsmodel bij richting 28 te zien. Indien de fietsster daar is gaan fietsen, terwijl de DAFcombinatie de getuige [naam] bij het bushokje passeerde, dan kan het niet tot een conflict tussen de fietsster en de DAFcombinatie zijn gekomen, omdat de fietsster de oversteek al ruim heeft voltooid, voordat de DAFcombinatie daar zal arriveren.

Naast dit geeft getuige [naam] aan, dat de vrachtwagen niet stil heeft gestaan, dit komt niet overeen met de informatie die de tachograafschijf ons geeft (wel stilstand).

 Getuige [naam]:

In een handgeschreven verklaring geeft hij aan, dat hij zittend in de auto van zijn broer een vrachtwagen voor zich ziet rijden, dat het stoplicht op rood stond en dat hij stil stond en de vrachtwagen rechts de straat in zag rijden. Hij zag een paar personen oversteken, zo ook de fietsster en dat de voorkant van de vrachtwagen haar raakte etc.

Uit de verklaring valt niet duidelijk te herleiden op welk moment hij de vrachtwagen voor het eerst heeft opgemerkt. Was dit voordat de DAF de stopstreep passeerde of daarna nadat de vrachtwagen vanuit stilstand al was gaan rijden en richting 2 intussen en mogelijk van groen naar geel/rood was geschakeld. Deze verklaring komt niet overeen met het aantal personen dat bij richting 28 overstak; [naam] spreekt van een paar personen, terwijl de fietsster alleen overstak (volgens de stukken). Ook klopt zijn verklaring niet met het 1e contact tussen de DAF en de fietsster. Uit de stukken kan immers herleid worden, dat het niet de voorzijde van de DAF was die in botsing kwam met de fietsster.

Tijdens het getuigenverhoor wordt wat betreft dit punt verklaard, dat er bij de stoplichten, waar men rechtdoor wilde rijden, stopt moest worden voor een rood stoplicht. Hij zag dat naast hen de vrachtwagen rechtsaf sloeg. Verder raakte de voorkant van de vrachtauto het voorwiel van de fiets.

Ook hier volgt geen duidelijkheid over de vraag of de DAFcombinatie stil heeft gestaan en ook niet of deze door rood of groen is gereden. Het kan immers zijn dat het achterste deel van de combinatie voorbij kwam terwijl hij stilstond voor rood licht; in dat geval kan de DAF wel al eerder zijn opgereden, mogelijk bij groen. Dat de DAF met de voorzijde in botsing met de fietsster kwam wordt niet door de overige verklaringen ondersteund.

 Getuige [naam]:

Tijdens het getuigen verhoor geeft deze getuige aan, dat de vrachtwagen bij nadering van de stoplichten werd gepasseerd en dat er vervolgens door de getuige werd gestopt voor het rode verkeerslicht. De vrachtwagen reed vervolgens rechts langs hem en sloeg rechtsaf door rood licht. Verder heeft hij gezien, dat er nog meerdere fietsers bij richting 28 overstaken.

Hoewel dit niet geheel duidelijk is, lijkt het erop dat deze getuige aan wil geven, dat de DAF niet is gestopt voordat deze rechtsaf sloeg. De tachograafschijf wijst echter op de omstandigheid, dat er wel sprake is geweest van stilstand (7 seconden). Opmerkelijk is ook, dat deze getuige spreekt over meerdere “andere” fietsers die bij richting 28 nog aan het oversteken waren op het moment dat de DAF afsloeg. Ook dit wordt niet in deze zin door overige lezingen ondersteund.

RESUMÉ / SLOTMEDEDELINGEN:

A. Resumé:

Uit de nog ter beschikking gekomen tachograafschijf kon worden herleid, dat de DAFcombinatie wel en ongeveer 7 seconden stil heeft gestaan, voordat deze combinatie vanaf de IJssellaan de weg Marsdiep opreed.

Wat betreft de thans voorliggende verklaringen van de betrokkenen en getuigen kan gesteld worden, dat deze met uitzondering van de verklaring van de DAFbestuurder, niet consistent zijn en op bepaalde punten niet kunnen kloppen.(…)”

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

[verzoekster] verzoekt, na haar verzoek bij brief van 15 oktober 2013 te hebben verminderd, de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te bepalen dat Reaal aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat Reaal gehouden is de als gevolg van het ongeval geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van de schade;

  • -

    Reaal te veroordelen tot betaling van € 10.000,00 als voorschot op de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van verzoekschrift;

  • -

    Reaal te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 11.380,87 (inclusief BTW).

3.2.

