Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3439

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
AWB 12/3307, AWB 12/3308, AWB 12/4070 en AWB 12/4246
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 EVRM. Verzoek om immateriële schadevergoeding. Geen recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de termijn in de bezwaarfase als geschil niet is voorgelegd aan de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1516
V-N 2013/48.7 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/3307, AWB 12/3308, AWB 12/4070 en AWB 12/4246

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 20 juni 2013

inzake

drs. [X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

2001

- een aanslag (aanslagnummer [000].H.16) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2001 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 230.542 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.140 alsmede een boetebeschikking van € 567. Tevens is bij beschikking € 7.921 aan heffingsrente in rekening gebracht;

2002

- een aanslag (aanslagnummer [000].H.26) IB/PVV over het jaar 2002 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.903 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.013 alsmede een boetebeschikking van € 794. Tevens is bij beschikking € 2.249 aan heffingsrente in rekening gebracht;

2005

- een aanslag (aanslagnummer [000].H.56) IB/PVV over het jaar 2005 geschat naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.000 alsmede een boetebeschikking. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

2006

- een aanslag (aanslagnummer [000].H.66) IB/PVV over het jaar 2006 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.223 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.439. Tevens is bij beschikking € 685 aan heffingsrente in rekening gebracht.

IB/PVV 2001 en 2002

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 mei 2012 de aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 verminderd. Voorts zijn de beschikkingen heffingsrente verminderd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 2 juli 2012, ontvangen door rechtbank Haarlem op 3 juli 2012 en, na doorzending, ontvangen door de rechtbank op 9 augustus 2012 beroep ingesteld.

IB/PVV 2005 en 2006

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 juli 2012 en 21 augustus 2012 de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 verminderd alsmede de boetebeschikking over 2005 verminderd tot nihil. Voorts zijn de beschikkingen heffingsrente verminderd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 8 en 22 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank respectievelijk op

9 en 22 augustus 2012, beroep ingesteld.

Met betrekking tot alle onderhavige belastingaanslagen

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2013 te Arnhem. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

2.1. Eiser heeft de aangiften IB/PVV 2001, 2002 en 2006 ingediend.

2.2. Verweerder heeft met dagtekening 27 juni 2007 de aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 aan eiser opgelegd.

2.3. Verweerder heeft met dagtekening 14 maart 2008 de aanslag IB/PVV 2005 ambtshalve aan eiser opgelegd alsmede een boetebeschikking wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

2.4. Verweerder heeft met dagtekening 30 oktober 2010 de aanslag IB/PVV 2006, ter behoud van rechten, aan eiser opgelegd.

2.5. Eiser heeft tegen onderhavige belastingaanslagen tijdig bezwaar gemaakt.

2.6. Bij brieven van 19 september 2007 en 21 november 2010 heeft eiser verzocht de behandeling van de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2006 aan te houden totdat de rechter in beroep dan wel in hoger beroep uitspraak heeft gedaan in een lopende beroepsprocedure over het belastingjaar 2000, omdat deze zaak betrekking had op hetzelfde geschilpunt als in onderhavige belastingjaren.

2.7. Op 8 september 2011 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan op het hoger beroep van eiser met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2000.

2.8. Bij brieven van 3 oktober 2011 (IB 2001 en 2002) en 23 april 2012 (IB 2005 en 2006) heeft verweerder aan eiser de afwikkeling van de bezwaren inzake de onderhavige belastingaanslagen medegedeeld. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

2.9. Bij brieven van 9 november 2011 heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van de uitspraken op bezwaar tegen alle onderhavige belastingaanslagen.

2.10. Verweerder heeft met dagtekeningen 24 mei 2012 (IB 2001 en 2002), 6 juli 2012 (IB 2005) en 12 augustus 2012

(IB 2006) de uitspraken op bezwaar tegen onderhavige belastingaanslagen aan eiser gezonden. Verweerder is daarbij gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen. De verzoeken van eiser om immateriële schadevergoeding heeft verweerder afgewezen.

3. Geschil

In geschil is of eiser recht heeft op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 6 EVRM recht heeft op immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de bezwaarfase inzake de onderhavige belastingaanslagen.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6 EVRM betrekking heeft op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter en niet door het bestuursorgaan. Indien beroep wordt ingesteld na uitspraak op bezwaar wordt de bezwaarfase wel betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Daarbij is van belang dat de bezwaarfase een in beginsel verplichte procedure is voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens eiser dit geschil aan de rechter kan voorleggen (zie CRvB 26 januari 2009, LJN: BH1009). Op deze grond wordt een bestuursorgaan in voorkomende gevallen veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens zijn aandeel (als gevolg van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase) in de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Dit alles brengt echter niet mee dat aan artikel 6 EVRM een aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd (zie ABRvS, 17 juni 2009, LJN: BI8475 en CRvB 28 april 2009, LJN: BI2748).

4.3. Vast staat dat eiser het inhoudelijk geschil inzake de onderhavige belastingaanslagen niet heeft voorgelegd aan de rechtbank en hij in beroep enkel heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens de te lange behandelingsduur van de bezwaarfase. Nu eiser het inhoudelijke geschil inzake de onderhavige belastingaanslagen niet aan de rechtbank heeft voorgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op immateriële schadevergoeding. Het feit dat de bezwaarfase te lang heeft geduurd en verweerder dit niet heeft weersproken, maakt dit niet anders. Verweerder heeft terecht geen immateriële schadevergoeding toegekend aan eiser.

4.4. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Sadi, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 juni 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.