Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1020

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
AWB-12_6026
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaarheid weg, beperkingen in het gebruik van de weg, uitbreiding van dat gebruik, bordje ‘eigen weg’.

De Dries heeft vanaf het begin van de twintigste eeuw open gestaan voor langzaam verkeer, zoals voetgangers, fietsers en handkarren, zodat eiser, gelet op artikel 14 van de Wegenwet, in ieder geval deze verkeersstromen diende, en thans dient, te dulden. Het door eiser in de jaren zestig geplaatste bordje ‘eigen weg’ maakt dat niet anders, omdat ten tijde van die plaatsing het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I van de Wegenwet het bedoelde tijdvak van dertig jaar reeds was verstreken.

In 1982 is De Dries verhard en verbreed. De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat de gesteldheid van de weg voorafgaand aan deze verharding eraan in de weg stond dat gemotoriseerd verkeer gebruik maakte van De Dries, zodat tot aan 1982 beperkingen dienden te worden aangenomen in het gebruik van de weg als bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet. Dit betekent dat eiser in elk geval tot 1982 gemotoriseerd verkeer niet hoefde te dulden.

Uit de wetsgeschiedenis, alsook de rechtspraak van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 23 januari 1998 (NJ 1998, 457), leidt de rechtbank af dat de enkele omstandigheid dat De Dries na de verharding ook voor gemotoriseerd verkeer bruikbaar was en ook sindsdien door gemotoriseerd verkeer wordt gebruikt, nog niet maakt dat De Dries ook voor dat gemotoriseerd verkeer openbaar is geworden. Dat is slechts het geval indien deze toegankelijkheid op de voet van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet tot openbaarheid heeft kunnen leiden.

Nu reeds in de jaren zestig ter plaatse een bordje ‘eigen weg’ was aangebracht heeft de toegankelijkheid van De Dries voor gemotoriseerd verkeer niet op de voet van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet tot openbaarheid voor dat verkeer kunnen leiden. Hoewel de plaatsing van dit bordje niet van invloed is op de openbaarheid van De Dries voor zover het langzaam verkeer betreft, heeft deze er wel toe geleid dat het gebruik nadien van die weg door gemotoriseerd verkeer slechts ‘ter bede’ geschiedde, zodat het feitelijk gebruik door gemotoriseerd verkeer in dit geval niet tot openbaarheid van die weg voor dat verkeer kon leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 12/6026

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[naam], hierna: eiser,

[namen], hierna: eisers,

wonende te Maurik, vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 oktober 2012.

2 Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2012, verzonden op 2 juli 2012, heeft verweerder de op De Dries te Maurik geplaatste, en op eisers naam gestelde, auto met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), die volgens verweerder de doorgang op die weg belemmerde, met toepassing van bestuursdwang verwijderd, waarbij de kosten van verwijdering en bewaring op eiser zijn verhaald.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen door eiser en eisers op 29 juni 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover betrekking hebbend op eisers en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eiser en eisers beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 27 mei 2013. Ter zitting zijn verschenen [naam] en mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C.P.A. Bots.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank het onderzoek op 19 juni 2013 heropend en verweerder verzocht zijn standpunt dat sprake is van een openbare weg in de zin van de Wegenwet nader te onderbouwen. Hierop heeft verweerder bij brief van 14 augustus 2013 gereageerd. Op deze reactie heeft eiser bij brief van 11 september 2013 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

3 Overwegingen

Het beroep van eisers ([namen])

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder het door eisers gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet zijn aan te merken als belanghebbenden in vorenbedoelde zin. Daartoe is van belang dat niet betwist is dat het kenteken van de met toepassing van bestuursdwang verwijderde auto op naam staat van eiser. Eisers hebben hun betoog dat zij de auto gezamenlijk met eiser hebben aangeschaft en voor de helft daarvan eigenaar zijn niet met bewijsstukken ondersteund. Dat eiser en eisers gezamenlijk eigenaar zijn van het deel van de Dries waarop de auto geparkeerd stond, kan er niet toe leiden dat eisers als belanghebbenden aangemerkt worden, nu bestuursdwang is toegepast ten aanzien van de auto. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar, voor zover door eisers gemaakt niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van eiser ([naam])

Openbaarheid weg - Wettelijk kader



Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

Ingevolge artikel 5 van de WVW 1994 is het een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet is deze wet uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder I, worden onder wegen in deze wet mede verstaan voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover van belang, is een weg openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap.

