Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1037

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
244775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak staat het zogenaamde volgrecht centraal. Het volgrecht is het recht van de maker en van zijn rechtverkrijgenden krachtens erfopvolging om bij iedere verkoop van een origineel van een kunstwerk waarbij een professionele kunsthandelaar is betrokken, met uitzondering van de eerste vervreemding door de maker, een vergoeding te ontvangen. Het volgrecht is geregeld in hoofdstuk IV van de Auteurswet en is het resultaat van de implementatie van de zogenaamde Volgrecht-richtlijn.

De rechtbank oordeelt dat wanneer sprake is van doorverkoop van een origineel van een kunstwerk gedaagde als professionele kunsthandelaar verplicht is om tot betaling van een vergoeding aan eiseres als gemachtigde van gerechtigden op het volgrecht over te gaan. Deze vergoeding behoeft zij niet uit eigener beweging te betalen. Op het moment dat eiseres aanwijzingen - en dus geen wetenschap - heeft dat er een of meer volgrechtplichtige transacties bij gedaagde hebben plaatsgevonden, kan zij zich op grond van artikel 43d Auteurswet bij gedaagde vervoegen met het verzoek om inlichtingen. Gedaagde is vervolgens verplicht deze inlichtingen te verstrekken voor zover het gaat om aan eiseres verbonden (erfgenamen van) kunstenaars, althans (erfgenamen van) kunstenaars waarvan eiseres stelt deze te vertegenwoordigen. Het gaat daarbij om de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs.

Gelet op de bijzondere positie van eiseres als auteursrechtorganisatie in Nederland is de door haar gehanteerde werkwijze een geoorloofde en adequate manier om alle inlichtingen te verkrijgen die noodzakelijk zijn om betaling van de volgrechtvergoeding voor bij haar aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars veilig te stellen. Dit komt neer op het volgende: (1) Eiseres zendt aan gedaagde periodiek een opgaveformulier waarop gedaagde dient aan te geven welke volgrechtplichtige transacties zij met betrekking tot bij eiseres aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars heeft verricht. (2) Op de website van eiseres kan gedaagde nagaan welke (erfgenamen van) kunstenaars bij eiseres zijn aangesloten. (3) Indien er bij gedaagde redelijke twijfels/ onduidelijkheden bestaan over of een bepaalde (erfgenaam van een) kunstenaar daadwerkelijk bij eiseres is aangesloten, maakt zij dit bij eiseres kenbaar, in welk geval zij nog niet de transactieprijs, noch enige andere informatie, hoeft te verstrekken. (4) Het ligt op de weg van eiseres om in zo’n geval onderbouwd aan te tonen dat zij daadwerkelijk namens die (erfgenaam van een) kunstenaar het volgrecht incasseert.

In deze procedure is volgens de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat eiseres (sterke) aanwijzingen had dat gedaagde een of meer volgrechtplichtige transacties heeft verricht met betrekking tot werken van bij eiseres aangesloten gerechtigden op het volgrecht. Vast staat dat gedaagde nimmer informatie omtrent de aard en de omvang van door haar verrichte volgrechtplichtige transacties aan gedaagde heeft verstrekt, met uitzondering van twee gemelde transacties. Aldus heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank inbreuk gemaakt op de in de Auteurswet opgenomen wettelijke rechten van bij eiseres aangesloten rechthebbenden op het volgrecht en heeft zij daarmee ook onrechtmatig jegens deze volgrechtgerechtigden gehandeld. Als gevolg van het niet verstrekken van de verzochte informatie door gedaagde lopen deze rechthebbenden op het volgrecht inkomsten mis, hetgeen schade oplevert.

De vorderingen van eiseres zijn deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/229

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/244775 / HA ZA 13-398

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

de stichting

STICHTING PICTORIGHT,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J. Bouter te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SIMONIS & BUUNK KUNSTHANDEL B.V.,

gevestigd te Ede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SIMONIS & BUUNK COLLECTIE B.V.,

gevestigd te Ede,

3. de commanditaire vennootschap

SIMONIS & BUUNK COLLECTIE I CV,

gevestigd te Ede,

4. de commanditaire vennootschap

SIMONIS & BUUNK COLLECTIE II CV,

gevestigd te Ede,

5. de commanditaire vennootschap

SIMONIS & BUUNK COLLECTIE III CV,

gevestigd te Ede,

6. de commanditaire vennootschap

SIMONIS & BUUNK COLLECTIE DE PLOEG CV,

gevestigd te Ede,

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.R. de Zwaan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Pictoright en Simonis & Buunk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 september 2013

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 7 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. In verband met het belang van de te beantwoorden rechtsvragen wordt dit vonnis meervoudig gewezen.

2 De feiten in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1.

Pictoright is een auteursrechtorganisatie bij wie - volgens Pictoright - vele Nederlandse kunstenaars en erfgenamen van kunstenaars zijn aangesloten en voor wie Pictoright als belangenbehartiger optreedt, zowel in als buiten rechte. Pictoright heeft met meerdere buitenlandse zusterorganisaties overeenkomsten gesloten, waarin is vastgelegd dat Pictoright ook de belangenbehartiging en de handhaving van rechten van buitenlandse kunstenaars en erfgenamen van kunstenaars - voor zover betrekking hebbend op Nederland - op zich neemt.

2.2.

Gedaagden drijven ondernemingen in Ede onder de handelsnaam Simonis & Buunk en leggen zich toe op het verkopen van kunst. Via de website www.simonis-buunk.nl worden tal van kunstwerken getoond die te koop worden aangeboden en waarvan de details te raadplegen zijn. De kunstwerken worden merendeels verkocht vanuit de winkel in Ede waar alle gedaagden ook zijn gevestigd.

2.3.

Simonis & Buunk geldt als een van de grootste professionele kunsthandelaren in Nederland.

2.4.

Bij brief van 19 maart 2009 heeft Pictoright onder meer het volgende bericht aan ruim 500 Nederlandse galeries en kunsthandelaren, waaronder Simonis & Buunk:

Zoals u waarschijnlijk weet is het volgrecht in Nederland inmiddels drie jaar geleden ingevoerd. Het volgrecht is het recht van een kunstenaar of fotograaf op een klein deel van de opbrengst bij doorverkoop van zijn werk in geval de verkoopprijs meer bedraagt dan € 3000,- (excl. BTW en excl. volgrecht).

U ontvangt deze brief en bijlagen omdat u zich volgens onze gegevens als professionele partij bezighoudt met de aan- en verkoop van kunstwerken. Het kan daarbij zijn dat u werk heeft verkocht waar volgrecht op van toepassing was.

In Nederland behartigt Pictoright voor veel kunstenaars de belangen op het gebied van volgrecht. Vandaar dat wij u vragen uw administratie vanaf 1 april 2006 te controleren op mogelijke volgrecht verplichtingen voor bij ons aangesloten kunstenaars. Als er volgrecht van toepassing is en een kunstenaar is bij ons aangesloten dient u de betreffende vergoeding aan Pictoright te voldoen. Wij vragen u dan ook door middel van bijgesloten formulier opgave te doen van verkopen van werk van door ons vertegenwoordigde kunstenaars waarover volgrecht is verschuldigd.

Om te controleren of de verkoop van een kunstwerk voor volgrecht in aanmerking komt hebben wij een schematisch overzicht bijgevoegd. Daarnaast kunt u op onze website, www.pictoright.nl, eenvoudig zien of wij voor een kunstenaar volgrecht incasseren. Klik op ‘gebruikers’, vervolgens op het tabblad ‘ledenlijst’ en controleer in de ‘ledenlijst volgrecht’ of uw verkochte werken zijn gemaakt door kunstenaars die bij ons zijn aangesloten.

(…)

Misschien bent u, om welke reden dan ook, van mening dat u geen volgrecht aan ons behoeft af te dragen voor wettelijk volgrechtplichtige verkopen van werken die zijn vervaardigd door één of meer van de door ons vertegenwoordigde kunstenaars. Wij verzoeken u desondanks deze verkopen aan ons op te geven. U kunt daarbij de reden vermelden waarom u vindt dat betaling van volgrecht voor een specifiek werk achterwege moet blijven. Wij zullen dan beoordelen of wij aan uw verzoek kunnen voldoen en hier op terug komen.

Ten overvloede willen wij u er op wijzen dat u volgens de wet verplicht bent om ons van alle relevante informatie te voorzien m.b.t. volgrechtplichtige verkopen van werken van kunstenaars, voor wie wij bevoegd zijn de volgrecht vergoedingen te incasseren.

2.5.

Op 6 december 2010 hebben alle deelnemers van de PAN Amsterdam beurs, waaronder Simonis & Buunk, een brief van Pictoright ontvangen. Hierin werden zij gewezen op - kort gezegd - de verplichting om informatie van volgrechtplichtige verkopen te verstrekken.

2.6.

Op de onder 2.4 en 2.5 genoemde brieven heeft Simonis & Buunk niet gereageerd.

2.7.

Bij brief van 13 januari 2011 heeft de advocaat van Pictoright onder meer het volgende aan Simonis & Buunk bericht:

Cliënte behartigt in Nederland voor veel kunstenaars de belangen op het gebied van volgrecht. Ik wijs u er, gelijk mijn cliënte dat deed, op dat u conform de wet verplicht bent om cliënte van alle relevante informatie te voorzien met betrekking tot volgrechtplichtige verkopen van werken van kunstenaars, voor wie zij bevoegd is het volgrecht te incasseren.

Vandaar dat cliënte u in voornoemd schrijven heeft verzocht uw administratie te controleren op mogelijke volgrecht verplichtingen voor bij cliënte aangesloten kunstenaars. Cliënte heeft daarop echter niets van u vernomen.

Inmiddels heeft cliënte sterke aanwijzingen dat er tot op heden transacties zijn geweest uit hoofde waarvan u verplicht bent volgrecht ten behoeve van op dat moment bij Pictoright aangesloten kunstenaars af te dragen.

Deze aanwijzingen hebben betrekking op meerdere werken, onder andere (maar niet uitsluitend) betreft het de volgende kunstenaars:

  • -

    [naam],

  • -

    [naam],

  • -

    [naam] en

  • -

    [naam]

Zoals aangegeven betreft het vermoeden en mogelijk betreft het meer werken dan hier aangegeven, maar ik wil u er op wijzen dat het uw verantwoordelijkheid is om opgave hieromtrent te doen.

Reden waarom ik u bij deze ten laatste male aanbiedt alsnog binnen twee weken na heden opgave te doen van alle volgrechtverplichtige verkopen. Indien u van mening bent dat u in het geheel geen volgrechtverplichtige verkopen hebt verricht verzoek ik u dat tevens binnen twee weken na heden schriftelijk door te geven.

2.8.

In reactie hierop heeft de heer [naam] (hierna: Buunk) op 9 februari 2011 onder meer het volgende per e-mail aan de advocaat van Pictoright bericht:

Simonis & Buunk Kunsthandel handelt sinds 1977 vnl. in 18e, 19e en begin 20e eeuwse werken. Heel soms is er een 17e eeuwer en even weinig wordt er in ‘levende’ kunstenaars gehandeld, waarvoor momenteel het volgrecht geldt.

Bij bemiddeling: als werk niet verkocht wordt gaat het retour. En wordt het elders verkocht is er dus geen verantwoordelijkheid meer m.b.t. het volgrecht. Het blijft wel in ons archief en voorraadhistorie.

vragen:

- mag ik opgave van de wettelijke bepaling op grond waarvan de kunsthandelaar - actief - de relevante informatie moet aanleveren (u spreekt over een verantwoordelijkheid en dringend verzoek opgave te doen) wat ik er van begrijp ligt het initiatief aan de kant van de kunstenaar of de partij die hem vertegenwoordigt om specifieke inlichtingen aan de kunsthandelaar te vragen.

- op grond van welke wettelijke verplichting dient een kunsthandelaar op te geven dat hij in een tijdvak géén volgrechtplichtige transactie heeft gedaan?

