Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3497

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11/4452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2.31, tweede lid, onderdeel b van de Wabo. Ambtshalve wijzigingen van omgevingsvergunningen voor wat betreft de voorschriften met betrekking tot geur.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 3.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/382
OGR-Updates.nl 2013-0166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 11/4452

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

Nannoka Vulcanus Industries B.V., eiseres,

te Doetinchem, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke,

tegen

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, verweerder,

te Arnhem.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 9 september 2011 (het bestreden besluit), onder verwijzing naar artikel 2.31, tweede lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), de omgevingsvergunningen van 21 december 1999 (nr. MW99.2403) en van 22 april 2004 (nr. 03.9083), verleend aan eiseres voor de inrichting aan de Keppelseweg 347-353 te Doetinchem, ambtshalve gewijzigd wat betreft de voorschriften met betrekking tot geur, door:

- toevoeging aan de omgevingsvergunning van 21 december 1999 (nr. MW99.2403) van geurvoorschriften, zoals in het besluit opgenomen onder voorschrift 5.6 “Metingen en rapportages”; en

- intrekking van voorschrift 5.4 van de omgevingsvergunning van 22 april 2004 (nr. MW03.9083) en vervanging daarvan door het in het besluit opgenomen nieuwe geurvoorschrift 5.4.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 15 december 2011 heeft de voorzieningenrechter, op verzoek van eiseres, het bestreden besluit geschorst tot 6 weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft, op het verzoek van de rechtbank om haar van advies te dienen, een deskundigenbericht uitgebracht, neergelegd in het verslag van 27 april 2012 (hierna: het StAB-rapport). Partijen hebben op de conceptversie daarvan gereageerd. Eiseres heeft bij schrijven van 20 september 2012 ook op het definitieve StAB-rapport gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft dat later aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

12 oktober 2012. Namens eiseres zijn verschenen [naam] (algemeen directeur) tezamen met mr. M.R.J. Baneke en M. Hillmann (deskundige). Namens verweerder zijn verschenen P.W.T. Rosendaal, D. Mulder en G. Landman.

Nadien hebben partijen ervoor toestemming gegeven dat zonder nadere zitting uitspraak wordt gedaan met een ander lid van de meervoudige kamer, welk ander lid in de plaats treedt van een overleden rechter.

Overwegingen

1. Bevoegd gezag

De bij het bestreden besluit gewijzigde vergunningen zijn vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer, die, gelet op artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Wabo, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

Ingevolge artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Niet in geschil is dat de inrichting valt onder categorie 12, onder 12.2, aanhef en onder h, van onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

Verweerder is, gelet op artikel 3.3, eerste lid, van het Bor, het bevoegd gezag.

2. Bevoegdheid ambtshalve wijziging

Eiseres betoogt dat verweerder in dit geval niet bevoegd was tot ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften, omdat daartoe geen feitelijke aanleiding bestond. Technische ontwikkelingen of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu hebben zich immers sinds de vergunningverlening niet voorgedaan, aldus eiseres.

Verweerder baseert zijn standpunt dat wijziging van de voorschriften geboden is in het belang van de bescherming van het milieu, op de uitkomst van geurmetingen, neergelegd in een rapport van 4 februari 2011. Daaruit blijkt dat de inrichting zodanig meer geurrelevante bronnen heeft dan de in de vergunning genormeerde vier geurbronnen, dat sprake is van overschrijding van het acceptabele geurhinderniveau.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit de uitkomst van de verrichte geurmetingen blijkt onder meer dat emissiepunt 5 (Kellerfilter groot) een relatief grote geurvracht heeft. Dit emissiepunt was in de onderliggende vergunning niet genormeerd. Op grond van die uitkomst mocht verweerder aannemen dat door de emissie van niet genormeerde bronnen het acceptabele geurhinderniveau op leefniveau zou worden overschreden. Dit wordt overigens ook geconcludeerd in het door eiseres ingebrachte deskundigenrapport van Hillmann Integrale Milieuzorg, getiteld “Toets wijziging omgevingsvergunning Nannoka Vulcanus” van 24 oktober 2011 (hierna: het Hillmannrapport), zo volgt uit pagina 4, eerste alinea onder 3. Verweerder kan zich derhalve reeds op deze gronden in redelijkheid op het standpunt stellen dat wijziging van de vergunningvoorschriften in het belang van de bescherming van het milieu is.

