Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1141

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
05/821177-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte (18) rijdt op rondweg van Elburg met hogere snelheid dan toegestaan een fietser aan die ten gevolge van de botsing overlijdt. Volgt werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/27

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/821177-13

Uitspraak d.d. 21 februari 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum],

wonende [adres].

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2014.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Elburg als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen Corrado, kenteken

[kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Oostelijke Rondweg, ter hoogte

van de kruising van deze weg met de Tempelweg, roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend, en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd beperkt, belemmerd en/of werd

gehinderd, en/of

aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 87 km/h, in elk geval met

een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/h, en/of

terwijl hij, verdachte, een op die kruisende weg, de Tempelweg rijdende

bestuurder van een fiets wel (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover

deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

bestuurder van een fiets, welke die kruising overstak, althans wilde

oversteken,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd

gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden;

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Elburg als bestuurder van een voertuig

(personenauto, Volkswagen Corrado, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de

weg, de Oostelijke Rondweg, ter hoogte van de kruising van deze weg met de

Tempelweg,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd beperkt, belemmerd en/of werd

gehinderd, en/of

aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 87 km/h, in elk geval met

een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/h, en/of

terwijl hij, verdachte, een op die kruisende weg, de Tempelweg rijdende

bestuurder van een fiets wel (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover

deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

bestuurder van een fiets, welke die kruising overstak, althans wilde

oversteken,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat hij – kort weergegeven – bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken, één en ander zoals weergegeven in de door haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. In het bijzonder heeft zij aangevoerd dat de remproef niet goed is uitgevoerd en dat de getuigenverklaring van [getuige] niet voor het bewijs gebezigd kan worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank grondt haar oordeel op het volgende.1

Op 15 juli 2013 vond er een verkeersongeval plaats op de Oostelijke Rondweg te Elburg. Bij het ongeval botste een personenauto van het merk Volkswagen, type Corrado, met kenteken [kenteken] tegen een overstekende fietser2, zijnde het later bekend geworden en overleden slachtoffer [slachtoffer].3

Op 16 juli 2013 heeft een lijkschouw plaats gevonden. Door de forensisch arts is een schouw verricht. Er is door de arts een verslag niet natuurlijke dood opgemaakt.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij als bestuurder in een Volkswagen met kenteken [kenteken] op 15 juli 2013 over de Oostelijke Rondweg reed. Op enig moment zag hij op de Tempelweg een fietser naderen van wie verdachte in de veronderstelling was dat deze zou stoppen op het middengedeelte van de Oostelijke Rondweg omdat deze fietser aan hem, verdachte, voorrang moest verlenen. Verdachte zag dat de fietser niet stopte en op het weggedeelte kwam waar verdachte reed. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij krachtig remde maar dat hij een aanrijding met de fietser niet kon voorkomen.4 Verdachte heeft tevens verklaard dat de Oostelijk Rondweg goed overzichtelijk was en dat je alles goed kon zien.5 Verdachte heeft ter zitting een min of meer gelijkluidende verklaring afgelegd.6

Door de afdeling Verkeers Ongevallen Analyse van de Politie eenheid Oost Nederland is een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het verkeersongeval. Gezien vanuit de rijrichting van waaruit de Volkswagen de plaats van het ongeval naderde, werd een rem- blokkeerspoor met een lengte van circa 38,60 meter aangetroffen welk spoor zeer waarschijnlijk door de Volkswagen werd veroorzaakt.7 Dit rem- blokkeerspoor liep tot aan de eindpositie van de Volkswagen en stopte onder de voorwielen.8 Uit een drietal gehouden remproeven, waarbij een gemiddelde remvertraging van achtereenvolgens 7,4 m/s², 7,3 m/s² en 7,3 m/s² is vastgesteld, is gebleken dat van het voertuig van verdachte, de minimale blokkeervertraging 7,2 m/s² en de maximale blokkeervertraging 7,4 m/s² bedroeg.9 Op basis van deze gegevens konden snelheidsberekeningen aan het begin van de rem- blokkeersporen worden gemaakt. De energie van het voertuig van de verdachte die verloren ging door de botsing met [slachtoffer] en die werd omgezet in schade werd door de rapporterende verbalisanten ingeschat en betrokken in de snelheidsberekeningen. De conclusie van deze analyse is dat verdachte bij het begin van het rem- blokkeerspoor dat op de weg is aangetroffen ongeveer 85 kilometer per uur heeft gereden, hetgeen ongeveer 25 kilometer sneller is dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur10, en dat er geen aanrijding zou hebben plaatsgevonden indien verdachte bij aanvang van het rem-blokkeerspoor de maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur had gereden.11