- m.a.w. er is niks aan te geven en toch moet er een formulier worden ingevuld voor de kunstenaars? waar staat dat in de wet?

  • -

    Pictoright neemt alleen acties voor kunstenaars die zij vertegenwoordigt?

  • -

    zo ja, waarom stelt u [naam] te vertegenwoordigen, terwijl deze kunstenaar niet in uw lijst staat?

  • -

    en waarom stelt u, vlgs. de lijst, wél [naam] te vertegenwoordigen terwijl hij niet meer bij u, voor wat het volgrecht betreft, is aangesloten?

Als u hierop antwoord kunt en wilt geven, zal ik u daarna omgaand u nader voorzien van de informatie waarop u recht heeft.

2.9.

Daarop heeft de advocaat van Pictoright bij brief van 9 maart 2011 onder meer het volgende aan Buunk bericht:

Het volgrecht is geregeld in het per 1 april 2006 (…) ingevoerde nieuwe hoofdstuk IV van de Auteurswet (de artikelen 43-43g Auteurswet). Artikel 43c, lid 1 Auteurswet bepaalt dat de verplichting tot betaling van de volgrechtvergoeding rust op de bij de verkoop betrokken professionele kunsthandelaar.

Artikel 43d Auteurswet bepaalt dat de volgrechtgerechtigde - of in dit geval diens uitdrukkelijk gemachtigde - van degene die verplicht is tot betaling van de vergoeding (de kunsthandelaars) alle inlichtingen mag verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen en dat is wat cliënte heeft beoogd met het toesturen van haar eerdere brieven. Indien u geen volgrechtverplichtige verkopen heeft verricht kunt u dat gewoonweg aangeven op het formulier. Als cliënte niets verneemt zal het - bij gebrek aan enige inlichting daaromtrent - voor haar immers in het midden blijven of er wel of geen volgrechtverplichtige verkopen zijn verricht. Indien u - ook gezien het feit dat u merendeels werken uit de 18e – 20e eeuw verkoopt - geen volgrechtverplichtige verkopen heeft verricht dan bent u uiteraard ook geen volgrecht verschuldigd.

Het is juist dat cliënte, Pictoright, alleen volgrecht incasseert voor kunstenaars die zij vertegenwoordigt. De reden waarom nu juist in mijn schrijven [naam] en [naam] zijn genoemd is dat cliënte tot 16 april 2010 respectievelijk 1 januari 2008 de uitdrukkelijk gemachtigde van voornoemde kunstenaars was. U kon die kunstenaars niet in uw lijst aantreffen en dat is de reden dat ik ze afzonderlijk heb benoemd ook omdat cliënte sterke aanwijzingen heeft dat er transacties zijn geweest uit hoofde waarvan u verplicht bent volgrecht af te dragen voor deze kunstenaars. Indien de verkoop heeft plaatsgehad voor de data als voornoemd is cliënte uitdrukkelijk gemachtigd dat te incasseren. Voor volgrechtverplichtige verkopen van voornoemde kunstenaars na die datum kunt u wel opgave doen (en cliënte verzoekt dat ook) maar zal cliënte daarvoor geen factuur sturen maar zal ze de betreffende kunstenaars afzonderlijk inlichten. Cliënte zal overigens sowieso contact opnemen met alle kunstenaars voor wie zij het volgrecht incasseert.

2.10.

Buunk heeft per e-mail van 4 april 2011 onder meer als volgt gereageerd:

Uiteraard mag uw cliënt allerlei inlichtingen verlangen. Echter, indien er geen inlichtingen te verstrekken zijn mag u m.i. niet periodiek van ons verlangen dat wij u berichten geen volgrechtplichtige transacties te hebben verricht. M.a.w. op periodieke 0 aangiftes heeft u geen recht, terwijl u dat wel schrijft…

(…)

Tot slot vraagt u mij opgave te doen van – in het algemeen – alle volgrechtplichtige verkopen, ook als het aantal nul is. Indien er volgrechtplichtige verkopen zijn waar al door een collega volgrecht over is betaald, hoef ik daar ook geen melding meer van te maken. Ook niet dat er al is betaald. U zou eerst moeten natrekken of er al betaald is bijvoorbeeld aan de kunstenaar. Art 43d Auteurswet is niet synoniem aan het formulier tekenen en inleveren van Pictoright; het eerste is veel begrensder.

Ik begrijp dat het anders wordt indien u inlichtingen vraagt over specifieke, duidelijk omschreven werken die wij daadwerkelijk verkocht zouden hebben, mbt kunstenaars waar uw cliënt actueel vertegenwoordigingsbevoegd is en waar niet al door een collega of door ons over is betaald.

Gezien het bovenstaande kunt u een (leeg) formulier - t/m 2010 - niet van mij verwachten.

2.11.

De advocaat van Pictoright heeft bij brief van 29 april 2011 onder meer het volgende aan Buunk bericht:

U geeft terecht aan dat cliënte inlichtingen mag verlangen en in beginsel op ieder gewenst tijdstip. Juist om echter de hoeveelheid tijd en moeite die daarvoor nodig zijn voor een ieder te beperken heeft cliënte voorgesteld om een en ander te stroomlijnen door de kunsthandelaren te verzoeken periodiek opgave te doen.

Indien dan geen volgrechtverplichtige verkopen zijn verricht volstaat die mededeling in beginsel ook gewoon. Bij geen bericht van kunsthandelaren is cliënte nu eenmaal genoodzaakt aan te manen en zo nodig zelfs te sommeren en ook dat kost alleen maar onnodig tijd en wekt, wellicht ook bij u als kunsthandelaar, irritatie. Bij geen bericht zal cliënte er immers van uit moeten gaan dat haar aanschrijvingen aan uw adres kennelijk niet zijn ontvangen o.i.d. en zal zij, daartoe ook gehouden op grond van haar rol als gemachtigde van de kunstenaars, de kunsthandelaren moeten blijven aanschrijven. Dat is dan ook een van de redenen waarom cliënte met kunsthandelaren tot een voor alle partijen helder en overzichtelijk systeem wenst te komen en waarom zij met kunsthandelaren de, ook aan u toegezonden, overeenkomst aangaat.

(…)

De vertegenwoordigingsbevoegdheid strekt zich dus ook niet uit over de periode waarin cliënte de kunstenaar niet meer vertegenwoordigt. Spiegelbeeld daarvan is echter dat cliënte, op grond van de overeenkomsten die ze daartoe met alle kunstenaars heeft gesloten, het enige aanspreekpunt inzake het volgrecht is, zolang cliënte daartoe de gemachtigde is. Dat is ook de kern van het zijn van gemachtigde. Het is dus voor de kunsthandelaar alsof zij met de betreffende kunstenaar correspondeert en artikel 43d van de Auteurswet, waaraan u refereert, bepaalt dat de kunsthandelaar verplicht is aan de gerechtigde alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen. Het is dus, anders dan u stelt, niet zo dat het cliënte is die exact moet aangeven welke werken het specifiek betreft. Het is juist de kunsthandelaar die verplicht is aan te geven welke werken zij van de betreffende kunstenaar, wanneer en tegen welke vergoeding heeft verkocht.

(…)

Het is wat dat betreft met name voor de kunsthandelaren juist praktisch dat zij, voor wat betreft een zeer groot aantal kunstenaars, de kwestie volgrecht in een keer periodiek kan afhandelen. Ik geef het kunsthandelaren te doen om iedere kunstenaar, nationaal of internationaal, die inlichtingen verlangt individueel te beantwoorden. Wat dat betreft is de overeenkomst die cliënte u heeft toegezonden ook in uw belang.

Uit uw e-mail leid ik evenwel af dat u geen volgrechtverplichtige verkopen heeft verricht vanaf 1 april 2006 tot op heden aangezien u aangeeft het formulier van cliënte wel te hebben ontvangen maar het - op grond van het in uw e-mail gestelde - niet leeg te zullen terugsturen.

2.12.

Bij e-mail van 18 augustus 2011 heeft Buunk onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright bericht:

De kunstenaars die niet bij Pictoright zijn aangesloten hebben dezelfde rechten. Deze - paar duizend - kunstenaars kunnen ons dus allemaal met succes manen tot periodieke 0 aangifte? Zonder dat zij weet hebben of er al dan niet iets verkocht is?

Ik lees alleen maar dat het artikel 43d strekt tot “het veiligstellen van de betaling van het volgrecht”, dat lijkt me concreet: de kunstenaar weet dat er iets verkocht is, maar wat precies en voor hoeveel, enz. is nog de vraag. Maar als er geen volgrecht (meer) te betalen is, geeft het artikel de kunstenaar mijns inziens geen verdere macht.

2.13.

Bij e-mail van 23 september 2011 heeft de advocaat van Pictoright onder meer het volgende aan Buunk bericht:

Wij hebben inmiddels een vrij oeverloze hoeveelheid e-mails gewisseld waarin ik meer dan uitgebreid op al uw vragen ben ingegaan. Uw uitleg van het - mijns inziens vrij duidelijke - artikel 43d van de Auteurswet verschilt kennelijk van de uitleg die ik en mijn cliënte daarvan hebben. Feit is dat het artikel duidelijk zegt dat iedere volgrechthebbende alle of iedere inlichting mag vragen die nodig is om het volgrecht veilig te stellen.

In theorie zou het mogelijk zijn dat een willekeurige kunstenaar u vraagt of u werk van hem of haar heeft verkocht. Indien u daar geen mededeling over doet voldoet u dus niet aan uw inlichtingenplicht nu het voor een kunstenaar dan onduidelijk blijft of u wel of geen werk van hem of haar verkocht heeft. Dat de door u gestelde situatie dat iedere kunstenaar u zou aanschrijven een tamelijk academisch voorbeeld is blijkt ook wel uit een rapport Vergoeding op doorverkoop van kunstwerken van de Directie Voorlichting van het Ministerie van Justitie van april 2006. Daarin wordt als het om de praktijk van de uitoefening van het volgrecht gaat op pagina 5 al duidelijk gesproken over het beheer van het volgrecht van rechthebbende door een collectieve beheersorganisatie. Letterlijk stelt het Ministerie: ”De uitvoering van het volgrecht zal in de praktijk voor een belangrijk deel gebeurden door organisaties, die zich toeleggen op vrijwillig collectief beheer. De Stichting Beeldrecht (thans Pictoright) heeft aangegeven dat zij voor de bij haar aangesloten rechthebbenden het volgrecht in Nederland zal innen.”

Het is interessant dat het Ministerie zelfs uitgaat van een actieve zoekactie door de betreffende kunsthandelaar naar de betreffende kunstenaar waar het Ministerie stelt: “Professionele kunsthandelaren die op zoek zijn naar de rechthebbende aan wie zij de verschuldigde volgrechtvergoedingen moeten betalen, kunnen zich dus in eerste instantie wenden tot deze (Pictoright) stichting.”

In feite stelt het ministerie dat het initiatief van u zou moeten uitgaan maar de praktijk leert dat vrijwel geen enkele kunsthandelaar moeite doet om ofwel cliënte ofwel de betreffende kunstenaar te traceren en dus rest cliënte dan niets anders zelf maar actief naar die informatie op zoek te gaan. Het moge toch duidelijk zijn, ook uit de hiervoor geciteerde tekst, dat u als kunsthandelaar volgrecht verschuldigd bent en dat moet betalen.

Juist bij doorverkoop is het voor een kunstenaar niet altijd duidelijk waar welk werk door wie en voor welk bedrag is of wordt verkocht. Daarom mag ook rechtens worden verlangd opgave te doen van volgrechtverplichtige verkopen. Met andere woorden, onder het verschaffen van alle inlichtingen valt dus in ieder geval de vraag of überhaupt werk is verkocht. En zelfs indien de kunsthandelaar schriftelijk aangeeft dat er geen volgrechtplichtig werk verkocht is terwijl er gerede twijfel is aan de juistheid van een dergelijke stelling staan de kunstenaars en/of diens gemachtigde, andere rechtsmaatregelen ter beschikking. Maar nu juist dergelijke dure en ingrijpende maatregelen wil cliënte voorkomen maar als het echt nodig mocht zijn behoudt cliënte zich alle rechten voor.