Het betoog faalt.

3. Toepassing geurhindernorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel

Eiseres betoogt in dit verband - kort weergegeven - dat verweerder als het acceptabele geurhinderniveau ten onrechte de waarde van 3 ge/m3 als 98-percentiel als geurnorm hanteert, dat afwijking van die geurnorm - evenals bij de vergunningverlening aan Parenco te Renkum - in de rede ligt, en dat verweerder bij zijn berekeningen ten onrechte het beleidsdocument “Document meten en rekenen geur” gebruikt.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De gehanteerde norm van 3 ge/m3 als 98-percentiel vloeit voort uit het door verweerder bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid gehanteerde beleid, vastgelegd in de “Gelderse beleidsregels voor geur in milieuvergunningen 2009”. Er is - zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 september 2002 met LJN-nummer: AE7761 - geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze norm rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht.

Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat bij de inrichting van eiseres - anders dan bij Parenco te Renkum - zonder meer geen mogelijkheden bestaan om geurhinder te verminderen met toepassing van de beste beschikbare technieken (hierna: BBT). Bovendien waren er in het geval te Renkum blijkbaar geen klachten uit de omgeving. Ook overigens is geen bijzondere omstandigheid gebleken die ertoe aanleiding zou kunnen geven om ten gunste van eiseres van het beleid af te wijken.

Hieruit volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de geurnorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel in dit geval niet onverkort mag worden toegepast.

Op grond van de notitie “Berekening geurbelasting rond Vulcanus” van 21 februari 2012, mag worden aangenomen dat de geurbelasting vanwege de inrichting van eiseres, met alle bronnen en zonder maatregelen, ruim hoger is dan de norm van 3 ge/m3 als 98-percentiel.

Niet valt in te zien dat verweerder bij deze berekening niet het beleidsdocument “Document meten en rekenen geur” mag gebruiken. De enkele omstandigheid dat dit beleidsdocument aan herziening toe is wegens de ontwikkelingen die zich sinds 1994 hebben voorgedaan, maakt dat - anders dan eiseres wil - niet anders. Uit het StAB-rapport komt genoegzaam naar voren dat dit beleidsdocument ook thans nog hanteerbare criteria inhoudt voor het uitvoeren van emissie- en imissieonderzoek.

Het oordeel van de rechtbank is in zoverre dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat (emissiereducerende) maatregelen nodig zijn.

Hetgeen eiseres in dit verband aanvoert, faalt.

4. Relevantie geurbronnen

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat niet alle in voorschrift 5.4 genoemde geurbronnen geurrelevant zijn, in die zin dat zij op leefniveau bijdragen aan de geuroverlast.

Op grond van de verspreidingsberekeningen, die zijn neergelegd in de notitie “Relatief belang van verschillende geurbronnen van Vulcanus” van 28 maart 2012, is voldoende inzichtelijk dat alle betrokken geurbronnen aan de geurhinder op leefniveau bijdragen. Verweerder mag al deze bronnen dan ook als geurrelevant aanmerken en normeren. Hetgeen eiseres aanvoert is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te achten.

5. Haalbaarheid van de in voorschrift 5.4 opgelegde geurvrachten

In het bestreden nieuwe geurvoorschrift 5.4 zijn per emissiebron geurvrachten gesteld. Deze emissiebronnen zijn genummerd 1 t/m 9. In de onderliggende vergunning waren alleen de geurvrachten van de emissiebronnen met de nummers 1 t/m 4 genormeerd; de overige werden niet geurrelevant geacht. Bij de opstelling van het nieuwe voorschrift 5.4 is ervan uitgegaan dat de geuremissie van de emissiebronnen met nummers 4, 5 en 6 - na het treffen van geurreducerende maatregelen - met 80% wordt gereduceerd.