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

Ingevolge het tweede lid lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Ingevolge het derde lid kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.

Ingevolge artikel 6 mag het bestaan van een beperking in het gebruik, anders dan krachtens een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, mede worden aangenomen op grond van de gesteldheid van de weg en van het gebruik, dat van de weg pleegt gemaakt te worden.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover thans van belang, hebben, behoudens de beperkingen in het gebruik, als bedoeld in artikel 6, de rechthebbende op en de onderhoudsplichtige van een weg alle verkeer over de weg te dulden.

Ingevolge artikel 1:1 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Buren 2012 (hierna: APV) wordt in de APV onder weg verstaan: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ingevolge artikel 2:10 van de APV is het verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

Ingevolge artikel 125, eerste lid van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Openbaarheid weg - Standpunten

Verweerder heeft aan het na bezwaar gehandhaafde besluit van 19 oktober 2012 ten grondslag gelegd dat toezichthouders hebben geconstateerd dat eiser zijn auto op een zodanige wijze in De Dries – tussen de woonhuizen [adres] [huisnummer] en[huisnummer] – heeft geparkeerd dat de doorgang voor voertuigen op deze openbare weg niet mogelijk was, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 2:10, eerste lid, van de APV en van artikel 5 van de WVW. Omdat door deze belemmering De Dries niet goed bereikbaar is voor hulpdiensten, waardoor de veiligheid in geding is, heeft verweerder onmiddellijk bestuursdwang toegepast.

Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte tot handhavend optreden is overgegaan. Eiser heeft toegelicht dat hij, als (mede-)eigenaar van het deel van De Dries waar de auto stond geparkeerd, na daaraan voorafgaande aankondiging is overgegaan tot plaatsing van de auto op dit weggedeelte om civielrechtelijke verjaring (betreffende het recht van overpad met motorvoertuigen van de bewoners van de achtergelegen woningen) te stuiten. Het standpunt van verweerder dat het betreffende weggedeelte openbaar is deelt eiser ten aanzien van langzaam verkeer (fietsers en voetgangers), maar niet ten aanzien van gemotoriseerd verkeer. Daartoe heeft eiser (onder andere) gewezen op de plaatsing sinds de jaren zestig van het bordje ‘eigen weg’ aan het begin van De Dries.

Openbaarheid weg - Overwegingen

In de APV wordt voor hetgeen in deze verordening onder “weg” moet worden verstaan, verwezen naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994. Bij de beoordeling van de vraag of de grondslag voor handhavend optreden kan worden gevonden in artikel 2:10, eerste lid, van de APV, dan wel artikel 5 van de WVW 1994, dient derhalve te worden vastgesteld of de weg kan worden aangemerkt als een weg als bedoeld in deze bepaling uit de WVW 1994. In aanmerking genomen dat feitelijk door gemotoriseerd en niet-gemotoriseerd verkeer gebruik gemaakt wordt van De Dries is sprake van een weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994.

De door verweerder ingeroepen bepaling van de APV strekt mede tot handhaving van de openbaarheid van wegen in de zin van de Wegenwet. Uit de uitspraak van de Afdeling van
1 juli 2009 in zaak nr. 200806520/1, volgt dat verweerder slechts bevoegd is tot handhavend optreden jegens rechthebbenden op de weg wegens de door hen aangebrachte belemmeringen van die openbaarheid, indien daarmee het stelsel van de Wegenwet en de daarin vervatte waarborgen voor de rechthebbenden niet worden doorkruist. Uit dit stelsel volgt dat rechthebbenden op een weg hierover slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet, hebben te dulden, wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van die wet. In zoverre komt derhalve betekenis toe aan het toetsingskader van de Wegenwet. Voor zover toepassing van artikel 2:10, eerste lid, van de APV er toe strekt te bewerkstelligen dat de rechthebbende op de weg ook openbaar verkeer toelaat dat buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet valt, dient die toepassing wegens strijdigheid met de Wegenwet achterwege te blijven.

De rechtbank stelt vast, hetgeen niet in geschil is, dat De Dries vanaf het begin van de twintigste eeuw open heeft gestaan voor langzaam verkeer, zoals voetgangers, fietsers en handkarren. Gelet op dit gebruik is voldaan aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I van de Wegenwet, zodat eiser, gelet op artikel 14 van de Wegenwet, in ieder geval deze verkeersstromen diende, en thans dient, te dulden. Het door eiser in de jaren zestig geplaatste bordje ‘eigen weg’ maakt dat niet anders, omdat ten tijde van die plaatsing het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I van de Wegenwet het bedoelde tijdvak van dertig jaar reeds was verstreken.

