Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1021

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
05/901452-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

o “Culemborgse jeugdbende”. Toepassing meerderjarigensanctierecht t.a.v. 17-jarige door de kinderrechter. Veroordeling van 5 mannen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 24 maanden tot 48 maanden wegens vermogensdelicten en deelneming aan een criminele organisatie. Eén (andere) 17-jarige is veroordeeld tot gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie. Toekenning schadevergoedingen voor gevolgen woninginbraak, mede op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : 05/901452-12

Data zittingen : 6 september 2013, 11 oktober 2013, 3 december 2013,

6 januari 2014, 7 januari 2014 en 21 januari 2014

Datum uitspraak : 4 februari 2014

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [1996] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsman : mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

(… tenlastelegging feiten 1 tot en met 24 … )

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op de dagen 6, 7 en 21 januari 2014 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch. Ook ouders van de verdachte zijn verschenen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [benadeelde];

- [benadeelde];

- [benadeelde];

- [benadeelde].

De benadeelde partij [benadeelde] en haar partner zijn eveneens ter terechtzitting verschenen.

Voorts zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw D. Knap van de Jeugdreclassering en mevrouw S. Graat van de Raad voor de Kinderbescherming.

De officier van justitie, mr. H.G. Kuipers, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat sprake is van een dermate onzorgvuldig en onvolledig opsporings-onderzoek dat het gebruik van de resultaten daarvan zou leiden tot een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank overweegt dat een zo ver gaande sanctie als niet-ontvankelijkheid slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank is van oordeel dat in het “Robar”-onderzoek niet is gebleken van dergelijke ernstige inbreuken.

De rechtbank wijst het verzoek tot niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie dan ook af.

Wel zal de rechtbank hieronder nader op de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden ingaan bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zodanige onregelmatigheden dat de processuele sanctie van bewijsuitsluiting op zijn plaats is.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Algemene overwegingen

I.Verzoeken tot bewijsuitsluiting

  1. Door de verdediging is verzocht de resultaten van het opsporingsonderzoek “Robar” uit te sluiten van het bewijs, omdat (a) bij de start van het opsporingsonderzoek onvoldoende verdenking in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering zou hebben bestaan, althans de bestaande verdenking (b) de machtiging voor en (c) inzet van het OVC-opsporingsmiddel niet kon rechtvaardigen.

  2. Voorts heeft de verdediging verzocht de resultaten van dat OVC-opsporingsmiddel, als bedoeld in artikel 126l wetboek van strafvordering (hierna: “OVC”), uit te sluiten van het bewijs. Dit betreft in het bijzonder:

  3. bijnamen;

  4. de herkenningen van de stemmen van verdachte en medeverdachten

  5. de weergave van de OVC-gesprekken.

Ad 1a)

Voldoende verdenking voor start onderzoek (art. 27 Wetboek van Strafvordering) ?

Voor beantwoording van de eerste vraag is van belang hetgeen is vermeld in de ten aanzien van een aantal verdachten in het Robar-onderzoek opgemaakte ‘processen-verbaal van verdenking (art. 27)’2, in het relaasproces-verbaal onder de kopjes ‘Aanleiding onderzoek’ en ‘Dadergroep’3 en in het naar aanleiding van de terechtzitting van 11 oktober 2013 opgestelde (nader) proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2013 met bijbehorende stukken. Uit deze stukken blijkt, samengevat, dat sinds oktober 2011 op relatief grote schaal inbraken werden gepleegd in en nabij de wijk Terweijde te Culemborg, hetgeen voor ernstige maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid van de bewoners zorgde. Op grond van de waarnemingen in de gevallen waarin de daders zijn overlopen is de politie ervan uitgegaan dat er (meestal) meer dan één dader bij betrokken was, dat het om jonge mannen ging en dat die voornamelijk een Marokkaans uiterlijk hadden. Vanaf eind maart 2012 tot aan 13 augustus 2012 hebben in en nabij de wijk Terweijde weer meer dan 30 woninginbraken en pogingen daartoe plaatsgevonden. Daarop is het Robar-onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft zich gericht op (aanvankelijk) acht verdachten van wie de namen bleken (of leken) voor te komen in verscheidene BVH-mutaties, CIE-informatie en MMA-meldingen die verband houden met eerdere inbraken in en nabij de wijk Terweijde. Op grond van die stukken is bij de politie de verdenking gerezen dat deze verdachten mogelijk deel uitmaakten van een groep Nederlands-Marokkaanse jongeren die zich schuldig maakten aan het plegen van woninginbraken in en nabij de wijk Terweijde te Culemborg.

De verdenkingen zijn in concreto gestoeld op verschillende bronnen, waaronder:

  • -

    een herkenning van een persoon ([medeverdachte]) door een getuige van een woninginbraak,

  • -

    camerabeelden van diezelfde inbraak (kennelijk met geluid) waarbij dezelfde voornaam als die van een verdachte ([medeverdachte]) werd genoemd,

  • -

    aanwezigheid van de identiteitsbewijzen van twee verdachten in een mogelijk als vluchtauto bij een inbraak gebruikte auto ([medeverdachte] en [medeverdachte]),

  • -

    betrouwbaar geachte CIE-informatie dat met name genoemde personen zich bezig zouden houden met onder meer woninginbraken (waaronder medeverdachte [medeverdachte]),

  • -

    meermalen gerapporteerde betrokkenheid van een verdachte bij een woninginbraak begin augustus 2012 ([medeverdachte], die daarbij een schotwond zou hebben opgelopen),

  • -

    anonieme informatie dat bij die inbraak nog twee verdachten betrokken zouden zijn (waaronder [medeverdachte]),

  • -

    een registratie waaruit volgt dat de broers van een verdachte twee van woninginbraak afkomstige telefoons zouden hebben gekocht respectievelijk gebruikt ([medeverdachte]),

  • -

    de aanwezigheid van diverse identiteitspasjes van één van de verdachten in de slaapkamer van een door inbraak getroffen woning ([medeverdachte]).

Het staat de politie vrij deze bronnen (BVH-registraties, CIE-processen-verbaal en MMA-meldingen) te raadplegen en de daaruit verkregen informatie te gebruiken als startinformatie voor een onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank bood de hiervoor weergegeven informatie voldoende grondslag voor de destijds bij de politie gerezen verdenking van betrokkenheid bij woninginbraken ten aanzien van de destijds door de politie genoemde acht personen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor de stelling dat het opsporingsonderzoek is gestart op basis van onvoldoende mate van verdenking. Deze stelling kan dan ook niet leiden tot de processuele sanctie van bewijsuitsluiting.

Ad 1b)

Rechtmatigheid machtigingen rechter-commissaris voor OVC (art. 126l Wetboek van Strafvordering)

Ten aanzien van de vraag of de rechter-commissaris, gelet op de toen bestaande mate van verdenking, machtiging mocht verlenen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de voertuigen van [medeverdachte] en [medeverdachte] – stelt de rechtbank voorop dat het aan te leggen criterium voor deze toets volgens vaste jurisprudentie neerkomt op beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris destijds in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.

In de aanvragen op grond waarvan de rechter-commissaris de machtiging heeft verleend tot het mogen opnemen van vertrouwelijke communicatie ten aanzien van [medeverdachte] en [medeverdachte] (in de op de naam van [medeverdachte] en daarna op de naam van [medeverdachte] geregistreerde Suzuki Alto met kenteken [kenteken] en de op naam van [medeverdachte] geregistreerde Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]) staat in aanvulling op het voorgaande – samengevat – het navolgende vermeld.4

Na de start van het Robar-onderzoek is op grond van nader onderzoek de verdenking ten aanzien van een aantal aanvankelijke verdachten komen te vervallen en zijn er nieuwe verdachten bij gekomen.

Op 17 oktober 2012 vond tussen 20.30 en 21.15 uur een woninginbraak plaats aan de [straat] te Culemborg. Toen politieagenten ter plaatse gingen, troffen zij nabij de getroffen woning een Volkswagen Passat aan met kenteken [kenteken]. [medeverdachte] zat achter het stuur. Tot de overige vier inzittenden behoorden [medeverdachte] en [medeverdachte].

Voorts leerde navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer dat [medeverdachte] op 7 november 2012 de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] van [medeverdachte] had overgenomen.

Er is vervolgens een contact geregistreerd tussen agenten van het Veilig Wijkteam en een aantal Marokkaanse jongeren in de wijk Terweijde te Culemborg, dat plaatsvond op 20 oktober 2012 omstreeks 21.00 uur. Van die groep jongeren maakten onder meer deel uit de al als verdachten aangemerkte [medeverdachte] en [medeverdachte], maar ook [verdachte] en – mogelijk – [medeverdachte]. Deze personen trokken de aandacht van de politie. Een van de aanwezigen heeft toen geroepen: ‘Jongens, kijken welke huizen er leeg staan, geld verdienen vanavond’.

Later die dag, omstreeks 22.30 uur ontving de politie een melding dat de bestuurder van een Suzuki Alto met kenteken [kenteken] uit de brandgang achter zijn woning een groen breekijzer had gepakt en in zijn auto had gelegd. De melder vermeldt daarbij dat het zijn achterbuurjongen, [medeverdachte], betreft en dat hij denkt dat het breekijzer ergens verstopt lag in de brandgang. Ook noemt melder dat dit breekijzer volgens hem ook door anderen werd gebruikt.

Op 21 oktober 2012 ontving de politie een melding van een verdachte situatie waarbij een Suzuki Alto met kenteken [kenteken] langzaam zou rijden over de [straat] te Culemborg en waarbij zou zijn gebleken dat de inzittenden geïnteresseerd waren in de woningen, met name die met huisnummer [huisnummer]. Op diezelfde avond is omstreeks 23.00 uur een inbraak gemeld bij de politie aan de [straat] te Culemborg. Vanaf het bureau aan de Triosingel vertrokken politieagenten in die richting. Zij zagen toen nabij het politiebureau het hiervoor genoemde voertuig op de parkeerplaats staan met [medeverdachte] op de bestuurdersplaats. Desgevraagd gaf deze aan te staan ‘chillen’, maar de politie had het vermoeden dat hij de gedragingen van de politie in de gaten hield. Diezelfde avond, omstreeks 23.41 uur, is diezelfde auto gecontroleerd en toen zaten daarin [medeverdachte] als bestuurder en [medeverdachte], [verdachte] en [medeverdachte] als passagiers. Deze personen zouden veelvuldig gezamenlijk worden gezien.

Op 3 november 2012 omstreeks 18.35 uur heeft de politie een melding ontvangen van een ‘heterdaad woninginbraak’ aan de [straat] te Culemborg. Politieagenten parkeerden hun auto op enige afstand van die woning en gingen daar te voet heen. Zij zagen toen wederom [medeverdachte] in de bekende Suzuki Alto langsrijden met nog drie inzittenden.

Voorts heeft onderzoek plaatsgevonden van opkoopregisters van juweliers te Utrecht, waarvan ambtshalve bij de politie bekend is dat die goud opkopen. [verdachte] bleek in de maanden juni en oktober 2012 verscheidene malen tegen ontvangst van vaak aanzienlijke geldbedragen sieraden te hebben ingeleverd.

Kennelijk heeft de rechter-commissaris op grond van het voorgaande geoordeeld dat ten aanzien van (mede)verdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] een voldoende mate van verdenking bestond dat zij behoorden tot de groep personen die zich schuldig maakte aan woninginbraken en dat zij zich verplaatsten in diverse auto’s. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen, en derhalve in redelijkheid kunnen beslissen tot verlening van de machtigingen.

Ad 1c)

Inzet OVC-opsporingsmiddel

Een volgend vereiste voor het mogen opnemen van vertrouwelijke communicatie in de zin van artikel 126 l van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.)is dat het onderzoek deze opname dringend vordert.

Bij deze toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol.

proportionaliteit

Ten aanzien van de vraag of de inzet van het OVC-opsporingsmiddel proportioneel is ten opzichte van de bestaande verdenking, overweegt de rechtbank allereerst dat art. 126l Sv. geen andere eis aan de (graad van) verdenking stelt dan het redelijke, op feiten en omstandigheden gebaseerde vermoeden van schuld aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. Hieraan is in het geval van woninginbraak op zichzelf voldaan. Daarnaast kunnen ook minder ernstige misdrijven een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, doordat zij in combinatie met andere misdrijven worden gepleegd. Het dient te gaan om samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven.5

In de onderhavige situatie was sprake van een omvangrijke reeks woninginbraken in een relatief kleine woonomgeving, waardoor grote maatschappelijke onrust was ontstaan. Nadat tussen maart 2012 en augustus 2012 meer dan 30 incidenten plaatsvonden, kon naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een zeer ernstige inbreuk op de rechtsorde, die de inzet van het OVC-opsporingsmiddel zonder meer kon rechtvaardigen.

subsidiariteit

Gelet op het subsidiariteitsvereiste mag slechts gebruik worden gemaakt van de bevoegdheden van artikel 126l Sv. indien andere (minder ingrijpende) bevoegdheden (zoals het opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 126m Sv.) niet tot een zelfde resultaat kunnen leiden.

In de ‘aanvragen bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel’6 staat verwoord dat was gebleken dat de leden uit de vermoedelijke dadergroep nauwelijks over de telefoon met elkaar communiceren. Ten aanzien van [medeverdachte] wordt hier nog aan toegevoegd dat de communicatie die plaatsvindt veelal via PING en Whatsapp-berichten plaatsvindt en deze (laatstgenoemde) berichten op dat moment niet konden worden ontsleuteld, waardoor veel informatie werd gemist.

In het dossier bevinden zich ook aanvragen en bevelen ex artikel 126m Sv. op naam van diverse (gewezen) verdachten in dit onderzoek, aanvangend eind augustus 20127. Ten aanzien van [medeverdachte] werd in voornoemde aanvraag nog toegevoegd dat het stelselmatig observeren van (jeugd)groepen in Culemborg en met name in de wijk Terweijde nagenoeg onmogelijk is. Als mogelijke verklaring voor het ontbreken van bruikbare informatie uit de opgenomen telecommunicatie wordt genoemd dat verdachten elkaar veelal in persoon treffen in de wijk en met meerdere personen in een auto rondrijden in de wijk en daarbuiten.

Op basis hiervan is door de officier van justitie, na aanvraag hiertoe8 en machtiging van de rechter-commissaris, een bevel OVC met betrekking tot de plek van samenkomst afgegeven op 29 oktober 2012. Deze inzet van opsporingsmiddelen heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Op grond van het vorenstaande valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat voor het bereiken van het doel (waarheidsvinding) met de inzet van een minder ingrijpend middel kon worden volstaan.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan en dat de rechter-commissaris in redelijkheid een machtiging ex artikel 126l Sv. heeft kunnen afgeven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de OVC-apparatuur is geplaatst in de auto’s van (twee van) de verdachten en het ook de verdachten zijn die aan de gesprekken hebben deelgenomen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat dit geen grond oplevert voor toepassing van een processuele sanctie als bewijsuitsluiting.

Ad 2 a)

Gebruik bijnamen

In het dossier en met name in de OVC-gesprekken worden op verschillende momenten bijnamen genoemd. Verdachte heeft aangevoerd dat de bijnaam waarmee volgens de verbalisanten naar hem wordt verwezen niet op hem betrekking heeft, dan wel heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen toen hem de vraag werd gesteld of hij een bijnaam heeft.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij sinds een jaar werkzaam is als wijkagent in de wijk Terweijde in Culemborg, dat hij daarvoor twee jaar werkzaam is geweest als coördinator van het Veiliger Wijkteam Terweijde, dat hij in die hoedanigheid intensief betrokken was bij de wijk Terweijde en dat hij vanuit beide functies ambtshalve zeer bekend is met de doelgroepleden gespecificeerd op de shortlist criminele jeugdgroep Terweijde. Hij verklaarde verder dat hem vanuit het ROBAR-recherche-onderzoek werd gevraagd een overzicht te maken van de doelgroepleden waarvan hem bekend was dat zij op straat worden aangesproken en benoemd met hun bijnaam. Hij maakte daarop (samengevat en voorzover hier relevant) onderstaand overzicht en merkt daarbij op dat veel van deze bijnamen ook uitgesproken worden in contacten die hij heeft (gehad) met de doelgroepleden. [verbalisant] heeft als volgt gerelateerd:

 Bijnaam: '[alias]' of '[alias]':

De Nederlandse vertaling van het Marokkaanse woord [alias] is [alias].

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte], geboren [geboren].

 Bijnaam: '[alias]'

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte], geboren [geboren].

 Bijnaam: '[alias]'

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte], geboren [geboren].

 Bijnaam: '[alias]' of '[alias]'

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [verdachte], geboren [geboren].

 Bijnaam: '[alias]'

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte], geboren [geboren] te Tiel.9

Verbalisant [verbalisant] heeft in een proces-verbaal van bevindingen verklaard dat zij als surveillant van politie in Culemborg veelvuldig contact had met jongeren uit Culemborg en met name uit de wijk Terweijde. Zij verklaarde dat zij de jongeren frequent sprak en zag. In haar verklaring over de stemherkenningen heeft zij bij verschillende verdachten de volgende bijnamen vermeld: [medeverdachte] (bijnaam [alias]), [verdachte] (bijnaam [alias]), [medeverdachte] (bijnaam [alias]), [medeverdachte] (bijnaam [alias][alias][alias]), [medeverdachte] (bijnaam [alias]), [medeverdachte] (bijnaam [alias]).10

Verbalisant [verbalisant] heeft eveneens verklaard dat ambtshalve bekend is dat ‘[alias]’ de bijnaam is voor [verdachte].11

Verbalisant [verbalisant] heeft verder verklaard dat hem bekend is dat ‘[alias]’ de bijnaam is van [medeverdachte], geboren op [geboren], wonende op de [adres].12

Naast bovengenoemde verbalisanten hebben ook derden zich uitgelaten over mogelijke bijnamen van verdachten. Zo heeft getuige [getuige] over een door hem bekeken kopie van een legitimatiebewijs van [medeverdachte] verklaard: ‘Ik zag op het A4-tje een kopie van een legitimatiebewijs van een voor mij bekende persoon uit Culemborg. Deze persoon woont bij mij in de straat. Deze persoon heet [medeverdachte]. Ik zie hem vaak in zijn blauwe Volkswagen Polo rijden. Volgens mij noemt iedereen hem [alias]. [alias] in het Nederlands is [alias]. Ik weet niet waarom hij die bijnaam heeft’.13

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem op de vraag ‘wie is er nu eigenlijk [alias]?’ zelf antwoordde dat hij dat was.14

De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat hetgeen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] gemotiveerd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal over bijnamen hebben verklaard wordt ondersteund door de inhoud van verschillende andere bewijsmiddelen. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande dan ook vanuit dat waar in de bewijsmiddelen in deze zaak bijnamen voorkomen, op de hieronder vermelde personen wordt gedoeld:

 [alias]: [medeverdachte];

 [alias] of [alias]: [verdachte];

 [alias]: [medeverdachte];

 [alias]: [medeverdachte];

 [alias]: [medeverdachte];

 [alias]: [medeverdachte].