Aan haar verzoek heeft [verzoekster] zakelijk en kort samengevat artikel 6:162 BW, 6:170 BW en 185 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) ten grondslag gelegd.

3.3.

Reaal heeft een beroep gedaan op overmacht.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het gevoerde partijdebat betreft de kern van het geschil de vraag of Reaal een beroep toekomt op overmacht als bedoeld in artikel 185 WvW. Gaat dat beroep op, dan is van aansprakelijkheid op de voet van de overige gestelde grondslagen van artikel 6:162 en 6:170 BW evenmin sprake, daarvoor is immers vereist dat de onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend, waarvan in het geval van een geslaagd beroep op overmacht geen sprake kan zijn.

4.2.

Artikel 185 WvW bepaalt kort gezegd dat de bestuurder van een motorrijtuig voor de schade die hij bij een verkeersongeval heeft toegebracht aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers aansprakelijk is, behoudens situaties van overmacht. Er is slechts sprake van overmacht indien de gemotoriseerde rechtens gezien geen enkel verwijt valt te maken ten aanzien van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen (voorzover relevant voor het ontstaan van het ongeval). Eventuele fouten van andere weggebruikers — waaronder begrepen de eventuele fouten van het slachtoffer zelf — zijn daarbij slechts van belang wanneer die fouten voor de gemotoriseerde zo onwaarschijnlijk waren, dat deze bij het bepalen van diens rijgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527, HR 16 februari 1996, NJ 1996, 393 en HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 147, HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214). Het is aan degene die zich op overmacht beroept om de feiten te bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat het ongeval is te wijten aan overmacht van de bestuurder (HR 17 november 2000, NJ 2001, 260). Binnen dit kader heeft Reaal, de partij die zich op overmacht beroept, het volgende standpunt ingenomen.

4.3.

[naam] heeft op het kruispunt met zijn vrachtwagencombinatie stilgestaan voor rood licht en daar goed om zich heen gekeken, ook via zijn spiegels. [naam] heeft geen fietser(s) op het fietspad of voor het stoplicht op het fietspad waargenomen en heeft, toen het licht op groen was gesprongen, op zorgvuldige wijze en zonder te hard te rijden de bocht genomen. [verzoekster] is nadien komen aanfietsen en heeft niet goed uitgekeken, ook in het geval zij groen licht had (zoals zij zelf stelt), en zij is tegen de rechterzijkant van de aanhanger van de vrachtwagen gereden die zich op dat moment ter hoogte van het fietspad bevond. Het kan [naam] niet verweten worden dat hij op dat moment het fietspad kruiste, omdat de vrachtwagen zeer zwaar beladen was en het nemen van de bocht, op een zorgvuldige wijze, dan ook veel tijd vergde, kennelijk meer tijd dan het groene stoplicht hem had gegeven. [naam] mocht er echter vanuit gaan dat het stoplicht hem voldoende tijd zou geven voor het op een zorgvuldige wijze nemen van de bocht. Van deze situatie kan [naam] rechtens geen enkel verwijt worden gemaakt, althans [naam] heeft geen rekening kunnen en behoeven te houden met de situatie dat [verzoekster], ook in het geval van groen licht, zou gaan oversteken terwijl er zich pal voor haar een zwaarbeladen rijdende vrachtwagen bevond, aldus Reaal.

4.4.

Ter onderbouwing van deze stellingen heeft Reaal verwezen naar de uitkomsten van de tachograafschijf, waaruit volgt dat hij 7 seconden voor het rode stoplicht heeft gestaan, waarna hij vervolgens 16 seconden heeft gereden met een gemiddelde snelheid van 6,8 km per uur. Ook is gewezen op de werkingen van verkeerslichtinstallaties ter plaatse van het kruispunt. Daaruit volgt dat uitgaande van de situatie dat [naam] voor rood licht is gestopt en bij groen licht is opgetrokken en zich op dat moment geen fietser voor het stoplicht bevond, [verzoekster] nadien moet zijn komen aanfietsen en wil zij door groen licht zijn gereden, zoals zij zelf heeft gesteld, zij tenminste 3 seconden voor het stoplicht moet hebben stil gestaan. Zij heeft dan ook de vrachtwagen kunnen en moeten waarnemen. Ook is gewezen op de (getuigen)verklaringen die vlak na het ongeval zijn afgelegd tegenover de politie. Daaruit volgt dat [naam] op het kruispunt heeft stil gestaan en vervolgens nadat het stoplicht op groen was gesprongen is gaan rijden (verklaard door [naam] en [naam]), dat er zich op dat moment geen fietsers op het fietspad bevonden (verklaard door [verzoekster] en [naam]), dat [verzoekster] nadien is komen aanfietsen en ook heeft stil gestaan voor een rood stoplicht (verklaard door [naam] en [naam]) en dat zij vervolgens toen het licht op groen was gesprongen tegen de rechterachterzijde van de vrachtwagen is aangereden (verklaard door [naam], [verzoekster], [naam] en [naam]). Ook is gewezen op de eigen verklaring van [verzoekster] van vlak na het ongeval waarin zij aangeeft “Ik heb niet naar links gekeken; ik had immers ‘groen’. De nadien in het kader van het voorlopige getuigenverhoor afgenomen verklaringen zijn innerlijk tegenstrijdig, tegenstrijdig met eerdere door dezelfde getuigen afgelegde verklaringen, strijdig met de metingen van de tachograafschijf en strijdig met de werking van de stoplichtinstallatie ter plaatse, aldus Reaal. Reaal heeft in dat verband verwezen naar de rapportage van Meuwissen.

4.5.

[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat van overmacht geen sprake is, nu enerzijds [naam] verkeersfouten heeft gemaakt en anderzijds haar zelf geen enkel verwijt kan worden gemaakt. [naam] heeft immers onzorgvuldig gehandeld doordat hij door rood is gereden, doordat hij niet goed heeft uitgekeken, doordat hij de bocht te kort of te ruim heeft genomen en doordat hij te hard heeft gereden. [verzoekster] daarentegen heeft zelf op zorgvuldige wijze het kruispunt IJssellaan-Marsdiep willen oversteken, door door groen te rijden en daarbij goed uit te kijken. Ter onderbouwing van haar voorgaande standpunten heeft [verzoekster] gewezen op de getuigenverklaring die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn afgenomen en waaruit volgt dat zij door groen is gereden (verklaard door [verzoekster], [naam] en [naam]) en dat [naam] niet heeft stilgestaan en door rood is gereden (verklaard door [naam], [naam] en [naam]). Over de tachograafschijf van de vrachtwagen heeft [verzoekster] het standpunt ingenomen dat de metingen van die schijf niet betrouwbaar zijn, omdat hij niet tijdig is geijkt. De (meting van de) tachograafschijf is dan ook voor de beoordeling van onderhavig geschil niet relevant, aldus [verzoekster].

4.6.

Ter beoordeling van het overmachtsverweer moet allereerst worden vastgesteld of [naam] rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. In dat kader is ten eerste van belang of [naam] al dan niet door rood is gereden. [naam] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat daarvan geen sprake is geweest verwezen naar de metingen van de tachograafschijf en de bevindingen daarover van Meuwissen. [verzoekster] heeft vervolgens in algemene bewoordingen slechts de betrouwbaarheid van een tachograafschijf bestreden en voorts gesteld dat deze concrete tachograafschijf niet tijdig zou zijn geijkt. In reactie daarop heeft Reaal gesteld dat een tachograafschijf niet jaarlijks maar tweejaarlijks moet worden geijkt, zodat de tachograafschijf van de vrachtwagencombinatie die op 22 maart 2007 was geijkt op 7 november 2008 (de dag van het ongeval) nog voldeed aan de daaraan te stellen eisen. [verzoekster] heeft daarop niet meer gereageerd en een en ander niet betwist. Gelet daarop en het niet nader geconcretiseerde commentaar op de betrouwbaarheid van een tachograafschijf in het algemeen, zal van de juistheid van de metingen van de tachograaf schijf bij de verdere beoordeling van het geschil worden uitgegaan. Uit de metingen van de tachograafschijf volgt dat de vrachtwagencombinatie kort voor het ongeval 7 seconden heeft stil gestaan, dat de vrachtwagen vervolgens 14 á 18 seconden heeft gereden en daarbij een snelheid heeft bereikt van 13,6 km/u. Daarvan uitgaande heeft de vrachtwagen ongeveer 30 meter afgelegd voordat het ongeval plaatsvond hetgeen bevestigt dat de 7 seconden stilstand voor het stoplicht moeten hebben plaatsgevonden. Die constatering stemt ook overeen met de verklaringen van [naam] en [naam], die in tegenstelling tot de later in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen (waarover hierna meer), vlak na het ongeval zijn afgelegd en waaruit volgt dat [naam] voor het rode stoplicht is gestopt.

4.7.