Dit nieuwe geurvoorschrift luidt als volgt.

5.4.

De geuremissies naar de lucht mogen de hieronder genoemde geuremissies in geureenheden per uur niet overschrijden.

-----------------------------------------------------------------------

nr omschrijving geurvracht (x106 ge/uur)

-----------------------------------------------------------------------

1. Schoorsteen (hoogte

40 m) Koepeloven 409

2. Arasin-wasser 14

3. BMD groot+klein 14

4. Dompelruimte [groot] 4,4

5. Kellerfilter groot 62

6. Kennemer 4

7. Dompelruimte klein 5

8. Keller 1 1

9. Keller 2 13

-----------------------------------------------------------------------

Eiseres betoogt dat de voorgeschreven geurvrachten niet haalbaar zijn, zodat ook niet aan de imissienorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel kan worden voldaan. Zij stelt onder meer dat daartoe onvoldoende technieken beschikbaar zijn, in het bijzonder om een verlaging van 80% van de huidige emissie te bereiken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat dat wel zo is en heeft daarbij aangegeven dat slechts de emissiegrenswaarden zijn aangepast en dat geen specifieke maatregelen zijn voorgeschreven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank, toegespitst op de betrokken emissiepunten, het volgende.

wat betreft emissiepunt 1 Koepeloven

en wat betreft emissiepunt 2 Arasin-wasser

De vergunde geurvrachten zijn gelijk aan de onderliggende omgevingsvergunningen en aan de laatst door verweerder gemeten geurvrachten. Een haalbaarheidsprobleem doet zich dus niet voor. Geurbeperkende maatregelen voor deze bronnen zijn niet nodig.

wat betreft emissiepunt 3 BMD groot+klein

Gebleken is dat verweerder de voorgeschreven geurvracht niet heeft beoogd te wijzigen ten opzichte van de onderliggende omgevingsvergunningen en de laatst gemeten geurvracht van 31 x106 ge/uur. Als voorgeschreven geurvracht is abusievelijk 14 x106 ge/uur gesteld, aldus verweerder.

De beroepsgrond slaagt dus in zoverre.

Het betrokken onderdeel van voorschrift 5.4 kan geen standhouden.

Als de voorgeschreven geurvracht wordt aangepast en vastgesteld op 31 x 106 ge/uur, zal zich ook hier geen haalbaarheidsprobleem voordoen en zullen geurbeperkende maatregelen niet nodig zijn.

wat betreft emissiepunt 4 Dompelruimte [groot]

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat 80% geurreductie niet haalbaar is met toepassing van actief koolfiltrage, omdat de ingangsconcentratie bij de grote dompelruimte te laag is, overweegt de rechtbank het volgende.

In het StAB-rapport (paragraaf 3.6) wordt in dit verband verwezen naar de meetresultaten van Odournet, waaruit blijkt dat de gemiddelde ingangsconcentratie voor geur van de grote dompelruimte lager ligt dan de onderwaarde uit de “Factsheets luchtemissiebeperkende technieken”, maar dat bij de hoogste meetwaarde daaraan vrijwel wordt voldaan. Dit betekent dat het aanbod van de te verwijderen componenten enigszins lager is dan voor deze reinigingstechniek noodzakelijk is om optimaal te functioneren, maar niet dat de toepassing daarvan niet technisch haalbaar is en niet tot een reductie van 80% zal leiden.

De rechtbank volgt de stelling van eiseres daarom niet.

Wat betreft de stelling van eiseres dat de emissiereducerende maatregelen hier niet kosteneffectief zijn en dat daarom de voorgeschreven geurvracht met toepassing van BBT niet haalbaar is, overweegt de rechtbank het volgende.

In het StAB-rapport wordt uiteengezet dat het betrokken procesonderdeel van de bedrijfsvoering niet in de toepasselijke BREF “Smederijen en gieterijen” is beschreven, en dat daarom voor de verkenning van de BBT - gelet op het betrokken proces - aansluiting is gezocht bij de BREF “Oppervlaktebehandeling met organische oplosmiddelen”.