2.14.

Bij e-mail van 27 september 2011 heeft Buunk onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright bericht:

Art 43d: Als je dit leest dan is één ding duidelijk. Er wordt uitgegaan van een concrete volgrechtvergoeding is. Een ‘0 aangifte” is daarom niet verplicht, er is immers geen volgrecht verschuldigd. M.a.w. is er bij de kunsthandelaar geen volgrecht verschuldigd aan de kunstenaar/gemachtigde, dan is een inlichtingenverzoek niet op zijn plaats.

Op zo’n inlichtingenverzoek ben je dus niet verplicht te antwoorden (mag natuurlijk wel).

Ik heb vernomen dat de formulering 43d woordelijk is overgenomen uit de EG regeling. In Europees verband werd toch bijna alleen geind bij de veilinghuizen waar de catalogus duidelijk aangeeft wat wel en niet verkocht is.

verderop in uw brief:

Dat een kunsthandelaar zo behulpzaam is dat hij op zoek gaat naar de kunstenaar is netjes - heb ik meegemaakt - maar de kunsthandelaar is dat niet verplicht.

Het door u onderstreepte moeten betalen is juist, maar dat wordt geregeld door een ander artikel (43a en c). Onze discussie gaat over het inlichtingenrecht van 43d.

Dat u de discussie ‘oeverloos’ noemt en dat u ‘er klaar mee bent’ is niet anders. Wij zijn overtuigd van het feit dat er geen ‘aangifteplicht’ is maar een ‘haalrecht’ (van u).

Een 0-aangifte hoeft de kunsthandelaar niet te doen, ook niet wanneer er vaak om wordt gevraagd. Dan zou het toch een aangifte-plicht worden en die is er niet.

2.15.

Bij brief van 4 januari 2012 heeft de advocaat van Pictoright onder meer het volgende aan Buunk bericht:

Ik stel vast dat u en ik verschillen van mening over de vraag of u al dan niet gehouden bent tot het doen van een periodieke nulopgave. Vanzelfsprekend staat het u vrij om geen overeenkomst met Pictoright aan te gaan en u geeft aan dat niet te willen.

Dat betekent dan dat u direct na iedere volgrechtplichtige transactie gehouden bent daarvan opgave te doen aan cliënte zodat cliënte een en ander kan doorfactureren.

U kunt de voor volgrecht aangesloten kunstenaars vinden op de website van Pictoright (www.Pictoright.nl). klik op ‘ledenlijst’, controleer bij ‘volgrecht’ of uw verkochte werken gemaakt zijn door kunstenaars die bij cliënte zijn aangesloten. Het initiatief tot het doen van opgave dient dus daags na verkoop van een volgrechtig werk van u te komen. (…)

Nu het derhalve in het midden blijft of u al dan niet volgrechtverplichtige werken heeft verkocht kan cliënte niet anders dan in ieder geval iedere verjaring stuiten.

U dient deze brief derhalve tevens te beschouwen als een handeling om namens cliënte en alle bij haar aangesloten leden iedere verjaring te stuiten.

2.16.

Verder heeft de advocaat van Pictoright bij brief van 12 april 2012 onder meer het volgende aan Buunk bericht:

Tot op heden heeft cliënte echter geen opgave van u ontvangen en dat terwijl het cliënte bekend is dat er in ieder geval recentelijk volgrechtverplichtige transacties door u zijn verricht.

Zoals u meermalen te kennen is gegeven kunt u de voor volgrecht aangesloten kunstenaars vinden op de website van Pictoright (…). Als gezegd, en herhaaldelijk benadrukt, ligt het initiatief tot het daags na verkoop doen van opgave bij u. Voor de goede orde, en zoals u genoegzaam bekend zal zijn; Pictoright incasseert namens tienduizenden (rechthebbenden van) kunstenaars het volgrecht in Nederland. Onder hen bevinden zich bijvoorbeeld de kunstenaars [naam] en [naam]., kunstenaars waarvan u werk heeft verhandeld.

Cliënte stelt u thans wederom in de gelegenheid met inachtneming van al hetgeen hiervoor al is gezegd, alsnog vrijwillig opgave te doen en wat mij betreft kunt u die opgave aan ondergetekende richten.

Reden waarom ik u bij deze aanbiedt alsnog binnen twee weken na heden opgave te doen van alle volgrechtverplichtige verkopen bij gebreke waarvan ik u nu, voor alsdan, uitdrukkelijk in gebreke stel. Indien noch ondergetekende noch cliënte voornoemde termijn opgave als voornoemd hebben ontvangen bent u rechtsgeldig in verzuim. Cliënte acht zich dan tevens vrij u zonder nadere aankondiging in rechte te betrekken en alle maatregelen te nemen die zij nodig acht.

(…)

Los daarvan stuit ik hierbij nogmaals iedere verjaring van deze en overige vorderingen een en ander refererend aan mijn brief van 4 januari 2012 en 29 april 2011.

2.17.

In reactie hierop heeft Buunk bij e-mail van 3 mei 2012 onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright bericht:

U stelt nu dat wij [naam] en [naam]. zouden hebben verhandeld. U bedoelt recentelijke transacties want de schilders zijn in 2006 en 2005 overleden.

Uw stelling is dus alleen van belang indien u bedoelt te zeggen dat wij van 1-1-2012 tot en met 12-4-2012 werk van hen zouden hebben verhandeld. Ik kan u verzekeren: dat hebben wij niet. Wij hebben in dat tijdvak geen [naam] en geen [naam]. verhandeld.

Verder begint uw brief met “… u wettelijk gehouden bent om direct na iedere … opgave te doen…”. En u stelt dat “het initiatief tot het daags na verkoop doen van opgave” bij de handelaar ligt.

Zo zit ik de hele dag aan Pictoright te denken; dus ik dacht, ik kijk weer eens in de wet. Die wettelijke gehoudenheid tot aangifte (zoals bij de IB of de BTW) vind ik nergens in de wet. Laat staan daags na.

Ik vraag u beleefd mij te helpen waar ik het zoeken moet.

2.18.

Daarop heeft de advocaat van Pictoright bij brief van 25 mei 2012 onder meer het volgende aan Buunk bericht:

Uit die mail leid ik af dat u geen werk van [naam] en [naam]. heeft verkocht vanaf 1 januari 2012. Echter de in mijn brief genoemde kunstenaars werden als voorbeeld genoemd. U weet, althans dat had u uit mijn inmiddels talloze brieven wel kunnen afleiden, dat cliënte Pictoright voor veel meer kunstenaars en/of erfgenamen/rechthebbenden optreedt.

Anders dan u stelt blijkt uit de wet weldegelijk dat u daags na verkoop gehouden bent opgave te doen. Ik verwijs naar artikel 43a sub 4 Auteurswet waarin staat dat de vergoeding van het recht opeisbaar is vanaf het tijdstip dat de koopprijs opeisbaar is ofwel, indien betaling van het kunstwerk door u wordt uitgesteld, uiterlijk 3 maanden na de totstandkoming van de overeenkomst. Dit laatste zal, ook volgens de wetgever, uitzonderlijk zijn en dient ter bescherming van de volgrechtgerechtigde die bij een door u uit te stellen betaling jegens de koper, daarvan kort gezegd niet de dupe mag worden.

Voor wat betreft het opeisbaar zijn en de daaraan gekoppelde betaling verwijs ik naar de gebruikelijke en toepasselijke regels uit het Burgerlijk Wetboek. De wetgever stelt dat bij geldvorderingen in beginsel onmiddellijk nakoming kan worden gevorderd.

(…)

Ik verzoek u daarom wederom alsnog binnen twee weken na heden opgave te doen van alle volgrechtverplichtige verkopen bij gebreke waarvan ik u nu, voor alsdan, uitdrukkelijk in gebreke stel. Indien noch ondergetekende noch cliënte voornoemde termijn opgave als voornoemd hebben ontvangen bent u rechtsgeldig in verzuim om opgave te doen nu u ook stelmatig aangeeft geen opgave te willen doen als u geen volgrechtverplichtige transacties verricht heeft. Cliënte acht zich dan tevens vrij u zonder nadere aankondiging in rechte te betrekken en zo nodig beslag te leggen. Dat is bijzonder ingrijpend voor u en daarom heeft cliënte dat vooralsnog steeds niet willen doen maar vanwege uw bepaald niet coöperatieve houding om in ieder geval duidelijkheid te krijgen kan zij moeilijk anders ook met het oog op het feit dat cliënte nu eenmaal werkt in opdracht van kunstenaars en erfgenamen.

Los daarvan stuit ik hierbij nogmaals iedere verjaring van deze en overige vorderingen een en ander refererend aan mijn eerdere brieven van 12 april, 4 januari 2012 en 29 april 2011.

2.19.

Bij brief van 3 juli 2012 heeft Buunk onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright bericht:

In uw brief van 12 april jl. stelt u wel degelijk dat wij werk [naam] en [naam]. zouden hebben verhandeld. U bedoelt dan natuurlijk relevante transacties: recente verkopen vanaf 1-1-2012, want de schilders zijn in resp. 2006 en 2005 overleden. In deze periode hebben wij geen werk van deze kunstenaars verhandeld, zoals inmiddels bekend.

Pictoright vertegenwoordigt een indrukwekkend aantal kunstenaars. Maar Pictoright vertegenwoordigt ook zeer groot aantal kunstenaars niet.

Kunstenaars, al dan niet gemachtigd door een beheersinstantie zoals Pictoright hebben het inlichtingenrecht en wij zijn uiteraard verplicht op die vragen te antwoorden. Echter m.b.t. een opgaveplicht, waar u steeds over spreekt, kan ik nergens enige aansluiting in de wet of MvT vinden. Opgave/aangifteplicht, zoals bij de fiscus, is er niet.

In artikel 43a van de auteurswet is het moment van opeisbaarheid geformuleerd, maar valt daar werkelijk uit af te leiden - zoals u dat stelt - wanneer en of er aangifte moet worden gedaan?

Volgens mij staat helemaal niets in de wet over aangifte, of het doen van opgave, laat staan over een plicht wanneer dat dient te gebeuren. Opeisbaarheid is niet synoniem aan plicht tot doen van aangifte. Ook niet in het BW.

Ik vind het zo wonderlijk dat u opgave vordert terwijl die algemene plicht niet valt af te leiden uit uw antwoord van 25 mei en ook niet uit voorgaande brieven.

U heeft mij ook verzocht een 0 opgave te doen, daar is zeker geen plicht toe. Wat u zegt over ‘… stel(sel)matig geen opgave te willen doen…’ Dat is nog al aanmatigend als er geen plicht toe bestaat.

Dat u vervolgens beslag dreigt te leggen, is ingrijpend en kan grote schade veroorzaken. Beslag leggen en helemaal niet weten vanwege welk belang? Bij een nihil bedrag zelfs? (…)

Ik zou werkelijk, graag zonder intimiderende uitlatingen uwerzijds, informatie van u willen vragen die logisch is terug te voeren op de wet, met name:

  • -

    de wettelijke grondslag van opgaveplicht; de plicht tot het doen van 0 opgave;

  • -

    is die te herleiden - en waarom - uit het inlichtingenrecht van een heel volk levende en

overleden kunstenaars van Pictoright en andere beheersinstanties/bemiddelaars?

- Is de ‘omgaande opgave’ te herleiden uit ‘opeisbaarheid’?

2.20.

Bij e-mail van 6 juli 2012 heeft Buunk onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright bericht:

Ik kom er zo waar achter dat er een paar volgrecht schilderijen te melden is, waar de koper er zelfs een is die het een goede zaak is om aan de nazaten van de kunstenaar te betalen…

De transactie is afgewerkt, betaald, enkele dagen geleden. Alles staat in de bijlage, dus u kunt een rekening sturen naar Simonis & Buunk Kunsthandel BV (…)

2.21.

