Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3231

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
AWB 12/4249, 12/4252 en 12/4253
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:4215, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonheffingen. Dienstbetrekking. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door eiseres via de Stichting ingeschakelde chauffeurs in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan met eiseres. Niet aannemelijk geworden dat er een verplichting bestond tot het persoonlijk verrichten van arbeid. Dat eiseres als transportonderneming daardoor grote aansprakelijkheidsrisico's heeft genomen, is op zichzelf onvoldoende aanleiding voor een andersluidende conclusie. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1404
Belastingadvies 2013/16.8
V-N 2013/44.2.3
FutD 2013-1629
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/4249, 12/4252 en 12/4253

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 juni 2013

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Almelo, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen en beschikkingen aan eiseres opgelegd:

? op 11 november 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].A.01.950.0) over het tijdvak

1 september 2009 tot en met 31 december 2009 ten bedrage van € 2.323, alsmede bij beschikking € 111 aan heffingsrente;

? op 14 november 2011 een vergrijpboete behorende bij de naheffingsaanslag A.01.950.0 (aanslagnummer [000].A.01.950.1) van € 580;

? op 14 november 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].A.01.050.0) over het tijdvak

1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2010 van € 8.947, alsmede bij beschikking een boete van € 2.236. Tevens is bij beschikking € 206 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 31 juli 2012 de naheffingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank op 22 augustus 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013 te Arnhem. Namens eiseres is [A], directeur van eiseres, verschenen, bijgestaan door mr. [gemachtigde], werkzaam bij [B] te [Z]. Namens verweerder is verschenen

drs. [gemachtigde], bijgestaan door mr. [C].

2. Feiten

2.1 Eiseres exploiteert een transportbedrijf en rijdt in de onderhavige periode onder meer voor [D] BV (hierna: [D]). In de vervoersovereenkomst die op 28 januari 2010 tussen eiseres ("opdrachtnemer") en [D] ("opdrachtgever") is gesloten, is onder meer het volgende bepaald:

" (…)

3.8 Inzake de door opdrachtnemer en/of zijn personeel ten behoeve van de opdrachtgever uit te voeren werkzaamheden verplicht opdrachtnemer zich loonheffingen en BTW correct en stipt af te dragen aan de fiscus. Opdrachtnemer dient er tijdig en deugdelijk op toe te zien dat de loonheffingen en BTW van door hem ingehuurd personeel wordt betaald.

3.9 (…)

3.10 Het is opdrachtnemer, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van opdrachtgever, niet toegestaan de overeengekomen werkzaamheden door een derde, niet zijnde een ondergeschikte, te laten uitvoeren.

(…) "

2.2 In 2009 en 2010 heeft eiseres facturen ontvangen van Stichting [E] voor het uitvoeren van chauffeurswerkzaamheden. Stichting [E] heeft blijkens de inschrijvingsgegevens van de Kamer van Koophandel als bezoekadres [A-straat 1] te [Q]. Op hetzelfde bezoekadres zijn nog vier stichtingen ingeschreven, namelijk Stichting [F], Stichting [G], Stichting [H] en Stichting [I]. Van al deze stichtingen is [J] de secretaris/penningmeester. Voorzitter is ofwel [K] (Stichting [F] en Stichting [G]), ofwel [L] (Stichting [E] en Stichting [H]), ofwel [M] (Stichting [I]).

2.3 Verweerder heeft op 1 november 2010 een boekenonderzoek bij eiseres aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de loonadministratie en de in te dienen aangiften loonheffingen. In het eindrapport van het boekenonderzoek van 30 mei 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

" (…)

3.7 Dienstbetrekking

In de periode maart 2009 tot datum controle werden, buiten de loonadministratie om, bedragen betaald aan de Stichting [E].

Desgevraagd deelde de heer [A] hierover het volgende mee:

Stichting [E] is een bedrijf van de heer [K]. Als de eigen nachtchauffeurs van [X] B.V. verhinderd zijn, dan vallen zowel de heer [K] als zijn dochter in als chauffeur op de nachtritten. (…) [K] of zijn dochter rijdt dan de ritten van [X] B.V. die anders door de eigen chauffers worden gereden. Er wordt gereden met een trekker van [X] B.V. (…)

Desgevraagd deelt de heer [A] mee dat hij niet weet wie er wanneer op de vrachtauto rijdt; de ritten zijn 's nachts en dan is er geen zicht op wie er rijdt (vader of dochter [L]).

Voor de werkzaamheden stuurt Stichting [E] (…) handgeschreven facturen aan [X] B.V. Er wordt gefactureerd tegen een uurtarief van € 21,50. De omschrijving luidt dan "Chauffeurswerk". Gefactureerd wordt

met 19% BTW.

De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een dienstbetrekking. Volgens de heer [A] rijden zowel de heer [K] als zijn dochter op de vrachtwagen. De heer [A] kan echter niet aangeven wie wanneer rijdt. Uit nader onderzoek van de digitale tachograafgegevens uit de vrachtwagens van [X] B.V. is gebleken dat er nog een derde [M] via de Stichting [E] heeft gereden.

