Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1077

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
06/950174-12 en 06/940000-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een zwakbegaafde Apeldoornse verdachte die zijn kind heeft mishandeld is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zijn bijzondere voorwaarden verbonden. De verdachte moet behandelingen volgen, moet zich laten begeleiden en mag niet in een situatie komen waarin hij directe zorg heeft voor kinderen. Het zoontje heeft aan de mishandeling geen blijvend letsel overgehouden en is al kort na de mishandeling in een pleeggezin ondergebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/950174-12 en 06/940000-14

Uitspraak d.d.: 19 februari 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 06/950174-12, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 06/950174-12

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Apeldoorn aan zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2]) (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk en/of een botbreuk in het linker bovenbeen), heeft toegebracht, door deze (telkens) opzettelijk (met kracht) tegen een deur(post), althans een hard voorwerp te

slaan/gooien/duwen en/of meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het bedje van die [slachtoffer 1] te schoppen/trappen (waardoor de bedbodem naar beneden klapte) en/of die [slachtoffer 1] (met kracht) door elkaar/heen en weer te schudden en/of die [slachtoffer 1] op de grond en/of in het bedje te gooien/laten vallen;

art 304 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Apeldoorn (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, althans aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2]), (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet deze [slachtoffer 1] (met kracht) tegen een deur(post), althans een hard voorwerp heeft geslagen/gegooid/geduwd en/of meerdere malen, althans eenmaal

(met kracht) tegen het bedje van die [slachtoffer 1] heeft geschopt/getrapt (waardoor de bedbodem naar beneden klapte) en/of die [slachtoffer 1] (met kracht) door elkaar/heen en weer heeft geschud en/of die [slachtoffer 1] op de grond en/of in het bedje heeft gegooid/laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Apeldoorn (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2]), (met kracht) heeft beetgepakt en/of geslagen en/of gestompt en/of geknepen en/of geduwd en/of neergegooid en/of door elkaar/heen en weer heeft geschud en/of die [slachtoffer 1] dusdanig lomp/wild/onvoorzichtig/ruw heeft behandeld, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden;

art 304 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 06/940000-14

hij op of omstreeks 13 november 2012 in de gemeente Zutphen (te weten in de rechtbank aldaar) [slachtoffer 2] (ex-partner van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen en/of duidelijk hoorbaar voor die [slachtoffer 2] geroepen/geschreeuwd "vuil tyfuswijf, ik maak je af, ik maak je dood" en/of "ik vermoord dat kreng, ik maak haar af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, waarbij hij, verdachte, (met kracht) tegen een of meer stoel(en) en/of een deur heeft geschopt/getrapt, en aldus voor die [slachtoffer 2] een dreigende situatie heeft gecreëerd;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 19 september 2011 heeft het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) een melding van het Gelreziekenhuis te Apeldoorn ontvangen die inhield dat bij [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], een schedelbreuk en een bult op het achterhoofd was geconstateerd. Omdat de ouders geen afdoende verklaring konden geven omtrent de oorzaak van dit letsel heeft het Gelreziekenhuis hiervan melding gedaan bij het AMK.

Bij brief van 17 oktober 2011 heeft het AMK de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) verzocht om een onderzoek in te stellen in verband met het vermoeden van kindermishandeling. De resultaten van dit onderzoek waren aanleiding voor de Raad tot het doen van aangifte op 7 november 2011.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de onder parketnummer 06/950174-12 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft verklaard dat hij de feiten niet heeft begaan. Zo het letsel al door verdachte zou zijn toegebracht, dan heeft hij dit niet kwaadbewust gedaan. Bovendien laat de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) de mogelijkheid open dat [slachtoffer 1] het letsel op andere wijze heeft opgelopen. Getuigen hebben in de beleving van verdachte belastend over hem verklaard omdat hij beperkingen heeft. De raadsvrouw heeft verzocht deze verklaringen niet als bewijs te bezigen.

De raadsvrouw heeft voorts verzocht verdachte eveneens vrij te spreken van het onder parketnummer 06/940000-14 ten laste gelegde feit. Verdachte ontkent dit feit te hebben begaan. Aangeefster en haar moeder, die als getuige is gehoord, hebben er belang bij een negatief beeld van verdachte te schetsen. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij de indruk had dat verdachte de bedreigingen niet tegen aangeefster heeft geuit.

Beoordeling door de rechtbank

Parketnummer 06/950174-12

Er is aangifte2 gedaan door de Raad van poging doodslag of zware mishandeling van [slachtoffer 1], geboren te Apeldoorn op 17 juni 2011. [slachtoffer 1] was opgenomen in het ziekenhuis en had een schedelbreuk en een bult op zijn achterhoofd.

Bij de aangifte van de Raad is een kopie van een ontslagbericht3 gevoegd van de afdeling kindergeneeskunde van het Gelreziekenhuis Apeldoorn. Daaruit blijkt dat [slachtoffer 1] van 17 september 2011 tot en met 22 september 2011 in het ziekenhuis opgenomen is geweest wegens een schedelfractuur. De conclusie van de artsen is dat de schedelfractuur het meest waarschijnlijk is veroorzaakt door geweld van buitenaf. Ook is er op de linkerwang een hematoom geconstateerd.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard4 dat er een gebeurtenis is geweest waarbij [slachtoffer 1] het hoofd heeft gestoten. [slachtoffer 1] kreeg een bult op die plek. Verdachte en zijn vrouw zijn toen samen met zijn schoonouders naar het ziekenhuis gegaan.

[betrokkene] heeft verklaard5 - zakelijk weergegeven - dat zij de stiefmoeder is van [slachtoffer 2]. Zij zat een keer met [slachtoffer 2] aan de telefoon. Dat was op een vrijdagavond. Zij hoorden allebei een harde bonk en [slachtoffer 2] zei: “Er valt wat om bij jou”. [betrokkene] heeft daarop gezegd: “Dat is niet bij mij, dat is bij jou”. [slachtoffer 2] is toen naar boven gegaan, waar verdachte [slachtoffer 1] in bed aan het leggen was. [slachtoffer 2] nam de telefoon mee naar boven en [betrokkene] kon horen wat er gezegd werd. [verdachte] zei: “Dat kutkind moet zijn bek houden”. Hij zei dat met een hele kwade toon, agressief. Kort daarna werd de verbinding verbroken. De volgende dag, zaterdag, belde [slachtoffer 2] of zij kon komen omdat [slachtoffer 1] een bult op zijn hoofd had. [slachtoffer 1] was helemaal overstuur. [betrokkene] is er heen gegaan en zag dat [slachtoffer 1] een grote bult op zijn hoofd had. [betrokkene], haar partner, [slachtoffer 2] en [verdachte] zijn vervolgens met [slachtoffer 1] naar de eerste hulp van het ziekenhuis gegaan. Toen [slachtoffer 2] van de arts af kwam vertelde zij dat [slachtoffer 1] volgens de arts een schedelfractuur had. [slachtoffer 1] is vervolgens een week in het ziekenhuis geweest. Op 5 juni 2012 heeft [verdachte] haar gebeld en gezegd “Niemand mag het weten, die schedelbreuk van [slachtoffer 1] heb ik gedaan”. Hij vertelde ook dat hij [slachtoffer 1] bij zijn wang had gepakt omdat hij een keer niet te snel dronk. [verdachte] ging altijd ruw met [slachtoffer 1] om. Hij legde [slachtoffer 1] niet neer, maar gooide hem werkelijk neer.

[slachtoffer 2] heeft verklaard6dat zij met haar stiefmoeder zat te bellen. Zij hoorde een harde klap en is naar boven gerend, naar [slachtoffer 1] kamer. [slachtoffer 1] lag op het aankleedkussen. Hij moest heel erg huilen en had bloed in zijn mond. [verdachte] stond er naast. Het bed was ingezakt. De volgende dag had hij een bult op zijn hoofd. Zij zijn toen direct naar het ziekenhuis gegaan.

Bij de aangifte van de Raad is een “Verzoek onderzoek Raad voor de Kinderbescherming”7 van het AMK gevoegd. In dit onderzoek is ook informatie opgenomen afkomstig van het Bureau Maatschappelijke Ondersteuning (hierna: BMO). In het rapport staat onder andere vermeld dat verdachte ruw in de omgang was met [slachtoffer 1] en dat er veel stressfactoren aanwezig waren. Tijdens een huisbezoek door BMO heeft [slachtoffer 1] moeder beaamd dat verdachte heeft gescholden op [slachtoffer 1]: “klote kind hou je kop stil”. De conclusie is dat er sprake was van een onveilige opvoedingssituatie. Voor de in het ziekenhuis geconstateerde schedelbreuk en de blauwe plekken op het gezicht en de arm van [slachtoffer 1] kon geen duidelijke verklaring gegeven worden. Dat er sprake is geweest van een ongeluk lijkt onwaarschijnlijk. Verdachte heeft veel rust en structuur nodig. De aanwezigheid van een kind brengt veel onrust met zich. Hij reageert daar onvoorspelbaar op en vormt daaruit een reële bedreiging voor de veiligheid van [slachtoffer 1]. Op 1 september 2011 heeft de huisarts geconstateerd dat [slachtoffer 1] een bebloed mondje had. Op 30 september 2011 had [slachtoffer 1] een klein korstje onder zijn oog. Op 11 oktober 2011 is gezien dat [slachtoffer 1] een bult op zijn hoofd had, waarvoor geen verklaring gegeven kon worden.

Er is een rapport van medisch-forensisch onderzoek en een aanvullend rapport8 opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut. De conclusies zijn als volgt. De bij [slachtoffer 1] geconstateerde schedelbreuk is veel waarschijnlijker het gevolg van heftig botsend contact of een val van beperkte hoogte dan van het éénmaal of vaker schoppen tegen het bed waarin hij lag, al dan niet met het inzakken van de bedrand als gevolg. Ook is de geconstateerde schedelbreuk zeer veel waarschijnlijker het gevolg van het gooien in bed met impact tegen bijvoorbeeld de bedrand of de spijlen, dan van het gooien in bed zonder impact tegen bijvoorbeeld de bedrand of de spijlen van het bed.

Het knijpen in de wang en/of hard vastpakken bij de kaak is een passende verklaring voor het ontstaan van de geconstateerde onderhuidse bloeduitstorting aan de linkerwang.

De rechtbank komt op grond van voornoemde bewijsmiddelen tot de conclusie dat er op 16 september 2011 een incident met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden waarbij alleen verdachte betrokken is geweest. Ook komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer 1] tijdens dat incident de schedelbreuk heeft opgelopen, die de dag erna tijdens de ziekenhuisopname is geconstateerd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] op enig moment opzettelijk een botbreuk in het linker bovenbeen heeft toegebracht. Het staat immers niet vast dat er daadwerkelijk een botbreuk in het been is geweest. Een dergelijk letsel past bovendien bij een heftig schudincident (acceleratie-deceleratie trauma), waarvoor echter geen aanwijzingen zijn dat daarvan sprake is geweest.

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte ook het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Parketnummer 06/940000-14

[slachtoffer 2] heeft aangifte9 gedaan. Zij heeft - zakelijk weergeven - verklaard dat zij op 13 november 2012 in de rechtbank te Zutphen was in verband met een bezoekregeling. Op het moment dat de rechter de zitting wilde schorsen riep verdachte “vuil tyfuswijf” naar aangeefster. Verdachte keek raar naar haar, maar werd door zijn moeder bij haar weggehouden. Nadat de verdachte de zaal was uitgelopen trapte hij tegen de deur van een andere rechtszaal. Hij riep naar haar “ik maak je af, ik maak je dood”. Door de doodsbedreiging is zij zeer bang geworden, omdat zij bang was dat verdachte zijn dreigementen waar zou maken.

[getuige 1] is als getuige10 gehoord en heeft - zakelijk weergegeven verklaard dat zij op 13 november 2012 bij de rechtbank is geweest. Er was een zaak over de bezoekregeling van aangeefster. Zij zag verdachte trappend en slaand de zaal uit komen. Hij schreeuwde “ik vermoord ze, ik maak ze af”. Hij trapte ook hard tegen de stoelen die in de gang stonden en tegen een deur.

[getuige 2] is als getuige11 gehoord en heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij op 13 november 2012 samen met haar dochter in de rechtbank te Zutphen was. Verdachte kwam de rechtszaal uit en was agressief. Hij schreeuwde “Ik vermoord dat kreng. Ik maak haar af”. Hij trapte vervolgens tegen diverse goederen, waaronder de deur van de rechtbankzaal. De woorden waren gericht tegen haar dochter [slachtoffer 2], die nog in de rechtszaal was.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde bewijsmiddelen, ook in onderlinge samenhang bezien, tot een bewezenverklaring van het feit kan worden geconcludeerd. Hoewel [getuige 1] heeft verklaard dat zij de indruk had dat de door verdachte geuite bedreigingen tegen een rechter waren gericht, blijkt uit haar verklaring dat aangeefster op dat moment nog in de rechtszaal was. Uit de verklaringen van aangeefster en Wijting blijkt dat verdachte zowel in de rechtszaal als op het moment dat hij die verliet, bedreigingen heeft geuit in de richting van aangeefster.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 06/950174-12

1.

hij op een tijdstip in de periode van 17 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Apeldoorn aan zijn kind, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk, heeft toegebracht door deze opzettelijk met kracht tegen een hard voorwerp te slaan/gooien;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 17 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Apeldoorn telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2]), met kracht heeft beetgepakt en/of geknepen en/of neergegooid en/of die [slachtoffer 1] dusdanig wild/onvoorzichtig/ruw heeft behandeld, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en telkens pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 06/940000-14

hij op 13 november 2012 in de gemeente Zutphen, te weten in de rechtbank aldaar, [slachtoffer 2] (ex-partner van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen en duidelijk hoorbaar voor die [slachtoffer 2] geroepen/geschreeuwd "vuil tyfuswijf, ik maak je af, ik maak je dood" en/of "ik vermoord dat kreng, ik maak haar af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, waarbij hij, verdachte, met kracht tegen stoelen en een deur heeft geschopt/getrapt, en aldus voor die [slachtoffer 2] een dreigende situatie heeft gecreëerd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 06/950174-12

1.

primair: zware mishandeling, begaan tegen zijn kind;

2.

mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

Parketnummer 06/940000-14

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport van psychologisch onderzoek opgemaakt op 4 juli 2013 door [psycholoog], GZ-psycholoog, en een rapport van psychiatrisch onderzoek op 8 juli 2013 door Drs. [psychiater], psychiater.

De conclusie van deze rapportage is dat er bij verdachte sprake is van een ontwikkelingsstoornis, cognitieve beperkingen (zwakbegaafdheid of een lager niveau van functioneren) en alcoholafhankelijkheid. Deze stoornissen zijn van chronische aard en waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte moet als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Met de conclusie van deze rapportage kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat dat verdachte wordt veroordeeld tot:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, namelijk meldplicht, het verplicht volgen van een ambulante behandeling en persoonlijke begeleiding;

  • -

    een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Ter toelichting op de eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ernstige strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geëist. Gelet op de over verdachte opgemaakte rapportage en de omstandigheid dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd is zij gekomen tot een andere strafeis.

De raadsvrouw heeft naast de bepleite vrijspraak verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Verdachte is in staat een werkstraf te verrichten. Zij heeft verzocht om bij de hoogte daarvan rekening te houden met de bij verdachte geconstateerde beperkingen en de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft. Verdachte volgt al behandeling en heeft een beperkte belasting. Het daarnaast volgen van behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde zou een te zware belasting voor verdachte kunnen worden. Zij kan zich vinden in de geëiste proeftijd van 5 jaar.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zijn zoontje [slachtoffer 1], die op dat moment een paar maanden oud was, zwaar heeft mishandeld. Hij heeft hem krachtig met het hoofd tegen een hard voorwerp geslagen of gegooid, waardoor [slachtoffer 1] een schedelbreuk heeft opgelopen. Verder heeft hij [slachtoffer 1] meerdere keren mishandeld, bijvoorbeeld door hem te knijpen. Het op een dergelijke wijze omgaan met een weerloos en zeer jong kind is volstrekt ontoelaatbaar en de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, als persoon bij wie zijn zoontje veilig zou moeten zijn, zich zo heeft misdragen.

