Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1216

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
05/821236-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen heeft een 45-jarige man veroordeeld in verband met het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een 81-jarige vrouw om het leven is gekomen. De man heeft op de linker weghelft gereden en heeft onvoldoende op het verkeer gelet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/821236-13

Datum zitting : 11 februari 2014

Datum uitspraak : 25 februari 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

raadsvrouw : mr. L.H. Pomp, advocaat te Apeldoorn.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2013 te Laren, gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Peugeot, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, Holterweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

op die weg heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gehad, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of (vervolgens) geheel of gedeeltelijk terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding en/of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomend ander motorrijtuig (personenauto, Opel, [kenteken 2]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 10 mei 2013 te Laren, gemeente Lochem, als bestuurder van een voertuig (personenauto, Peugeot 206, kenteken [kenteken 1]), daarmee rijdende op de weg, Holterweg, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

op die weg heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur,

en/of (daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gehad, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of (vervolgens) geheel of gedeeltelijk terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te

rechtvaardigen aanleiding en/of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomend ander motorrijtuig (personenauto, Opel, [kenteken 2]), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 februari 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. L.H. Pomp, advocaat te Apeldoorn.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 mei 2013 reed verdachte over de Holterweg te Laren, gemeente Lochem, als bestuurder van zijn personenauto, Peugeot met kenteken [kenteken 1]. Aldaar werd het zicht niet belemmerd, beperkt of gehinderd. Op die weg is verdachte in aanrijding gekomen met de hem tegemoetkomende personenauto Opel met kenteken [kenteken 2], die bestuurd werd door [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer).2 In verband met letsel opgelopen door deze aanrijding is dat slachtoffer opgenomen in het ziekenhuis. Op 29 mei 2013 is het slachtoffer als gevolg van dit letsel overleden.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Meer in het bijzonder heeft zij gesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onoplettend heeft gereden, waardoor het ongeval is ontstaan als gevolg waarvan een ander is gedood.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat hooguit sprake was van een kort moment van onoplettendheid. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte te hard heeft gereden. Wat dan overblijft is onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de bewijsmiddelen niet uitsluiten dat (ook) het slachtoffer niet uiterst rechts heeft gereden. Nu sprake is van een zeer smalle weg, waarbij auto’s elkaar alleen goed kunnen passeren als beide voertuigen uiterst recht houden, kan verdachte geen gevaarzettend gedrag in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 worden verweten. Derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden van het subsidiair tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos, zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Uit het rechtbankdossier leidt de rechtbank het volgende af.

Na het ongeval is door de Verkeersongevalsanalyse (onder andere) sporenonderzoek verricht. Op de plaats van het ongeval zijn beschadigingen aan het wegdek en aan beide auto’s waargenomen. Aan de linker onderzijde van de auto van verdachte is (net achter het linker voorwiel) schade aangetroffen, welke schade (volgens de Verkeersongevalsanalyse) waarschijnlijk is ontstaan tijdens het veroorzaken van krassen in het wegdek op de plaats van het ongeval. Deze krassen bevonden zich (vanaf de rijrichting van verdachte bezien) aan de linkerzijde van de weg.4 Nu aan de auto van het slachtoffer geen beschadigingen zijn aangetroffen die dergelijke sporen op het wegdek kunnen hebben veroorzaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat deze sporen afkomstig zijn van de auto van verdachte.5

Deze wegdekschade bevond zich ongeveer een meter naast de berm (vanaf de rijrichting van verdachte bezien)6, terwijl de schade net achter het linkervoorwiel, gezien de breedte van een autoband, zich op ongeveer 30 centimeter van de zijkant van auto bevond.7 Daar waar de Verkeersongevallenanalyse heeft geconstateerd dat de Holterweg vijf meter breed is8, leidt dit tot de conclusie dat de linkerzijkant van de auto van verdachte zich op ongeveer 70 centimeter van de linkerberm heeft bevonden. Daarom concludeert de rechtbank dat verdachte op het moment van het ongeval aan de linkerzijde van de weg reed.

Uit de constatering dat beide voertuigen elkaar met ongeveer 50% overlap hebben geraakt9 en de plaats van verdachte op de linkerzijde van die weg, kan worden afgeleid dat het slachtoffer uiterst rechts op de weg en wellicht zelfs deels in de berm moet hebben gereden. Daar waar verdachte gebruik maakte van ongeveer 4,30 meter van het wegdek, had het slachtoffer slechts 70 centimeter wegdek tot haar beschikking. Zij kon geen kant op. Van iedere wegdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich zoveel mogelijk rechts op de weg bevindt. Daarnaast mag van iedere automobilist worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en dat deze zich vergewist van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer dat hij daarbij ontmoet. Dit gold temeer voor verdachte aangezien hij op een smalle weg reed, waardoor hij extra rekening diende te houden met zijn plaats op de weg en met tegemoetkomend verkeer.

Dit heeft verdachte in onvoldoende mate gedaan. Verdachte is onvoldoende alert geweest op de weg én op het latere slachtoffer dat hem tegemoet reed. Hiertoe moet hij wel de gelegenheid hebben gehad. Immers, het ongeval vond plaats op een lange rechte weg waardoor het slachtoffer ruim van te voren voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest. In plaats van ruimte te maken voor het slachtoffer heeft verdachte aan de linkerzijde van de weghelft gereden waardoor het ongeval is veroorzaakt en uiteindelijk het slachtoffer is overleden. Verdachte heeft zijn aandacht dan ook onvoldoende op het verkeer dan wel de verkeersituatie ter plaatse gehad.

Ten aanzien van de gereden snelheid concludeert de rechtbank dat er zich in het dossier geen stukken bevinden die de conclusie rechtvaardigen dat verdachte harder heeft gereden dan ter plaatse toegestaan. Weliswaar hebben enkele verkeersdeelnemers die de auto van verdachte even voor het ongeval hebben waargenomen zijn snelheid (aanzienlijk) hoger geschat dan 60 kilometer per uur, maar daar staat tegenover dat de Verkeersongevallenanalyse op basis van botsproefvergelijkingen heeft geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat niet veel sneller is gereden dan 60 kilometer per uur. Verdachte kan daarom niet worden verweten dat hij te hard heeft gereden en zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval en wel in aanmerkelijke mate.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 mei 2013 te Laren, gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Peugeot, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, Holterweg, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd, zijn aandacht in onvoldoende mate bij het overige verkeer en de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gehad, en

gedeeltelijk terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, in elk geval niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en (vervolgens) in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomend ander motorrijtuig (personenauto, Opel, [kenteken 2]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar met een proeftijd van één jaar, een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat deze vordering niet in lijn is met de vorderingen in vergelijkbare zaken.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 22 augustus 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verkeersgedragingen van verdachte hebben geleid tot een buitengewoon tragisch ongeval, waarbij een 81-jarige vrouw om het leven is gekomen. Nadat zij eerst zwaar gewond naar een ziekenhuis is gebracht en meerdere operaties heeft moeten ondergaan, heeft de familie na enkele weken de moeilijke beslissing moeten nemen om de beademing te stoppen. Dit moet voor hen vreselijk zijn geweest. De rechtbank realiseert zich dan ook tot welk onuitsprekelijk en onherstelbaar leed dit ongeval heeft geleid bij de nabestaanden

Ook verdachte heeft tijdens de terechtzitting laten zien dat het gebeurde hem heeft aangegrepen. Dit ongeval had echter voorkomen kunnen worden indien verdachte in voldoende mate rekening had gehouden met de verkeersituatie ter plaatse. Daarbij komt dat verdachte ook heeft verklaard dat hij in die periode door zakelijke en privéproblemen echt overspannen was en erg slecht sliep, dat hij slaapmedicatie gebruikte en dat deze problemen hem telkens bezig hielden. Het was het enige waar hij aan dacht en met hetgeen om hem heen gebeurde, was hij niet bezig. De rechtbank acht het dan ook buitengewoon zorgwekkend dat verdachte in deze toestand heeft deelgenomen aan het verkeer.

De rechtbank realiseert zich dat het verlies van mevrouw [slachtoffer] voor de familie niet in straf is uit te drukken. Zij moet zich de vraag stellen welke straf hier passend en geboden is.In vergelijkbare gevallen met een dodelijke afloop zijn voor de rechtbank een gevangenisstraf en een forse onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel richtinggevend.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de persoonlijke omstandigheden van verdachte zwaar te laten wegen in haar beslissing over de strafmaat. Bij het bepalen van de hoogte daarvan houdt de rechtbank met name rekening met de wijze waarop verdachte met de nabestaanden is omgegaan. Verdachte heeft na het ongeval en ook na het overlijden van [slachtoffer] opengestaan voor contact met de familie, ondanks dat het voor hem moeilijk en zeer confronterend moet zijn geweest hen onder ogen te komen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen strafblad heeft en met de omstandigheid dat verdachte ook zelf aanzienlijk (mogelijk blijvend) letsel door het ongeval heeft opgelopen. Bovendien houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Tot slot houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de door nabestaanden aan verdachte geschreven brief waarin zij stellen erop te vertrouwen dat deze zaak in de meest milde strafrechtelijke vorm zal worden afgedaan.

Alles afwegende is zij van oordeel dat een gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit zou zijn. Verdachte zal daarom worden veroordeeld tot de op één na zwaarste strafsoort: een werkstraf. Bovendien zal aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. Omdat dit de eerste keer is dat verdachte een verkeersongeval veroorzaakt en hij tevens oprecht lijkt in zijn spijt en schaamte, is het op dit moment niet nodig dat verdachte zijn rijbewijs inlevert om de verkeersveiligheid voor andere weggebruikers te kunnen waarborgen of verdachte er zelf van te doordringen dat hij (veel) meer veiligheid in het verkeer moet betrachten. Indien verdachte zich echter binnen twee jaar weer schuldig zou maken aan dergelijk rijgedrag, zal verdachte vervolgens wél zijn rijbewijs gedurende een lange periode kwijt zijn.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 11.414,75.

Het standpunt van de partijen

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben gesteld dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], gelet op de nog resterende onduidelijkheden, een onevenredige belasting is voor het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank vergt behandeling van de civiele vordering een nader onderzoek naar de grondslag daarvan en het daartegen ingebrachte verweer. Een dergelijke behandeling betekent echter een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c 22c, 22d en 91van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

- het verrichten van een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis van 75 dagen zal worden toegepast;

- de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 1 (één) jaar;

bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. Janssen (voorzitter), mr. Kleinrensink en mr. Gilhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, district IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer PL0633 2013060929-1, gesloten op 5 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse, p. 4 (dossierpagina 10) en 15 (dossierpagina 21) en verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 februari 2014.

3 Een schriftelijk bescheid, zijnde een verklaring van een lijkschouw, opgesteld d.d. 29 mei 2013 door [lijkschouwer], lijkschouwer.

4 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 22 t/m 24 en 36.

5 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 30 (dossierpagina 36)

6 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 30 (dossierpagina 36).

7 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 17 (dossierpagina 23).

8 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 7 (dossierpagina 13).

9 Proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, p. 34.