Omdat de kosteneffectiviteit van de betrokken techniek bij een inrichting als waar het hier om gaat dus niet reeds in de BREF is afgewogen, dient deze nader te worden bezien.

In het StAB-rapport wordt in dit verband overwogen dat de kosteneffectiviteit van milieumaatregelen bepaald wordt door de methodiek die is beschreven in paragraaf 2.11 van de NeR, door de te investeren bedragen af te zetten tegen de indicatieve referentiewaarden voor VOS voor de kosten die per kilo vermeden emissie redelijk worden geacht. De NeR noemt als indicatieve referentiewaarde voor VOS € 4,60. In het StAB-rapport wordt vervolgens verwezen naar de bevindingen uit het Hillmannrapport, waaruit volgt dat het gemiddelde tussen het lage (€ 2,70) en hoge investeringsbedrag (€ 7,80) € 5,25 bedraagt. Nu het door Hillmann berekende indicatieve afschrijvingsbedrag niet zodanig afwijkt van het bedrag van de NeR, kan niet worden gesteld dat actief koolfiltrage niet voldoende kosteneffectief is, aldus het StAB-rapport.

In haar reactie op het concept van het StAB-rapport stelt eiseres dat het investeringsbedrag op basis van door haar gevraagde offertes € 10 zou bedragen, gelet op voormelde verminderde effectiviteit van deze techniek door de te lage ingangsconcentratie bij de grote dompelruimte.

Verweerder betwist deze bedragen niet, maar stelt dat zonder afname van de geurvracht niet aan de norm op leefniveau kan worden voldaan, zodat het niet verminderen van de geurvracht tot weigering van de vergunning zou leiden. In dat licht bezien zijn de kosten dus aanvaardbaar, aldus verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat uit de NeR volgt dat indien de kosten boven de indicatieve referentiewaarde uitgaan, deze in beginsel niet redelijk zijn. In bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn anders zijn, bijvoorbeeld indien anders niet aan de betrokken norm kan worden voldaan. Zodanige omstandigheden doen zich hier echter niet voor. Gelet op het aandeel van het betrokken emissiepunt in de imissieconcentratie bij de hoogst belaste woningen - dat zonder maatregelen 9% bedraagt en na 80% reductie 4% - staat niet vast dat zonder reductie van dit emissiepunt met 80% de imissienorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel nimmer zou kunnen worden gehaald.

De rechtbank is van oordeel dat aldus onvoldoende aannemelijk is dat de voorgeschreven norm met toepassing van BBT haalbaar is. Er is geen aanknopingspunt om het tegendeel aan te nemen. De beroepsgrond met betrekking tot de haalbaarheid van de emissiereductie van dit emissiepunt met 80% slaagt dus in zoverre.

Het betrokken onderdeel van voorschrift 5.4 kan geen standhouden.

wat betreft emissiepunt 5 Kellerfilter groot

In het StAB-rapport wordt geconcludeerd (paragraaf 3.7.4) dat de toepassing van actief koolfiltratie niet als BBT kan worden aangemerkt, omdat geen van de benaderde leveranciers van actief kool die toepassing voor deze emissiebron geschikt achten, en dat de andere twee in aanmerking komende nageschakelde technieken - te weten: naverbranding en biofiltrage - niet zijn onderzocht. Voorts wordt vastgesteld dat emissiepuntverhoging (van de schoorsteen) niet is bezien.

De rechtbank is van oordeel dat aldus onvoldoende aannemelijk is dat de voorgeschreven norm met toepassing van BBT haalbaar is. Er is geen aanknopingspunt om het tegendeel aan te nemen. De beroepsgrond met betrekking tot de haalbaarheid van de emissiereductie van dit emissiepunt met 80% slaagt dus in zoverre.

Het betrokken onderdeel van voorschrift 5.4 kan geen standhouden.

wat betreft emissiepunt 6 Kennemer

In het StAB-rapport wordt geconcludeerd (paragraaf 3.8.2) dat het aandeel van dit emissiepunt in de imisieconcentratie bij de hoogst belaste woningen 5% bedraagt, dat na een geurreductie van 80% zal afnemen tot 2%. De StAB beoordeelt een zodanige bijdrage als niet significant en een reductie van deze bron daarom per definitie niet als kosteneffectief.