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar standpunt nog gewezen op de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde andersluidende verklaringen van [naam] en [naam] en de schriftelijke verklaring van [naam] van 21 februari 2010 waaruit volgt dat [naam] door rood zou zijn gereden. Die verklaringen worden gepasseerd. Ze zijn allereerst in strijd met de metingen van de tachograafschijf. De verklaringen van [naam] zijn bovendien innerlijk tegenstrijdig; waar zij vlak na het ongeval verklaarde dat de vrachtwagen door groen licht was gereden, heeft zij zonder nadere toelichting ruim 3.5 jaar later verklaard dat de vrachtwagen door rood is gereden. Ook de verklaringen van [naam] zijn niet consistent. Vlak na het ongeval heeft hij verklaard dat hij niet heeft gezien of het stoplicht voor de vrachtwagen op groen of rood stond. Uit de schriftelijke verklaring van ruim een jaar later volgt echter dat hij heeft gezien dat de vrachtwagen niet heeft stil gestaan voor het rode stoplicht. De betrouwbaarheid van die latere verklaring is voorts in het geding nu uit die verklaring volgt dat het nooit tot een botsing kan zijn gekomen tussen [verzoekster] en de vrachtwagen. [naam] heeft immers verklaard dat hij vanuit zijn positie, in het bushokje, eerst [verzoekster] door groen zag fietsen en vervolgens pas de vrachtwagen langs hem kwam rijden. Ook aan de verklaring van [naam], die ruim ruim 3.5 jaar na het ongeval is afgelegd zal voorbij worden gegaan, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen in 4.10.

4.8.

Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank bij de verdere beoordeling van het overmachtsverweer als vaststaand aan dat [naam] voor rood licht heeft stil gestaan en dat hij bij groen licht is opgetrokken.

4.9.

De vraag is voorts relevant op welk punt [verzoekster] en de vrachtwagen met elkaar in aanraking zijn gekomen. Uit de stellingen van [verzoekster] lijkt te volgen, en zij heeft ook verwezen naar de getuigenverklaringen (getuige [naam]) waaruit zulks volgt, dat [verzoekster] door de voorkant van de vrachtwagencombinatie zou zijn aangereden. Dat was mogelijk omdat [naam] door rood zou zijn gereden en [verzoekster] door groen, aldus [verzoekster]. Reaal heeft dat betwist en het standpunt ingenomen dat [verzoekster] tegen de rechterzijkant van de aanhangwagen is gebotst. Ter onderbouwing daarvan is verwezen naar de verkeersongevalanalyse van de Politie Gelderland Midden. Uit die rapportage volgt dat [verzoekster] ter hoogte van het fietspad tegens de rechterzijde van de aanhangwagen is gebotst. Er is immers op de vrachtwagen zelf geen botscontact geconstateerd en [verzoekster] is met haar voet beklemd geraakt onder het rechter voorwiel van de aanhangwagen, waarop weefseldelen zijn aangetroffen. Daaruit volgt dat de vrachtwagen zelf het fietspad al moet zijn gepasseerd op het moment van de botsing met de aanhangwagen, en dat zij dus nimmer door de voorkant van de vrachtwagen kan zijn aangereden. [verzoekster] heeft op die rapportage niet gereageerd, laat staan de bevindingen van de rapportage gemotiveerd betwist. Zij heeft ook niet met zoveel woorden betwist dat zij met haar fiets tegen de zijkant van de aanhangwagen is gebotst. Daarom stelt de rechtbank vast dat bij de verdere beoordeling van het overmachtsverweer moet worden uitgegaan van de situatie dat [verzoekster] is gebotst tegen de zijkant van de aanhangwagen en dat de vrachtwagen zelf dus het fietspad op het moment van de botsing al was gepasseerd. Daaruit volgt noodzakelijkerwijs ook dat [verzoekster] het kruispunt opreed toen de vrachtwagen al over het fietspad reed.

4.10.

Voor de verdere beoordeling van het overmachtsverweer kan dan nog relevant zijn of er zich op het moment van optrekken (andere) fietsers bevonden op het naast gelegen fietspad en of [naam], zoals [verzoekster] heeft gesteld, dus bij het nemen van de bocht beter had moeten uitkijken. Zowel [naam], [naam] als [verzoekster] zelf hebben daarover vlak na het ongeval verklaard dat er zich op het fietspad geen andere fietsers bevonden, dat [verzoekster] alleen kwam aanrijden en dat [verzoekster] pas kwam aanrijden toen de vrachtwagen, althans de cabine, het fietspad al was gepasseerd. De heren [naam] hebben anders verklaard, maar aan die verklaringen zal voorbij worden gegaan. Die verklaringen zijn ruim 3 jaar na het ongeval afgelegd en worden door geen enkele andere verklaring van de andere getuigen gesteund. Aan de stelling van [verzoekster] dat [naam] niet goed zou hebben opgelet wordt op grond van het voorgaande voorbij gegaan.