Ad 2 b)

Betrouwbaarheid van stemherkenningen

1.- algemene overwegingen

In het opsporingsonderzoek "08Robar" is veelvuldig gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel "opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel" (hierna kortweg aangeduid met “OVC”). Bij de weergave van de aldus opgenomen en afgeluisterde communicatie heeft de politie tevens beschreven welke stemmen zouden zijn herkend door opsporingsambtenaren. Ten aanzien van deze stemherkenningen zijn ambtsedige processen-verbaal opgemaakt. 15

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stemherkenningen in beginsel kunnen bijdragen tot het bewijs.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze stemherkenningen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, bovendien niet betrouwbaar zijn en derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt allereerst dat het bij stemherkenningen als deze gaat om auditieve, zintuiglijke en derhalve meer of minder subjectieve waarnemingen van de desbetreffende verbalisanten. De rechtbank trekt ter verduidelijking een vergelijking met visuele waarnemingen, zoals herkenning van een gezicht of van een signalement. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke waarnemingen in zijn algemeenheid worden gekenmerkt door een sterk subjectief element. Zulk een herkenning is immers een persoonlijke ervaring van de waarnemer en is derhalve als zodanig niet objectief toetsbaar. Het doen van dergelijke zintuiglijke waarnemingen is in beginsel ieder mens gegeven, uitzonderingen (zoals blinden en doven) daargelaten, en een op wetenschappelijke basis gefundeerde opleiding daartoe acht de rechtbank dan ook niet goed voorstelbaar. Wel is denkbaar dat in specifieke waarnemingen de ene mens meer getraind is dan een ander. Vanwege dat subjectieve karakter is in zijn algemeenheid behoedzaamheid geboden en moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de kwetsbaarheid van zintuiglijke waarnemingen; een vergissing is immers mogelijk.

De rechtbank maakt bij haar beoordeling onderscheid tussen de wijze van totstandkoming van de stemherkenning en de weergave ervan in een proces-verbaal enerzijds, en de mogelijkheid van een vergissing anderzijds.

a. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de inhoud van een proces-verbaal dient onder omstandigheden rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat bij de totstandkoming ervan sprake is van bewuste of grove onzorgvuldigheid of zelfs een opzettelijk onjuiste weergave door verbalisanten. Weliswaar is dit laatste niet uitdrukkelijk door de verdediging aangevoerd, maar gelet op de grote twijfels die de verdediging heeft uitgesproken ten aanzien van de totstandkoming van de stemherkenningen, wenst de rechtbank aan deze mogelijkheid toch mede aandacht te besteden. Immers, en dit betreft een overweging in algemene zin, indien zich een dergelijke bewuste of grove onzorgvuldigheid, dan wel een opzettelijk onjuiste weergave in een ambtsedig proces-verbaal zou voordoen, dan raakt dit in de ernstigst denkbare mate het vertrouwen dat in het Nederlandse strafrechtsysteem wordt toegekend aan een in de wettelijke vorm door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. Dit levert dan een zeer ernstige schending van de integriteit van de opsporing en de beginselen van een goede strafprocesorde op. Indien desondanks de (onjuiste) inhoud van het proces-verbaal zou worden gebezigd tot het bewijs, levert dat een schending van het recht op een eerlijk proces op.

Ook in de onderhavige zaak is aangevoerd dat sprake kan zijn van door de politie onjuist weergegeven OVC-gesprekken. De vraag of zich bij de weergave van die gesprekken een schending van de integriteit van de opsporing kan hebben voorgedaan, dient vanzelfsprekend toetsbaar te zijn.

Zeker in gevallen waarin het gaat om subjectieve waarnemingen, ongeacht of dit visueel, auditief of anderszins zintuiglijk is, dient de rechter behoedzaamheid te betrachten. De rechter zal immers rekening moeten houden met de mogelijkheid dat sprake is geweest van een vergissing door de verbalisant(en). Daartoe dient de rechter de redelijkerwijs bestaande kans op vergissing te beoordelen. Dit oordeel dient te worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval, zoals deze naar voren komen uit het gehele dossier en het onderzoek ter terechtzitting.

2a.- beoordeling ‘bewijsuitsluiting’

Ten aanzien van het eerstgenoemde punt a) overweegt de rechtbank dat de stemherkenningen door drie opsporingsambtenaren zijn geverbaliseerd: [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant]. De coördinatie van de stemherkenningen, alsmede de totstandkoming van de processen-verbaal vond plaats onder (mede-) verantwoordelijkheid van tactisch rechercheur [verbalisant]. Al deze vier opsporingsambtenaren zijn als getuige verhoord bij de rechter-commissaris en de verdediging heeft alle vier opsporingsambtenaren kunnen bevragen over de wijze waarop de stemherkenningen zijn gedaan en de wijze waarop de uitkomst daarvan in het dossier is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee afdoende mogelijkheid tot toetsing is geboden. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat uit deze toetsing niet is gebleken van twijfels aan de integriteit van de opsporing. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen bij de totstandkoming van de stemherkenningen en de weergave daarvan bij proces-verbaal. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om vanwege die redenen over te gaan tot bewijsuitsluiting van de stemherkenningen.

2b.- beoordeling ‘betrouwbaarheid’

Ten aanzien van het tweede punt b) overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling - hierna - van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten telkens per feit zal worden beoordeeld of de geverbaliseerde stemherkenningen voldoende betrouwbaar kunnen worden geacht. Hierbij zal de inhoud van het dossier in onderling verband en samenhang in beschouwing worden genomen. Voorts zal de rechtbank, mede, de navolgende uitgangspunten met betrekking tot auditieve waarnemingen in acht nemen:

  • -

    om een stem te kunnen herkennen zal op grond van wettige bewijsmiddelen in voldoende mate aannemelijk moeten zijn dat de desbetreffende verbalisant(en) de stem ook kent/kennen;

  • -

    zelfs als een stem bekend is bij de verbalisant(en), moet rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden waaronder de stem anders kan klinken. Daarbij valt te denken aan situaties dat bijvoorbeeld wordt gefluisterd of gelachen. In dergelijke gevallen past een nog grotere mate van behoedzaamheid;

  • -

    aan een stemherkenning die door twee of meer verschillende verbalisant(en) wordt beschreven, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een enkelvoudige stemherkenning;

  • -

    aan een stemherkenning die wordt bevestigd door één of meer andere geverbaliseerde waarnemingen of bevindingen, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een enkele stemherkenning;

  • -

    aan herkenning van een stem, die in andere gesprekken door dezelfde verbalisant(en) wordt herkend en welke herkenning in die gesprekken wordt bevestigd door overige geverbaliseerde waarnemingen, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een eenmalige stemherkenning.

De rechtbank zal derhalve geen zelfstandige bewijswaarde toekennen aan een niet concreet ondersteunde stemherkenning.

Ten aanzien het eerstgenoemde punt overweegt de rechtbank nog dat de stemherkenningen alle zijn uitgevoerd door slechts drie verbalisanten, te weten [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant]. Zowel [verbalisant] (met, blijkens de ondertekening, nummer [prigemnummer]) 16 en [verbalisant] (met ‘prigemnummer’ [prigemnummer]) 17 als [verbalisant] (met nummer [prigemnummer]) 18 heeft bij proces-verbaal gerelateerd regelmatig contact te hebben gehad met verdachte (en zijn medeverdachten) en zij hebben alle drie als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat - waar zij een stemherkenning hebben gerelateerd - zij de stem van verdachte (en die van zijn medeverdachten) kennen en 100% herkend hebben.19

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om over te gaan tot bewijsuitsluiting van de OVC-gesprekken.

Verzoeken tot nader onderzoek

De verdediging heeft de rechtbank meermalen verzocht over te gaan tot nader onderzoek naar de stemherkenningen, alsmede naar de weergave van de opgenomen OVC-gesprekken. Daartoe is enerzijds verzocht een vergelijkend deskundigenonderzoek te bevelen en anderzijds is de rechtbank verzocht zelf enkele geluidsfragmenten te beluisteren.

De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.

De rechtbank maakt bij de beoordeling van deze verzoeken onderscheid tussen onderzoek naar de juistheid van de stemherkenningen en onderzoek naar de weergave van de opgenomen OVC-gesprekken.

a)

Ten aanzien van een nader onderzoek naar de juistheid van de stemherkenningen verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de stemherkenningen. Met vooropstelling dat behoedzaam moet worden omgegaan met het gebruik van stemherkenningen als bewijsmateriaal, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de geverbaliseerde (subjectieve) stemherkenningen onjuist zouden zijn. In de enkele mededeling van verdachte dat hij zijn stem niet heeft herkend, zonder nadere onderbouwing, ziet de rechtbank onvoldoende verdedigingsbelang voor nader onderzoek.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat een deskundige hooguit een stemvergelijkingsonderzoek zou kunnen uitvoeren. Een stemvergelijking is echter niet hetzelfde als een stemherkenning. De rechtbank trekt ter verduidelijking een parallel met vergelijkend handschriftonderzoek. Dergelijke vergelijkende onderzoeken kunnen de waarschijnlijkheidsinschatting beïnvloeden en daarmee de zelfstandige bewijswaarde, maar doen op zichzelf niet af aan de (subjectieve) herkenning.

Bovendien dient voor een stemvergelijkend onderzoek geschikt objectief bronmateriaal aanwezig te zijn. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijk materiaal beschikbaar is, temeer niet nu verdachte geen inzage heeft gegeven in de vraag aan welke opgenomen OVC-gesprekken hij dan wel heeft deelgenomen.

Het verzoek om over te gaan tot nader onderzoek naar de juistheid van de stemherkenningen, en in het bijzonder tot een stemvergelijkend deskundigenonderzoek, wordt dan ook afgewezen.

b)

Ten aanzien van het verzoek om nader onderzoek te doen naar de weergave van de opgenomen OVC-gesprekken, overweegt de rechtbank allereerst dat als maatstaf heeft te gelden de vraag of de verdediging in voldoende mate die weergave heeft kunnen onderzoeken en betwisten, dan wel of de verdediging daartoe in voldoende mate is gecompenseerd. Hierbij neemt de rechtbank in acht dat de stemherkenning weliswaar niet geheel als 'sole and decisive' moet worden beschouwd, maar wel een zeer belangrijke rol speelt in de bewijsconstructie van de officier van justitie.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdediging vanaf ten minste 23 augustus 2013 de mogelijkheid is geboden om de relevante geluidsfragmenten op het politiebureau te beluisteren. Voorts heeft de rechtbank op verzoek van de verdediging tijdens de terechtzitting van 11 oktober 2013 bepaald dat de relevante digitale geluidsfragmenten dienen te worden verstrekt aan de verdediging, met daarbij de uitdrukkelijke bepaling dat deze geluidsfragmenten op zichzelf niet deel uitmaken van het procesdossier. De rechtbank heeft daarbij tevens beslist dat, mochten er door de verdediging onregelmatigheden in de weergave van de OVC-gesprekken worden geconstateerd, de verdediging die schriftelijk aan de officier van justitie en aan de rechtbank kenbaar kan maken, opdat de officier van justitie hiernaar nader onderzoek kan (laten) doen. De rechtbank heeft moeten vaststellen dat sinds 23 augustus 2013 tot januari 2014 door de verdediging geen opgaven zijn gedaan van beweerdelijk onjuiste weergaven van de OVC-gesprekken.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdediging voldoende tijd en gelegenheid is geboden om de relevante OVC-gesprekken te onderzoeken en de geverbaliseerde weergave daarvan te betwisten. Het argument van de verdediging dat men met de betwisting heeft willen wachten totdat alle gesprekken zijn beluisterd, acht de rechtbank van onvoldoende zwaarwegend belang om anders te beslissen. Het stond de verdediging immers vrij om ook tussentijds aan het licht gekomen onregelmatigheden in de gespreksweergaven te rapporteren. Hiervan heeft de verdediging echter geen gebruik gemaakt. Bovendien heeft de verdediging in de tussenliggende periode de gelegenheid gehad om de verantwoordelijke politiefunctionarissen als getuige bij de rechter-commissaris te bevragen over de verbalisering van de OVC-gesprekken, en ook daar heeft de verdediging geen (onderbouwd) gebruik gemaakt van de mogelijkheid om waargenomen onjuistheden aan de kaak te stellen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor een gemotiveerde betwisting van de weergave van OVC-gesprekken niet alleen voldoende tijd en gelegenheid is geboden, maar ook voldoende compenserende maatregelen in de vorm van getuigenverhoren bij de rechter-commissaris.

Het verzoek tot nader onderzoek naar de juistheid van de weergave van de OVC-gesprekken, zal daarom worden afgewezen.

II De waardering van de peilbakengegevens

Er zijn peilbakens geplaatst op de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna ook kortweg ‘de VW Polo’ genoemd) en de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] (hierna ook kortweg ‘de Suzuki Alto’ genoemd).20 Uit de processen-verbaal peilbakengegevens die zijn opgemaakt behorende bij de verschillende zaaksdossiers en, in de zaaksdossiers waarin een dergelijke proces-verbaal ontbreekt, uit de relaasprocessen-verbaal van die zaaksdossiers, volgt dat deze auto’s rijdend dan wel stilstaand zijn gesignaleerd in de ‘nabije’ omgeving van de volgens de tenlastelegging door inbraak getroffen woningen.

De officier van justitie heeft zich in beginsel op het standpunt gesteld dat de peilbakengegevens als steunbewijs zouden kunnen dienen. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie zich per ten laste gelegd feit uitgelaten over de bewijswaarde van deze gegevens. In de gevallen waarin de door inbraak getroffen woning zich bevond in de zeer nabije omgeving van (één van) de woning(en) van (één van) de verdachte(n), heeft hij veelal geen bewijswaarde toegekend aan deze gegevens.

Door de verdediging is aangevoerd dat deze gegevens in geen enkel geval enige bewijswaarde kunnen hebben. Verdachten woonden immers allen in de directe omgeving van de buurt – soms zelfs in dezelfde straat – waarin de door de inbraken getroffen woningen zich bevinden.

Ten aanzien van de bewijswaarde van de peilbakengegevens in het algemeen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat de meeste woninginbraken zijn gepleegd in de zeer nabije omgeving van de woningen van de verdachten. De woninginbraken zijn immers veelal gepleegd in de buurt Terweijde te Culemborg, waar de verdachten wonen. Deze buurt beslaat volgens het dossier ongeveer 1 km² aan oppervlakte. Het gegeven dat de bovengenoemde VW Polo en/of de Suzuki Alto zich rijdend en/of stilstaand bevonden op een bepaalde locatie gedurende de periode waarin de ten laste gelegde woninginbraken moeten zijn gepleegd, terwijl de getroffen woningen tevens gelegen waren in de woonomgeving van de verdachten, zegt op zichzelf dan ook niet veel. De rechtbank zal daarom in algemene zin geen bewijswaarde aan dergelijke gegevens ontlenen. Wel zal de rechtbank bij de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten telkens per feit beoordelen of niettemin enige bewijswaarde, in de zin van steunbewijs, aan de peilbakengegevens kan worden toegekend. Hierbij zal de rechtbank de inhoud van de verschillende bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang in beschouwing nemen.

III De beoordeling van de tenlastegelegde feiten

De rechtbank zal bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten het onder 1 tenlastegelegde als laatste bespreken, overeenkomstig de volgorde die ter terechtzitting is aangehouden en derhalve beginnen met feit 2.

Feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 28 oktober 2012, tussen omstreeks 18.20 uur en omstreeks 22.50 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

 een hoeveelheid sieraden;

 een flatscreen televisietoestel (merk LG);

 een laptop, merk Acer;

 een geldbedrag ad (in totaal) € 1.800;

 een aantal brillen;

 een fotocamera, merk Sony);

 een mobiele telefoon;

 een router.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde].21

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door, vermoedelijk met een breekvoorwerp, de poortdeur en een raam te forceren.22

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak primair ten laste gelegde feit

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er niet voldoende bewijs is dat verdachte als (mede-)pleger betrokken is geweest bij de als primair ten laste gelegde inbraak. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Vrijspraak subsidiair ten laste gelegde feit

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling van een paar oorstekers overweegt de rechtbank dat aangeefster weliswaar tijdens de sieradenkijkdag op 23 juli 2013 heeft aangegeven dat zij een set oorstekers van nepgoud, met glimsteentjes, heeft herkend als de hare23. Maar nu aangeefster niet in staat is gebleken de specifieke kenmerken te benoemen waaraan zij deze oorstekers heeft herkend, vindt de rechtbank in het dossier onvoldoende overtuigende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat deze oorstekers hebben toebehoord aan aangeefster. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat deze oorstekers van misdrijf afkomstig zijn.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 2 primair en subsidiair heeft begaan, en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 20 december 2012, tussen (omstreeks) 16.00 uur en (omstreeks) 20.30 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

 een hoeveelheid sieraden;

 diverse horloges;

 twee laptops, merk HP.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde].24

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door een deur aan de achterzijde open te breken.25

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat de weggenomen goederen, voor zover relevant voor de tenlastelegging, nader zijn omschreven als volgt:

- tot de weggenomen sieraden behoort een zegelring; dit betreft een ‘ouderwetse gouden heren zegelring’ 26;

- tot de weggenomen horloges behoort een zilveren zakhorloge met zilveren ketting 27;

- beide weggenomen laptop-computers zijn van het merk HP 28.

De rechtbank is van oordeel dat in een aantal afgeluisterde OVC-gesprekken deze drievoudige nadere omschrijving valt te herkennen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze combinatie van gegevens dermate uniek dat het niet anders kan dan dat de hierna te vermelden gesprekken betrekking hebben op de onderhavige inbraak, die aan de achterzijde van de woning plaatsvond. Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 20 december 2012 vanaf omstreeks 19.46 uur. In het begin wordt gesproken over ‘breken’, hetgeen de rechtbank gelet op de context van de gesprekken, uitlegt als “inbreken” of “openbreken van een woning”. In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd. 29

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De stemmen van [verdachte] en van [medeverdachte] worden herkend. Deze stemherkenningen vinden steun in verschillende overige feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van verdachte merkt de rechtbank allereerst op dat zijn stem wordt herkend door twee verbalisanten, te weten [prigemnummer] en [prigemnummer] (verbalisanten [verbalisant] resp. [verbalisant]). Voorts vindt de rechtbank bevestiging van de stemherkenning in het aanspreken van een inzittende met de bijnaam ‘[alias]’, welke bijnaam naar het oordeel van de rechtbank hoort bij verdachte.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3.

hij op 20 december 2012 te Culemborg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straat], heeft weggenomen sieraden en horloges en meerdere laptops (HP laptops) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) de achterdeur van voornoemde woning opengebroken); (zaak 93)

Feit 4

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 24 december 2012 is men tussen 8.40 uur en 23.50 uur in de woning aan de [straat] te Culemborg ingeklommen door het raam van de slaapkamer van de kleinkinderen op de eerste verdieping te openen en heeft men alle kamers boven doorzocht. Aangeefster heeft verklaard niet te kunnen zeggen of zij iets mist.30

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Op 24 december 2012 werden er in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] met behulp van OVC apparatuur de volgende gesprekken opgenomen31:

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

Uit de zich in het dossier bevindende ID staat van [medeverdachte]32 blijkt dat hij woont op het adres [straat]. De onderhavige poging tot woninginbraak betreft het adres [straat]. Gelet op het feit dat er in bovengenoemde gesprekken wordt gesproken over de buren van [medeverdachte], over het bij het raam boven komen en over een oma die niet thuis is, in combinatie met hetgeen hierboven staat vermeld onder de vaststaande feiten, is de rechtbank van oordeel dat deze gesprekken betrekking hebben op de hier aan de orde zijnde poging woninginbraak. Dat het de bedoeling was om iets weg te nemen, neemt de rechtbank aan op grond van het feit dat er wordt gesproken over iemand ‘erin’ gooien, goud, schoenen wisselen, handschoenen, goeie huis ‘pakken’ en het feit dat er is ingeklommen en het huis overhoop is gehaald.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of het ook verdachte is die zich (mede) schuldig heeft gemaakt aan deze poging. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Op 24 december 2012 omstreeks 20.45-20.55 uur heeft er een controle plaatsgevonden van de Volkswagen Polo. De politie heeft van de inzittenden de personalia vastgesteld van [medeverdachte], [medeverdachte], [verdachte] en [medeverdachte]; van een vijfde inzittende heeft de politie de personalia niet vastgesteld. Alle inzittenden waren in het zwart gekleed.33

De opgenomen gesprekken hebben plaatsgevonden tussen ongeveer 22.30 uur en 23.10 uur. De stem van verdachte is op diverse momenten herkend. Deze herkenningen zouden kunnen worden ondersteund door het gegeven dat in de gesprekken tot twee maal toe de naam [alias] wordt genoemd34. Echter, uit de context waarin deze naam wordt genoemd blijkt niet of er nu alleen over deze [alias] wordt gesproken of dat hij zich ook daadwerkelijk in de auto bevindt en er tegen hem wordt gesproken. De hierboven genoemde controle van de auto door de politie vindt de rechtbank ook onvoldoende om hem daadwerkelijk op de relevante tijdstippen met betrekking tot de onderhavige (poging) woninginbraak in de auto te plaatsen. Deze controle heeft immers anderhalf tot twee uur daarvoor plaatsgevonden en niet kan worden uitgesloten dat verdachte de auto daarna op enig moment heeft verlaten. Nu de stemherkenningen op geen enkele wijze worden ondersteund door andere aanwijzingen dat verdachte zich ook na de controle nog (geruime tijd) in de auto bevond en daarmee ook als aanwezige bij de gevoerde gesprekken, acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte is betrokken bij de hem hier tenlastegelegde poging woninginbraak en zal zij hem hiervan vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 4 heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Feit 5

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 24 december 2012 tussen 16.00 en 20.50 uur heeft men geprobeerd in te breken op het adres [straat] te Culemborg35.

De achterdeur was opengebroken, op de slotplaat en in het kozijn werd schade geconstateerd. Er is hierbij een schroevendraaier gebezigd36.

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er volgens de aangifte een alarm is afgegaan en dat getuige [getuige] heeft waargenomen dat er is geprobeerd in te breken. Door een verbalisant is opgemerkt dat nummer [huisnummer] het huisnummer is van getuige [getuige].37

De rechtbank constateert dat er in de relevante OVC-gesprekken eveneens wordt gesproken over een alarm en over nummer [huisnummer]. De rechtbank vindt dit echter onvoldoende om aan te nemen dat deze gesprekken ook betrekking hebben op de onderhavige poging tot woninginbraak, nu er in de OVC-gesprekken wordt gezegd38 “Ik weet niet wat voor alarm. .. ntv kanker hard” , terwijl aangeefster heeft verklaard dat het alarm een stil alarm betreft.

De verwijzing naar nummer [huisnummer] vindt de rechtbank evenmin voldoende.

Conclusie

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 5 tenlastegelegde feit.

Feiten 6 en 7

De feiten (ten aanzien van feit 6)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 25 december 2012, tussen (omstreeks) 14.00 uur en (omstreeks) 20.45 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

 een kluis (onder meer inhoudende een geldbedrag);

 een geldpotje (inhoudende ongeveer € 30,-);

 parfum (merk Dark Blue); 39

 [winkel] spaarzegels 40.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde].41

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door een raam aan de voorzijde te forceren.42

De feiten (ten aanzien van feit 7)

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 25 december 2012, tussen (omstreeks) 14.05 uur en (omstreeks) 22.10 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

 een geldbedrag (10 euro);

 sieraden;

 een horloge, merk Miller.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde].43

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door met behulp van een breekijzer, een draairaam aan de achterzijde van de woning te forceren en in te klimmen.44

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot feit 6 ([straat]) neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat met betrekking tot deze inbraak de navolgende kenmerken zijn vermeld:

- de voornaam van aangeefster is [benadeelde] en zij werkte bij de [winkel] te Culemborg 45;

- de kluis bevond zich vastgemaakt in een inbouwkast op de eerste verdieping; 46

- in de kluis bevond zich een hoeveelheid contant geld, voornamelijk bestaande uit briefjes van € 20 en € 50; 47

- weggenomen zijn twee geldpotjes met kleingeld: een ronde glazen snoeppot en een kleine ronde pot met drukdeksel; 48

- op het kozijn zijn handschoensporen achter gebleven; 49

- bij de inbraak is vermoedelijk gebruik gemaakt van een breekijzer van ongeveer 33 millimeter en van een schroevendraaier van ongeveer 13 millimeter; 50

- aan de zijkant van de woning aan de [straat] was een airconditioning geïnstalleerd.51

Met betrekking tot feit 7 ([straat]) neemt de rechtbank in aanmerking dat met betrekking tot deze inbraak de navolgende kenmerken zijn vermeld:

- aangeefster [benadeelde] is geboren in 1932 en was in 2012 derhalve 80 jaar oud; 52

- bij deze inbraak is een klein geldbedrag weggenomen uit een metalen kistje; 53

- bij de inbraak is vermoedelijk gebruik gemaakt van een breekijzer van ongeveer 35 millimeter; 54

- de buurvrouw van [straat] heeft op Eerste Kerstdag 2012 waargenomen dat het licht bij [straat] omstreeks 18.10 is aangegaan en alweer uit was toen de bewoonster van nummer [huisnummer] rond 22.00 uur thuis kwam. 55

OVC-gesprekken

De rechtbank is van oordeel dat in een aantal afgeluisterde OVC-gesprekken de hiervoor genoemde kenmerken alle zijn te herkennen. Naar het oordeel van de rechtbank is, ten aanzien van beide feiten, de combinatie van deze kenmerken dermate uniek dat het niet anders kan dan dat de hierna te vermelden gesprekken betrekking hebben gehad op de onderhavige inbraken.

Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo56 en - onder de werknaam “02 OVC” - in de Suzuki Alto57 opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 25 december 2012 vanaf omstreeks 16.47 uur. In het begin wordt gesproken over ‘breken’, hetgeen de rechtbank gelet op de context van de gesprekken, waarin ook over 'stelen' en 'huizen pakken' wordt gesproken, uitlegt als “inbreken” of “openbreken van een woning”.

In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd. 58

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank betrekt bij deze tijdstippen nog dat uit de bakengegevens van de Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken], zijnde de auto waarin deze 03 OVC-gesprekken zijn opgenomen, kan worden afgeleid dat deze auto zich op 25 december 2012, om 18.09.45 uur bevond op de [straat] te Culemborg. 59

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank neemt in overweging dat van deelnemers aan deze gesprekken (meermalen) de stem wordt herkend. Voor zover die stemherkenning wordt bevestigd door hetzij het aangesproken worden met de bijbehorende voornaam of bijnaam (door de rechtbank cursief weergegeven in de gespreksweergave hiervóór), hetzij een waarneming, overweegt de rechtbank dat daarmee in voldoende mate de deelnemers aan de gesprekken kunnen worden geïdentificeerd.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat aan deze gesprekken wordt deelgenomen door:

[medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]” en doordat hij met zijn voornaam “[medeverdachte]” wordt aangesproken tijdens een politiecontrole. Bij deze controle is waargenomen dat hij op 25 december 2012 bestuurder van de auto was; daarbij heeft hij gezegd afdelingschef bij [winkel] te worden. 60

  • -

    [verdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn voornaam [medeverdachte] en met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]” en doordat hij tijdens politiecontrole op 25 december 2012 omstreeks 20.15 uur is waargenomen als passagier in de auto waarin de OVC-gesprekken zijn gevoerd.61

De rechtbank herhaalt haar overweging dat uit de hierboven weergegeven OVC-gesprekken overtuigend voortvloeit dat de gesprekken betrekking hebben gehad op zowel de woninginbraak bij [straat] als de woninginbraak bij [straat]. Op grond van de weergegeven OVC-gesprekken acht de rechtbank voorts overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de genoemde verdachten.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in de feiten 6 en 7 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

6.

hij op 25 december 2012 te Culemborg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straat], heeft weggenomen een kluis en een geldpotje (inhoudende ca. 30 euro) en parfum (merk/type: Dark Blue) en [winkel] spaarzegels geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak en inklimming (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een raam aan de voorzijde van voornoemde woning geforceerd/opengebroken); (zaak 98)

7.

hij op 25 december 2012 te Culemborg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straat], heeft weggenomen een geldbedrag (10 euro) en sieraden en een horloge (merk: Miller), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak en inklimming (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een raam aan de achterzijde van voornoemde woning geforceerd/opengebroken); (zaak 99)

Feit 8

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 5 januari 2013 zijn tussen 12.45 uur en 21.00 uur uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen62:

 een donkergrijze/zwarte laptop (notebook) van het merk Acer;

 babysieraden;

 een roze Nintendo DS met oplader;

 een witte playstation.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].63

Men heeft zich de toegang tot de woning – een huurwoning van de [benadeelde]64 – verschaft door de sluiting van een draairaam van de keuken met werktuigen te forceren.65

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

In het relaasproces-verbaal is geverbaliseerd dat uit peilbakengegevens blijkt dat op 5 januari 2013 de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] vanaf 17.42.40 uur gedurende ongeveer 6,5 minuten heeft stilgestaan om, na een korte verplaatsing (27 seconden) wederom in diezelfde straat stil te staan, nu gedurende bijna 3 minuten. Met betrekking tot de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] is geverbaliseerd dat die op dezelfde datum vanaf 17.44.31 uur eveneens in die straat heeft stilgestaan gedurende bijna 6,5 minuten. Beide voertuigen zijn daar omstreeks 20.25 uur nogmaals kort aanwezig geweest.66

Voorts werden op 5 januari 2013 met behulp van OVC-apparatuur onder meer de volgende gesprekken vanuit deze voertuigen opgenomen:

 In de genoemde Volkswagen Polo:67

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

 In de genoemde Suzuki Alto:68

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank neemt in ogenschouw dat bij deze inbraak zijn weggenomen (onder andere) een zwarte (of donkergrijze) laptop van het merk Acer en babysieraden. In de hiervoor weergegeven, in de Suzuki Alto opgenomen gesprekken wordt deze specifieke combinatie van goederen genoemd (‘zwarte Acer laptop’ en ‘kleine oorbelletje’). Voorts zegt iemand ‘zestig’, hetgeen overeenkomt met het huisnummer van het getroffen huis. Met betrekking tot de laptop acht de rechtbank aannemelijk dat wordt besproken welke prijs ervoor zal worden gevraagd. Uit de peilbakengegevens blijkt voorts dat omstreeks het moment waarop dit gesprek wordt gevoerd – iets vóór half negen ’s avonds – de Suzuki Alto korte tijd aanwezig was in de [straat] in Culemborg, gelijktijdig met de VW Polo. Die VW Polo van [medeverdachte] was daarvóór, omstreeks kwart voor zeven ‘s avonds eveneens gelijktijdig met de Suzuki Alto in die straat aanwezig. Het is de rechtbank bekend dat [medeverdachte] in die straat woont, maar de inhoud van het omstreeks dat moment in de VW Polo gevoerde gesprek maakt wat de rechtbank betreft niettemin duidelijk dat de inzittenden van de VW Polo spraken over een op korte termijn te plegen inbraak. Zij bespraken wie er mee zouden gaan en de taakverdeling. De rechtbank komt hierna (bij de beoordeling van feit 1) tot het oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die tot oogmerk had (onder meer) het plegen van inbraken. Daarbij is de rechtbank gebleken69 dat voorafgaand aan de te plegen inbraken door de leden van de groep de taken werden verdeeld volgens een min of meer vast stramien. Het in de VW Polo gevoerde gesprek zoals hiervoor weergegeven, sluit hierbij aan waar gesproken wordt over ‘breken of naar binnengaan’. De in de VW Polo genoemde naam van één van degenen die mee zou gaan – ‘[medeverdachte]’ – komt overeen met de naam van iemand die later inzittende is van de Suzuki Alto. Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de rechtbank de overtuiging heeft dat de in de beide auto’s gevoerde gesprekken met elkaar verband houden en beide zien op de onderhavige inbraak.

Hoewel de rechtbank ervan overtuigd is dat de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken betrekking hebben op de onderhavige inbraak, is zij met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat deelname van verdachte aan deze gesprekken met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Weliswaar is veelvuldig verdachtes stem in die gesprekken herkend, maar enkel stemherkenning volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarmee ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank zal voor dit feit dan ook vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 8 tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

Feit 9

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

In de tijdspanne tussen 6 januari 2013 om 13.00 uur en 7 januari 2013 om 0.10 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen70:

 500 euro aan cash geld;

 een gouden ring met een pareltje erop;

 een zilveren zegelring;

 een gouden ketting met een hanger;

 een scheermesje met batterij en bijbehorende mesjes.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].71

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door de achterdeur en de deur tussen de bijkeuken en de keuken open te breken.72 De achterdeur, die evenals het kozijn van kunststof was en van een driepuntsluiting was voorzien, vertoonde zowel boven als beneden aan de zijkant moeten van een breekvoorwerp. De deur van de bijkeuken naar de keuken was ook op slot en is met grof geweld open gebroken: het slot was er helemaal uitgebroken.73

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

Beoordeling door de rechtbank

Op 6 januari 2013 heeft een getuige tussen 18.30 en 19.00 uur twee maal kort achter elkaar een licht blauwe Volkswagen Polo vrij hard door de straat zien rijden. Enkele minuten later is hij zijn hond gaan uitlaten en kwam datzelfde voertuig weer uit de Julianalaan aanrijden, de Weidsteeg op richting de Oranje Nassaulaan. Er zat alleen een bestuurder in met een Marokkaans uiterlijk en kort haar, tussen de 20 en 25 jaar oud. Toen hij de getuige passeerde, heeft deze zijn kenteken onthouden en na thuiskomst meteen genoteerd: [kenteken]. De volgende dag vernam hij dat rond die tijd was ingebroken in een woning aan de [straat] en heeft hij daarover de politie gebeld.74

Een andere getuige liep op 6 januari 2013 omstreeks 22.00 uur met haar hondje over de [straat]. Iets verderop zag en hoorde zij twee auto’s staan met draaiende motor. Zij zag daar een jongen van 15 à 16 jaar met een Marokkaans uiterlijk voorzien van een werkende zaklamp de bosjes in duiken. Enige seconden later kwam de jongen rennend uit de bosjes met iets redelijk groots in zijn handen en stapte hij in één van de auto’s. Hierna reden beide auto's weg in de richting van de Fairplay (de rechtbank begrijpt: de gelijknamige voetbalvereniging). Eén van beide auto’s was een opvallend licht blauwe Volkswagen en had het kenteken [kenteken]; de andere was donker blauw of zwart. Getuige heeft het kenteken thuisgekomen direct opgeschreven. Zij heeft de lichtblauwe auto vaker in de wijk gezien in die periode. Er zaten zeker 3 personen in en in de donkerkleurige Volkswagen zeker twee personen. Zij dacht dat er ingebroken zou gaan worden bij haar overbuurman aan de [straat] en is hem dat gaan vertellen.75

Deze overbuurman heeft op 7 januari 2013 en op 24 april 2013 met de politie gesproken. Hij heeft bevestigd dat hij op 6 januari 2013 omstreeks 22.00 uur door zijn overbuurvrouw is benaderd omdat zij dacht dat er bij hem werd ingebroken. Hij bevestigt de inhoud van zijn gesprek met die overbuurvrouw. Hij heeft voorts meegedeeld dat er veel was ingebroken in de buurt en dat meerdere buurtbewoners denken dat de lichtblauwe Volkswagen en de donkerkleurige Volkswagen daarbij betrokken waren omdat die op verdachte tijdstippen veel waren gezien en de inzittenden naar woningen aan het kijken waren.76

Op 6 januari 2013 heeft de politie om 17.25 uur gezien dat ‘[medeverdachte]’ in zijn auto kwam aanrijden op de parkeerplaats van de EM-TE te Culemborg en dat daarin als passagiers aanwezig waren: [verdachte] en [medeverdachte].77

In het relaasproces-verbaal is opgenomen dat uit peilbakengegevens blijkt dat op 6 januari 2013 de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] vanaf 19.05 uur tot ongeveer 20.30 uur in de straat [straat] en omliggende straten (Beatrixstraat, Appelboom, Noteboom, Eikeboom) te Culemborg heeft rond gereden. Ook heeft dat voertuig binnen die tijdspanne af en toe stilgestaan (periodes van duur variërend van ongeveer 1 minuut tot ruim 18 minuten).78

Voorts werden op 6 januari 2013 met behulp van OVC-apparatuur onder meer de volgende gesprekken vanuit dit voertuig opgenomen79:

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

Naar het oordeel van de rechtbank sluit de inhoud van de weergegeven OVC-gesprekken aan op een aantal specifieke, voldoende unieke kenmerken van deze inbraak, zodat het de daders van de inbraak moeten zijn geweest die deze gesprekken voerden. Immers, volgens de deelnemers aan dat gesprek moesten twee afgesloten deuren (waaronder één van ‘plastic’) worden opengebroken om binnen te komen en was één van die deuren zó moeilijk te openen dat in wezen het hele slot eruit is gebroken. Dit strookt met hetgeen verbalisanten daarover hebben opgetekend uit de mond van de echtgenote van aangever: de achterdeur van kunststof is door de daders opengebroken, waarna men aangekomen in de bijkeuken het slot van de bijkeukendeur, dat ook op slot was, er met grof geweld helemaal is uitgebroken.80 Verder hebben de gespreksdeelnemers het erover dat een grote zilveren ring is meegenomen, hetgeen strookt met de hiervoor aangehaalde aangifte. Ook zijn hebben de deelnemers aan de weergegeven OVC-gesprekken blikjes 7-up ‘boven’ gezien, hetgeen wederom past bij hetgeen de echtgenote van aangever aan de politie heeft verklaard en de agenten tijdens hun bezoek aan die woning zelf hebben waargenomen.81

De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte aan de zojuist aangehaalde gesprekken heeft deelgenomen. Zijn stem is in deze gesprekken herkend. Die stemherkenning wordt bevestigd doordat de gesprekken zijn opgenomen in de auto waarin verdachtes aanwezigheid kort vóór de aanvang van deze gesprekken door agenten is waargenomen, en hij wordt in deze gesprekken met zijn bijnaam ‘[alias]’ aangeroepen. Deze auto is omstreeks de tijdspanne waarin de gesprekken plaatsvonden door een getuige in de directe omgeving van de woning van aangever gezien, hetgeen ook weer aansluit bij de peilbakengegevens.82De rechtbank komt hierna (bij de beoordeling van feit 1) tot het oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het oogmerk had op (onder meer) het plegen van inbraken. Daarbij is de rechtbank gebleken83 dat voorafgaand aan de te plegen inbraken door de leden van de groep werd ‘voorverkend’ waar men zou kunnen toeslaan. Dit past bij het gegeven dat ook de dagen vóór deze inbraak de VW Polo door meer getuigen herhaaldelijk in de buurt is gezien.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met één of meer anderen het tenlastegelegde onder feit 9 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op of omstreeks 06 januari 2013 te Culemborg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een geldbedrag (ca. 500 euro) en een aantal sieraden, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak te weten het forceren van een deur); (zaak 122)

Feit 10

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Tussen 7 januari 2013 omstreeks 18.15 uur en 8 januari 2013 omstreeks 00:20 uur zijn uit een woning gelegen aan de [straat] te Culemborg onder meer diverse sieraden weggenomen. Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].84

Men heeft zich de toegang tot deze woning verschaft via een raam aan de achterzijde van de woning.85 Hierbij is een plant in een bloempot van de vensterbank gevallen en zijn diverse spullen verschoven.86 In de badkamer is een bakje waarin een apneugebit zat, verschoven.87 Dit raamkozijn, de achterdeur en de deur naar het kantoor zijn opengebroken.88

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Uit peilbakengegevens blijkt dat op 7 januari 2013 van 18.53 tot en met 19:10 uur de VW Polo zich bevond in de [straat]. Tevens stond de VW Polo om 19.12 uur 20 minuten, om 20.42 uur 41 minuten, en om 21:34 uur 26 minuten stil binnen een straal van 150 meter van de [straat].89

Tevens is gebleken dat de Suzuki Alto op 7 januari 2013 tussen 19:11 uur en 20:10 uur zich eveneens rijdend bevond op een afstand van nog geen 100 meter van het perceel [straat].90

Voorts werden op deze datum met behulp van OVC-apparatuur onder meer de navolgende gesprekken vanuit deze voertuigen opgenomen. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.

- Suzuki Alto 91

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

- VW Polo 92

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

Door vergelijking van de peilbakengegevens en de gesprekken gevoerd in beide auto’s met name rond 19:10 a 19:11 uur, is de rechtbank van oordeel dat beide auto’s elkaar toen moeten hebben getroffen in de buurt van het pand aan de [straat] en dat de inzittenden van deze auto’s elkaar – ook buiten de auto’s – hebben gesproken. Dit wordt mede bevestigd doordat in de VW Polo wordt gezegd dat '[alias]' hen achterna rijdt.

Iets later op de avond werden met behulp van OVC-apparatuur onder meer de volgende gesprekken in deze voertuigen opgenomen:

- Suzuki Alto 93

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

- VW Polo 94

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank stelt vast dat hier wordt gesproken over een persoon die aan kwam fietsen en de sprekers of hun kornuiten zou hebben gezien. Dit gesprek komt overeen met de inhoud van een mutatie waarin staat vermeld dat een jongen – wonende aan de Weidsteeg – tegen 22.00 u aldaar aan kwam fietsen en toen een manspersoon waarnam bij het perceel met huisnummer 15 die met zijn gezicht richting de woning stond.95

Door vergelijking van de peilbakengegevens en de gesprekken gevoerd in de verschillende auto’s rond met name rond 22:18 uur en 22:19 uur, is de rechtbank ook hier van oordeel dat de auto’s elkaar toen hebben getroffen in de buurt van het pand aan de [straat] en dat de inzittenden van deze auto’s elkaar – ook buiten de auto’s – hebben gesproken. De rechtbank concludeert uit deze ontmoetingen van (de inzittenden van) beide auto's dat de gesprekken die in beide auto's zijn opgenomen betrekking hadden op hetzelfde onderwerp.

Ten aanzien van dat onderwerp overweegt de rechtbank allereerst dat in deze gesprekken wordt verwezen naar een plantenbak die is gevallen, naar de grootte van de woning (met veel deuren) en naar een gebit dat in een bakje is aangetroffen. Deze gespreksonderwerpen komen overeen met de inhoud van de verklaring van aangever. Tevens wordt gesproken over kettingen, een klokje en goud. Ook dit komt overeen met de in de aangifte genoemde voorwerpen die zijn weggenomen. De rechtbank acht deze gespreksonderwerpen - zeker in combinatie met elkaar - dermate uniek dat zij tot het oordeel komt dat alle hiervoor aangehaalde gesprekken betrekking hebben gehad op de onderhavige inbraak. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord wie de personen zijn geweest die aan de hiervoor weergegeven gesprekken hebben deelgenomen.

De rechtbank overweegt daaromtrent allereerst dat in de weergegeven gespreksmomenten de stemmen zijn herkend van [medeverdachte] (bijnaam '[alias]'), [verdachte] (bijnaam '[alias]'), [medeverdachte] (bijnaam '[alias]'), [medeverdachte] (bijnaam '[alias]') en [medeverdachte] (bijnaam '[alias]'). Die stemherkenningen worden bevestigd doordat van al deze personen, onder wie verdachte, de bijnaam is gebruikt op een wijze waaruit naar het oordeel van de rechtbank directe betrokkenheid bij en wetenschap van deze inbraak blijkt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte], [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging de woninginbraken aan de [straat] te Culemborg hebben gepleegd.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met één of meer anderen het tenlastegelegde onder feit 10 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 7 januari 2013 te Culemborg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straat], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak (te weten het forceren/openbreken van een raam en (een) deur van voornoemde woning en het belendende kantoor behorende bij die woning); (zaak 125)

Feit 11

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 11 tenlastegelegde.

Feiten 12 en 14

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank ten aanzien van de feiten 12 en 14 het navolgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

[straat]

Op 13 januari 2013 zijn er tussen 15.30 uur en 22.30 uur uit een woning aan de [straat] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

  • -

    een geldkist met daarin een geldbedrag van € 100,-;

  • -

    een portemonnee met daarin een geldbedrag van € 250,-;

  • -

    een geldbedrag van € 215,-;

  • -

    diverse sieraden;

  • -

    twee flessen after shave van het merk Boss;

  • -

    twee windpistolen;

  • -

    een horloge;

  • -

    een fototoestel van het merk Nikon;

  • -

    een muntenverzameling.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].96 De windpistolen lagen, in een hoes, in een apart kartonnen doosje op de slaapkamer op de eerste verdieping.97

Men heeft zich de toegang van deze woning verschaft door inklimming via een draairaam aan de achterzijde op de eerste verdieping. Tevens heeft men de schuttingdeur opengebroken.98

[straat]

Tussen 13 januari 2013 omstreeks 18.00 uur en 14 januari 2013 omstreeks 9.30 uur zijn uit een woning aan de [straat] te Culemborg onder andere de volgende goederen weggenomen:

  • -

    sieraden;

  • -

    een kluis met daarin een geldbedrag van € 4.000,-, reservesleutels en drie kentekenbewijzen van auto’s;

  • -

    een portemonnee met daarin een geldbedrag van € 300,-;

  • -

    vier parfumflessen van de merken Alien, Cavalli, Lolita, 1Million99;

- een potje met sponsorgeld100.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].101 De kluis stond op de bovenste plank, achter in de hoek, in een kast op de slaapkamer en was – door een groen mandje met badkleding dat voor deze kluis stond – niet direct zichtbaar. Deze kluis stond waarschijnlijk op 1.62 meter hoogte. Aangeefster (met een lengte van 1.70 meter) moest namelijk strekken om bij deze kluis te kunnen komen.102 Tevens stonden er die dag kappersspullen in de gang van de woning.103

Men heeft zich de toegang tot de woning – een huurwoning van de [benadeelde] – verschaft door de kunststofachterdeur open te breken.104

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit peilbakengegevens blijkt dat op 13 januari 2013 de Suzuki Alto zich zowel om 20.44 uur als om 21.17 uur 5 minuten rijdend bevond in de [straat].105

Voorts werden op deze datum met behulp van OVC-apparatuur onder meer de navolgende gesprekken in dit voertuig opgenomen. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.106

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

Een dag later, op 14 januari 2013, zijn met behulp van OVC-apparatuur onder meer de navolgende gesprekken vanuit dit voertuig opgenomen. Ook deze gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.107

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank overweegt dat in deze gesprekken wordt gesproken over guns/alarmpistolen op een nachtkastje in een slaapkamer en over een man met een vogelhuisje. De rechtbank overweegt voorts dat bij de inbraak aan de [straat] twee alarmpistolen zijn weggenomen uit een slaapkamer, terwijl aangever [benadeelde] van de woning aan de [straat] heeft verklaard dat zij in de achtertuin een volière met vogels hebben. 108

Tevens wordt in deze gesprekken gesproken over een kluis die in een kast stond en die omhoog moest worden getild, alsmede over het pakken van deo en over een spaarpot met afbeeldingen van kinderen erop. Ten slotte wordt gezegd dat er kapperspullen op de gang stonden.

Uit de [straat] is een spaarpot weggenomen met daarop een afbeelding van kleine kinderen, er is parfum weggenomen en tevens stond de kluis in een kast waar aangeefster (1.62 meter lang) enkel bij kon wanneer zij op haar tenen ging staan.109 En volgens getuige [getuige] stonden er die dag kapperspullen in de gang van de woning.110

De combinatie van deze gespreksonderwerpen acht de rechtbank dermate uniek dat zij concludeert dat in deze gesprekken is gesproken over beide inbraken, aan de [straat] en de [straat] te Culemborg.

De rechtbank komt op grond van alle bovenstaande gesprekken voorts tot het oordeel dat [medeverdachte] (bijnaam '[alias]'), [verdachte] (bijnaam '[alias]'), [medeverdachte] (bijnaam '[alias]') en [medeverdachte] (bijnaam '[alias]') op 13 januari 2013 en op 14 januari 2013 op de vermelde tijdstippen zich in de Suzuki Alto van [medeverdachte] bevonden en aan deze gesprekken deelnamen. Immers, hun stemmen worden op de verschillende tijdstippen in die periode herkend. Die stemherkenning wordt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate bevestigd doordat allen in die periode bij hun bijnamen worden aangesproken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte], [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] in nauwe en bewuste samenwerking de woninginbraken aan de [straat] en [straat] te Culemborg hebben gepleegd.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 12 en 14 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

12.

hij op 13 januari 2013 te Culemborg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een geldbedrag van ca. 215 euro en een geldkist (inhoudende ca. 100 euro) en een portemonnee (inhoudende ca. 250 euro) en sieraden en een horloge en een fototoestel (merk/type: Nikon) en een muntenverzameling en meerdere flessen after shave (merk/type: Boss) en meerdere windpistolen, geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft

door middel van braak, en inklimming (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang verschaft door het geopende raam aan de achterzijde van voornoemd huis en is de schuttingdeur bij voornoemde woning geforceerd/opengebroken); (zaak 130)

14.

hij op 13 januari 2013 te Culemborg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een pot met sponsorgeld en sieraden en een kluis (inhoudende ca. 4.000 euro en reservesleutels en kentekenbewijzen van auto's) en een portemonnee (inhoudende ca. 300 euro) en meerdere flessen parfum (merk/type: Alien, Cavalli, Lolita, 1million), geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders de (keuken)deur aan de achterzijde van voornoemde woning geforceerd/opengebroken); (zaak 132)

Feit 13

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 13 januari 2013 zijn uit de woning aan de [straat] te Culemborg sieraden van [benadeelde] weggenomen. Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door middel van het forceren/openbreken van een deur.111

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft verklaard dat hij op 13 januari 2013 rond 16.00 uur zijn woning aan de [straat] te Culemborg verliet en dat hij rond 19:00 uur weer terug was.112

In het proces-verbaal van Bakengegevens staat geschreven dat de Suzuki Alto van [medeverdachte] zich op 13 januari 2013 tussen 17.36 en 17.40 en tussen 17.53 en 18.06 uur stilstaand bevond op en rondom de [straat] te Culemborg op een afstand van ongeveer 75 meter van [straat].113

Op 13 januari 2013 werden vanaf 16:59:07 uur in voornoemde Suzuki Alto – onder meer – de volgende gesprekken opgenomen: 114

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank overweegt dat in bovenstaande gesprekken wordt gesproken over ‘breken’, ‘spullen pakken’, ‘handschoenen', ‘die slot gaat kankermakkelijk open’, waaruit de rechtbank afleidt dat deze gesprekken over een inbraak gaan. De rechtbank stelt vast dat in bovenstaande gesprekken bovendien wordt gesproken over ‘die witte huis daar in die hoek’, een ‘rooie eco auto’ en ‘een poort’.

Verbalisant [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat het huis aan de [straat] te Culemborg een wit huis betreft dat zich op de hoek van twee straten bevindt en dat de tuin te bereiken is via een houten poort.115 Daarbij is voorts geverbaliseerd dat tijdens zijn bezoek aan aangever op 17 april 2013 op de oprit van het huis aan de [straat] te Culemborg een rode [auto] stond, dat dit een type betreft met een elektrisch/benzine aangedreven motor en dat aangevers hebben verklaard dat zij deze auto sinds 7 februari 2011 in hun bezit hebben.116

De rechtbank overweegt dat bovenstaande details uit de gesprekken passen bij de bijzonderheden van (de inbraak in) de woning aan de [straat].

De rechtbank overweegt voorts dat in bovenstaande gesprekken de stemmen zijn herkend van [verdachte] en [medeverdachte].

De stemherkenningen van [verdachte] worden naar het oordeel van de rechtbank bevestigd doordat een deelnemer aan deze gesprekken is aangesproken met de bijnaam '[alias]', de bijnaam van [verdachte].

De stemherkenningen van [medeverdachte] worden naar het oordeel van de rechtbank bevestigd doordat [medeverdachte] zijn eigen naam noemt in het Frans. In dat deel van het gesprek wordt tevens gesproken over "een huis overhoop halen", terwijl slechts enkele minuten later wordt gesproken over "deze witte" en een "rooie". Dit betreft begrippen waarvan de rechtbank hierboven al heeft overwogen dat deze betrekking hebben op [huis] van aangever en de rode kleur van de [auto] van aangever.

Tot slot overweegt dat rechtbank dat de stemherkenningen met betrekking tot [medeverdachte] – beide van kort vóór respectievelijk kort na het gesprek dat concreet gaat over de inbraak aan de [straat] en het moment dat die inbraak moet zijn gepleegd – worden bevestigd doordat een deelnemer aan deze gesprekken met de voornaam "[medeverdachte]" is aangesproken. Nu deze gesprekken ook nog zijn opgenomen in de auto van [medeverdachte], heeft de rechtbank de overtuiging dat het [medeverdachte] is geweest die mede aan deze gesprekken heeft deelgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] zich samen schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [straat] te Culemborg.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 13 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

13.

hij op 13 januari 2013 te Culemborg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straat], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, (te weten het forceren/openbreken van een deur van voornoemde woning); (zaak 131)

Feit 15

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Tussen 11 januari 2013 en 15 januari 2013 (omstreeks 16:00 uur) is er ingebroken bij de woning aan de [straat] te Culemborg.117

Bij de inbraak zijn – onder meer – de volgende goederen weggenomen:

 een kluis met inhoud, te weten:

o een aantal sieraden;

o waardepapieren;118

o een dvd met opnamen van de kleinkinderen;

o autosleutel(s);119

o een herdenkingsmunt.120

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].121

Men heeft zich de toegang tot de woning en de goederen verschaft door het openbreken van de schuifpui en het forceren van de kluis.122

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit de bakengegevens van de Suzuki Alto van [medeverdachte] blijkt dat dit voertuig zich op 14 januari 2013 tussen 20.34 en 20.55 uur stilstaand en in de onmiddellijke omgeving van de wijk Terweijde beweegt. De [straat] ligt in deze wijk.123

Op 14 januari 2013 werden voorts met behulp van OVC apparatuur verschillende gesprekken vanuit deze Suzuki Alto opgenomen. De rechtbank overweegt dat de hierna weergegeven gesprekken lijken te duiden op de voorbereiding van een inbraak, met name gelet op woordgebruik als: ‘breken’, ‘Luister stel je voor he, we pakken in een keer een kluis met drie ton’, ‘koevoet’ en ‘je klimt zo erin toch’. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.124

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank overweegt dat in bovenstaande gesprekken de stem van [medeverdachte] is herkend, dat de gesprekken vanuit de auto van [medeverdachte] zijn opgenomen en dat voorts zijn bijnaam [alias] is genoemd, hetgeen de stemherkenning bevestigt. De rechtbank overweegt voorts dat de stem van [verdachte] is herkend en dat zijn bijnaam [alias] is genoemd, hetgeen de stemherkenning bevestigt. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat [medeverdachte] en [verdachte] bij bovenstaande gesprekken aanwezig waren.

Vanaf 14 januari 2013 21.22.58 uur worden er wederom gesprekken opgenomen in de Suzuki Alto van [medeverdachte]:

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank overweegt dat in bovenstaande gesprekken de stem van [medeverdachte] wordt herkend en dat in de eerder genoemde gesprekken iemand wordt aangesproken met de bijnaam van [medeverdachte], ‘[alias]’. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat ook [medeverdachte], net als [medeverdachte] en [verdachte], bij bovenstaande gesprekken aanwezig was.

De volgende dag, 15 januari 2013, zijn er wederom gesprekken opgenomen vanuit de Suzuki Alto van [medeverdachte]: 125

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank overweegt dat in de kluis die is weggenomen uit de woning aan de [straat] een DVD, een autosleutel en een kentekenbewijs van een auto lagen alsmede een USB-stick met daarop het manuscript van een oorlogsverhaal.126 Deze elementen komen terug in het OVC-gesprek van 13.32 uur.

De rechtbank overweegt daarnaast dat in deze gesprekken wordt gesproken over goud, witgoud en certificaten en dat zich in de kluis van de woning aan de [straat] goud, witgoud en certificaten bevonden.127 De rechtbank overweegt voorts dat in de kluis aan de [straat] geen geld zat128 en dat de kluis die is weggenomen bij de inbraak was bevestigd achter in een kledingkast in een kamer op de begane grond.129 Deze elementen komen alle terug in het gesprek van 21.22.58 uur. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van al deze elementen dermate uniek is, dat duidelijk is dat deze gesprekken gaan over de inbraak aan [straat] te Culemborg.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van bovenstaande gesprekken, het noemen van bijnamen, de stemherkenning, een en ander in combinatie gezien met (details uit) de aangifte van [benadeelde] overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte], [verdachte] en [medeverdachte] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [straat] te Culemborg.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 januari 2013 te Culemborg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een kluis met inhoud (te weten een aantal sieraden en aardepapieren en autosleutels en een herdenkingsmunt en een dvd, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, (te weten het openbreken van de schuifpui en het forceren van de kluis mbv een breekwerktuig); (zaak 133)

Feit 16

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 28 mei 2013 is in de woning aan de [straat] te Culemborg, alwaar verdachte woonachtig was, een laptop van het merk Toshiba aangetroffen.130

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

In een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal is door verbalisanten gerelateerd dat tijdens een doorzoeking in de woning aan de [straat] te Culemborg op de slaapkamer van verdachte [verdachte] een Toshiba laptop werd aangetroffen, dat deze laptop in beslag werd genomen en werd geregistreerd onder nummer G.07.01.001.’131 De rechtbank komt op grond van de inhoud van dit proces-verbaal tot de overtuiging dat de laptop is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte.

Verbalisanten [verbalisant] een [verbalisant] hebben verklaard dat zij een nader onderzoek ingesteld hebben naar de herkomst van de in de slaapkamer van verdachte aangetroffen laptop, merk Toshiba type A300-10S.

Daartoe hebben zij gezocht naar verwijderde bestanden op de laptop.

De verbalisanten troffen een financieel overzicht aan van een ANWB Visa Card met als laatste vier cijfers [cijfers]. Het document was gedateerd 2 oktober 2012 en de kaarthouder betrof een persoon met de naam [benadeelde]. De verbalisanten hebben vervolgens in de beschikbare systemen gezocht naar deze persoon. Uit gegevens van de gemeentelijke basisadministratie blijkt op de [straat] te Culemborg te staan ingeschreven: [benadeelde].

Tussen zaterdag 19 januari 2013 18:30 uur en zondag 10 januari 2013 22:00 uur heeft er een woninginbraak plaatsgevonden op de [straat] te Culemborg. Bij deze woninginbraak is een laptop, merk Toshiba type A300-10 S weggenomen. 132

Voorts is een snelkoppeling op deze laptop aangetroffen met de aanduiding "[snelkoppeling]" , aangemaakt op 31 januari 2011. Een andere snelkoppeling was genaamd: "[snelkoppeling]".133

[benadeelde] heeft verklaard dat zij een ANWB/Visa card heeft met het rekeningnummer [rekeningnummer]. Zij toonde daarop verbalisant een ANWB/Visa kaart met daarop het rekeningnummer:[rekeningnummer]. [benadeelde] toonde verbalisant eveneens een rekeningoverzicht op de website van ICS card, waarop de verbalisant vaststelde dat de gegevens van het hem getoonde overzicht overeenkwamen met de aangetroffen gegevens op de inbeslaggenomen Toshiba laptop.

Aangeefster [benadeelde] en haar partner [benadeelde] verklaarden voorts dat [benadeelde] les geeft voor musicals in Culemborg en dat de snelkoppeling met de naam "[snelkoppeling]" daar een factuur van is. Verder verklaarden zij dat [naam] een persoon is waar zij contact mee hebben gehad.

Nadat aan [benadeelde] en [benadeelde] de laptop die bij verdachte in beslag was genomen, werd getoond, verklaarden zij dat deze laptop overeenkwam met de laptop die bij hen uit huis was weggenomen op 20 januari 2013.134

De rechtbank heeft, gelet op het bovenstaande, de overtuiging bekomen dat de onder verdachte in beslaggenomen laptop, afkomstig is van de diefstal uit de woning van [benadeelde] en [benadeelde].

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande en gelet op het feit dat verdachte geen verklaring heeft willen of kunnen geven voor de aanwezigheid van deze laptop op zijn slaapkamer, overtuigend bewezen dat verdachte ten minste redelijkerwijs moest vermoeden dat de onder hem in beslag genomen laptop afkomstig was van enig misdrijf, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: 

hij op 28 mei 2013 te Culemborg, een laptop (Toshiba) heeft voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die laptop redelijkerwijs kon vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 17

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 20 januari 2013 zijn uit een woning aan de [straat] te Culemborg – onder meer – de volgende goederen weggenomen:

 twee laptop(s) (merk/type: Acer);

 sieraden;

 een horloge.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde].135

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door de deur(en) aan de achterzijde van voornoemde woning te forceren/open te breken.136

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit de bakengegevens van de Suzuki Alto van [medeverdachte] blijkt dat dit voertuig zich op 20 januari 2013 van 19:55 uur tot 20:01 uur bevond aan de [straat] te Culemborg. Voorts volgt uit de peilbakengegevens dat de Volkswagen Polo zich tussen 19:01 uur en 19:08 uur en 20:04-20:35 uur en 20:57-21:15 uur rijdend en stilstaand op de [straat] te Culemborg op afstanden van ongeveer 50 tot 200 meter van perceel [straat] bevond en dat de Suzuki Alto zich in de periode van 19:44 -21:13 uur voornamelijk stilstaand op de [straat] te Culemborg op ongeveer 50 meter afstand van het politiebureau bevond.137

Op die dag vanaf 20:16:10 uur, werden in de Volkswagen Polo (die in die periode op naam stond van [medeverdachte])138 verschillende OVC-gesprekken opgenomen.

De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.139

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

Op 20 januari 2013 werden vanaf 21:24:00 – onder meer – de volgende gesprekken opgenomen in de Suzuki Alto van [medeverdachte]:140

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

In het proces-verbaal van bakengegevens staat vermeld dat tussen 21.19 en 21.33 zowel de Suzuki Alto van [medeverdachte] als de Volkswagen Polo van [medeverdachte] zich eerst op de [straat] en even later op de [straat] te Culemborg bevonden.141 De rechtbank overweegt dat dit past bij de hierboven genoemde gesprekken vanaf 21.23 uur, die in beide auto’s grotendeels overeenkomen.

De rechtbank overweegt vervolgens dat in bovenstaande gesprekken - onder meer - wordt gesproken over ‘inbraak’, ‘buit’, ‘breken’,‘pampers’, ‘blauwe durex condooms die in een la lagen’, ‘strings die in een kastje lagen’ en een ‘Seat leon’.

Aangeefster heeft verklaard dat zij en haar partner om 13:30 uur uit de woning zijn vertrokken en dat zij omstreeks 22:05 uur thuiskwamen. 142 Aangeefster heeft verder verklaard dat ‘zelfs de babykamer helemaal overhoop was gehaald’.143 Voorts heeft aangeefster verklaard dat zij een Seat rijden, dat zij blauw/groene Durex condooms in een lade van het nachtkastje hebben liggen en dat aangeefster meer strings heeft dan gewone onderbroeken.144

De rechtbank overweegt voorts dat in bovenstaande gesprekken de stemmen zijn herkend van [medeverdachte], [medeverdachte], [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] en dat zij allen in deze gesprekken ook bij hun bijnaam zijn genoemd. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat zij allen bij bovengenoemde gesprekken aanwezig waren.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte], [medeverdachte], [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [straat] te Culemborg.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 17 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: 

hij op 20 januari 2013 te Culemborg tezamen en in vereniging anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen meerdere laptops (merk/type: Acer) en sieraden en een horloge, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, (immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) de deur(en) aan de achterzijde van voornoemde woning geforceerd/opengebroken; (zaak 140)

Feit 18

De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder feit 18 tenlastegelegde.

Feit 19

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Tussen donderdag 2 december 2010 te 18.05 uur en vrijdag 3 december 2010 te 08.35 uur heeft er een inbraak bij [benadeelde] aan het [straat] te Culemborg plaatsgevonden. Bij deze inbraak is een laptop Toshiba Satellite weggenomen. Op de Bijlage goederen bij deze aangifte en de overgelegde aankoopgegevens van deze laptop staat vermeld dat het een Toshiba Satellite A200-1tw, laptop Z7129045K betreft.145

Op 28 mei 2013 is in de woning aan de [straat] te Culemborg, alwaar verdachte woonachtig was, een laptop van het merk Toshiba aangetroffen.146

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een Toshiba laptop die in de woning van verdachte werd aangetroffen, afkomstig is van de diefstal uit [benadeelde]. Nu echter uit de stukken niet blijkt of deze laptop is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte en er evenmin bestanden van verdachte op deze laptop zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze laptop voorhanden heeft gehad. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde (opzet- dan wel schuld-) heling.

Van betrokkenheid bij de subsidiair tenlastegelegde woninginbraak is geen enkel bewijs aanwezig, zodat verdachte ook hiervan dient te worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder feit 19 tenlastegelegde.

Feit 20

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 20 tenlastegelegde.

Feit 21

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de feiten 6 en 7 heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij op basis van de wettige bewijsmiddelen in het procesdossier de overtuiging heeft bekomen dat verdachte zich, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, heeft schuldig gemaakt aan de inbraken zoals bij genoemde feiten ten laste gelegd, te weten in de woning aan de [straat] en de woning aan de [straat].

OVC-gesprekken

De rechtbank is van oordeel dat uit een aantal in het procesdossier gevoegde OVC-gesprekken overtuigend blijkt dat verdachte, samen met degenen met wie hij genoemde inbraken heeft gepleegd, de buit in de vorm van een geldbedrag heeft geteld en vervolgens verdeeld.

Die OVC-gesprekken zijn - voor zover - hier relevant, hieronder kort weergegeven, overeenkomstig het procesdossier.

Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo147 opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 25 december 2012 vanaf omstreeks 16.47 uur.

In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd. 148

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank betrekt bij deze tijdstippen nog dat uit de bakengegevens van de Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken], zijnde de auto waarin deze 03 OVC-gesprekken zijn opgenomen, kan worden afgeleid dat deze auto zich op 25 december 2012, om 18.09.45 uur bevond op de [straat] te Culemborg. 149

 ‘03 ‘03 OVC’-gesprekken d.d. 25 december 2012, vanaf omstreeks 20.06 uur, p. 1281:

(… opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier … )

De rechtbank neemt, evenals bij de overwegingen met betrekking tot de genoemde inbraken, in overweging dat van de deelnemers aan deze gesprekken (meermalen) de stem wordt herkend. Voor zover die stemherkenning wordt bevestigd door het aangesproken worden met de bijbehorende voornaam of met de bijnaam (door de rechtbank cursief weergegeven in de gespreksweergave hiervóór), overweegt de rechtbank dat daarmee in voldoende mate de deelnemers aan de gesprekken kunnen worden geïdentificeerd.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat aan deze gesprekken wordt deelgenomen door:

[medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]” en doordat hij met zijn voornaam “[medeverdachte]” wordt aangesproken tijdens een politiecontrole op 25 december 2012. 150

  • -

    [verdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn voornaam [medeverdachte] en met zijn bijnaam “[alias]”.

  • -

    [medeverdachte], bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “[alias]” en doordat hij tijdens politiecontrole op 25 december 2012 omstreeks 20.15 uur is waargenomen als passagier in de auto waarin de OVC-gesprekken zijn gevoerd.151

De rechtbank herhaalt haar overweging, hierboven, dat uit de hierboven weergegeven OVC-gesprekken overtuigend voortvloeit dat de gesprekken betrekking hebben gehad op de verdeling van een geldbedrag dat is weggenomen bij een inbraak, en wel die in de woning aan de [straat] te Culemborg.

Deze gesprekken bieden naar het oordeel evenwel onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden voor de conclusie dat er ook sieraden zijn verdeeld. Voorts heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat er meer dan het in de gesprekken genoemde totaalbedrag (ad € 2.045,-) is verdeeld.

Witwassen

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, en in het bijzonder de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken, vast dat verdachte, samen met anderen, in de avond van 25 december 2012 daadwerkelijk een geldbedrag van 2.045 euro voorhanden heeft gehad, welk bedrag is verdeeld in vijf porties. Ook heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat dit geldbedrag afkomstig is van een woninginbraak aan de [straat] te Culemborg, welke woninginbraak door verdachte is gepleegd te zamen en in vereniging met anderen. Verdachte wist derhalve dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

Voorts overweegt de rechtbank dat door de verdeling van het geldbedrag, in vier porties van € 340,-- en één portie van € 345,--, de herkomst van het geldbedrag daadwerkelijk is verhuld. Ten slotte neemt de rechtbank nog in overweging dat dit geldbedrag tijdens de doorzoekingen noch op enig ander moment is teruggevonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte aldus handelend, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, de illegale herkomst van dit geldbedrag heeft verhuld, terwijl hij wist dat dit van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank heeft nog geconstateerd dat in de tenlastelegging van dit feit is vermeld dat de verweten gedragingen betrekking hebben op voorwerpen, te weten een aantal sieraden en een geldbedrag. Echter, ten aanzien van de wetenschap dat deze voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wordt slechts “sieraden” vermeld. De rechtbank overweegt dat hier sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving, temeer daar het geldbedrag in de tenlastelegging nog nader wordt gespecificeerd. Om die reden zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen en na “die sieraden” inlezen: “en/of dit geldbedrag”.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in de feit 21 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013 te Culemborg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; (zaak 413)

Feit 22

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte wordt verweten gedurende de periode van 19 juni 2012 tot en met 5 april 2013 sieraden, waarvan hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat deze afkomstig waren van enig misdrijf, te hebben witgewassen.

De rechtbank overweegt allereerst dat verdachte in deze periode niet kon beschikken over legale inkomsten. Bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) waren op 17 april 2013 geen relevante gegevens ten aanzien van uitkeringen of dienstverbanden bekend van verdachte gedurende deze periode152 en verdachte heeft geen andere relevante informatie verstrekt. De ouders van verdachte hadden in deze periode niet meer dan een bijstandsuitkering WWB.153

Door de politie is onderzoek gedaan bij verschillende juweliers in Utrecht. Uit de opkoperregisters van juwelier [juwelier] blijkt het volgende:

- op 19 juni 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) diverse sieraden ingeleverd en daarvoor € 1.400,- ontvangen;154

- op 19 juni 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) 1 hanger van 14 karaat goud ingeleverd en daarvoor € 40,- ontvangen;155

- Op 28 september 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) een oorbel ingeleverd en daarvoor € 36,- ontvangen;156

- Op 5 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) verschillende sieraden ingeleverd en daarvoor € 820,- ontvangen;157

- Op 27 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) (een) onbekend(e) voorwerp(en) ingeleverd en daarvoor € 1.820,- ontvangen;158

- Op 30 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) 11 ringen, 5 hangers, 7 kettingen, 1 oorbel en 2 halskettingen ingeleverd en daarvoor € 4.300,- ontvangen;159

- Op 5 november 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) een armband ingeleverd en daarvoor € 1.220,- ontvangen;160

- Op 21 november 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) (een) onbekend(e) voorwerp(en) ingeleverd en daarvoor € 1.004,- ontvangen;161

- Op 5 april 2013 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer]) een ring ingeleverd en daarvoor € 100,- ontvangen.162

Verdachte heeft ontkend dat hij sieraden of goederen zou hebben ingeleverd en dus hebben witgewassen.

Uit het bovenstaande volgt echter dat een persoon met de ID-nummers (dan wel van een ID-kaart, zijnde [nummer], of van een paspoort, zijnde nummer [nummer]) behorende bij verdachte163, deze sieraden heeft ingeleverd. Daarom acht de rechtbank zijn ontkenning ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het verdachte is geweest die deze voorwerpen bij deze juwelier heeft ingeleverd.

Verdachte heeft aldus in totaal in de periode van 19 juni 2012 tot en met 5 april 2013 een bedrag van € 10.740,- ontvangen door sieraden of soortgelijke voorwerpen in te leveren bij deze juwelier.164

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de financiële situatie van verdachte het niet anders kan dan dat deze sieraden afkomstig waren uit enig misdrijf. Nu verdachte voorts geen enkele verklaring heeft gegeven over de herkomst van deze sieraden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten minste redelijkerwijs moest vermoeden dat deze sieraden afkomstig waren van enig misdrijf. Door de sieraden te verkopen heeft hij omzettingshandelingen verricht waardoor de illegale herkomst werd verborgen.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 22 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op meer tijdstippen in de periode van 19 juni 2012 tot en met 5 april 2013 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, meerdere voorwerpen, te weten een aantal sieraden, heeft omgezet terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die sieraden -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf; (zaak 414)

Feit 23

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder feit 23 tenlastegelegde.

Feit 24

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van sieraden of geldbedragen op of omstreeks 14 en 15 januari 2013. Uit de OVC gesprekken volgt immers dat pas vanaf 14:58 uur op 15 januari 2013 pas vanaf 14: 58 uur concreet wordt gesproken over het verdelen en tellen van geld. Tevens wordt gezegd dat er is gewisseld en dat daar € 4.000,- a € 4.200,- is ontvangen. Gedurende deze gesprekken wordt de stem van verdachte niet herkend en zijn bijnaam wordt eveneens niet genoemd. De rechtbank zal hem daarom van dit feit vrijspreken.

Feit 1

(… standpunten officier van justitie en verdediging… )

De beoordeling door de rechtbank

Inleiding

Uit de hiervoor ten aanzien van de afzonderlijke tenlastegelegde feiten gebezigde bewijsmiddelen in samenhang met de inhoud van de hieronder nader te noemen bewijsmiddelen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een gestructureerd, crimineel samenwerkingsverband, dat bestond uit (tenminste) [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte]. Het doel van dit samenwerkingsverband was (in elk geval: mede) het – al dan niet in vereniging – plegen van woninginbraken en witwassen. Binnen het samenwerkingsverband bestond een zekere taakverdeling. Er werd gewerkt volgens een min of meer vast stramien. Er golden bepaalde regels en afspraken. Tot op zekere hoogte was er sprake van een hiërarchische verhouding tussen de groepsleden. De uit de woninginbraken verkregen waardevolle goederen werden onder hen verdeeld of door hen doorverkocht, waarna de opbrengst werd verdeeld. Een en ander zal hierna nader worden uitgewerkt, waarbij deels wordt verwezen naar de hiervóór gehanteerde bewijsmiddelen.

Groepsleden

In de vanaf 9 december 2012 tot en met 22 januari 2013 in de VW Polo en Suzuki Alto opgenomen gesprekken zijn frequent de stemmen van verdachte en/of één of meer van de vijf medeverdachten herkend165 en/of hun (bij-)namen166 gehoord wanneer er tegen of - in hun bijzijn - over hen werd gesproken.167 Het betreft vrijwel steeds:

  • -

    [medeverdachte] (bijnaam: [alias]) (in 16 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 22 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam),

  • -

    [medeverdachte] (bijnaam: [alias]) (in 21 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 26 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam),

  • -

    [medeverdachte] (bijnaam: [alias]) (in 14 van de in totaal 33 van de uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 25 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam),

  • -

    [medeverdachte] (bijnaam: [alias]) (in 13 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 21 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam),

  • -

    [medeverdachte] (bijnaam: [alias]) (in 16 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 26 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam) en

  • -

    [verdachte] (bijnaam: [alias] of [alias]) (in 23 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 21 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam).

Op grond hiervan constateert de rechtbank dat deze gesprekken telkens werden gevoerd tussen en/of in aanwezigheid van verdachte en één of meer van de vijf medeverdachten. Een enkele keer zijn in die gesprekken tevens de stemmen of namen van anderen herkend of gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank vormden verdachte en zijn medeverdachten echter de vaste kern van die groep, afgaande op de frequentie waarmee zij (in wisselende samenstelling) aan de gesprekken deelnamen en/of daarbij kennelijk aanwezig waren of tegen en over elkaar spraken. Uit een aantal gesprekken is ook af te leiden dat de groep zich beschouwde als ‘onovertroffen groep’168 ‘strijders’169. De conclusie van de rechtbank dat verdachte en zijn vijf medeverdachten vaak in elkaars gezelschap verkeerden, wordt bevestigd door registraties van de politie naar aanleiding van surveillances in de periode van 17 oktober 2012 tot en met 13 mei 2013.170 Daaruit blijkt dat verdachte en genoemde vijf medeverdachten in die periode veelvuldig – in wisselende samenstellingen – met elkaar in of bij de VW Polo en de Suzuki Alto (en af en toe andere voertuigen) zijn aangetroffen. Op grond van dit alles stelt de rechtbank vast dat in ieder geval verdachte en genoemde vijf medeverdachten deel uitmaakten van een vaste groep personen die (in ieder geval) in of bij die voertuigen frequent samen kwam en die weliswaar een wisselende samenstelling had, maar ook een min of meer besloten karakter.

Oogmerk: inbreken en witwassen

Met betrekking tot de al genoemde opgenomen gesprekken tussen deze zes groepsleden constateert de rechtbank dat die nagenoeg alle (mede) gingen over te plegen woninginbraken en/of (de buit van) gepleegde woninginbraken. Er werd in of nabij beide voertuigen vaak letterlijk gesproken over inbreken, met gebruikmaking van woorden en termen als ‘(in- of open-) breken’, ‘open maken’, ‘naar binnen gaan’ en ‘stelen’. De rechtbank heeft, ook gelet op de context waarbinnen die woorden werden gebruikt, geen twijfel over de betekenis van die woorden.171 De suggestie van de verdediging dat ‘breken’ in die gesprekken de betekenis heeft van ‘breaken’ en dus ‘chillen’ in plaats van ‘inbreken’, valt daarmee niet te rijmen en wijst de rechtbank van de hand als ongeloofwaardig. Verder werd in de opgenomen gesprekken – blijkens de context – ook wel over stelen gesproken, terwijl dan bewust niet voor de hand liggende, andere woorden daarvoor werden gebruikt, zoals ‘eten’ en ‘werken’.172 Daarnaast ging een heel aantal gesprekken ook over goud, zilver, diverse soorten sieraden, horloges, kluizen, computers, laptops en geld.173 Het is een feit van algemene bekendheid dat daders van woninginbraken het juist op dit soort zaken hebben gemunt. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit – mede in de context van de vele (vaak: letterlijke) gesprekken over (in)breken – dat de groepsleden op die momenten de uit inbraken verkregen of nog te verkrijgen buit bespraken. Een deel van de door de groepsleden besproken goederen is ook specifiek te koppelen aan in Culemborg gepleegde woninginbraken, zoals uit de hiervoor vermelde bewezenverklaringen ten aanzien van verdachte en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot die feiten blijkt.

Op grond van de talrijke gesprekken over, kort gezegd, inbreken en de buit heeft de rechtbank de overtuiging dat de groep het oogmerk had woninginbraken te plegen.

Uit de gesprekken tussen de groepsleden blijkt verder dat zij – zoals de meeste inbrekers; ook een feit van algemene bekendheid – inbraken pleegden uit financieel gewin.174 De buit van de inbraken werd dan ook onder hen verdeeld, al dan niet nadat de gestolen goederen eerst verkocht werden voor geld.175 Waardevolle (meest: gouden) sieraden waren in elk geval vaak voor de verkoop bedoeld.176 Gebleken is dat twee van de zes groepsleden eenmaal of meermalen sieraden hebben ingeleverd tegen betaling van contant geld bij verschillende juweliers in Utrecht.177 Vijf van de zes groepsleden zijn op 9 maart 2013 bij zo’n juwelier geweest om het legitimatiebewijs van één van hen terug te vragen, zodat – naar de overtuiging van de rechtbank – niet uit zou komen dat hij eerder bij die juwelier sieraden had ingeleverd.178 Op grond van dit alles stelt de rechtbank vast dat de groep mede tot oogmerk had het witwassen van de buit van inbraken.

Het dubbele criminele oogmerk van de groep werd overigens treffend verwoord door [verdachte], toen hij in één van de opgenomen gesprekken opmerkte: “Nee, bij ons nummer 1 is diefstal, zeg maar geld. nummer 2 is met elkaar lachen, elkaar zien en zo …).”179

Werkwijze en taakverdeling

Uit de in de VW Polo en Suzuki Alto opgenomen gesprekken leidt de rechtbank af dat de groep bij de beraming en de uitvoering van de inbraken veelal de navolgende werkwijze en taakverdeling hanteerde.

Er vonden voorverkenningen plaats, vaak door met de auto ‘rondes te maken’180 in de wijk in Culemborg waarin zij woonden en de omliggende wijken. Deze voorverkenningen dienden er toe te bekijken in welke woningen zij zouden willen inbreken, waarbij zo nodig meermalen langs de desbetreffende woningen werd gereden.181 Dit wordt bevestigd door getuigen die de VW Polo meermalen hebben zien rijden door de straat van een door inbraak getroffen woning in de dagen vóór de inbraak en omstreeks het tijdstip dat die inbraak moet zijn gepleegd.182 De groepsleden maakten dan een inschatting van de feitelijke mogelijkheid om ongestoord en ongezien binnen te komen.183 In de gaten werd bijvoorbeeld gehouden welk voertuig door de bewoners van een bepaalde woning werd gebruikt.184 De groepsleden hielden ook de aan- of afwezigheid van de bewoners in de gaten.185 Ter controle of bewoners thuis waren, werd ook bij woningen aangebeld of geklopt.186 Afgesproken werd met elkaar wanneer en waar zou worden toegeslagen.187

De groep had de beschikking over een (of meer) koevoet(en) en/of bandenlepel(s) en/of andere breekvoorwerpen – door hen ook wel ‘brekie’ genoemd – om deuren of ramen open te breken als dat nodig was om een woning binnen te komen.188 Deze breekwerktuigen werden bewaard in bijvoorbeeld een brandgang189 of struiken (’bosjes’) en opgehaald kort vóór de te plegen inbraken.190

Verder droegen de leden van de groep tijdens het inbreken handschoenen en/of sokken, naar de rechtbank aanneemt om geen sporen achter te laten. Ook die zaken hadden zij niet steeds bij zich in de auto’s; zij moesten vóór de inbraak ergens vandaan worden gehaald, soms eveneens uit ‘de bosjes’.191

De rechtbank constateert dat de groepsleden deze ‘spullen’ – breekwerktuigen, handschoenen, sokken – kennelijk slechts korte tijd vóór en na de inbraak bij zich wilden hebben.192 Zij gaat ervan uit dat de groepsleden op die manier wilden voorkomen dat tijdens een eventuele politiecontrole van hun voertuigen dergelijke verdachte zaken in hun aanwezigheid zouden worden aangetroffen. De groepsleden waren zich dan ook, zo leidt de rechtbank af uit sommige gespreksfragmenten, bewust van het risico van politiecontroles en betrapping op heterdaad.193

Uit gespreksfragmenten volgt verder, dat tijdens de inbraken zelf vaak een min of meer vaste taakverdeling gold, ook al voerde niet ieder groepslid steeds dezelfde taken uit en was niet steeds elk groepslid bij iedere inbraak aanwezig. Eén deel van de groep nam volgens de vaste werkwijze het ‘breken’ voor zijn rekening, een ander deel het ‘naar binnen gaan’.194 Met het opsplitsen van deze twee taken beoogde men, zo neemt de rechtbank aan, te voorkomen dat alle leden van de groep op heterdaad zouden kunnen worden betrapt.195 Verder stond geregeld iemand van de groep op de uitkijk.196 Ook werd in de buurt van de inbraak rondgereden met één of twee auto’s, om de groepsleden in de buurt van de plaats van de inbraak te brengen en/of de politie in de gaten te houden en/of om na het plegen van de inbraak of bij onraad de andere groepsleden snel de omgeving uit te krijgen.197 Frequent werd daarnaast de politie of het politiebureau in de gaten gehouden.198 In de uitwerking van de OVC-gesprekken valt in dit verband veelvuldig het woord ‘ibaash’, hetgeen door de tolk steeds is vertaald met ‘insecten’ en/of ‘politie’. De rechtbank is ervan overtuigd dat deze vertaling van het woord ‘ibaash’ juist is, althans dat de groepsleden met ‘ibaash’ of ‘insecten’ doelden op de politie, gelet op de context waarin zij deze woorden bezigden.199 Ook volgt het logischerwijs uit de combinatie met het woord ‘bureau’ waarin deze woorden eveneens werden gebruikt (‘insectenbureau’).200 De groep meende voorts te weten van welke voertuigen de politie in Culemborg zich bediende en hield de bewegingen en kentekens van deze politievoertuigen scherp in de gaten.201

Regels en afspraken

Naast de min of meer vaste werkwijze en taakverdeling van de groep constateert de rechtbank, op grond van fragmenten van de in de VW Polo en/of Suzuki Alto opgenomen gesprekken, dat voor daarmee verband houdende zaken nog een aantal afspraken of regels gold. Zo was kennelijk de afspraak dat de groepsleden elkaar via ‘pings’ – gratis tekstberichten, te versturen met een mobiele telefoon van het merk BlackBerry – op de hoogte stelden wanneer men zou gaan inbreken.202 Ook lijkt het erop dat was afgesproken dat degene die op de uitkijk stond de anderen via 'pings' moest waarschuwen bij onraad.203 Verder concludeert de rechtbank dat de leden van de groep geld moesten betalen om te mogen meedoen aan de te plegen inbraken.204 Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat die betalingen dienden ter dekking van de kosten van bijvoorbeeld autobrandstof en/of inbrekersgereedschap.

Hiërarchie/statusverschillen

Uit sommige van de opgenomen gesprekken leidt de rechtbank voorts af dat niet ieder groepslid evenveel aanzien genoot, maar dat van een zekere hiërarchie c.q. verschil in status sprake was. Er waren kennelijk leden die minder lang ‘meedraaiden’ terwijl sommige groepsleden, zoals [verdachte], andere leden hadden aangebracht en hadden ‘leren breken’. De meer ervaren leden, zoals wederom [verdachte], konden bijna ‘met pensioen’ – zoals dat binnen de groep werd bestempeld – en zij werden geacht ‘wijze raad’ te (kunnen) geven aan de minder ervaren leden, die gezien werden als ‘opkomend talent’ of ‘in stage/opleiding’.205

Samenvatting en beoordeling

Uit hetgeen hiervoor onderwerpsgewijs is besproken, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een structurele samenwerking tussen (tenminste) [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte], gericht op het plegen van woninginbraken en het witwassen van de daaruit verkregen buit. Binnen dit samenwerkingsverband hebben al deze personen daadwerkelijk vele – zo niet: alle – van de ten behoeve van de woninginbraken uit te voeren taken (voorverkennen, controleren of de bewoners thuis waren, de spullen halen, breken, naar binnen gaan, op de uitkijk staan, de politie in de gaten houden, de bij de inbraken gebruikte auto’s besturen) verricht, zo blijkt uit de inhoud van de gesprekken, waarnaar hiervoor in de voetnoten wordt verwezen. Daaruit blijkt ook dat zij eveneens allen betrokken zijn geweest bij het verdelen van de buit en dat zij daarin meedeelden. Daaruit volgt dat zij ook allen daadwerkelijk een aandeel hebben gehad in en ondersteuning hebben geboden aan gedragingen die strekten of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van de woninginbraken en het witwassen. Daarin ligt voorts besloten dat zij allen op de hoogte waren van deze criminele oogmerken van hun groep.

Op grond van de frequentie en het aantal van de in de periode van 9 december 2012 tot en met 22 januari 2013 opgenomen gesprekken tussen [verdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] met als gespreksstof ‘inbreken’ en/of het verdelen van de buit, mede bezien in het licht van de hiervóór ten aanzien van verdachte en de – eveneens bij vonnis van heden – ten aanzien van zijn medeverdachten bewezenverklaarde feiten, duidt de rechtbank de samenwerking tussen de groepsleden als duurzaam.

Gelet op de hiervoor (onder de diverse kopjes) door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden vallen de activiteiten van de groepsleden niet meer te kwalificeren als een aantal incidentele, in vereniging gepleegde inbraken en witwashandelingen. Er was daarentegen sprake van een goed georganiseerd, crimineel samenwerkingsverband dat structureel op basis van tevoren doordachte plannen op grote schaal heeft ingebroken in en om de wijk Terweijde in Culemborg en daarna steeds de buit verdeelde en te gelde maakte, onder andere door sieraden te verkopen in Utrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een criminele organisatie zoals bedoeld in art. 140 Wetboek van Strafrecht. Overigens lijkt [verdachte] zelf ook die mening te zijn toegedaan. Hij heeft zich immers tijdens één van de opgenomen gesprekken laten ontvallen: ‘Wat een georganiseerde bende zijn wij. Donder op, is toch niet normaal. We zijn uitgegroeid van een chaos inbraak naar een snelinbraak.206

Ten aanzien van verdachtes concrete feitelijke bijdragen aan de verwezenlijking van de criminele oogmerken van deze groep verwijst de rechtbank naar de hiervoor ten aanzien van hem bewezenverklaarde feiten en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank acht niet bewezen dat de groep ‘heling’ als derde criminele oogmerk had, zoals in de tenlastelegging is opgenomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet of onvoldoende concreet van hierop gericht opzet van de groepsleden in het kader van hun samenwerking. Van dit onderdeel van het tenlastegelegde onder feit 1 zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank is ervan overtuigd dat de criminele activiteiten van de groep – gezamenlijk inbreken en witwassen – zich niet hebben beperkt tot de periode van 9 december 2012 tot en met 22 februari 2013 waarin in de VW Polo en de Suzuki Alto de gesprekken zijn opgenomen. Ook vóór en ná die periode is het merendeel van hen tussen 17 oktober 2012 en 13 mei 2013 veelvuldig in wisselende samenstellingen in elkaars gezelschap gezien.207 Voor een aantal van hen geldt daarnaast dat zij ook vóór 17 oktober 2012 een aantal malen onder verdachte omstandigheden zijn gezien en/of dat zij in verband worden gebracht met daarvóór gepleegde inbraken.208 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er echter onvoldoende concrete aanwijzingen dat toen al sprake was van de hiervoor besproken, relatief vastomlijnde groep van nauw en structureel – zij het in wisselende samenstelling – samenwerkende personen.

Het deelnemen door verdachte aan deze criminele organisatie acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen voor de periode van 17 oktober 2012 tot en met 13 mei 2013. Zij zal verdachte vrijspreken voor zover hem een langere periode van deelneming aan een criminele organisatie is tenlastegelegd.

Naar aanleiding van de opmerking van de verdediging dat ook na het oppakken van verdachte en zijn medeverdachten er nog volop wordt ingebroken in Culemborg, overweegt de rechtbank nog het volgende. Aan de vaststelling door de rechtbank dat verdachte in de zojuist genoemde periode samen met de vijf medeverdachten een criminele organisatie vormde die op grote schaal inbraken pleegde in Culemborg doet niet af dat naast de leden van deze organisatie ook anderen – al dan niet in georganiseerd verband – zich in diezelfde periode alsmede daarvóór en daarná schuldig konden en kunnen maken aan het plegen van inbraken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2012 tot en met 13 mei 2013 in de gemeente Culemborg en/of de gemeente Utrecht, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep samenwerkende personen die gevormd werd door/bestond uit [medeverdachte] en [verdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gekwalificeerde) diefstal (diefstal in vereniging en/of met braak, verbreking, inklimming) en witwassen; (zaak 401)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van de feiten 3, 9, 10, 13, 14, 15 en 17 telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van de feiten 6, 7 en 12 telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Ten aanzien van feit 16 primair:

Schuldheling.

Ten aanzien van feit 21:

Medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van feit 22:

Medeplegen van schuldwitwassen.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een straf zal worden opgelegd met toepassing van het jeugdsanctierecht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feiten 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 21, 22 en 24 zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de strafmaat in de ‘veldhovense jeugdbende’, waarin het ook jongeren ging die voor meerdere inbraken terecht stonden.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 augustus 2013; en

 voorlichtingsrapportages van de Raad van de Kinderbescherming, d.d. 30 mei 2013, 11 juni 2013, 27 juni 2013 en 31 december 2013, betreffende verdachte;

 een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog], kinder- en jeugdpsycholoog, gedateerd 20 november 2013 en van dr. [psychiater], kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 15 november 2013.

 een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog], kinder- en jeugdpsycholoog, gedateerd 20 augustus 2013 en van dr. [psychiater], kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 20 augustus 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Minderjarigenstrafrecht of meerderjarigenstrafrecht?

Verdachte was ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten 17 jaar oud.

Ten aanzien van personen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt is de hoofdregel ingevolge artikel 77a van het Wetboek van strafrecht dat het sanctierecht voor jeugdigen wordt toegepast. Van deze mogelijkheid kan echter op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht worden afgeweken indien de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader óf de omstandigheden waaronder het feit is begaan hiertoe aanleiding geven.

Enerzijds heeft de rechtbank het belang van de persoon van de verdachte beoordeeld.

In het pro justitia rapport van mw. [psychiater], psychiater en drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, wordt geadviseerd het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

In hun rapport vermelden zij - onder andere - het volgende over verdachte:

“Vanuit het onderhavige onderzoek kan worden geconcludeerd dat onderzochtes persoonlijkheidsontwikkeling onder druk staat als gevolg van zijn negatieve identiteitsontwikkeling (antisociale peercontacten buiten de deur ) en zijn moeizame school-beroepsontwikkeling.

[…]

Rapporteur is van mening dat het persoonsbeeld zo gekenmerkt wordt door een uitvergroting van adolescente problematiek en dat er zich een zo uitgesproken bedreiging van de sociaal emotionele ontwikkeling voordoet, dat vanuit gedragsdeskundig perspectief beoordeling en begeleiding binnen het jeugdstrafrecht van toepassing zou moeten zijn.”

Anderzijds weegt de rechtbank zwaar mee dat de feiten waaraan verdachte schuldig is bevonden ernstige strafbare feiten betreffen, met name ook waar het betreft deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. De rechtbank merkt daarbij voorts op dat het een groot aantal feiten betreft, dat binnen korte tijd is gepleegd en dat die feiten een enorme impact hebben gehad op de woonomgeving waar de inbraken zijn gepleegd. De rechtbank overweegt dat met name de geraffineerde manier van ‘werken’ maakt dat gesproken kan worden van ‘volwassen criminaliteit’.

Met ‘de omstandigheden waaronder het feit is begaan’ heeft de wetgever, zo blijkt uit de memorie van toelichting, onder andere voor ogen gehad dat bij hetzelfde feit meerder- en minderjarige daders betrokken kunnen zijn. Om in die gevallen ‘gelijkwaardige’ straffen op te kunnen leggen is de mogelijkheid om in die gevallen het meerderjarigenstrafrecht toe te passen opgenomen. Van een dergelijke situatie is hier ook sprake.

In dit geval zou dus, zowel op grond van de ernst van de feiten als op grond van de omstandigheden van het geval, besloten kunnen tot worden tot toepassing van het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting een ander beeld van verdachte naar voren is gekomen dan uit de hiervoor genoemd rapportage. De rechtbank heeft bij lezing van het dossier waargenomen dat verdachte een grote (volwassen) rol had binnen de criminele organisatie, waarbij hij zeggenschap lijkt te hebben over anderen, ook als die ouder zijn dan hijzelf. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte meermalen een sturende rol heeft gespeeld bij de voorbereiding en uitvoering van inbraken. Ook leidt de rechtbank uit diverse OVC-gesprekken af dat verdachte meermalen beslissingen over taakverdeling binnen de groep heeft genomen. Voorts hecht de rechtbank waarde aan gevoerde gesprekken waarin is te horen dat - naar het oordeel van de rechtbank - verdachte zijn mededaders uitlacht en dat hij ruzie over bijvoorbeeld een flesje parfum maakt met zijn mededaders, ook al zijn zij ouder dan hijzelf. Het beeld dat verdachte ter terechtzitting van zichzelf heeft laten zien, is dat van een onverschillige jongeman, die de indruk heeft gewekt zeer bewust verkeerde keuzes te hebben gemaakt.

De rechtbank vindt dan ook zowel in de persoon van de verdachte, als in de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daarom reden om af te wijken van de hoofdregel om het jeugdsanctierecht toe te passen en zal het volwassenensanctierecht toepassen.

Strafmaat:

Verdachte heeft gedurende een langere periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie die onder meer het plegen van woninginbraken tot doelstelling had. Binnen dit criminele samenwerkingsverband heeft verdachte zich ook daadwerkelijk, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan het plegen van diverse woninginbraken in en rondom één en dezelfde wijk in Culemborg. Verdachte en/of zijn mededaders hebben vervolgens veelal de gestolen goederen witgewassen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling.

De groep van verdachte en zijn mededaders heeft de woninginbraken op doortrapte wijze voorbereid en gepleegd. De groep deed aan voorverkenningen om zo de doelwitten vooraf te bepalen. Verder was er bijna steeds sprake van een geraffineerde taakverdeling, om het risico van betrapping te verkleinen: een deel van de groep brak een deur of raam open, een andere deel ging naar binnen om daar goederen weg te nemen, iemand stond op de uitkijk en weer een ander hield de politie in de gaten. Veelal werden de inbrekersbenodigdheden en de gestolen waar direct verdeeld, verstopt of verkocht. Het inbreken zelf ging vaak gepaard met fors geweld. Deur- en/of raamkozijnen zijn daarbij op zijn minst fors beschadigd, maar ook geregeld totaal vernield. De woningen werden vervolgens volledig overhoop gehaald. Verdachte en/of zijn mededaders schroomden niet om ook in zeer persoonlijke spullen van de bewoners te snuffelen, zoals ondergoed en voorbehoedsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt een dergelijke werkwijze van een grote mate van disrespect voor de persoonlijke levenssfeer van anderen. Verdachte en zijn mededaders hebben daarop in ernstige mate inbreuk gemaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De bewoners van de getroffen wijk (en directe omgeving) in Culemborg hebben zich, onder andere door de veelheid aan woninginbraken, niet meer veilig kunnen voelen in hun woning, wijk en stad. Naast dit wijdverbreide onveiligheidsgevoel en de materiële schade die de slachtoffers van de door inbraak getroffen woningen opliepen, werden bij de woninginbraken ook nog veel onvervangbare sieraden en andere persoonlijke goederen, zoals bijvoorbeeld gegevensdragers met foto- en video-opnames, meegenomen. De sieraden zijn veelal verkocht aan juweliers, die in veel gevallen het goud of het zilver hebben omgesmolten, waardoor slachtoffers niet veel hoop hoeven te hebben op terugkeer van die sieraden. De grote emotionele waarde die deze sieraden en de overige goederen voor de slachtoffers vertegenwoordigden, is door de verdachte en zijn mededaders botweg genegeerd. Zij waren louter uit op eigen, ‘gemakkelijk’ financieel gewin.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte met zijn handelen veel mensen niet alleen in materieel, maar ook in emotioneel opzicht pijn heeft gedaan. De rechtbank neemt dit verdachte en zijn mededaders zeer kwalijk.

Ter afdoening van de soort en het aantal strafbare feiten, zoals door verdachte gepleegd, acht de rechtbank enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Uit de opgemaakte rapportages blijkt dat verdachte geen inzicht heeft willen geven in (de achtergrond van) de gepleegde feiten. Tijdens de behandeling ter terechtzitting is daarin geen verandering gekomen. Hij heeft geen enkel berouw getoond. Een voorwaardelijk strafdeel is ook daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

De rechtbank zal dan ook een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te noemen duur. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering moeten worden gebracht.

Door de verdediging is nog opgemerkt dat het “Robar”-onderzoek en de arrestatie van verdachte onderwerp is geweest van grote aandacht van de media en dat dit het openbaar ministerie valt te verwijten. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat ook zij de ruime mediabelangstelling voor deze zaak heeft waargenomen. Maar de rechtbank heeft daarbij niet waargenomen dat die aandacht zodanig gericht is geweest op verdachte dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad.

Wel heeft de rechtbank opgemerkt dat door de grote aandacht in de media in het bijzonder de Nederlands-Marokkaanse gemeenschap in Culemborg in een kwaad daglicht is gesteld. Dat verdachte, die zelf van Nederlands-Marokkaanse afkomst is, aan de daardoor ontstane negatieve beeldvorming over deze gemeenschap een bijdrage heeft geleverd, neemt de rechtbank hem ook kwalijk.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. Beslag

Teruggave

Ten aanzien van de na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen is de rechtbank van oordeel dat deze terug moeten worden gegeven aan diegene, zijnde verdachte, waaronder de voorwerpen in beslag zijn genomen. Het betreft de volgende voorwerpen:

- G.10.01.009.01 (oorsieraad), G.10.01.010 (sieradendoosje).

Terug rechthebbende:

Ten aanzien van het na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen is de rechtbank van oordeel dat deze terug moeten worden gegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken: [benadeelde]. Het betreft het volgende voorwerpen:

- G.07.01.001 (laptop merk Toshiba); en

- G.07.01.001.01 (laptop merk Toshiba, Satellite A200-ltw).

6b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde] (ter zake van de feiten 2, 8 en 18) , [benadeelde] (ter zake van feit 8), [benadeelde] (ter zake van feit 12) en [benadeelde] (ter zake van feit 16) hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding.

Gevorderd worden de volgende bedragen:

  • -

    [benadeelde]: € 3.548,34, vermeerderd met de wettelijke rente

  • -

    [benadeelde]: € 2.019,34;

  • -

    [benadeelde]: € 450,--, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    [benadeelde]: € 2.450,34, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

(… standpunt officier van justitie over de vorderingen van benadeelde partijen… )

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde], [benadeelde] en [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat hetzij de gestelde schade niet rechtstreeks is toegebracht door enig bewezenverklaard feit, hetzij de gestelde schade niet in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [benadeelde] geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2013.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade ad €100,- overweegt de rechtbank dat deze niet is betwist en dat de rechtbank deze vordering niet ongegrond voorkomt.

Aan [benadeelde] is door het onder 12 bewezenverklaarde strafbare feit ook rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De vraag of de wet in dit geval een grondslag biedt voor toekenning aan de benadeelde partij van smartengeld, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte en/of zijn mededader(s) de woning van de benadeelde partij onrechtmatig zijn binnengedrongen en die vervolgens van onder tot boven hebben doorzocht. Juist die woning behoort voor de benadeelde partij een veilige, ‘onschendbare’ plaats te zijn. Het privéleven van de benadeelde partij heeft in de eigen woning immers zijn basis. In dit licht bezien hebben verdachte en/of zijn mededaders met de inbraak een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. Rekening houdend met de aard en de ernst van genoemde inbreuk en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank toekenning van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 350,00 billijk.

Hoofdelijkheid

In een aantal gevallen rust de verplichting tot vergoeding van dezelfde schade van de benadeelde partijen naast verdachte ook nog op één of meer anderen. In die gevallen is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid voor die schade, hetgeen inhoudt dat verdachte niet meer tot vergoeding daarvan is gehouden indien en voor zover het verschuldigde door de medeaansprakelijke(n) is voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, met dien verstande dat indien en voor zover door de medeaansprakelijke(n) aan deze betalingsverplichting is voldaan ook verdachte daardoor tegenover de Staat zal zijn gekweten.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 77b, 140, 310, 311, 417bis 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 2 primair en subsidiair, 4, 5, 8, 11, 18, 19, 20, 23 en 24 heeft begaan.

Spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten 2, 4, 5, 8, 11, 18, 19, 20, 23 en 24.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de teruggave aan veroordeelde van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- G.10.01.009.01 (oorsieraad), G.10.01.010 (sieradendoosje).

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- G.07.01.001 (laptop merk Toshiba);

- G.07.01.001.01 (laptop merk Toshiba, Satellite A200-ltw).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover mededader(s) betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde], te betalen € 450,- (vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover mededader(s) betalen ook veroordeelde daardoor zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], te betalen € 450,- (vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. M.C. Gerritsen, kinderrechter, als voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. C.M.E. Lagarde, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken en mr. L. Ruessink, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Oost Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer , 2013065946, gesloten op 15 augustus 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Processen-verbaal van verdenking (art. 27 Sv) d.d. 22 augustus 2012 m.b.t. [medeverdachte] (p. 37 en 38), [medeverdachte] (p. 143-145) en [medeverdachte] (p. 348-350) en proces-verbaal d.d. 26 november 2012 m.b.t. [verdachte] (p. 207-209).

3 Proces-verbaal ter aanvulling van de leeswijzer van het dossier d.d. 12 augustus 2013, p. 10 en 11.

4 Proces-verbaal van 5 november 2012 met documentcode BOB56 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte]), proces-verbaal van 12 november 2012 met documentcode BOB56A (wijziging aanvraag m.b.t. [medeverdachte]) en proces-verbaal van 14 november 2012 met documentcode BOB63 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte]).

5 Kamerstuk 1996-1997, 25403, nr. 3 Memorie van Toelichting, p. 18

6 Proces-verbaal d.d. 5 november 2012 met documentcode BOB56 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte]) en proces-verbaal d.d. 14 november 2012 met documentcode BOB63 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte])

7 Zie o.a. proces-verbaal d.d. 28 augustus 2012 met documentcode BOB07 (aanvraag m.b.t. Sinay), proces-verbaal d.d. 5 september 2012 met documentcode BOB16 (aanvraag m.b.t. Bourkha), proces-verbaal d.d. 13 september 2012 met documentcode BOB21 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte]) en proces-verbaal d.d. 26 oktober 2012 met documentcode BOB45 (aanvraag m.b.t. [medeverdachte]).

8 Proces-verbaal d.d. 23 oktober 2012 met documentcode BOB37.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2013, p. 1609-1610.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2013, p. 29-30.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2013, p. 2836.

12 Proces-verbaal zaak 501, d.d. 6 augustus 2013, p. 4419, 9e en 23e regel van boven.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 7 maart 2013, p. 3045.

14 Proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 26 maart 2013, p. 3058.

15 Proces-verbaal van stemherkenning d.d. 15 mei 2013 door [verbalisant], pag. 29, alsmede proces-verbaal van stemherkenning d.d. 15 mei 2013 door [verbalisant], pag. 31

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2013, p. 31-32.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2013, p. 29-30.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2013, p. 1609-1610.

19 Processen-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 25 november 2013, respectievelijk 26 november 2013

20 Proces-verbaal bevindingen inzet technische hulpmiddelen met bijlagen, d.d. 16 december 2013.

21 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 16 november 2012, p. 709 en 710, alsmede de goederenbijlage d.d. 15 november 2012 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2012, p. 713 en 714

22 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 16 november 2012, p. 710, 17e en 18e regel van boven

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2013, p. 726 onderaan

24 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 20 december 2012, p. 844, alsmede de ‘bijlage weggenomen goederen’ d.d. 27 december 2012 behorend bij proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 20 december 2012, p. 847-849

25 Proces-verbaal zaak 93 d.d. 1 augustus 2013, met bijlagen, p. 838 midden, alsmede proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 20 december 2012, p. 844, 6e regel van onderen

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2013, p. 851, 11e regel van boven

27 Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘bijlage weggenomen goederen’ d.d. 27 december 2012 behorend bij proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 20 december 2012, p. 847, 4e regel van onderen

28 Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘bijlage weggenomen goederen’ d.d. 27 december 2012 behorend bij proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 20 december 2012, p. 848, 8e regel van onderen, resp. p. 849, 1e regel van boven

29 Schriftelijk bescheid, houdende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 20 december 2012, vanaf p. 858, 8e regel van onderen.

30 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 december 2012, p. 1010.

31 Proces-verbaal Zaak 96 d.d. 5 augustus 2013, p. 999-1007.

32 Persoonsdossiers, voorafgaand aan het persoonsdossier van [medeverdachte] aanvangend op p. 291)

33 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2013, p. 1014-1015.

34 Proces-verbaal Zaak 96 d.d. 5 augustus 2013, p. 1002 op 1/3 en 2/3 van de pagina.

35 Proces-verbaal van aangifte d.d.25 december 2012, p. 1067.

36 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d.18 april 2013, p. 1079.

37 Proces-verbaal Zaak 97, p. 1063 halverwege.

38 Schriftelijk bescheid, houdende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 24 december 2012, p. 1107, 7e regel van onderen.

39 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [benadeelde] d.d. 15 april 2013, p. 1227, 7e regel van boven

40 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [benadeelde] d.d. 15 april 2013, p. 1226, 4e alinea van onderen

41 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1214, alsmede de ‘bijlage weggenomen goederen’ d.d. 26 december 2012 behorend bij proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1216

42 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1214, 3e alinea van onderen, alsmede proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 april 2013, p. 1230, 2e alinea van onderen

43 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1408, alsmede de ‘bijlage weggenomen goederen’ d.d. 26 december 2012 behorend bij proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1410

44 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1208, onderste alinea, alsmede proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 april 2013, p. 1425, midden

45 Proces-verbaal van aangifte (zie hiervoor), alsmede proces-verbaal van verhoor getuige/aangeefster [benadeelde] d.d. 7 mei 2013, p. 1228 midden, resp. p. 1229, laatste regel vóór aanhalingsteken

46 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [benadeelde] d.d. 15 april 2013, p. 1226, 4e alinea van onderen

47 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2013, p. 1225 midden

48 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [benadeelde] d.d. 15 april 2013, p. 1227, 3e alinea van boven

49 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 april 2013, p. 1230, 11e regel van onderen

50 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 april 2013, p. 1231, 1e en 2e spoor

51 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013, p. 1314, 13e regel van onderen

52 Proces-verbaal van aangifte (zie hiervoor), alsmede proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013, p. 1313, 2e alinea van onderen

53 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 25 december 2012, p. 1408, 2e alinea van onderen

54 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 april 2013, p. 1426, bovenaan

55 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige] d.d. 11 april 2013, p. 1428

56 Proces-verbaal zaak 98, met bijlagen, p. 1175

57 Proces-verbaal zaak 98, met bijlagen, p. 1199

58 Schriftelijk bescheid, houdende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, vanaf p. 1239

59 Proces-verbaal bakengegevens d.d. 7 mei 2013, p. 1431, 8e regel van onderen

60 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2013, p. 1234 (alsmede p.1430)

61 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2013, p. 1234 (alsmede p.1430)

62 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2013, p. 1889-1890, bijlage weggenomen goederen, p. 1891 en/of proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2013, p. 1898.

63 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2013, p. 1889-1890.

64 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2013, p. 1889.

65 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2013, p. 1890.

66 Relaasproces-verbaal d.d. 8 augustus 2013, p. 1884.

67 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 5 januari 2013.

68 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 5 januari 2013.

69 Zie voor deze conclusie en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van feit 1, onder het kopje ‘Werkwijze en taakverdeling’, laatste alinea.

70 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2013, p. 1976-1977, proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2013, p. 1983.

71 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2013, p. 1976-1977, proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2013, p. 1983.

72 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2013, p. 1976-1977, proces-verbaal van bevindingen, p. 1983.