Een gevangenisstraf is voor feiten als de onderhavige passend en geboden.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte vanwege de bij hem geconstateerde stoornis last heeft van onrust. Het opvoeden van een kind brengt dat met zich mee. Verdachte heeft veel structuur nodig. Indien dit wordt doorbroken raakt hij de greep kwijt. De rechtbank houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheden dat hij geen justitiële documentatie heeft en met zijn hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uit voornoemde rapportage blijkt dat het recidiverisico zich toespitst op kinderen waarvoor verdachte de zorg en verantwoordelijkheid heeft. Verdachte verkeert thans niet in een situatie waarin dat speelt, omdat zijn zoontje bij een pleeggezin is ondergebracht. Omdat de bij verdachte voorkomende kwetsbaarheden ook in de toekomst aanwezig zullen zijn is het vanuit het oogpunt van het terugdringen van de kans op herhaling van belang dat verdachte onder toezicht staat. Dit toezicht kan, onder regie van de reclassering, bij andere instanties worden ondergebracht. De reclassering heeft een plan van aanpak opgesteld, dat is neergelegd in het reclasseringsrapport van 12 augustus 2013. De rechtbank zal de daarin genoemde voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf. De proeftijd zal op 5 jaren worden gesteld.

Om de ernst van de feiten te benadrukken zal er verder een onvoorwaardelijke werkstraf aan de verdachte worden opgelegd.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14, 14c, 14d, 27, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 06/950174-12 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 06/940000-14 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als bovenvermeld:

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende voorwaarden niet heeft nageleefd;

 stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel

1

van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich na zijn veroordeling binnen 5 werkdagen meldt bij de Reclassering Nederland. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd laat behandelen bij Tactus of een soortgelijke instelling alsmede bij Kairos of een soortgelijke instelling zolang die dat nodig achten. Veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van Tactus en Kairos of soortgelijke instellingen zullen worden gegeven;

  • -

    contact zal onderhouden met zijn persoonlijk begeleider van Philadelphia;

  • -

    wordt verboden in een situatie te komen waarin hij directe zorg voor kinderen heeft.

 veroordeelt de verdachte tot de volgende taakstraf, te weten:
een werkstraf van 120 (éénhonderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 (twee) uren in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van Lookeren Campagne en Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 februari 2014.

Mr. Van Lookeren Campagne is buiten staat mede te ondertekenen

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij - (stam)proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 26 november 2012;- (stam)proces-verbaal, nummer PL0623 20113056436-5, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn Noord-Oost, gesloten en ondertekend op 28 mei 2013.

2 Proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43, proces-verbaal van aangifte door [medewerker] van de Raad voor de kinderbescherming, pag. 19-20

3 Proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43, ontslagbericht van Gelreziekenhuizen, locatie Apeldoorn, d.d. 6 oktober 2011, pag. 56-58

4 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2014

5 Proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene], pag. 296-301

6 Proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43. Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], pag. 311-316

7 Proces-verbaal, nummer PL0620 2011143982-43, Verzoek onderzoek Raad voor de Kinderbescherming d.d. 17 oktober 2011, pag. 35-49

8 Rapport van medisch-forensisch onderzoek d.d. 18 april 2012 en het aanvullend rapport d.d. 8 augustus 2012, beide van het Nederlands Forensisch Instituut

9 Proces-verbaal, nummer PL0623 20113056436-5, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], pag. 6-9

10 Proces-verbaal, nummer PL0623 20113056436-5, proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pag. 10-12

11 Proces-verbaal, nummer PL0623 20113056436-5, proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], pag. 13