4.11.

[verzoekster] heeft nog aangevoerd dat [naam] de bocht te kort of te ruim heeft genomen. Aan die niet nader en innerlijk tegenstrijdige stelling van [verzoekster] zal voorbij worden gegaan. [verzoekster] heeft voorts nog gesteld dat [naam] te hard zou hebben gereden. Uit de metingen van de tachograafschijf volgt echter dat de vrachtwagen met een gemiddelde snelheid van 13,6 km per uur de bocht heeft genomen. Van die snelheid kan, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet worden gezegd dat dat te hard is.

4.12.

Ten slotte is nog relevant of [verzoekster] zelf al dan niet door rood is gereden. Zelf heeft zij het standpunt ingenomen dat zij door groen is gereden. Uit de werking van de stoplichtinstallaties (zoals die is beschreven in het niet betwiste proces-verbaal verkeersongevalsanalyse) volgt dan, dat wil het fietsstoplicht op groen springen, zij tenminste drie seconden op de detectielus moet hebben stilgestaan. Onmogelijk is dan ook de situatie (zoals door sommige getuigen is verklaard) dat [verzoekster] al fietsend heeft geconstateerd dat het stoplicht op groen sprong en zij zonder te stoppen het kruispunt kon opfietsen.

4.13.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat bewezen is dat [naam] voor een rood stoplicht is gestopt, dat er zich op dat moment geen fietsers op het fietspad bevonden, dat hij bij groen licht is opgetrokken en dat [verzoekster] toen hij met de vrachtwagen zelf al het fietspad was gepasseerd op het fietspad met haar fiets tegen de rechterzijkant van de aanhangwagen is aangereden. [verzoekster] is ofwel door rood gereden, hetgeen haar dan kan worden verweten, ofwel zij is door groen gereden, maar dan heeft zij tenminste drie seconden voor een rood stoplicht gestaan en heeft zij de vrachtwagencombinatie moeten kunnen waarnemen die op dat moment het fietspad kruiste. Mr. Demirtas heeft desgevraagd ter zitting slechts aangegeven dat [naam] in deze hiervoor geschetste situatie beter had moeten opletten en had moeten afremmen. Hoe [naam] [verzoekster] in deze situatie had kunnen waarnemen en op welke punt hij dan had kunnen en moeten afremmen teneinde een botsing te voorkomen is echter gesteld noch gebleken. De rechtbank is van oordeel dat [naam] in deze situatie rechtens geen verwijt kan worden gemaakt nu de aanrijding uitsluitend is te wijten aan de fout van [verzoekster] (daaruit bestaand dat zij, al dan niet met groen licht, een kruispunt is opgereden terwijl er pal voor haar waarneembaar een zwaarbeladen rijdende vrachtwagen bevond), die voor [naam] zo onwaarschijnlijk was dat hij, terwijl hij door groen reed, bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met deze mogelijk naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Het overmachtsverweer slaagt derhalve, de verzoeken onder 1 en 2 zullen worden afgewezen.

4.14.

Dan resteert de verzochte kostenbegroting. [verzoekster] heeft verzocht deze kosten te begroten op een bedrag van € 11.308,87 (inclusief BTW en kantoorkosten). Deze begroting is gebaseerd op een uurtarief van € 255,00 en 35,25 uren (27,25 uur in de periode 8 september 2012 – 12 juli 2013 en 8 uur voor de periode 12 juli 2013 tot en met de mondelinge behandeling). Reaal heeft verweer gevoerd, zij acht 10 uren tegen een tarief van € 200,00 redelijk.

4.15.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18). Gesteld noch gebleken is dat alle door [verzoekster] opgevoerde uren zijn terug te voeren op de behandeling van het verzoek zoals hiervoor bedoeld. Gelet op de omvang en het belang van deze zaak acht de rechtbank 20 uren redelijk. Het uurtarief wordt vastgesteld op € 255,00 exclusief BTW en kantoorkosten, nu mr. Demirtas ter zitting heeft verklaard en Reaal dat niet meer heeft weersproken, dat dat het tarief is dat hij [verzoekster] in rekening heeft gebracht. Vermeerderd met het verschuldigde griffierecht (€ 842,00) worden de totale kosten dan begroot op € 7.383,26. Voor een veroordeling in die kosten bestaat, gelet op het ontbreken van aansprakelijkheid, geen aanleiding.

4.16.

Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken af,

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van verzoekster op € 7.383,26.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2014.

Cc: AB