Bij brief van 14 januari 2013 heeft de heer [naam], manager individuele rechten van Pictoright, onder meer het volgende aan Buunk bericht:

In 2012 hebben wij u meerdere malen aangeschreven met betrekking tot het volgrecht (al dan niet via onze advocaat). Wij hebben echter tot op heden slechts opgave van 2 volgrechtplichtige werken van u ontvangen terwijl wij sterke aanwijzingen hebben dat er meer volgrechtplichtige transacties zijn geweest.

(…)

Wij wijzen u erop dat u, ingevolge de Auteurswet, verplicht bent om Pictoright, als uitdrukkelijk gemachtigde van deze kunstenaars, van alle relevante informatie te voorzien die nodig is om het volgrecht te kunnen incasseren. Uiteraard gaat het dan alleen om volgrechtplichtige verkopen van werken van kunstenaars die door Pictoright worden vertegenwoordigd en voor wie Pictoright bevoegd is het volgrecht te incasseren.

Zoals aangegeven hebben wij het vermoeden dat er volgrechtplichtig werk door u is verkocht. Reden waarom wij u bij deze ten laatste male aanbieden alsnog binnen twee weken na heden opgave te doen van alle door u verrichte volgrechtplichtige verkopen.

Wij moeten u erop wijzen dat, indien u binnen twee weken na dagtekening van deze brief geen opgave heeft verstrekt over al uw volgrechtplichtige transacties, wij ons vrij achten zonder nadere aankondiging alle (rechts-) maatregelen te treffen die wij noodzakelijk achten. In dat geval zullen kosten worden gemaakt die mogelijk op u kunnen worden verhaald. Gezien het voorgaande behoeft het geen verdere uitleg dat u, indien u volgrechgtplichtige transacties hebt verricht, maar nalaat daarvan opgave te doen, tevens handelt in strijd met een wettelijke verplichting. Reden waarom wij u dringend verzoeken opgave te doen en reden waarom wij u dit schrijven zowel per gewone als per aangetekende post doen toekomen.

Nu het ons onduidelijk is of u al dan niet volgrechtplichtige werken heeft verkocht stuiten wij hierbij tevens - voor zover nodig - iedere verjaring, zodat u deze brief tevens dient te beschouwen als een handeling om namens bij ons aangesloten kunstenaars en diens erven iedere verjaring te stuiten.

2.22.

Op 28 februari 2013 heeft Pictoright ten laste van Simonis & Buunk conservatoir beslag tot afgifte van bescheiden doen leggen op - kort gezegd - de schriftelijke en digitale administratie van Simonis & Buunk. Op 1 maart 2013 heeft Pictoright ten laste van Simonis & Buunk conservatoir beslag tot afgifte van bescheiden doen leggen op de bij Advo ICT Professionals B.V. in Houten opgeslagen digitale bestanden van Simonis & Buunk. Vervolgens is van de digitale bestanden een complete forensische kopie gemaakt door de bewaarnemer, de heer [naam] van Fox-IT B.V. te Delft.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Pictoright vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig handelen jegens Pictoright en/of de bij haar aangesloten rechthebbende(n) en/of in strijd met artikel 43c lid 1 Aw handelen door, indien gedaagden bij volgrechtplichtige transacties met betrekking tot werken van bij Pictoright voor het volgrecht aangesloten rechthebbende(n) betrokken zijn of zijn geweest, de verschuldigde vergoeding niet (tijdig en/of volledig) te voldoen en/of de namens de rechthebbende(n) ex artikel 43d Aw verlangde inlichtingen niet (tijdig en/of volledig) te verstrekken,

  2. dat ieder der gedaagden wordt veroordeeld om met onmiddellijke ingang punctueel en volledig te voldoen aan hun verplichtingen jegens de bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht voortvloeiend uit hoofde van artikel 43c Aw, alsmede een verklaring voor recht dat ieder der gedaagden met onmiddellijke ingang uiterlijk twee weken, dan wel een andere door de rechtbank te bepalen termijn, na het opeisbaar worden van een volgrechtvergoeding, dan wel een andere door de rechtbank te bepalen termijn, van werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden gehouden is daarvan volledig, punctueel en naar waarheid opgave te doen bij Pictoright,

  3. dat ieder der gedaagden hoofdelijk wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na dit vonnis schriftelijk opgaven gestaafd met stukken zoals facturen en/of correspondentie en/of brochures en/of screenshots van de website te verstrekken van:

met betrekking tot aankoop

a. alle door gedaagden gedane aankopen van voor het volgrecht relevante werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht die sedert 1 april 2006 respectievelijk (voor erfgenamen) sedert 1 januari 2012 door gedaagden zijn aangekocht, zulks gespecificeerd naar gedaagde en voorzien van een omschrijving van de aard van het werk, de naam van de kunstenaar, de titel van het werk, het formaat en een afbeelding van het werk,

met betrekking tot in de verkoop aanbieden

b. alle door gedaagden ter verkoop aangeboden voor het volgrecht relevante werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht die sedert 1 april 2006 respectievelijk (voor erfgenamen) sedert 1 januari 2012 door gedaagden te koop zijn aangeboden, zulks gespecificeerd naar gedaagde en voorzien van een omschrijving van de aard van het werk, de naam van de kunstenaar, de titel van het werk, het formaat en een afbeelding van het werk, alsmede de bij het aanbod vermelde verkoop-/richtprijs en de periode gedurende welke het werk te koop aangebonden werd door gedaagde(n),

met betrekking tot verkoop

c. alle door gedaagden daadwerkelijk verkochte voor het volgrecht relevante werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht, die sedert 1 april 2006 respectievelijk (voor erfgenamen) sedert 1 januari 2012 verkocht zijn en bij welke verkoop (één van de) gedaagden betrokken zijn geweest, zulks gespecificeerd naar gedaagde en voorzien van een omschrijving van de aard van het werk, de naam van de kunstenaar, de titel van het werk, het formaat en een afbeelding van het werk, alsmede de verkoopprijs exclusief btw en de datum van de verkoop en van opeisbaarheid van de koopprijs,

een en ander op kosten van gedaagden en een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.500,00, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat gedaagden na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn verzuimen deze opgave (volledig en juist) te verstrekken,

4. dat ieder der gedaagden hoofdelijk wordt veroordeeld om binnen vier weken, dan wel een door de rechtbank te bepalen termijn, na dit vonnis een van partijen onafhankelijke in Nederland gevestigde registeraccountant de algemene boekhouding en verkoopadministratie van ieder der gedaagden te doen controleren teneinde vast te kunnen stellen of de door gedaagden krachtens dit vonnis verstrekte opgaven volledig en juist zijn, en hiervan binnen de termijn van vier weken een verklaring af te laten leggen en af te laten leveren, met aanhechting van kopie van alle ter staving van deze opgave relevante bescheiden, bij de advocaat van Pictoright, een en ander op kosten van gedaagden en een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.500,00, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat gedaagden na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn verzuimen hieraan te voldoen,

5. dat het Pictoright wordt toegestaan om de kopieën van beslagen administratie en documentatie (zoals gedefinieerd in het beslagverlof van 25 februari 2013 in de punten 24 en 31 van het verzoekschrift) die zich bevinden onder de gerechtelijk bewaarder onder zich te nemen en te bestuderen waaronder begrepen de in bewaring genomen kopieën van elektronische data c.q. de gegevensdrager(s) die dergelijke data bevatten, welke data betrekking (kunnen) hebben op de door gedaagden aan Pictoright verschuldigde volgrechtvergoeding, alsmede dat wordt bevolen dat gedaagden een dergelijke inzage van deze kopieën c.q. gegevensdrager(s) dienen te gehengen en gedogen, een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.500,00, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat gedaagden zich verzetten tegen afgifte en/of inzage en/of anderszins verhinderen dat Pictoright genoemde informatie ter beschikking gesteld krijgt en/of kan inzien,

6. dat ieder der gedaagden hoofdelijk wordt veroordeeld tot het binnen vier weken na dit vonnis betalen van de in totaal door alle gedaagden gezamenlijk te betalen volgrechtvergoedingen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige vergoeding, waarvan de hoogte door Pictoright zal worden vastgesteld naar aanleiding van de verstrekte opgaven en de inzage in de beslagen boekhouding, op een door Pictoright nader te bepalen rekening,

7. dat ieder der gedaagden hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de volledige en daadwerkelijke door Pictoright gemaakte proceskosten uit hoofde van artikel 1019h Rv, daaronder begrepen salaris advocaat, de kosten van het beslag en de nakosten, dan wel, subsidiair, dat ieder der gedaagden hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Pictoright legt - kort gezegd - het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Pictoright heeft Simonis & Buunk namens de bij haar aangesloten kunstenaars en erfgenamen van kunstenaars meermalen aangeschreven met het verzoek opgave te doen van volgrechtplichtige transacties. Op grond van artikel 43d Auteurswet (Aw) dient Simonis & Buunk, wanneer daarom door Pictoright wordt verzocht, alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de betaling van de volgrechtvergoeding veilig te stellen. Met uitzondering van een tweetal opgegeven verkopen heeft Simonis & Buunk nimmer opgave gedaan. Er zijn volgens Pictoright evenwel sterke aanwijzingen dat Simonis & Buunk sinds 2006 respectievelijk (voor erfgenamen van kunstenaars) sinds 1 januari 2012 veel meer volgrechtplichtige verkopen heeft verricht dan de door Simonis & Buunk uiteindelijk opgegeven twee verkopen. Door de verschuldigde volgrechtvergoedingen niet te voldoen en/of niet te voldoen aan het tijdig, volledig en correct verstrekken van verlangde inlichtingen zowel nu als ook in de toekomst, maakt Simonis & Buunk inbreuk op de in de Auteurswet opgenomen wettelijke rechten van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden en handelt zij daarmee ook onrechtmatig jegens deze volgrechtgerechtigden. De rechthebbenden lopen als gevolg van het niet dan wel niet volledig verstrekken van de verzochte informatie door Simonis & Buunk inkomsten mis, hetgeen schade oplevert.

3.3.

Simonis & Buunk voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

Na vermeerdering van eis vordert Simonis & Buunk in voorwaardelijke reconventie, namelijk indien en voor zover Simonis & Buunk in conventie in het gelijk wordt gesteld ter zake van de geheel of gedeeltelijk onrechtmatige beslaglegging, dat Pictoright wordt veroordeeld tot vergoeding van alle daardoor door Simonis & Buunk geleden schade en kosten, tot op heden begroot op € 24.980,00, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de rechtens vroegst mogelijke datum, doch in ieder geval sinds de datum van het dienen van de akte houdende vermeerdering van voorwaardelijke eis in reconventie. Tevens vordert Simonis & Buunk dat Pictoright wordt veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

3.5.

Simonis & Buunk legt - kort gezegd - het volgende aan haar vordering ten grondslag. Er is sprake van onrechtmatige beslaglegging door Pictoright. De bevoegdheid ter beslaglegging ontbrak. Deze beslaglegging was bovendien disproportioneel, nu niet vaststaat dat Pictoright de gewenste informatie c.q. het bewijs niet langs andere, voor Simonis & Buunk minder schadelijke, weg had kunnen verkrijgen. Simonis & Buunk heeft aanzienlijke schade geleden als gevolg van de beslaglegging. De schade bestaat uit de ten gevolge van de stillegging gedurende anderhalve dag van de onderneming nodeloos gemaakte bedrijfskosten en onkosten, alsmede gederfde inkomsten en reputatieschade. Genoemde kosten worden door Simonis & Buunk begroot op € 24.980,00.

3.6.

Pictoright voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Inleiding

4.1.

In deze zaak staat het zogenaamde volgrecht centraal. Het volgrecht is het recht van de maker en van zijn rechtverkrijgenden krachtens erfopvolging om bij iedere verkoop van een origineel van een kunstwerk waarbij een professionele kunsthandelaar is betrokken, met uitzondering van de eerste vervreemding door de maker, een vergoeding te ontvangen. Het volgrecht is geregeld in het bij wet van 9 februari 2006 (Stb. 60) per 1 april 2006 ingevoerde nieuwe hoofdstuk IV van de Auteurswet (Aw) en is het resultaat van de implementatie van Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (hierna: Volgrecht-richtlijn). Vanaf 1 januari 2012 is ook volgrecht verschuldigd bij verkoop van werk van overleden makers. Diens erfgenamen kunnen tot 70 jaar na de dood van de kunstenaar recht hebben op een volgrechtvergoeding. In beide gevallen geldt een drempel van een verkoopprijs van € 3.000,00.

4.2.

Pictoright stelt zich in deze procedure op het standpunt dat er sterke aanwijzingen zijn dat Simonis & Buunk, een van de grootste professionele kunsthandelaren in Nederland, sinds 2006 respectievelijk (voor erfgenamen van kunstenaars) sinds 1 januari 2012, veel meer volgrechtplichtige verkopen heeft verricht dan zij bij Pictoright heeft aangemeld (zie 2.20). Door het verrichten van volgrechtplichtige transacties die niet bij Pictoright worden aangemeld, maakt Simonis & Buunk inbreuk op de in de Auteurswet opgenomen wettelijke rechten van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden en handelt zij daarmee ook onrechtmatig jegens deze volgrechtgerechtigden.

4.3.

Simonis & Buunk verzet zich niet tegen het volgrecht als zodanig, maar wel tegen de wijze waarop Pictoright het volgrecht tracht uit te oefenen. Pictoright miskent, aldus Simonis & Buunk, zowel i) de aard van het volgrecht als een haalschuld, als ii) de beperkte aanspraak op inlichtingen (op verzoek en naar tijd en inhoud beperkt), als iii) haar eigen positie als mogelijk gevolmachtigde. Daarnaast voert Simonis & Buunk nog enkele formele verweren. Hierna zal een en ander, voor zover relevant, nader aan de orde komen.

Ontvankelijkheid Pictoright

4.4.

Simonis & Buunk stelt in de conclusie van antwoord in conventie dat Pictoright niet-ontvankelijk is in de door haar ingestelde vorderingen. Pictoright treedt op in eigen naam, maar overlegt geen stukken waaruit blijkt dat zij in de materieel vereiste rechtsbetrekking tot Simonis & Buunk staat om het vereiste recht en belang te hebben bij het gelegde beslag en de ingestelde vorderingen. In het bijzonder heeft Pictoright geen op naam gestelde aansluitformulieren, opdrachtovereenkomsten en/of volmachten van volgrechthebbenden overgelegd. Evenmin zijn overeenkomsten met buitenlandse zusterorganisaties overgelegd. Ten slotte heeft Pictoright haar vorderingen niet gebaseerd op een eventuele statutaire bevoegdheid.

4.5.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Pictoright haar statuten in het geding gebracht (productie 38). Artikel 2 en 4 van deze statuten luiden als volgt:

Artikel 2

  1. De stichting stelt zich in het algemeen ten doel het behartigen van de gemeenschappelijke en individuele juridische belangen van auteurs van visuele werken bij de exploitatie van hun werken en de uitoefening van hun bedrijfsvoering.

  2. De stichting stelt zich in het bijzonder ten doel het beheren, exploiteren, handhaven en bevorderen van de rechten, aanspraken en belangen van auteurs van visuele werken in binnen- en buitenland en het verrichten van al hetgeen bevorderlijk is voor het doel omschreven in dit lid en in het voorgaande lid.

  3. Onder auteurs van visuele werken worden onder andere begrepen architecten, beeldend kunstenaars, fotografen, illustratoren, ontwerpers en (vrije) vormgevers. Erfgenamen van auteurs van visuele werken op wie het auteursrecht krachtens artikel 2 lid 1 van de Auteurswet is overgegaan, alsmede rechtspersonen wier werkzaamheden bestaan uit het tot stand brengen van visuele werken en natuurlijk personen of rechtspersonen die zich beroeps- of bedrijfsmatig bezighouden met de exploitatie van visuele werken, worden in deze statuten tevens als auteurs van visuele werken aangemerkt. (…)

  4. De stichting tracht haar doel te bereiken langs wettige weg en wel door:

a. het beheer en de exploitatie van individuele rechten op visuele werken;

b. het beheer en de exploitatie van collectieve rechten op visuele werken;

(…)

Artikel 4

1. De aansluiting bij de stichting staat open voor auteurs van visuele werken.

De stichting onderscheidt de volgende aangeslotenen:

(…)

b. auteurs van visuele werken die de stichting last en volmacht verlenen om hun volgrechtvergoedingen (als bedoeld in artikel 43a van de Auteurswet) te innen;

4.6.

Voorts heeft Pictoright van tien kunstenaars de aansluitingsformulieren in het geding gebracht (productie 37). Het betreft de aansluitingsformulieren van [naam] , [naam], [naam] sr., [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en[naam].

4.7.

Ten slotte wijst de rechtbank op de Parlementaire Geschiedenis van de ‘Aanpassing van de Auteurswet 1912 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/84/EG van het Europese Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PbEG L 272)’ (hierna: de Parlementaire Geschiedenis). In de Memorie van toelichting is onder meer het volgende opgenomen (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 3 e.v.):

“In dit wetsvoorstel wordt gekozen voor vrijwillig collectief beheer. Het wordt aan rechthebbenden overgelaten of zij het beheer van hun rechten zelf uitvoeren, of dat zij dit overlaten aan een collectieve beheersorganisatie. (…)

Het staat individuele rechthebbenden uiteraard geheel vrij om het beheer van hun volgrechten vrijwillig op te dragen aan een bestaande of nieuwe collectieve beheersorganisatie. In de praktijk bestaan al organisaties die zich toeleggen op het vrijwillig collectief beheer van rechten van makers van werken van beeldende of grafische kunst. Het gaat hierbij met name om de Stichting Beeldrecht (voor het beheer van rechten van beeldend kunstenaars) en de Stichting Burafo (Stichting tot bescherming en handhaving van foto-auteursrechten; voor het beheer van rechten van fotografen), welke sinds 1 januari 2002 zijn verenigd in de Stichting De Visuelen/BSB. Op dit moment is de Stichting Beeldrecht al gemachtigd om volgrechtvergoedingen uit het buitenland te innen en verdelen voor ongeveer 1 500 Nederlandse beeldende kunstenaars.

Het staat (ook) aan buitenlandse rechthebbenden vrij om het beheer van volgrechten binnen Nederland op te dragen aan een collectieve beheersorganisatie. (…) De Stichting Beeldrecht vertegenwoordigt via buitenlandse zusterorganisaties de auteursrechtelijke belangen in Nederland van ongeveer 47 000 buitenlandse kunstenaars. Na invoering van het volgrecht in Nederland zal Beeldrecht ook voor deze kunstenaars de belangen inzake het volgrecht behartigen.”

4.8.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de in de Memorie van Toelichting genoemde Stichting Beeldrecht en Stichting De Visuelen/BSB middels een juridische fusie per 1 januari 2008 zijn opgegaan in Pictoright.

4.9.

Op basis van deze stukken is de rechtbank van oordeel dat Pictoright kan worden ontvangen in haar vorderingen. Pictoright heeft recht op het instellen van en belang bij de vorderingen.

Volgrecht is geen auteursrecht?

4.10.

Simonis & Buunk stelt dat het volgrecht weliswaar is opgenomen in de Auteurswet, maar dat het geen auteursrecht is. De handhavingsbevoegdheden gebaseerd op de Handhavingsrichtlijn (artikel 1019a tot en met 1019i Rv) zijn daarom niet van toepassing. Het volgrecht is een aan het auteursrecht verwant recht, zoals herhaaldelijk en uitdrukkelijk in de Parlementaire Geschiedenis door de minister en door vertegenwoordigers in beide kamers werd opgemerkt. Ook als het volgrecht wel als een auteursrecht moet worden gekwalificeerd, moeten de vorderingen van Pictoright niet worden gekwalificeerd als ‘handhaving’. Pictoright treedt namelijk niet op tegen een inbreuk op de exploitatie- en/of persoonlijkheidsrechten, maar zij tracht slechts de volgrechtvergoeding te incasseren. Simonis & Buunk verwijst voor een volgens haar vergelijkbare situatie naar het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 29 maart 2011, LJN BP 9443.

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is het volgrecht niet een ‘slechts’ aan het auteursrecht verwant recht. Weliswaar wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat de Volgrecht-richtlijn in de Auteurswet 1912 is geïmplementeerd, omdat het volgrecht traditioneel, en ook door de Volgrecht-richtlijn, wordt gezien als verwant aan het auteursrecht ((TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 1), maar evengoed zijn er in de Parlementaire Geschiedenis aanwijzingen te vinden dat het volgrecht meer is dan een aan het auteursrecht verwant recht. Zo geeft de toenmalige minister van Justitie tijdens de algemene beraadslaging aan dat het onderwerp dat wij vandaag behandelen is een aspect van het auteursrecht (Tweede Kamer, 14 september 2005, 106-6391). De considerans van de Volgrecht-richtlijn wijst ook in die richting. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“(1) Op het gebied van het auteursrecht is het volgrecht het niet voor afstand vatbare, onvervreemdbare recht van de auteur van een oorspronkelijk werk van grafische of beeldende kunst om te delen in de opbrengst, telkens wanneer dat werk wordt verkocht.

(4) Het volgrecht is een integrerend bestanddeel van het auteursrecht en vormt voor de auteurs een wezenlijk prerogatief.”

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat de vergelijking met het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 29 maart 2011 niet op. In die zaak stond (onder meer) artikel 16c Aw centraal. Ingevolge dit artikel is privé-kopiëren op dragers die bestemd zijn om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven toegestaan, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. Pictoright merkt terecht op dat deze zogenaamde thuiskopieregeling kan worden beschouwd als een beperking op het auteursrecht, nu het kopiëren voor eigen gebruik geen inbreuk op het auteursrecht op een werk oplevert. Het gaat hier slechts om een algemeen, niet direct aan een maker te relateren heffing op dragers. Het volgrecht daarentegen kan veeleer worden beschouwd als een uitbreiding op het auteursrecht. Het levert namelijk wel een direct aan een (erfgenaam van een) maker van een origineel van een kunstwerk toekomende opeisbare vordering op.

4.13.

Het voert dan ook te ver om te concluderen dat de handhavingsbevoegdheden gebaseerd op de Handhavingsrichtlijn niet van toepassing zijn en dat de vorderingen van Pictoright om die reden de vereiste juridische grondslag ontberen.

Inlichtingenplicht ex artikel 43d Aw

4.14.

Artikel 43d Aw luidt als volgt:

“De gerechtigde op het volgrecht kan gedurende drie jaar na het tijdstip waarop de vergoeding bedoeld in artikel 43a, eerste lid, opeisbaar is geworden, van degene die verplicht is tot betaling van de vergoeding alle inlichtingen verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen.”

4.15.

Pictoright stelt dat er sprake is van een wettelijk vastgelegde verplichting om naar waarheid volledige opgave te doen van alle volgrechtplichtige transacties en alle inlichtingen die het de rechthebbende mogelijk maakt de volgrechtvergoeding veilig te stellen. Simonis & Buunk, zo stelt Pictoright, weigert aan te geven welke volgrechtplichtige transacties voor bij Pictoright aangesloten rechthebbenden zijn verricht. Slechts van twee werken heeft Simonis & Buunk opgave gedaan.

4.16.

Volgens Simonis & Buunk heeft Pictoright zowel eenduidige elementen van de wettelijke regeling onjuist opgevat, als onduidelijke elementen zonder toelichting of onderbouwing uitgelegd als ware deze vanzelfsprekend. Een van die onjuiste elementen betreft de door Pictoright gestelde systematiek van een informatieplicht en een brengschuld ten gunste van Pictoright. De wettelijke regeling voorziet evenwel slechts in een recht om bepaalde informatie te vragen, terwijl de betalingsverplichting een haalschuld betreft, aldus Simonis & Buunk.

Brengschuld of haalschuld?