73 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2013, p. 1983.

74 Proces-verbaal van bevindingen mbt verdachte auto d.d. 19 februari 2013, p. 1994-1995.

75 Proces-verbaal van verhoor van getuige Koetsier d.d. 1 mei 2013, p. 1996-1997.

76 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2013, p. 1985, respectievelijk d.d. 26 april 2013, p. 1998.

77 Schriftelijk bescheid bestaande uit mutatierapport d.d. 6 januari 2013, p. 2000.

78 Relaasproces-verbaal d.d. 29 juli 2013, p. 1961-1962.

79 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 6 januari 2013

80 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2013, p. 1983

81 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2013, p. 1983

82 Relaasproces-verbaal d.d. 29 juli 2013, p. 1961-1962

83 Zie voor deze conclusie en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van feit 1, onder het kopje ‘Werkwijze en taakverdeling’.

84 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], d.d. 8 januari 2013, p. 2057.

85 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], d.d. 8 januari 2013, p. 2058.

86 Proces-verbaal verhoor aangever van [benadeelde], d.d. 10 april 2013, p. 2066.

87 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 april 2013, p. 2068, laatste alinea.

88 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], d.d. 8 januari 2013, p. 2058.

89 Proces-verbaal bakengegevens zaak 125, d.d. 17 april 2013, p. 2170 en 2171.

90 Proces-verbaal bakengegevens zaak 125, d.d. 17 april 2013, p. 2170 en 2171

91 Schriftelijk bescheid inhoudende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 7 januari 2013, p. 2132.

92 Schriftelijk bescheid inhoudende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 7 januari 2013, p. 2116.

93 Schriftelijk bescheid inhoudende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 7 januari 2013, p. 2158.

94 Schriftelijk bescheid inhoudende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 7 januari 2013, p. 2124.

95 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2013, p. 2105.

96 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde], d.d. 6 februari 2013, p. 2350.

97 Proces-verbaal verhoor aangever [benadeelde], d.d. 13 juni 2013, p. 2356 laatste alinea.

98 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde], d.d. 6 februari 2013, p. 2350, derde alinea en p. 2351 tweede alinea.

99 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde], d.d. 15 januari 2013, p. 2523.

100 Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde], d.d. 18 juni 2013, p. 2553.

101 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde], d.d. 15 januari 2013, p. 2523.

102 Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde], d.d. 16 april 2013, p. 2551.

103 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], d.d. 14 juni 2013, p. 2557.

104 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde], d.d. 15 januari 2013, p. 2528.

105 Proces-verbaal bakengegevens, d.d. 26 juni 2013, pagina 2360.

106 Schriftelijk bescheid inhoudende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 13 januari 2013, p. 2588.

107 Schriftelijk bescheid inhoudende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 13 januari 2013, p. 2595.

108 Proces-verbaal verhoor aangever [benadeelde], d.d. 13 juni 2013, p. 2356 laatste alinea

109 Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde], d.d. 16 april 2013, p. 2551.

110 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], d.d. 14 juni 2013, p. 2557.

111 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 13 januari 2014, p. 3441-3442.

112 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 13 januari 2014, p. 3441-3442.

113 Proces-verbaal van bakengegevens d.d. 17 april 2013, p. 2453, 13e t/m 19e regel.

114 een schriftelijk bescheid, houdende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 13 januari 2013, p. 2464-2465.

115 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013, p. 2468, 30e t/m 35e regel.

116 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013, p. 2468, 39e t/m 40e regel en p. 2469 10 t/m 11e regel.

117 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 15 januari 2013, p. 2667-2668.

118 goederenbijlage d.d. 18 januari 2013 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2013, p. 2670.

119 goederenbijlage d.d. 18 januari 2013 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2013, p. 2687.

120 goederenbijlage d.d. 18 januari 2013 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2013, p. 2689.

121 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 15 januari 2013, p. 2667.

122 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 15 januari 2013, p. 2667-2668.

123 Proces-verbaal zaak 133 d.d. 12 augustus 2013, met bijlagen, p. 2647.

124 een schriftelijk bescheid, houdende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 14 januari 2013, p. 2704.

125 een schriftelijk bescheid, houdende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 15 januari 2013, p. 2717.

126 goederenbijlage d.d. 18 januari 2013 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2013, p. 2687.

127 goederenbijlage d.d. 18 januari 2013 bij proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2013, p. 2686-2688; proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 maart 2013, p. 2699, 13e t/m 15e regel.

128 Een schriftelijk bescheid, te weten nadere vragen aan aangeefster, p. 2690.

129 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde], d.d. 15 januari 2013 p. 2668, 1e t/m 4e regel.

130 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2013, p. 2804; proces-verbaal zaak 138 d.d. 5 augustus 2013, p. 2770, 11e en 12e regel.

131 proces-verbaal zaak 138 d.d. 5 augustus 2013, p. 2770, 11e en 12e regel.

132 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2013, p. 2804 + bijlage, p. 2805.

133 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2013, p. 2806-2807.

134 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde] en [benadeelde], p. 2809.

135 Proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2013, p. 2840-2844

136 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 17 juni 2013, p. 2856.

137 Proces-verbaal van bakengegevens d.d. 20 januari 2013, p. 2859-2861

138 Proces-verbaal aanvraag (BOB56A: check), proces-verbaal sfeerproces-verbaal omtrent [medeverdachte], p. 20 en proces-verbaal verhoor [medeverdachte], p. 59, 29e t/m 30e regel.

139 een schriftelijk bescheid, houdende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 20 januari 2013, p. 2869.

140 een schriftelijk bescheid, houdende de 02 OVC-gespreksweergave d.d. 20 januari 2013, p. 2875.

141 Proces-verbaal van bakengegevens d.d. 20 januari 2013, p. 2859-2861

142 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde], p. 2840, 36e t/m 38e regel

143 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 25 januari 2013, p. 2841, 7e t/m 9e regel.

144 Proces-verbaal van aangeefster d.d. 6 juni 2003, p. 2853-2854.

145 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2010, p. 3439-3440 met Bijlage goederen p. 3445 en aankoopbonnen p. 3443 en 3444.

146 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2013, p. 3448.

147 Proces-verbaal zaak 98, met bijlagen, p. 1175

148 Schriftelijk bescheid, houdende de 03 OVC-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, vanaf p. 1239

149 Proces-verbaal bakengegevens d.d. 7 mei 2013, p. 1431, 8e regel van onderen

150 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2013, p. 1234

151 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2013, p. 1234

152 Proces-verbaal zaakdossier 414 met bijlagen, d.d. 2 augustus 2013, p. 4138, onder kopje 3.3 en schriftelijk bescheid inhoudende een brief van het UWV aan Politie Gelderland Zuid, d.d. 17 april 2013, p. 4238.

153 Proces-verbaal zaakdossier 414 met bijlagen, d.d. 2 augustus 2013, p. 4138, onder kopje 3.2, laatste alinea.

154 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 23 oktober 2012, p. 4140, 9e en 10e zin.

155 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 23 oktober 2012, p. 4140, 11e en 12e zin.

156 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 6 november 2012, p. 4143, 26ste en 27ste zin.

157 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 6 november 2012, p. 4143, 21 tot en met 23ste zin.

158 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 januari 2013, p. 4151, 11e zin.

159 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 6 november 2012, p. 4143, 24ste en 25ste zin.

160 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 19 december 2012, p. 4158, 9e en 10e zin.

161 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 januari 2013, p. 4151, 14e zin.

162 Proces-verbaal bevindingen juweliers, d.d. 29 april 2013, p. 4165, onder punt 1.

163 Proces-verbaal zaakdossier 414 met bijlagen, d.d. 2 augustus 2013, p. 4137, onder kopje 2.3, laatste alinea.

164 Proces-verbaal witwassen zaak 414, d.d. 2 augustus 2013, p. 4137, onder kopje 1.4, laatste zin.

165 Proces-verbaal van stemherkenning d.d. 15 mei 2013 door [verbalisant], p. 29, en proces-verbaal van stemherkenning d.d. 15 mei 2013 door [verbalisant], p. 31.

166 Zie voor de bewijsmiddelen ten aanzien van de bijnamen van verdachte en zijn medeverdachten hiervóór, onder het kopje ‘Gebruik bijnamen’ bij de ‘Algemene bewijsoverwegingen’

167 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02- en OVC03-gespreksweergaven d.d. 9 december 2012 tot en met 22 januari 2013, p. 3537 t/m 3730.

168 Een schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3580 (2e regel).

169 Een schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 9 december 2012, p. 3543 (#14.14.10, 3e t/m 7e regel.

170 Proces-verbaal zaak 401 d.d. 12 augustus 2013 met bijlagen, p. 3531-3532 en p. 3762.

171 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC03-gespreksweergaven d.d. 9 december 2012, p. 3540 (15e regel van onder jo. 22e en 23e regel van onder), d.d. 20 december 2012, p. 3562 (1e en 3e regel), d.d. 24 december 2012, p. 3564 (9e en 10e regel van onder), d.d. 25 december 2012, p. 3569 (11e en 12e regel), p. 3579 (21e regel van onder jo. p. 3580, 2e regel), d.d. 30 december 2012, p. 3607 (2e t/m 5e regel), d.d. 5 januari 2013, p. 3621 (onderste 4 regels) en de OVC02-gespreksweergaven d.d. 18 december 2012, p. 3554 (onderste regel), d.d. 7 januari 2013, p. 3629 (28e regel), d.d. 8 januari 2013, p. 3634 (19e en 20e regel van onder jo. 35e en 36e regel van onder), d.d. 9 januari 2013, p. 3646 (13e en 14e regel), d.d. 11 januari 2013, p. 3652 (21e t/m 27e regel van onder), d.d. 13 januari 2013, p. 3663 (8e en 9e regel van onder jo 27e en 28e regel van onder), d.d. 19 januari 2013, p. 3707 (20e t/m 24e regel van onder), d.d. 22 januari 2013, p. 3725 (7e regel van onder jo. 15e en 22e regel van onder).

172 Een schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 19 januari 2013, p. 3711 (onderste 7 regels).

173 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC03-gespreksweergaven d.d. 18 december 2012, p. 3558 (15e regel van onder), d.d. 25 december 2012, p. 3568 (6e en 7e regel), p. 3587 (3e t/m 5e regel van onder, 16e regel van onder), p. 3590 (onderste 6 regels), p. 3591 (1e 10 regels), p. 3594 (3e en 4e regel, 17e regel) en houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 9 januari 2013, p. 3647 (regel 26 t/m 29), d.d. 11 januari 2013, p. 3650 (laatste 2 regels) jo. p. 3651 eerste 2 regels), p. 3651 (onderste 2 regels, 15e en 16e regel van onder, 22e t/m 25e regel van onder), d.d. 13 januari 2013, p. 3660 (6e regel van onder), d.d. 15 januari 2013, p. 3705 (22e regel)

174 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 15 januari 2013, p. 3704 (4e t/m 15e regel van onder), d.d. 22 januari 2013, p. 3722 (12e t/m 22e regel).

175 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 13 januari 2013, p. 3659 (8e t/m 11e regel van onder) d.d. 15 januari 2013, p. 3700 (26e t/m 29e regel van onder),

176 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 15 januari 2013, p. 3696 (12e en 13e regel), d.d. 20 januari 2013, p. 3715 (7e t/m 13e regel)

177 Proces-verbaal van verdenking (art. 27 Sv) d.d. 26 november 2012, p. 208 (5e t/m 7e alinea) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 maart 2013 met bijlagen, p. 3734 (3e, 10e, 12e alinea), p. 3735 (1e, 2e, 4e, 6e en 7e alinea) en de bijlage p. 3738.

178 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 maart 2013 met bijlagen, p. 3741 (onderste 14 regels) en p. 3742 (3e t/m 6e alinea) en proces-verbaal Beelden [juwelier] d.d. 2 april 2013 met bijlagen, p. 3746 t/m 3748 en de bijbehorende schermafdrukken op p. 3749 t/m 3761.

179 Een schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 11 januari 2013, p. 3649 (6e en 7e regel).

180 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 8 januari 2013, p. 3633 (3e regel van onder), d.d. 11 januari 2013, p. 3650 (10e en 16e t/m 19e regel van onder)

181 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 9 december 2012, p. 3541 (9e regel) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 11 januari 2013, p. 3651 (onderste 34 regels).

182 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2013, p. 1994-1995.

183 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 9 december 2012, p. 3540 (24e t/m 44e regel), p. 3541 (1e t/m 4e regel, 25e en 26e regel), d.d. 24 december 2012, p. 3563 (9e t/m 17e regel), d.d. 25 december 2012, p. 3579 (5e en 6e regel, 9e t/m 13e regel) en schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 8 januari 2013, p. 3634, (regel 11 t/m 19) en d.d. 9 januari 2013, p. 3648 (1e en 2e regel)

184 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 9 januari 2013, p. 3648 (6e t/m 9e regel van onder) en d.d. 13 januari 2013, p. 3663 (28e regel van onder)

185 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3584 (laatste 5 regels) jo. p. 3585 (1e 8 regels) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 8 januari 2013, p. 3634 (6e t/m 9e regel van onder) en d.d. 9 januari 2013, p. 3646 (10e t/m 12e regel), p. 3647 (19e regel van onder), p. 3648 (4e regel)

186 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 22 januari 2013, p. 3721 (13e regel van onder), p. 3722 (2e t/m 16e regel), p. 3727 (10e t/m 13e regel) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 9 december 2012, p. 3541 (1e 4 regels)

187 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 9 januari 2013, p. 3646 (13e en 14e regel), d.d. 11 januari 2013, p. 3652 (23e regel van onder), d.d. 19 januari 2013, p. 3712 (24e en 25e regel) en d.d. 22 januari 2013, p. 3723 (14e t/m 18e regel).

188 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 18 december 2012, p. 3553 (4e en 5e regel) en d.d. 13 januari 2013, p. 3672 (onderste 3 regels) , Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3581 (7e, 20e en laatste regel), p. 3582 (1e 4 regels).

189 Proces-verbaal aanvraag OVC t.a.v. [medeverdachte] (‘BOB 56’) met bijlagen d.d. 5 november 2012, p. 3 (2e alinea)

190 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 8 januari 2013, p. 3635 (9e t/m 14e, 30e en 50e t/m 61e regel)

191 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC03-gespreksweergaven d.d. 24 december 2012, p. 3565 (3e t/m 8e regel van onder), d.d. 25 december 2012, p. 3571 (5e t/m 23e regel van onder), p. 3579 (12e t/m 15e regel van onder) en schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 8 januari 2013, p. 3636 (7e regel van onder) en d.d. 13 januari 2013, p. 3684 (9e t/m 11e regel) en d.d. 19 januari 2013 p. 3707 (21e t/m 23e regel van onder), p. 3712 (27e regel)

192 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 30 december 2012, p. 3607 (32e regel) en schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 7 januari 2013, p. 3628 (16e t/m 20e regel), d.d. 9 januari 2013, p. 3645 (22e t/m 32e regel van onder), d.d. 13 januari 2013, p. 3674 (21e t/m 27e regel) en d.d. 22 januari 2013, p. 3729 (16e t/m 20e regel).

193 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3569 (11e en 12e regel), schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 3 januari 2013, p. 3611 (8e t/m 13e regel van onder) en d.d. 9 januari 2013, p. 3644 (7e t/m 10e regel van onder) en d.d. 19 januari 2013, p. 3707 (16e t/m 19e regel van onder)

194 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3584 (20e t/m 34e regel van onder), d.d. 25 december 2012, p. 3597 (15e t/m 17e regel), d.d. 30 december 2012, p. 3606 (11e t/m 14e regel van onder), d.d. 5 januari 2013, p. 3621 (25e regel van onder) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 13 januari 2013, p. 3663 (9e regel van onder) en p. 3673 (21e t/m 23e regel van onder)

195 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3584 (15e t/m 17e regel van onder) en schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 8 januari 2013, p. 3635 (31e t/m 36e regel) en d.d. 13 januari 2013, p. 3663 (4e t/m 7e regel) en d.d. 19 januari 2013, p. 3707 (25e t/m 28e regel)

196 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3569 (onderste 3 regels), p. 3592 (11e en 14e regel), p. 3599 (32e regel van onder)

197 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 3 januari 2013, p. 3611 (8e t/m 13e regel van onder), p. 3612 (20e t/m 24e regel) en d.d. 13 januari 2013, p. 3668 (19e regel van onder) en p. 3673 (9e t/m 11e regel)

198 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 24 december 2012, p. 3564 (21e t/m 35e regel), d.d. 30 december 2012, p. 3607 (29e en 30e regel) en schriftelijk bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 7 januari 2013, p. 3630, (34e regel van onder) en d.d. 19 januari 2013, p. 3709 (1e 4 regels).

199 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3570 (11e regel) en p. 3575 (3e en 6e regel).

200 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3585 (5e t/m 11e regel van onder) en p. 3586 (1e 7 regels) en p. 3595 (17e en 18e regel van onder).

201 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3578 (10e en 11e regel), p. 3583 (1e regel, 17e t/m 20e regel), p. 3585 (5e t/m 11e regel van onder) en Schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 7 januari 2013, p. 3630 (34e regel van onder en 11e en 12e regel van onder).

202 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 18 december 2012, p. 3553 (23e t/m 33e regel, 39e t/m 45e regel), p. 3554 (3e t/m 7e regel) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 19 januari 2013, p. 3707 (7e t/m 10e regel van onder) jo. p. 3708 (26e regel).

203 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 3600 (6e t/m 16e regel, 20e t/m 22e regel) en schriftelijk bescheid, houdende de OVC02-gespreksweergave d.d. 3 januari 2013, p. (23e t/m 28e regel), p. 3613 (32e t/m 34e regel), p. 3614 (10e t/m 18e regel)

204 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 18 december 2012, p. 3554 (15e t/m 17e regel), p. 3556 (22e t/m 26e regel), p. 3557 (2e t/m 6e regel)

205 Schriftelijke bescheiden, houdende de OVC02-gespreksweergaven d.d. 18 december 2012, p. 3554 (onderste 5 regels), d.d. 3 januari 2013, p. 3614 (34e t/m 36e regel) en d.d. 8 januari 2013 (18e t/m 30e regel).

206 Schriftelijk bescheid, houdende de OVC03-gespreksweergave d.d. 25 december 2012, p. 1268.

207 Proces-verbaal zaak 401 d.d. 12 augustus 2013 met bijlagen, p. 3531-3532, in het bijzonder de ‘Kruislijst controle voertuigen’ op p. 3762

208 Zie voor de desbetreffende bewijsmiddelen hiervóór, onder het kopje ‘Rechtmatigheid start onderzoek/verdenking’ bij de ‘Algemene bewijsoverwegingen’