Voorts is uit onderzoek gebleken dat de Volkswagen in een onvoldoende rij technische staat van onderhoud verkeerde. Er was sprake van een defect antiblokkeersysteem (hierna: ABS) en de snelheidsmeter gaf niet de juiste snelheid aan.12 Uit onderzoek is gebleken dat de snelheidsmeter van de Volkswagen ongeveer 20 kilometer per uur te veel aangaf ten opzichte van de werkelijke snelheid. Uit de remproeven is gebleken dat de ABS niet werkte waardoor rem- blokkeersporen zichtbaar werden.13

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat de snelheidsmeter defect was op het moment dat hij de auto kocht in september 2012.14

Als de ABS van de Volkswagen van verdachte goed zou hebben gewerkt, dan zou waarschijnlijk gemiddeld een hogere remvertraging zijn gehaald, waardoor de Volkswagen een kortere remweg zou hebben gehad, en zou de aanrijding met een lagere snelheid hebben plaats gevonden.15

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van roekeloos dan wel zeer onoplettend (grove verkeersfout) verkeersgedrag van verdachte zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke verkeersfout. Daartoe is het volgende van belang.

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op 15 juli 2013 op de Oostelijke Rondweg te Elburg heeft gereden met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur. Niet onwaarschijnlijk is dat verdachte aanvankelijk zelfs met een nog hogere snelheid gereden dan bij de snelheidsberekening is vastgesteld. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij kort voorafgaand aan het ongeval reeds gas had teruggenomen omdat hij twee voetgangers zag oversteken op de plaats waar even later ook het slachtoffer overstak. Daar komt nog het volgende bij. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zijn snelheidsmeter 15 kilometer te veel aangaf (wat na onderzoek 20 km/u bleek te zijn) en dat hij op enig moment 100 kilometer per uur op de Oostelijke Rondweg reed nadat hij het industrieterrein in Elburg had verlaten. Dit houdt in dat verdachte kennelijk in zijn beleving toen al 85 kilometer per uur reed. Wat daar van zij, in elk geval is vast komen te staan dat verdachte met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 kilometer per uur op genoemde weg heeft gereden. Blijkens de bewijsmiddelen heeft verdachte het slachtoffer waargenomen, terwijl deze bezig was om over te steken op de kruising van de Oostelijke Rondweg met de Tempelweg. Verdachte heeft deze kruising, nadat hij eerst twee personen heeft zien oversteken, vervolgens genaderd zonder zijn te hoge snelheid afdoende en tijdig te matigen teneinde een botsing met het slachtoffer te voorkomen. Bij deze kruising heeft verdachte het slachtoffer aangereden, waardoor het slachtoffer is overleden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld door de snelheid van de Volkswagen niet verder aan te passen bij het naderen van de bewuste kruising, terwijl verdachte het ongeval overigens naar het zich laat aanzien had kunnen voorkomen mits hij zich aan de maximale snelheid had gehouden. De omstandigheid dat verdachte ten onrechte geen voorrang verleend heeft gekregen van het slachtoffer maakt dat niet anders. Dit ontslaat verdachte immers niet van de zorgplicht die hij als bestuurder van zijn personenauto heeft te betrachten tegenover met name niet gemotoriseerd verkeer. Het bestaan van de kruising had hem moeten nopen aanzienlijk voorzichtiger te rijden, terwijl het slachtoffer ook niet bedachtzaam had hoeven zijn op een auto die 25 kilometer per uur harder reed dan was toegestaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte ter plaatse goed bekend was, omdat hij - naar hij ter zitting heeft verklaard - deze weg dagelijks reed voor zijn werk, dus ook wist dat zich hier een oversteekgelegenheid bevond die ook door voetgangers en fietsers werd gebruikt.