4.17.

De rechtbank overweegt dat hoewel de inlichtingenplicht van artikel 43d Aw en de betalingsverplichting van de volgrechtvergoeding op zichzelf los van elkaar staan, zij ook nauw met elkaar samenhangen. Voorop staat dat wanneer sprake is van doorverkoop van een origineel van een kunstwerk op de daarbij betrokken professionele kunsthandelaar, zoals in casu Simonis & Buunk, de verplichting rust om tot betaling van een vergoeding over te gaan (zie artikel 43c juncto 43a Aw). Een dergelijke kunsthandelaar kan ervoor kiezen om deze vergoeding onmiddellijk na de transactie aan de gerechtigde op het volgrecht te betalen, door zich ‘spontaan’ bij de betreffende gerechtigde, of diens vertegenwoordiger, te melden. Een (wettelijke) verplichting is dat evenwel niet. Wanneer een gerechtigde op het volgrecht, of zijn vertegenwoordiger, zich uit eigen beweging bij de kunsthandelaar meldt, is deze op grond van artikel 43d Aw wel gehouden alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen, waarna in voorkomende gevallen tot betaling van die vergoeding zal moeten worden overgegaan.

4.18.

Richtlijnconforme interpretatie van artikel 43d Aw - waarbij dit artikel zoveel mogelijk dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de Volgrecht-richtlijn, teneinde het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken - brengt met zich dat het hier gaat om een haalschuld. In de eerste plaats is artikel 43d Aw nagenoeg gelijkluidend aan artikel 9 van de Volgrecht-richtlijn:

“De lidstaten bepalen dat de in artikel 6 bedoelde rechthebbenden gedurende een periode van drie jaar na de doorverkoop van een in artikel 1, lid 2, genoemde actor uit de professionele kunsthandel alle inlichtingen kunnen verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van het recht in verband met de doorverkoop veilig te stellen.”

Verder is het volgende in de considerans van de Volgrecht-richtlijn opgenomen:

“(6) Volgens de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst kan op het volgrecht slechts aanspraak worden gemaakt, indien de nationale wetgeving van de auteur hierin voorziet. (…)

(30) Er dienen adequate controleprocedures te komen die in de praktijk verzekeren dat de lidstaten het volgrecht effectief toepassen. Dit impliceert het recht van de auteur, of diens vertegenwoordiger, om van de natuurlijke of rechtspersoon die het recht verschuldigd is, alle nodige inlichtingen te verlangen. (…)”

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het karakter van de betalingsverplichting als een haalschuld en geen brengschuld ook worden afgeleid uit de Parlementaire Geschiedenis (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 6):

“De betalingsplichtige kan maar hoeft deze informatie niet eigener beweging te verschaffen aan de rechthebbenden op de volgrechtvergoeding. Slechts wanneer hierom wordt verzocht bestaat de verplichting tot informatievoorziening.”

alsmede (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 7):

“Voorts kan het aantal informatieverzoeken in de praktijk beperkt worden door prompte betaling van de verschuldigde vergoedingen door betalingsplichtigen.”

alsmede (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 17):

“Lidstaten moeten bepalen dat de maker van een origineel van een kunstwerk en zijn rechtsopvolgers gedurende een periode van drie jaar van de bij de verkoop betrokken actor uit de professionele kunsthandel alle inlichtingen kunnen verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van het recht in verband met de doorverkoop veilig te stellen. Aan deze bepaling wordt gevolg gegeven in artikel 43d.”

alsmede (EK 2005-2006, 29 912, B, blz 7):

“Op grond van het voorgestelde artikel 43d beschikt de rechthebbende over een inlichtingenrecht. Gedurende drie jaar na de opeisbaarheid van de volgrechtvergoeding kan hij van de betalingsplichtige alle inlichtingen verlangen die nodig zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen. Met dit inlichtingenrecht kan de rechthebbende, respectievelijk de collectieve beheersorganisatie aan wie hij het beheer van het volgrecht heeft opgedragen, zelf het initiatief nemen om tot inning van de vergoeding over te gaan.”

4.20.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de betalingsverplichting van Simonis & Buunk een haalschuld betreft en geen brengschuld.

4.21.

Vervolgens dienen in het kader van artikel 43d Aw de volgende -samenhangende- vragen te worden beantwoord:

  1. Op welk moment kan een gerechtigde op het volgrecht van een betalingsplichtige inlichtingen verlangen, en

  2. Welke inlichtingen/informatie dient een betalingsplichtige in dat geval te verstrekken?

Aanwijzingen of wetenschap?

4.22.

Met betrekking tot de eerste vraag overweegt de rechtbank het volgende. Een gerechtigde op het volgrecht kan zich bij een betalingsplichtige vervoegen op het moment dat hij aanwijzingen heeft dat er een of meer volgrechtplichtige transacties hebben plaatsgevonden. Deze aanwijzingen kunnen er bijvoorbeeld in bestaan dat een aantal originelen van een kunstwerk op enig moment op de website van een kunsthandelaar te koop wordt aangeboden, terwijl een of meer van die kunstwerken op een later moment niet meer op die website worden aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank voert het te ver om als eis te stellen dat een gerechtigde op het volgrecht wetenschap moet hebben van een concrete doorverkoop van een origineel van een kunstwerk. In de meeste gevallen heeft een gerechtigde op het volgrecht immers geen enkel zicht op wat er zich bij een professionele kunsthandelaar afspeelt en welke concrete werken tegen welke prijs zijn verhandeld. In de Parlementaire Geschiedenis zijn ook aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het niet gaat om wetenschap van een concrete doorverkoop van een origineel van een kunstwerk (TK 2004-2005, 29 912, nr 7, blz 1-2):

“De bedrijfsmatig aangehouden werken zullen doorgaans ook openbaar kenbaar zijn, doordat deze met het oog op de verkoop in galerieën tentoongesteld worden en opgenomen worden in advertenties in vakbladen, (veiling)catalogi, inventarislijsten op websites, etc. Beheersorganisaties die zich toeleggen op het collectief beheer van het volgrecht, maar ook individuele rechthebbenden, kunnen langs deze weg bijhouden welke werken ter verkoop worden aangeboden door professionele kunsthandelaren. Met een beroep op het inlichtingenrecht van artikel 43d kunnen vervolgens van de professionele kunsthandelaar alle inlichtingen verlangd worden die noodzakelijk zijn om de betaling van de volgrechtvergoeding veilig te stellen. Deze inlichtingen kunnen onder meer verkregen worden uit de bedrijfsboekhouding.”

4.23.

In deze zaak stelt Pictoright dat inventarisatie van de website van Simonis & Buunk voor de periode van een half jaar, van 13 juni 2012 tot en met 28 december 2012, laat zien dat Simonis & Buunk 27 werken van 17 bij Pictoright aangesloten verschillende kunstenaars en/of erfgenamen van kunstenaars te koop heeft aangeboden en dat die werken thans (de rechtbank neemt aan: op de datum van dagvaarding, zijnde 28 mei 2013) niet meer te koop worden aangeboden. Een andere inventarisatie van de website van Simonis & Buunk, gedaan op 26 maart 2013, vergeleken met de huidige website (ook hier neemt de rechtbank aan: op de datum van dagvaarding), laat zien dat 8 werken van 7 bij Pictoright aangesloten rechthebbenden te koop zijn aangeboden, welke werken thans niet meer te koop worden aangeboden. Pictoright verwijst voor een overzicht naar productie 7 bij dagvaarding.

4.24.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat Pictoright (sterke) aanwijzingen had dat Simonis & Buunk - los van de twee transacties die Simonis & Buunk heeft gemeld - een of meer volgrechtplichtige transacties heeft verricht met betrekking tot werken van bij Pictoright aangesloten gerechtigden op het volgrecht. Er is sprake van voldoende aanwijzingen, meer kan van Pictoright niet worden verwacht. Zij hoeft dus niet concreet aan te geven om welke kunstenaar het gaat en wat de naam is van het doorverkochte schilderij. De stelling van Simonis & Buunk, dat de geconstateerde verschillen op haar website zijn te verklaren door het feit dat zij schilderijen die in een te verschijnen catalogus worden opgenomen enige tijd daarvoor van de website haalt om ze na het uitbrengen van de catalogus daar weer op terug te plaatsen, zodat er van doorverkoop geen enkele sprake is, doet hier, wat daar verder inhoudelijk ook van zij, niet aan af.

Welke inlichtingen/informatie?

4.25.

Op grond van artikel 43d Aw kan Pictoright vervolgens ‘toetsen’ of haar aanwijzingen juist blijken te zijn. Dan komt dus aan de orde de vraag welke inlichtingen/informatie een betalingsplichtige na een daartoe strekkend verzoek dient te verstrekken. Volgens Pictoright gaat het om een volledige opgave van alle volgrechtplichtige transacties en alle inlichtingen die het de rechthebbende mogelijk maakt de volgrechtvergoeding veilig te stellen, terwijl Simonis & Buunk stelt dat de inlichtingenplicht niet verder reikt dat het verstrekken van bepaalde informatie.

4.26.

De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak enkel gaat om volgrechtplichtige transacties waarbij Simonis & Buunk als (tussenpersoon van de) verkoper is opgetreden. Gesteld noch gebleken is dat Simonis & Buunk ook als (tussenpersoon van de) koper betrokken is geweest bij volgrechtplichtige transacties, noch dat Simonis & Buunk in gebreke is gesteld inzake het verstrekken van de inlichtingen/informatie met betrekking tot die aankopen. Simonis & Buunk is op dit punt dan ook niet in verzuim.

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank dient een betalingsplichtige aan de gerechtigde op het volgrecht te verstrekken de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs. Een gerechtigde op het volgrecht heeft recht op en belang bij verstrekking van deze gegevens om betaling van de volgrechtvergoeding op een afdoende manier veilig te stellen. Deze informatie is voor de inning van het volgrecht immers van essentieel belang. Dat het moet gaan om genoemde informatie kan ook uit de Parlementaire Geschiedenis worden afgeleid (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 6):

“Het zal hierbij met name gaan om de datum van de verkoop van het werk en de hoogte van de verkoopprijs.”

alsmede (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 7):

“De informatieplicht aan rechthebbenden staat los van de verplichting tot betaling van de volgrechtvergoeding. Om aan deze verplichting te kunnen voldoen, zullen betalingsplichtigen moeten weten welke werken zij hebben verkocht, wat de verkoopprijs van deze werken was, wie de maker respectievelijk de rechthebbende op de volgrechtvergoeding is, en wat de datum van de verkoop is. Voor een belangrijk deel wordt deze informatie al bijgehouden door professionele kunsthandelaren in verband met de noodzakelijke BTW-afdrachten voor de in- en verkoop van kunstwerken. “

4.28.

In deze zaak dient Simonis & Buunk derhalve na een daartoe strekkend verzoek van Pictoright aan laatstgenoemde te verstrekken de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs.

Tussenconclusies

4.29.

Op grond van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.14 e.v. is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende tussenconclusies.

4.30.

Wanneer sprake is van doorverkoop van een origineel van een kunstwerk is Simonis & Buunk als professionele kunsthandelaar verplicht om tot betaling van een vergoeding aan Pictoright als gemachtigde van gerechtigden op het volgrecht over te gaan. Deze vergoeding behoeft zij niet uit eigener beweging te betalen. Op het moment dat Pictoright aanwijzingen heeft dat er een of meer volgrechtplichtige transacties bij Simonis & Buunk hebben plaatsgevonden, kan zij zich bij Simonis & Buunk vervoegen met het verzoek om inlichtingen. Simonis & Buunk is vervolgens verplicht deze inlichtingen te verstrekken voor zover het gaat om aan hen verbonden (erfgenamen van) kunstenaars, althans (erfgenamen van) kunstenaars waarvan Pictoright stelt deze te vertegenwoordigen. Het gaat daarbij om de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs. In deze procedure is in voldoende mate aangetoond dat Pictoright (sterke) aanwijzingen had dat Simonis & Buunk een of meer volgrechtplichtige transacties heeft verricht met betrekking tot werken van bij Pictoright aangesloten gerechtigden op het volgrecht. Vast staat dat Simonis & Buunk nimmer informatie omtrent de aard en de omvang van door haar verrichte volgrechtplichtige transacties aan Pictoright heeft verstrekt, met uitzondering van de twee op 6 juli 2012 gemelde transacties.

