Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1014

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
251685 FZ RK 13-1918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man verzoekt gegrondverklaring van zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap. Tussen partijen staat, naar aanleiding van een DNA-onderzoek, vast dat de man niet de biologische vader van de minderjarigen is. Partijen stemmen in met het verzoek van de man. Dit is echter niet zonder meer voldoende om tot toekenning van het verzoek van de man over te gaan. In dit kader moet tevens acht worden geslagen op artikel 3 lid 1 Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waaruit volgt dat er een belangenafweging dient plaats te vinden. Daarbij speelt in het bijzonder de vraag of het belang van het kind vergt dat een beslissing over het vaderschap pas wordt genomen wanneer het kind daarover zelf een weloverwogen oordeel kan geven.

In casu heeft de vrouw (nog altijd) een relatie met de biologische vader, is deze biologische vader van plan de minderjarigen te erkennen zodra dat kan en met de vrouw en de minderjarigen in gezinsverband te gaan samenleven. Voorts heeft de niet-biologische vader nog altijd omgang met de minderjarigen.

Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank het in het belang van de minderjarigen om de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. De minderjarigen worden noch van een (nieuwe) juridische vader, noch van hun niet-biologische vader beroofd.

Artikelen:

Art. 1:200 lid 1 en 5 Burgerlijk Wetboek,

Art. 3 lid 1 Verdrag inzake de Rechten van het Kind,

Art. 1:20 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/17.3

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 251685 FZ RK 13-1918

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 12 februari 2014

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. A.J. Mul te Winterswijk,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats],

verweerster, hierna te noemen de vrouw.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2013;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van de bijzondere curator mr. O.C.A. Sandberg-Vaillant van 13 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 22 januari 2014.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist en volhardt daarin.

Bij voormelde tussenbeschikking is (onder meer) mr. O.C.A. Sandberg-Vaillant benoemd als bijzondere curator over de minderjarigen [kind A], geboren op [2006] te [plaats] en [kind B], geboren op [2007] te [plaats], hierna verder te noemen de minderjarigen en is zij in de gelegenheid gesteld schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen over het onderhavige verzoek. Daarnaast zijn alle belanghebbenden opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting op 22 januari 2014 om hun mening over het onderhavige verzoek kenbaar te maken.

De bijzondere curator heeft bij voormeld journaalbericht en mondeling ter zitting geadviseerd het onderhavige verzoek in het belang van de minderjarigen toe te wijzen. De man en de vrouw zijn het erover eens dat de man niet de biologische vader van de minderjarigen is. Gezien de uitslag van het DNA verwantschapsonderzoek is dit ook onomstotelijk komen vast te staan. Het feit dat een vader en een moeder ontkenning van het vaderschap wensen en aan de gronden is voldaan, betekent niet zondermeer dat een dergelijk verzoek ook wordt toegewezen. Het belang van het kind kan immers vergen dat het verzoek wordt afgewezen. Daarvan is de bijzondere curator echter ten aanzien van [kind A] en [kind B] niet gebleken. Het is in hun belang dat wordt vastgesteld dat de man niet de juridische vader van de minderjarigen is. De man en de vrouw hebben beiden gelet op de leeftijd en ontwikkeling van de minderjarigen, hen op een passende wijze geïnformeerd over hun afstamming.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:200 lid 1 Burgerlijk Wetboek is bepaald, voor zover van belang, dat het vaderschap kan worden ontkend op de grond dat de man niet de biologische vader is. Deze ontkenning kan onder andere geschieden door de man. Lid 5 van dit artikel geeft aan dat de man het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning bij de rechtbank dient in te dienen binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

Belangrijke bedoeling van deze regeling tot ontkenning van het vaderschap, is om de mogelijkheid te openen tot erkenning van de afstammingsrelatie tussen de biologische vader en zijn kind.

Als onbetwist heeft de man gesteld dat de vrouw de man op 21 oktober 2012 op de hoogte heeft gebracht van haar vermoeden dat de man niet de biologische vader van de minderjarigen is. Zij had gedurende de verwekking van de minderjarigen een relatie met een andere man. De man was hier niet van op de hoogte. Hij heeft daarop DNA-onderzoek doen plaatsvinden. Bij brief van 21 november 2012 is aan de man medegedeeld dat uit het DNA-onderzoek is gebleken dat hij niet de biologische vader is van de minderjarigen.

Het verzoek van de man aan de rechtbank om de ontkenning van het vaderschap van de minderjarigen gegrond te verklaren is op 3 oktober 2013 binnen gekomen. Derhalve binnen één jaar nadat de man ermee bekend is geworden dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de minderjarigen is. De rechtbank acht de man ontvankelijk in zijn verzoek.

De rechtbank stelt vast dat alle betrokken partijen instemmen met het verzoek van de man om de ontkenning van het vaderschap van de minderjarigen gegrond te verklaren. Voorts is door DNA-onderzoek onomstotelijk vast komen te staan dat de man niet de biologische vader is van de minderjarigen. Voorgaande is echter niet zonder meer voldoende om tot toekenning van het verzoek van de man over te gaan. In dit kader dient tevens acht te worden geslagen op artikel 3 lid 1 van het voor Nederland op 7 maart 1995 in werking getreden Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 (Trb. 1990, 170). De rechtstreekse werking van dit verdrag biedt de mogelijkheid om bij conflicterende belangen tot een afweging tussen die belangen over te gaan. Artikel 3 lid 1 luidt als volgt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging”. Bij de vraag of het verzoek van de man gegrond dient te worden verklaard speelt in het bijzonder de vraag of het belang van het kind vergt dat een beslissing over het vaderschap pas wordt genomen wanneer het kind daarover zelf een weloverwogen oordeel kan geven.

De man heeft ter terechtzitting onder meer naar voren gebracht dat zijn verzoek enerzijds is ingegeven door een financieel motief, in die zin dat hij later niet kan worden aangesproken om een financiële bijdrage te leveren aan de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen, anderzijds is het voor de man een gevoelskwestie. Naar aanleiding van het bericht van de vrouw dat hij mogelijk niet de biologische vader is van de minderjarigen en na bevestiging daarvan middels het DNA-onderzoek, heeft hij zijn persoonlijke situatie aangepast aan deze nieuwe situatie. Hij heeft de relatie met de vrouw verbroken en is elders gaan wonen. Hetzelfde geldt voor het leven van de minderjarigen. Ook hun leven is feitelijk aangepast. De man vindt het belangrijk, en hij acht dit ook in het belang van de minderjarigen, dat middels zijn verzoek de juridische situatie gelijk wordt gesteld aan de feitelijke situatie.

De vrouw heeft ter terechtzitting onder meer naar voren gebracht dat zij ook thans nog altijd een relatie heeft met de biologische vader van de minderjarigen, dat de kinderen hem hebben leren kennen, dat zij hem regelmatig zien en dat hij de intentie heeft om de minderjarigen te erkennen zodra dat mogelijk is. De vrouw en de biologische vader zijn, aldus de vrouw, voorts voornemens om in gezinsverband met de kinderen samen te gaan leven en gezamenlijk de financiële verplichtingen van de minderjarigen te dragen. Verder is ter terechtzitting gebleken dat partijen nog steeds goed contact hebben, althans goed in staat zijn om samen over de minderjarigen te communiceren. Bovendien heeft de man de minderjarigen nog één keer per twee weken een dag bij zich en hebben partijen niet de intentie om dit contact tussen de minderjarigen en hun niet-biologische vader te beëindigen. De minderjarigen zullen derhalve noch van een (nieuwe) juridische vader worden beroofd, noch van hun niet-biologische.

In het licht van al het bovenstaande en nu als onweersproken tussen partijen vaststaat dat [verzoeker] niet de biologische vader van de minderjarigen is, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat thans de feitelijke situatie juridisch wordt vastgelegd. Daarom zal de rechtbank beslissen als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap over:

[kind A] , geboren op [2006] te [plaats] en [kind B], geboren op [2007] te [plaats], uit:

[verweerster], geboren op [1965] te [plaats], door [verzoeker], geboren op [1969] te [plaats];

verstaat dat de wijziging geschiedt doordat aan de desbetreffende akten een latere vermelding wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1:20 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank daartoe een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Winterswijk zal zenden zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge , rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2014 door mr. T. ter Brugge voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier.

conc.1: lsn

1 * De griffier deelt mede dat van vorenstaande beschikking hoger beroep open staat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking; - voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden. Dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.