De rechtbank stelt vervolgens vast, hetgeen evenmin in geschil is, dat De Dries in 1982 is verhard en verbreed. De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat de gesteldheid van de weg voorafgaand aan deze verharding, onder meer het ontbreken van een duiker, eraan in de weg stond dat gemotoriseerd verkeer gebruik maakte van De Dries, zodat tot aan 1982 beperkingen dienden te worden aangenomen in het gebruik van de weg als bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet. Dit betekent dat eiser in elk geval tot 1982 gemotoriseerd verkeer niet hoefde te dulden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of met de verharding van de weg in 1982, de beperking als bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet is komen te vervallen zodat de rechthebbenden op De Dries nadien ook gemotoriseerd verkeer dienden te dulden.

Uit de wetsgeschiedenis, alsook de rechtspraak van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 23 januari 1998 (NJ 1998, 457), leidt de rechtbank af dat de enkele omstandigheid dat De Dries na de verharding ook voor gemotoriseerd verkeer bruikbaar was en ook sindsdien door gemotoriseerd verkeer wordt gebruikt, nog niet maakt dat De Dries ook voor dat gemotoriseerd verkeer openbaar is geworden. Dat is slechts het geval indien deze toegankelijkheid op de voet van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet tot openbaarheid heeft kunnen leiden. Steun hiervoor is te vinden in rechtsoverwegingen 3.3. en 3.5 van voormeld arrest, en de bij dit arrest behorende conclusie van Advocaat Generaal Spier, onder 5.7.

In dit geval heeft de toegankelijkheid van De Dries voor gemotoriseerd verkeer niet op de voet van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet tot openbaarheid voor dat verkeer kunnen leiden. Door verweerder is immers niet betwist dat reeds in de jaren 60 ter plaatse een bordje ‘eigen weg’ was aangebracht. Hoewel de plaatsing van dit bordje niet van invloed is op de openbaarheid van De Dries voor zover het langzaam verkeer betreft, heeft deze er wel toe geleid dat het gebruik nadien van die weg door gemotoriseerd verkeer slechts ‘ter bede’ geschiedde, zodat het feitelijk gebruik door gemotoriseerd verkeer in dit geval niet tot openbaarheid van die weg voor dat verkeer kon leiden.

Evenmin is aannemelijk geworden dat De Dries op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder III, van de Wegenwet openbaar is geworden. Van een zodanige bestemming door de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder III bedoelde rechthebbende is immers niet gebleken. De door de gemeenteraad van verweerders gemeente beoogde openbaarheid van De Dries bij besluit van 30 september 1982 kan dan ook niet de openbaarheid van de weg voor alle verkeer tot gevolg hebben gehad.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 2:10, eerste lid, van de APV er in dit geval toe strekte te bewerkstelligen dat eiser op De Dries openbaar verkeer toeliet dat buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet viel. Niet is immers gebleken dat het door hem te dulden niet-gemotoriseerde verkeer door de geparkeerde auto is gehinderd. Verweerder was derhalve niet bevoegd om op grond van artikel 2:10, eerste lid, van de APV handhavend op te treden omdat toepassing van deze bepaling in dit geval in strijd is met de Wegenwet.

De rechtbank ziet geen aanleiding om met betrekking tot de overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 anders te oordelen. Een op grond van de Wegenwet gerechtvaardigde belemmering van een weg door de rechthebbende, kan om dezelfde reden in beginsel geen op grond van de WVW 1994 verboden hinderen van het verkeer op de weg opleveren. Een dergelijk belemmeren kan op een wijze geschieden waarbij gevaar op de weg wordt veroorzaakt, zodat mogelijk om die reden alsnog sprake zou kunnen zijn van overtreding van artikel 5 van de WVW 1994, maar daarvan is in dit geval niet gebleken.

Bij het voorgaande kan in het midden blijven of eiser het met de afsluiting door hem beoogde juridische gevolg kon bewerkstelligen nu dat voor de uitkomst van dit geding niet van belang is.

Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Het vaststellen van de omvang van de door eiser gestelde schade vergt een nadere beoordeling, die door verweerder dient te worden verricht.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1217,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie, met een waarde per punt van

€ 487,00 en wegingsfactor 1).

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van eisers ongegrond;

- verklaart het beroep van eiser gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 oktober 2012;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1217,50;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. D.J. Post en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: