Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3490

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
06/940341-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een jongeman uit Epe veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met een meisje van veertien jaar oud, terwijl hij op dat moment zelf reeds de leeftijd van twintig jaren had bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940341-11

Uitspraak d.d.: 18 juni 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

adres: [adres].

Raadsman: mr. D.P. Poppe, advocaat te Epe.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 juni 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 08 juli 2011 tot en met 20 augustus 2011 te Epe, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer], geboortedatum [geboortedatum], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina en/of haar anus en/of haar mond en/of

- het brengen van een of meer van zijn vingers in haar vagina en/of haar anus en/of

- het betasten van haar borsten en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- het tongzoenen van/met die [slachtoffer],

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;

art 245 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op zaterdag 20 augustus 2011 omstreeks 03.45 uur werd door de politie een huilend meisje, genaamd [slachtoffer], aangetroffen op de Hoofdstraat te Epe, nabij horecagelegenheid “[naam horecagelegenheid]”. Zij vertelde die nacht anaal te zijn verkracht door [verdachte]. Vervolgens is er in het Gelre ziekenhuis te Apeldoorn een ‘zedenkit’ bij [slachtoffer] afgenomen. Daarbij is geconstateerd dat er bloed uit de anus en vagina kwam en er kleine scheurtjes in de anus zaten. De volgende dag is er door de moeder van de 14-jarige [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting.

Op maandag 29 augustus 2011 is [verdachte] op bevel van de officier van justitie als verdachte van vermoedelijke overtreding van artikel 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen toegelicht en opgesomd.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de tenlastegelegde seksuele handelingen geen ontuchtig karakter hebben, omdat de handelingen die tussen verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, een en ander zoals verwoord in de overgelegde pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij op vrijdagavond 19 augustus rond 23.45 uur bij “[naam horecagelegenheid]” in Epe aankwam. Daar kwam zij ook de voor haar bekende [verdachte] tegen. Zij zijn die nacht naar buiten gegaan en hebben getongzoend. Ook heeft [verdachte] aan haar borsten gezeten, heeft hij met zijn vingers aan en in haar anus en vagina gezeten en met zijn penis in haar vagina. [slachtoffer] heeft [verdachte] gepijpt. Later heeft [slachtoffer] verklaard dat zij al een keer eerder met [verdachte] had gezoend en zij hem toen ook had gepijpt.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 8 juli 2011 met [slachtoffer] heeft gezoend en dat zij hem toen ook heeft gepijpt. Hij wist op dat moment dat [slachtoffer] 14 jaar oud was. Nadien hebben zij via hun mobiele telefoons contact gehouden. In de nacht van 19 op 20 augustus 2011 kwamen zij elkaar weer tegen, dit keer bij “[naam horecagelegenheid]” in Epe. Tegen 02.30 uur spraken zij elkaar en zijn zij naar buiten gegaan. Zij hebben getongzoend en later heeft de verdachte [slachtoffer] vaginaal gevingerd, heeft zij hem afgetrokken en heeft hij aan haar borsten gevoeld. Ook is hij met zijn vingers in haar anus gegaan, heeft zij hem gepijpt en is hij met zijn penis in haar vagina geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij misschien iets te ruw is geweest met zijn vingers, maar dat dit niet zijn bedoeling is geweest en hij daarvan ook niets aan [slachtoffer] heeft gemerkt. Ter terechtzitting heeft de verdachte zijn eerder afgelegde verklaring bevestigd.

Uit de brief van de forensisch arts blijkt dat er bij [slachtoffer] op 20 augustus 2011 anaal bloedverlies en slijmvliesscheurtjes rond de anus zijn geconstateerd.

Conclusie rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde feit, namelijk het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met [slachtoffer] die op dat moment 14 jaar oud was.

De rechtbank overweegt hiertoe dat bewezenverklaarde handelingen in het onderhavige geval, anders dan door de verdediging bepleit, naar het oordeel van de rechtbank een ontuchtig karakter hebben en niet als algemeen sociaal-ethisch aanvaardbaar kunnen worden gekwalificeerd. Daarbij benadrukt de rechtbank dat sprake was van een leeftijdsverschil van zes jaren tussen verdachte en aangeefster. Dat leeftijdverschil is groot, gelet op het feit dat aangeefster pas veertien jaar oud was, terwijl verdachte reeds de leeftijd van twintig jaren had bereikt. De aard van de seksuele handelingen (waaronder het binnendringen van de anus) en het geconstateerde letsel is hierbij ook door de rechtbank betrokken. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de seksuele handelingen volgens verdachte met instemming van aangeefster zouden hebben plaatsgevonden doet het ontuchtige karakter niet aan deze handelingen ontvallen.

Het verweer van de verdediging wordt door de rechtbank dan ook verworpen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het binnendringen van de anus met de penis, nu voor dat onderdeel onvoldoende bewijs voorhanden is.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Hij op meerdere tijdstippen in de periode van 08 juli 2011 tot en met 20 augustus 2011 te Epe, met [slachtoffer], geboortedatum [geboortedatum], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina en haar mond en

- het brengen van een of meer van zijn vingers in haar vagina en haar anus en

- het betasten van haar borsten en

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en

- het tongzoenen van/met die [slachtoffer],

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat mocht er een veroordeling volgen, kan worden volstaan met een voorwaardelijke werkstraf van geringe duur.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met een meisje van veertien jaar oud, terwijl hij op dat moment zelf reeds de leeftijd van twintig jaren had bereikt. De wetgever heeft met artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht jonge mensen mede tegen zichzelf willen beschermen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2013 niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, alsmede met de omstandigheid dat het erg lang heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk door de rechtbank is behandeld.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van 27 mei 2013.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de in (enigszins) vergelijkbare gevallen opgelegde straffen.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank een voorwaardelijke straf wel zinvol als een ernstige waarschuwing voor verdachte, teneinde te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend wegens geleden schade als gevolg van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade van in totaal € 407,60 bestaande uit:

1. Behandelingen jongerentherapie ad € 350,-

2. Reiskosten ad € 57,60

Daarnaast vordert [slachtoffer] een bedrag van € 2.500,- wegens immateriële schade. De totale vordering bedraagt € 2.907,60. Ten aanzien van de totale vordering is verzocht tot vermeerdering met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de raadsman betwist, in die zin dat de factuurnummers data betreffen van voor 20 augustus 2011.

De rechtbank overweegt het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden materiële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 57,60. Beoordeling van de gevorderde kosten van de behandelingen jongerentherapie vormen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat de onderbouwing van deze vordering causaliteitsvragen oproept. Te dien aanzien zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,-. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit, te weten 20 augustus 2011. Dit bedrag is lager dan gevorderd, omdat de rechtbank aansluiting heeft willen zoeken bij bedragen die in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding worden toegekend.

Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Ook dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank met inachtneming van het bovenstaande vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betalingen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 1.057,60 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 57, en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand;

• bepaalt dat die gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende honderd (100) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijftig (50) dagen;

• beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;

• veroordeelt de verdachte ten aanzien van het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.057,60 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2011, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

• verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

• legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.057,60 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2011, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

• bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mrs. E.G. de Jong, voorzitter, Kleinrensink en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wegter, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van18 juni 2013.

Mr. E.G. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.