Gebleken is dat verweerder deze conclusie inmiddels onderschrijft.

De betreffende beroepsgrond van eiseres slaagt dus in zoverre.

Het betrokken onderdeel van voorschrift 5.4 kan geen standhouden.

Als de voorgeschreven geurvracht wordt aangepast en vastgesteld op de feitelijke emissie van 20 x 106 ge/uur, zal zich ook hier geen haalbaarheidsprobleem voordoen en zullen geurbeperkende maatregelen niet nodig zijn.

wat betreft emissiepunt 7 Dompelruimte klein

en wat betreft emissiepunt 9 Keller 2

De vergunde geurvrachten zijn niet in de onderliggende omgevingsvergunningen opgenomen, maar gelijk aan de laatst door verweerder gemeten geurvrachten. Een haalbaarheidsprobleem doet zich dus niet voor. Geurbeperkende maatregelen voor deze bronnen zijn niet nodig.

wat betreft emissiepunt 8 Keller 1

Gebleken is dat verweerder voor dit emissiepunt de voorgeschreven geurvracht niet heeft beoogd te wijzigen ten opzichte van de feitelijk gemeten geurvracht van 1,2 x 106 ge/uur.

De beroepsgrond slaagt dus in zoverre.

Het betrokken onderdeel van voorschrift 5.4 kan geen standhouden.

Als de voorgeschreven geurvracht wordt aangepast en vastgesteld op de feitelijke emissie van 1,2 x 106 ge/uur, zal zich ook hier geen haalbaarheidsprobleem voordoen en zullen geurbeperkende maatregelen niet nodig zijn.

wat betreft alle genormeerde emissiepunten (1 t/m 9)

Ter zitting heeft verweerder - ter tegemoetkoming aan eiseres - de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien door toevoeging van de volgende alinea aan voorschrift 5.4, die is ingegeven door de bevinding in het StAB-rapport (blz. 35) dat verhoging van het emissiepunt kan leiden naleving van de imissienorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel:

“Van de hier genoemde geuremissies mag worden afgeweken, mits schriftelijk wordt aangetoond dat het acceptabele geurhinderniveau van 3 ge/m3 als 98-percentiel niet wordt overschreden en op basis daarvan door gedeputeerde staten goedkeuring wordt gegeven.”

De rechtbank is van oordeel dat hieruit moet worden afgeleid dat verweerder geen emissienormering meer wenst aan te houden. Nu het uitgangspunt van de vergunning daardoor geheel verandert en het voorgestelde voorschrift niet meer inhoudt dat aan de betrokken imissienorm moet worden voldaan, ziet de rechtbank geen aanleiding op deze wijze zelf in de zaak te voorzien.

6. Haalbaarheid van de imissienorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel

In het StAB-rapport wordt geconcludeerd dat uit de rekenresultaten op basis van vergunde geurvrachten blijkt dat er binnen de contour van 3 ge/m3 als 98-percentiel geen woningen of andere geurgevoelige objecten zijn gelegen, en dat deze contour is gebaseerd op een correcte toepassing van een adequaat rekenmodel onder gebruikmaking van de juiste uitgangspunten.

Voor de onjuistheid van deze conclusies acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig. De stelling van eiseres dat niet vaststaat dat bij naleving van de voorgeschreven geurvrachten aan de imissiemorm van 3 ge/m3 als 98-percentiel wordt voldaan, faalt derhalve.

7. De nummering van de voorschriften onder 5.6 Metingen en Rapportage

Eiseres stelt terecht dat de nummering van de bij het bestreden besluit onder 5.6 aan de vergunning toegevoegde nieuwe voorschriften kan leiden tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid in verband met reeds bestaande voorschriften met hetzelfde nummer. Verweerder beaamt dit.

De rechtbank is van oordeel dat deze voorschriften zonder wijziging van deze nummering geen stand kunnen houden.