De bijzondere positie van Pictoright

4.31.

De werkwijze van Pictoright - waartegen Simonis & Buunk zich verzet - is de volgende. Pictoright zendt ter uitvoering van artikel 43d Aw een zogenaamd opgaveformulier aan de kunsthandelaar. Deze dient op dit formulier alle volgrechtplichtige transacties te vermelden en het formulier vervolgens aan Pictoright te retourneren. Op de website van Pictoright kan volgens Pictoright eenvoudig worden nagegaan voor welke gerechtigden op het volgrecht Pictoright volgrecht incasseert. Door op de website www.pictoright.nl te klikken op ‘ledenlijst’ en vervolgens op ‘volgrecht’ kan namelijk in de ledenlijst worden gecontroleerd of de door de kunsthandelaar verkochte werken zijn gemaakt door kunstenaars die bij Pictoright zijn aangesloten. Het is volgens Pictoright ondoenlijk om bij ieder verzoek een fysieke lijst met 50.000 namen van alle bij Pictoright aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars mee te sturen.

4.32.

Simonis & Buunk stelt hiertegenover dat van haar niet kan worden gevergd dat zij op de website van Pictoright moet nagaan voor welke gerechtigden op het volgrecht Pictoright volgrecht incasseert, terwijl de ledenlijst op die website niet volledig juist is gebleken. Bovendien, zo stelt Simonis & Buunk, heeft de wetgever niet gewild dat professionele kunsthandelaars worden opgezadeld met aanzienlijke administratieve lasten.

4.33.

Deze laatste stelling van Simonis & Buunk is op zichzelf juist. In de Memorie van Toelichting is een aanzienlijke passage gewijd aan de bedrijfseffecten en administratieve lasten van de kunsthandelaars (TK 2004-2005, 29 912, nr 3, paragraaf 5). In de kern genomen komt het erop neer dat vanwege de gekozen beperkte implementatie van de Volgrecht-richtlijn de informatieverplichtingen en dus de administratieve en andere lasten die het gevolg zijn van de regeling voor de kunsthandelaars tot het minimum beperkt moeten blijven.

4.34.

Daar staat echter tegenover dat Pictoright als auteursrechtorganisatie in Nederland een bijzondere positie inneemt, voor zover het de inning en verdeling van volgrechtvergoedingen betreft. Hoewel de wetgever nadrukkelijk heeft gekozen voor vrijwillig collectief beheer en niet één organisatie heeft aangewezen die is belast met het collectief beheer van volgrechtvergoedingen (zie TK 2004-2005, 29 912, nr 3, blz 3), anders dan bijvoorbeeld Stichting BUMA die krachtens artikel 30a Aw tot dusverre als enige vergunning is verleend tot bedrijfsmatige bemiddeling inzake muziekauteursrecht, is Pictoright wel de organisatie bij wie vele Nederlandse kunstenaars en erfgenamen van kunstenaars zijn aangesloten en voor wie Pictoright als belangenbehartiger optreedt, zowel in als buiten rechte, en die als belangenbehartiger de handhaving van rechten van buitenlandse kunstenaars en erfgenamen van kunstenaars - voor zover betrekking hebbend op Nederland - op zich neemt. Uit de hiervoor reeds geciteerde Parlementaire Geschiedenis kan bovendien worden afgeleid dat de wetgever wel degelijk een rol zag weggelegd voor een collectieve beheersorganisatie, in welk verband Pictoright met name is genoemd - dat wil zeggen haar rechtsvoorgangers Stichting Beeldrecht en Stichting De Visuelen/BSB - als organisatie die zich toelegt op het vrijwillig collectief beheer van rechten van makers, zowel Nederlandse als buitenlandse, van werken van beeldende of grafische kunst. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar hetgeen zij hiervoor onder rechtsoverweging 4.5 tot en met 4.7 heeft overwogen.

4.35.

Gelet op die bijzondere positie van Pictoright is de hiervoor weergegeven werkwijze van Pictoright (het versturen van een opgaveformulier aan Simonis & Buunk ter opgave van alle volgrechtplichtige transacties, waarbij het op de weg ligt van Simonis & Buunk om op de website van Pictoright na te gaan voor welke gerechtigden op het volgrecht Pictoright volgrecht incasseert) naar het oordeel van de rechtbank dan ook een geoorloofde manier om alle inlichtingen te verkrijgen die noodzakelijk zijn om betaling van de volgrechtvergoeding veilig te stellen.

4.36.

Het voorgaande sluit aan bij wat volgens de Volgrecht-richtlijn mogelijk is. De punten 28 en 30 van de considerans van de Volgrecht-richtlijn luiden als volgt:

“(28) Het is de taak van de lidstaten de uitoefening van het volgrecht te regelen, in het bijzonder het beheer ervan. Beheer door een maatschappij voor collectief auteursrechtenbeheer is slechts één van de mogelijkheden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de werking van deze maatschappijen transparant en efficiënt is. De lidstaten dienen er tevens voor te zorgen dat bedragen die bestemd zijn voor auteurs die onderdaan zijn van een andere lidstaat worden geïnd en verdeeld. Deze richtlijn laat regelingen van de lidstaten voor de inning en verdeling onverlet.

(30) Er dienen adequate controleprocedures te komen die in de praktijk verzekeren dat de lidstaten het volgrecht effectief toepassen. Dit impliceert het recht van de auteur, of diens vertegenwoordiger, om van de natuurlijke of rechtspersoon die het recht verschuldigd is, alle nodige inlichtingen te verlangen. (…)”

4.37.

Om het volgrecht effectief te kunnen toepassen moet er dus een adequate controleprocedure zijn en dient de werking van een collectieve beheersmaatschappij, wanneer daarvan sprake is, transparant en efficiënt te zijn. In de onderhavige zaak is van een efficiënt werkende organisatie in ieder geval geen sprake als Pictoright bij elk opgaveformulier een fysieke lijst met 50.000 namen dient te voegen van alle bij Pictoright aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars, of zelfs alle 50.000 dossiers moet overleggen met onder meer documentatie met betrekking tot erfgenamen, legitimatiebewijzen van bestuurders van bijvoorbeeld stichtingen die erfgenaam zijn en aansluitcontracten met zusterorganisaties. Pictoright heeft in dit verband onweersproken gesteld dat in sommige gevallen stukken van bij buitenlandse dochterorganisaties aangesloten kunstenaars uit het buitenland dienen te komen. Daar kan enige tijd mee gemoeid zijn. Ook heeft zij er terecht op gewezen dat bij een totaal van 50.000 aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars constant veranderingen optreden, zoals nieuwe aansluitingen, overlijden en het bereiken van de 70 jaar grens uit de Auteurswet. De door Pictoright gehanteerde werkwijze is dan ook een adequate manier om het volgrecht op een effectieve wijze te kunnen toepassen.

4.38.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Simonis & Buunk wel terechte twijfels geuit over de volledige juistheid van de zogenaamde ledenlijst op de website van Pictoright. Ter comparitie is van de zijde van Pictoright ook aangegeven dat er zo nu en dan mutaties plaatsvinden. Het komt de rechtbank dan ook juist voor dat het op de weg ligt van Pictoright om bij twijfel of een bepaalde (erfgenaam van een) kunstenaar door Pictoright wordt vertegenwoordigd, aan te tonen - met stukken onderbouwd - dat zij daadwerkelijk namens die (erfgenaam van een) kunstenaar het volgrecht incasseert.

Tussenconclusie

4.39.

Resumerend komt de rechtbank tot de volgende tussenconclusie. Gelet op de bijzondere positie van Pictoright als auteursrechtorganisatie in Nederland is de door haar gehanteerde werkwijze een geoorloofde en adequate manier om alle inlichtingen te verkrijgen die noodzakelijk zijn om betaling van de volgrechtvergoeding voor bij haar aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars veilig te stellen. Dit komt neer op het volgende:

  1. Pictoright zendt aan Simonis & Buunk periodiek een opgaveformulier waarop Simonis & Buunk dient aan te geven welke volgrechtplichtige transacties zij met betrekking tot bij Pictoright aangesloten (erfgenamen van) kunstenaars heeft verricht.

  2. Op de website van Pictoright kan Simonis & Buunk nagaan welke (erfgenamen van) kunstenaars bij Pictoright zijn aangesloten.

  3. Indien er bij Simonis & Buunk redelijke twijfels/onduidelijkheden bestaan over of een bepaalde (erfgenaam van een) kunstenaar daadwerkelijk bij Pictoright is aangesloten, maakt zij dit bij Pictoright kenbaar, in welk geval zij nog niet de transactieprijs, noch enige andere informatie, hoeft te verstrekken.

  4. Het ligt op de weg van Pictoright om in zo’n geval onderbouwd aan te tonen dat zij daadwerkelijk namens die (erfgenaam van een) kunstenaar het volgrecht incasseert.

Verjaring

4.40.

Simonis & Buunk stelt dat Pictoright elke beperking in tijd negeert, door haar informatieaanspraken te doen gelden vanaf de invoering van het volgrecht in 2006, respectievelijk ten behoeve van de erven in 2012. De in artikel 43d Aw opgenomen informatieplicht is evenwel beperkt tot drie jaar na de opeisbaarheid. Reeds hierom is volgens Simonis & Buunk een aanspraak op informatie die verder terug gaat dan deze drie jaar per definitie niet toewijsbaar.

4.41.

Dit betoogt faalt. Ingevolge artikel 43d Aw kan de gerechtigde op het volgrecht gedurende drie jaar na het tijdstip waarop de volgrechtvergoeding opeisbaar is geworden, van degene die verplicht is tot betaling van de vergoeding alle inlichtingen verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen. De regeling van het volgrecht is op 1 april 2006 in Nederland ingevoerd. Bij brief van 19 maart 2009 (zie 2.4) heeft Pictoright aan ruim 500 Nederlandse galeries en kunsthandelaren, waaronder Simonis & Buunk, voor de eerste maal verzocht “opgave te doen van verkopen van werk van door ons vertegenwoordigde kunstenaars waarover volgrecht is verschuldigd”. Dit (eerste) verzoek om inlichtingen is dus binnen de in artikel 43d Aw genoemde termijn van drie jaar gedaan.

4.42.

Daarnaast verjaart een rechtsvordering tot betaling van de volgrechtvergoeding op grond van artikel 43c lid 2 Aw door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de rechthebbende zowel met de opeisbaarheid van de vergoeding als met de tot de betaling van de vergoeding verplichte persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Deze verjaringsregeling sluit aan bij de verjaringsregeling van de vordering tot schadevergoeding ex artikel 3:310 lid 1 BW. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij toepassing van laatstgenoemd artikel de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, zo worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Een enkel vermoeden volstaat niet. In de onderhavige zaak is van daadwerkelijke bekendheid met de opeisbaarheid van de vergoeding (ook) geen sprake. Juist vanwege (onder meer) die onbekendheid is Pictoright deze procedure gestart. Van verjaring kan dus geen sprake zijn.

4.43.

Ten slotte heeft Pictoright op verschillende momenten (zie 2.15, 2.16, 2.18 en 2.21) voor zover nodig iedere verjaring gestuit.

Beslaglegging onrechtmatig?

4.44.