Daarnaast bestuurde verdachte een voertuig met een niet functionerende ABS en een snelheidsmeter die een onjuiste snelheid aangaf. Met betrekking tot de ABS merkt de rechtbank op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de ABS voor een kortere remafstand zorgt. Met betrekking tot de defecte snelheidsmeter merkt de rechtbank op dat het niet anders kan dan dat de voortdurende inspanning die gepaard gaat met het vaststellen van de juiste maximumsnelheid gedurende een autorit op een bepaald moment ten koste gaat van de aandacht voor het wegverkeer dan wel ten koste gaat van het rijden van een juiste snelheid. Daar komt nog bij dat verdachte een gemankeerd inschattingsvermogen heeft waar het gaat om het vaststellen van zijn snelheid. Immers heeft verdachte zowel tegenover de politie als tegenover de rechtbank verklaard, gemeend te hebben dat hij kort voor het fatale ongeluk 70 kilometer per uur reed in plaats van de op basis van technisch onderzoek vastgestelde (ongeveer) 85 kilometer per uur.

De rechtbank is in het geheel niet gebleken dat verdachte op grond van het voorgaande de voorzorgsmaatregelen heeft genomen die van hem onder de gegeven omstandigheden verwacht mochten worden. Het gedrag van verdachte is ook verwijtbaar omdat uit voormeld onderzoek volgt dat het ongeval vermijdbaar was.

De raadsvrouw van verdachte heeft vraagtekens geplaatst bij de bewezenverklaring en vooral bij de betrouwbaarheid van de remproef. De raadsvrouw heeft haar bezwaar gemotiveerd door erop te wijzen dat de banden van de auto van verdachte verder zijn afgesleten als gevolg van de drie na het ongeval uitgevoerde remproeven waardoor de banden een gladder oppervlak hadden bij de laatste remproef dan op het moment van de aanrijding. Meer oppervlak betekent, aldus de raadsvrouw, dat de auto sneller tot stilstand komt en de remweg dus korter is en dat harder moet worden gereden dan feitelijk bij de aanrijding aan de orde was om tot eenzelfde remspoor te komen. Gelet op de uiterst geringe verschillen tussen de uitkomsten van de onderscheidenlijke remproeven slaagt dit verweer niet.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de in het proces-verbaal opgenomen verklaring van [getuige] niet kan bijdragen tot het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De raadsvrouw stelt dat de verklaring van deze getuige niet betrouwbaar is. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Almelo stelt zij dat “naar het oordeel van de rechtbank voor een niet-deskundige getuige moeilijk [is] om de snelheid van een passerend voertuig in te schatten. Dit maakt dat een dergelijke getuigenverklaring met de nodige voorzichtigheid gewaardeerd moet worden en de rechtbank deze in (dat) geval niet bruikbaar acht voor het bewijs.”

De rechtbank heeft kennis genomen van de verklaring van [getuige]. Nu deze getuigenverklaring niet gebruikt is voor het bewijs, zal de rechtbank verder niet ingaan op het door de raadsvrouw naar voren gebrachte standpunt om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 15 juli 2013 te Elburg als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen Corrado, (kenteken

[kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Oostelijke Rondweg, ter hoogte

van de kruising van deze weg met de Tempelweg, aanmerkelijk, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd beperkt en werd gehinderd en

aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/u en

terwijl hij, verdachte, een op die kruisende weg, de Tempelweg rijdende

bestuurder van een fiets wel tijdig heeft waargenomen en

daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij die weg en die kruising kon overzien en waarover

deze vrij was en

vervolgens is gebotst tegen die bestuurder van een fiets, welke die kruising overstak,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd

gedood.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

In het bijzonder wordt verdachte vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging waarin hem is geweten, dat het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden. Verdachte heeft zich weliswaar niet aan de maximumsnelheid ter plaatse gehouden, maar de overschrijding was niet van dien aard dat van een overschrijding “in ernstige mate” kan worden gesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

  • -

    een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij het niet, of niet volledig uitvoeren daarvan te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis en

  • -

    tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De raadsvrouw heeft bij een bewezenverklaring van de tenlastelegging bepleit dat verdachte een werkstraf of geldboete krijgt opgelegd met eventueel een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op het de facto blanco uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 januari 2014 betreffende verdachte.

Verdachte heeft op 15 juli 2013 door onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag een noodlottig ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. Dit ongeval heeft, blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring zoals voorgelezen namens de nabestaanden, veel verdriet veroorzaakt bij de familie zelf maar ook binnen de gemeenschap van Elburg. De constatering dat het ongeval niet had plaatsgevonden indien verdachte zich aan de maximaal toegestane snelheid had gehouden moet hen daarom zwaar vallen. De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen van dit noodlottig ongeval voor de nabestaanden zich niet in enige strafmaat laten uitdrukken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte beginnend bestuurder is en dat verdachte veel beter had moeten opletten en zich moeten realiseren wat de consequenties van zijn gedrag en de diverse technische gebreken van zijn auto zouden kunnen zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting oprecht berouw getoond. Daarnaast is de rechtbank ook gebleken dat verdachte zelf ook dagelijks kampt met de nadelig psychische gevolgen van het ongeval. De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij geen eerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet op zijn strafblad heeft staan. In het voordeel van verdachte pleit voorts dat verdachte naar tevredenheid van zijn werkgever een baan heeft waarbij hij grote voertuigen bestuurt. De rechtbank acht het van belang dat verdachte ondanks een op te leggen strafrechtelijke modaliteit deze baan kan behouden.

Teneinde de ernst van het onderhavige feit te benadrukken acht de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf voor de maximale duur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in de zin van een weekendverbod op zijn plaats.



Alles overwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van veroordeelde ingevorderd is geweest. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte de eerste 12 maanden van de proeftijd slechts rijbevoegd is ten behoeve van zijn werk als trekkerchauffeur bij Infradijk en ten behoeve van zijn strikt noodzakelijke woon-werkverkeer.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd om de onder verdachte in beslag genomen Volkswagen met kenteken [kenteken] aan verdachte terug te geven, mits de technische gebreken worden verholpen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de Volkswagen met kenteken
[kenteken] dient te worden teruggegeven.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Volkswagen met kenteken [kenteken] betreft een voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan. De rechtbank zal dit voorwerp verbeurd verklaren. Hierbij is rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

  • -

    verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

veroordeelt verdachte tot het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdenveertig) uren;

 bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid;

 de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;

 beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet, of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

 stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdentwintig) dagen;

veroordeelt verdachte tot ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994;

 bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

 stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de eerste 12 (twaalf) maanden na aanvang van de proeftijd zich zal onthouden van het besturen van motorrijtuigen, anders dan in de uitoefening van zijn werk als trekkerchauffeur bij Infradijk en ten behoeve van zijn strikt noodzakelijke woon-werkverkeer.

 verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Volkswagen Corrado met het kenteken [kenteken].

Aldus gewezen door mr. Kropman, voorzitter, mr. Ouweneel en mr. Welbergen in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2014.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreffen dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier proces-verbaal, nummer PL0613 2013094704-1, Politie Regio Noord- en Oost Gelderland, gesloten en ondertekend op 26 november 2013.

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf, p. 3-4

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 64 en p. 65

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 75

5 Idem, p. 78

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 februari 2014

7 Proces-Verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 35

8 Idem, p. 37

9 Idem, p. 46 t/m 49

10 Idem, p. 50

11 Idem, p. 51

12 Idem, p. 54

13 Idem, p. 43

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 78

15 Idem, p. 54