Hierin kan worden voorzien door toevoeging van de letter “a” aan het nummer van de nieuwe voorschriften, zoals door verweerder voorgesteld (dus: 5.6a, 5.6a.1, enz.).

8. De inhoud van de voorschriften onder 5.6 Metingen en Rapportage

Over de beroepsgronden die specifiek op deze voorschriften betrekking hebben, overweegt de rechtbank - voor zover dit, gezien de uitkomst van deze procedure, wenselijk wordt geacht - het volgende.

wat betreft voorschrift 5.6 in het algemeen

De rechtbank is van oordeel dat deze voorschriften onmiskenbaar uitsluitend betrekking hebben op het onderdeel geur en niet op iets anders.

De betrokken beroepsgrond faalt.

wat betreft voorschrift 5.6.5

De rechtbank volgt eiseres niet voor zover zij klaagt over de bruikbaarheid en toepasbaarheid van het beleidsdocument “Document meten en rekenen geur” uit 1994. Zoals hiervoor overwogen, komt uit het StAB-rapport genoegzaam naar voren dat dit beleidsdocument ook thans nog hanteerbare criteria inhoudt voor het uitvoeren van emissie- en imissieonderzoek.

De betrokken beroepsgrond faalt.

wat betreft voorschrift 5.6.6

De rechtbank acht het onvoldoende aannemelijk dat eiseres wegens de door haar aangevoerde omstandigheden niet uiterlijk zes weken voordat een geurmeting plaatsvindt een meetprotocol ter goedkeuring kan voorleggen. Voorts valt niet in te zien dat - wegens strijd met de rechtszekerheid - in verband daarmee geen “betrouwbaarheidsanalyse” mag worden gevergd op de grond dat niet duidelijk is waaraan die moet voldoen.

De betrokken beroepsgronden falen.

wat betreft voorschrift 5.6.7

De rechtbank ziet, gelezen de uitleg van verweerder, niet in dat dit voorschrift niet zinvol is. Kennelijk ziet het voorschrift erop te voorkomen dat gemeten wordt tijdens een bedrijfssituatie die lagere emissies geeft dan gebruikelijk.

De betrokken beroepsgrond faalt.

wat betreft voorschrift 5.6.8

De rechtbank is van oordeel dat ook deze voorschriften onmiskenbaar uitsluitend betrekking hebben op het onderdeel geur en niet op iets anders.

De betrokken beroepsgrond faalt.

wat betreft voorschrift 5.6.9

De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien dat de eisen die in dit voorschrift aan de meetlocaties worden gesteld, niet kunnen worden geacht nodig te zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Anders dan eiseres betoogt, is verweerder daartoe, gelet op artikel 5.3 van het Bor, bevoegd.

De betrokken beroepsgrond faalt.

9. Conclusies

Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Op grond van het aantal en de aard van de aan het besluit klevende gebreken en de samenhang tussen de betrokken aspecten van het besluit, alsmede de uiteenlopende mogelijkheden voor eventuele nieuwe besluitvorming en de verschillende keuzes die daarbij kunnen worden gemaakt, acht de rechtbank het niet geraden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid (oud), van de Awb, zelf in de zaak te voorzien, noch om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Het bestreden besluit zal ook om die redenen in zijn geheel worden vernietigd.

Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot het hierna vermelde bedrag. Het betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1180, welk bedrag is berekend op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (indiening beroepschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting: 1 punt; nadere reactie op het deskundigenrapport van de StAB: 0,5 punt). Voorts betreft het de kosten van het door Hillmann Integrale Milieuzorg voor eiseres uitgebrachte deskundigenrapport, als hiervoor vermeld, tot een bedrag van € 6121,50, welk bedrag is berekend op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken 2003, uitgaande van een uurtarief van € 81,23 en van 75,36 gewerkte uren. De inschakeling van deze deskundige en het bedrag van de kosten acht de rechtbank redelijk.

Verweerder zal worden gelast het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 7301, waarvan € 1180 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 6121 is toe te rekenen aan kosten van een deskundige;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 juni 2013.