Simonis & Buunk stelt dat de beslaglegging door Pictoright onrechtmatig en schadelijk is geweest. In de eerste plaats bestond er geen aantoonbaar gevaar voor verduistering en geen noodzaak tot onverwijldheid vanwege het gevaar van onherstelbaar nadeel. In de tweede plaats ontbreekt de vereiste feitelijke grondslag. De bevoegdheid tot het leggen van beslag op grond van artikel 1019b Rv is niet gelegen in de gestelde noodzaak tot vergaring van bewijs, maar in de noodzaak tot bewaring van bewijs, terwijl Pictoright op diverse plaatsen stelt dat zij omtrent door haar gewenste informatie in het duister tast en deze informatie op geen enkele andere wijze kan verkrijgen dan door beslaglegging. In de derde plaats is de beslaglegging disproportioneel, nu niet bepaald vast staat dat Pictoright de gewenste informatie niet langs andere en voor Simonis & Buunk minder schadelijke weg had kunnen verkrijgen, zoals het houden van een voorlopig getuigenverhoor en/of het verzoeken aan de rechter om door middel van een registeraccountant onderzoek te laten doen. Ten slotte heeft Simonis & Buunk schade geleden als gevolg van de handelwijze van Pictoright.

4.45.

De rechtbank stelt voorop dat uit hetgeen hiervoor onder de verschillende kopjes is overwogen, reeds kan worden afgeleid dat van onrechtmatig gelegd beslag geen sprake kan zijn. In aanvulling daarop overweegt zij nog het volgende.

4.46.

Vast staat dat Pictoright niet beschikte over enige informatie omtrent de aard en de omvang van volgrechtplichtige transacties door Simonis & Buunk. De enige informatie die Simonis & Buunk aan Pictoright heeft verstrekt, betreft de melding van een tweetal volgrechtplichtige transacties op 6 juli 2012 (zie 2.20). In de periode hieraan voorafgaand heeft de heer Buunk op verschillende momenten laten doorschemeren dat Simonis & Buunk geen volgrechtplichtige werken heeft verkocht. Zo schreef hij op 4 april 2011 (zie 2.10) onder meer het volgende aan de advocaat van Pictoright: “Echter, indien er geen inlichtingen te verstrekken zijn mag u m.i. niet periodiek van ons verlangen dat wij u berichten geen volgrechtplichtige transacties te hebben verricht.” Pictoright had echter voldoende (sterke) aanwijzingen dat Simonis & Buunk (meer) volgrechtplichtige transacties heeft verricht met betrekking tot werken van bij Pictoright aangesloten gerechtigden op het volgrecht (zie hiervoor rechtsoverweging 4.23 en 4.24). Overigens heeft Pictoright gesteld dat na beslaglegging de heer Buunk in een gesprek met Pictoright heeft verklaard dat als men met een stofkam door de administratie zou gaan, er wel meer volgrechtplichtige transacties tevoorschijn zouden komen. Volgens Pictoright heeft de heer Buunk daarbij aangegeven dat het hem zou verbazen als het volgrechtbedrag boven de € 10.000,00 zou uitkomen. Ter comparitie heeft de heer Buunk erkend dit bedrag te hebben genoemd. Bovendien heeft de heer Buunk in een andere e-mail vermeld en ter comparitie verklaard dat hij inderdaad een [naam] heeft verkocht.

4.47.

Naar het oordeel van de rechtbank had Pictoright derhalve voldoende redenen om aan te nemen dat Simonis & Buunk geen, althans niet volledig, open kaart speelde over de door haar al dan niet verrichte volgrechtplichtige transacties. Dit wordt min of meer bevestigd door de beslaglegging, want op 28 februari 2013 trof de deurwaarder bij Simonis & Buunk onder meer aan: “1 zwarte ordner met opschrift ‘Pictoright’”. Dat Pictoright tot beslaglegging is overgegaan, is onder de geschetste omstandigheden dan ook niet onrechtmatig. Deze beslaglegging is anders dan Simonis & Buunk stelt wel degelijk gelegen in de noodzaak tot bewaring/veiligstellen van het bewijs. In deze procedure dient vervolgens te worden beoordeeld of Pictoright ook recht heeft op inzage in dat bewijs.

4.48.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan ook niet worden aangenomen dat de beslaglegging disproportioneel was. Dat de door Pictoright gewenste informatie langs andere en voor Simonis & Buunk minder schadelijke weg had kunnen worden verkregen, is door Pictoright gemotiveerd betwist. In ieder geval kan bij de door Simonis & Buunk geopperde alternatieven, het houden van een voorlopig getuigenverhoor en het verzoeken aan de rechter om door middel van een registeraccountant onderzoek te laten doen (middels een voorlopig deskundigenbericht), anders dan bij beslaglegging, niet worden uitgesloten dat, zoals in het verzoekschrift tot beslaglegging is opgenomen, Simonis & Buunk gegevens zal achterhouden.

4.49.

Ten slotte is van een door Simonis & Buunk als zodanig gekwalificeerde “fishing expedition” geen sprake. Simonis & Buunk is op grond van artikel 43d Aw gehouden na een daartoe strekkend verzoek alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de betaling van de volgrechtvergoeding veilig te stellen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat het daarbij concreet gaat om de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs.

Eindconclusies

4.50.

In deze procedure is in voldoende mate aangetoond dat Pictoright (sterke) aanwijzingen had dat Simonis & Buunk een of meer volgrechtplichtige transacties heeft verricht met betrekking tot werken van bij Pictoright aangesloten gerechtigden op het volgrecht. Vast staat dat Simonis & Buunk nimmer informatie omtrent de aard en de omvang van door haar verrichte volgrechtplichtige transacties aan Pictoright heeft verstrekt, met uitzondering van de twee op 6 juli 2012 gemelde transacties, terwijl daarom wel verschillende malen door Pictoright op grond van artikel 43d Aw is verzocht. Aldus heeft Simonis & Buunk inbreuk gemaakt op de in de Auteurswet opgenomen wettelijke rechten van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op het volgrecht en handelt zij daarmee ook onrechtmatig jegens deze volgrechtgerechtigden. Als gevolg van het niet verstrekken van de verzochte informatie door Simonis & Buunk lopen deze rechthebbenden op het volgrecht inkomsten mis, hetgeen schade oplevert.

De vorderingen

4.51.

Het gevorderde onder 3.1 sub 1 en 2 ligt voor toewijzing gereed.

4.52.

Het gevorderde onder 3.1 sub 3 is te ruim geformuleerd. Het volgrecht is het recht van de maker en van zijn rechtverkrijgenden krachtens erfopvolging om bij iedere verkoop van een origineel van een kunstwerk waarbij een professionele kunsthandelaar is betrokken, een vergoeding te ontvangen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat Simonis & Buunk in dat kader, en eerst na een daartoe strekkend verzoek, is gehouden alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de betaling van die volgrechtvergoeding veilig te stellen. Het gaat daarbij concreet om de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs. Alleen deze gegevens dient Simonis & Buunk dan ook aan Pictoright te verstrekken. Gegevens met betrekking tot het ter verkoop aanbieden zijn in deze voor Pictoright niet relevant en met betrekking tot de informatie omtrent de door Simonis & Buunk gedane aankopen is Simonis & Buunk niet deugdelijk in gebreke gesteld. Het gevorderde onder 3.1 sub 3 zal in zoverre worden afgewezen. Tevens dient niet uit het oog te worden verloren, zoals hiervoor onder 4.38 is overwogen, dat indien er bij Simonis & Buunk twijfels/onduidelijkheden bestaan over of een bepaalde (erfgenaam van een) kunstenaar daadwerkelijk bij Pictoright is aangesloten, zij dit bij Pictoright kenbaar maakt en dat het dan vervolgens op de weg van Pictoright ligt om onderbouwd aan te tonen dat zij daadwerkelijk namens die (erfgenaam van een) kunstenaar het volgrecht incasseert, alvorens Simonis & Buunk gehouden is de hiervoor genoemde informatie te verstrekken.

4.53.

Het gevorderde onder 3.1 sub 4 ligt voor toewijzing gereed, omdat Pictoright de gelegenheid moet kunnen krijgen om te controleren of de door Simonis & Buunk verstrekte opgaven volledig en juist zijn. Dit kan door tussenkomst van een registeraccountant worden bewerkstelligd. Daarmee heeft Pictoright geen belang bij het gevorderde onder 3.1 sub 5, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.54.

Het gevorderde onder 3.1 sub 6 ligt voor toewijzing gereed.

4.55.

Voor de gevorderde hoofdelijkheid is geen wettelijke grondslag aangevoerd. Deze zal dan ook worden afgewezen, behoudens ten aanzien van de hierna te bespreken beslagkosten.

4.56.

Er bestaat aanleiding de gevorderde dwangsommen te matigen en te maximeren.

De (proces)kosten

4.57.

Pictoright vordert Simonis & Buunk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 589,00 aan griffierecht, € 2.560,78 voor verschotten, € 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 452,00), € 7.165,73 voor kosten van de gerechtelijk bewaarder Fox-IT B.V. en € 1.915,95 voor kosten van Advo ICT Professionals B.V., derhalve in totaal € 12.683,46.

4.58.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in voorwaardelijke reconventie

4.59.

Gelet op de beoordeling in conventie is de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet vervuld, zodat op deze vordering niet hoeft te worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat gedaagden onrechtmatig handelen jegens Pictoright en de bij haar aangesloten rechthebbende(n) en in strijd met artikel 43c lid 1 Aw handelen door, indien gedaagden bij volgrechtplichtige transacties met betrekking tot werken van bij Pictoright voor het volgrecht aangesloten rechthebbende(n) betrokken zijn of zijn geweest, de verschuldigde vergoeding niet (tijdig en/of volledig) te voldoen en/of de namens de rechthebbende(n) ex artikel 43d Aw verlangde inlichtingen niet (tijdig en/of volledig) te verstrekken,

5.2.

veroordeelt ieder der gedaagden om na betekening van dit vonnis punctueel en volledig te voldoen aan hun verplichtingen jegens de bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht voortvloeiend uit hoofde van artikel 43c Aw,

5.3.

verklaart voor recht dat ieder der gedaagden na betekening van dit vonnis is gehouden uiterlijk twee weken na het opeisbaar worden van een volgrechtvergoeding van werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden daarvan volledig, punctueel en naar waarheid opgave te doen bij Pictoright,

5.4.

veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan Pictoright schriftelijk opgaven te verstrekken van alle door gedaagden daadwerkelijk verkochte voor het volgrecht relevante werken van bij Pictoright aangesloten rechthebbenden op volgrecht, die sedert 1 april 2006 respectievelijk (voor erfgenamen) sedert 1 januari 2012 verkocht zijn en bij welke verkoop gedaagden betrokken zijn geweest,

een en ander telkens gespecificeerd naar gedaagde en voorzien van de naam van de kunstenaar, de titel/naam van het kunstwerk, de transactiedatum en de verkoopprijs, en een en ander op kosten van gedaagden,

5.5.

veroordeelt gedaagden om binnen vier weken na betekening van dit vonnis een van partijen onafhankelijke in Nederland gevestigde registeraccountant de algemene boekhouding en verkoopadministratie van ieder der gedaagden te doen controleren teneinde vast te kunnen stellen of de door gedaagden krachtens dit vonnis verstrekte opgaven volledig en juist zijn, en hiervan binnen de termijn van vier weken een verklaring af te laten leggen en af te laten leveren, met aanhechting van kopie van alle ter staving van deze opgave relevante bescheiden, bij de advocaat van Pictoright, een en ander op kosten van gedaagden,

5.6.

veroordeelt gedaagden tot het binnen vier weken na betekening van dit vonnis betalen van de in totaal door alle gedaagden gezamenlijk te betalen volgrechtvergoedingen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige vergoeding, waarvan de hoogte door Pictoright zal worden vastgesteld naar aanleiding van de verstrekte opgaven, op een door Pictoright nader te bepalen rekening,

5.7.

bepaalt dat gedaagden voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat zij geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met het onder 5.4 en 5.5 bepaalde, aan Pictoright een dwangsom verbeuren van € 1.000,00, tot een maximum van in totaal € 100.000,00 is bereikt,

5.8.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 12.683,46,

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in voorwaardelijke reconventie

5.12.

verstaat dat op de vordering in voorwaardelijke reconventie niet hoeft te worden beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. D.T. Boks en mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.

Coll.: MvG