Uit de gegevens blijkt dat de urenverdeling als volgt was:

2009: [K] 147,25 uur (64%)

[L] 60,75 uur (26%)

[M] 25,00 uur (10%)

2010: [K] 476,50 uur (82,5%)

[L] 101,50 uur (17,5%)

(…) "

2.4 Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat tussen eiseres en [K], [L] en [M] in 2009 en 2010 sprake is (geweest) van een dienstbetrekking. Als gevolg hiervan zijn aan eiseres naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd, alsmede boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

2.5 Daartegen heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht naheffingsaanslagen loonheffingen heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of tussen eiseres enerzijds en [K], [L] en [M] anderzijds in 2009 en 2010 sprake is geweest van een dienstbetrekking.

3.2 Voorts is de bij de naheffingsaanslag loonheffingen 2010 opgelegde vergrijpboete in geschil. Niet langer is in geschil dat de separaat opgelegde vergrijpboete bij de naheffingsaanslag loonheffingen 2009 dient te worden vernietigd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna Wet LB 1964), voorzover thans van belang, wordt onder de naam ‘loonbelasting’ een directe belasting geheven van werknemers of hun inhoudingsplichtige.

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet LB 1964 wordt onder werknemer onder meer verstaan de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Om te kunnen spreken van een dienstbetrekking in hiervoor bedoelde zin, zal aan de volgende voorwaarden van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid, juncto artikel 7:659, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moeten zijn voldaan:

- er moet een gezagsverhouding bestaan tussen degene die de arbeid opdraagt en degene die

de arbeid verricht;

- de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende zekere tijd,

en

- de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.

4.3 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen haar en [K], [L] en [M]. Volgens eiseres heeft zij een (mondelinge) overeenkomst met Stichting [E], inhoudende dat Stichting [E] voor eiseres op afroep nachtritten verzorgt, zonder dat eiseres van tevoren kan aangeven welke chauffeur er moet rijden. Stichting [E] kiest uit de haar ter beschikking staande poule van (in ieder geval) drie chauffeurs de chauffeur.

4.4 Volgens verweerder is daarentegen wel sprake van een dienstbetrekking iedere keer dat een chauffeur van Stichting [E] een rit uitvoert voor eiseres. Daartoe wijst verweerder erop dat de chauffeurs van Stichting [E] de aanwijzingen van eiseres dienen op te volgen en hun werkzaamheden op dezelfde wijze moeten uitvoeren als andere werknemers van eiseres. Daarnaast wijst verweerder erop dat het eiseres op grond van de door haar met [D] afgesloten vervoerovereenkomst en de desbetreffende voorschriften van de Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg) is verboden om derden voor haar te laten te rijden. Reeds hierom is volgens verweerder aannemelijk dat sprake is van dienstbetrekkingen en daarom dient eiseres aannemelijk te maken dat zij ondanks die wettelijke voorschriften werkt met derden.

4.5 De rechtbank stelt voorop dat eiseres noch de chauffeurs waar het in dit geval om gaat als zodanig geen arbeidsovereenkomsten met elkaar hebben gesloten of de intentie hebben gehad om dienstbetrekkingen tot stand te brengen. Gelet hierop, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat verweerder aannemelijk moet maken dat niettemin sprake is van overeenkomsten in de zin van artikel 7:610 van het BW. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6 Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de afspraken met Stichting [E] tot stand zijn gekomen doordat [L], een bekende van de directeur van eiseres vanuit de chauffeursopleiding, een aanbod heeft gedaan om nachtritten uit te voeren in geval eiseres' eigen chauffeurs niet konden. Tegenover de stelling van eiseres, dat zij steeds als zij een chauffeur nodig had belde met Stichting [E] zonder te weten welke chauffeur vervolgens de nachtrit zou uitvoeren, heeft verweerder niet aannemelijk kunnen maken dat sprake was van een bevoegdheid van eiseres om een bepaalde chauffeur van Stichting [E] aan te wijzen als de chauffeur die de rit zou moeten uitvoeren. In zoverre is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een persoonlijke verplichting van de chauffeurs van Stichting [E] en derhalve ook niet van een verplichting van eiseres om de betreffende chauffeurs persoonlijk te betalen. Dit is in overeenstemming met de door Stichting [E] aan eiseres uitgereikte facturen en met de opname daarvan door eiseres in haar grootboekrekening "4030/uitzendkrachten". Dat geen sprake was van een persoonlijke verplichting om arbeid te verrichten volgt tot slot ook uit de door verweerder overgelegde analyse van de gegevens van de chauffeurspassen en de tachograafgegevens. Deze sluiten niet op elkaar aan, terwijl de uiteindelijk gefactureerde uren door de Stichting wel overeenkomen met de tachograafgegevens. Dit duidt erop dat eiseres alleen de uren betaalde die werden gedeclareerd en kennelijk geen noodzaak zag inzicht te hebben in de individuele prestaties van de desbetreffende chauffeurs. De conclusie lijkt derhalve gerechtvaardigd dat Stichting [E] in feite fungeerde als een (niet KIWA-erkend) uitzendbureau. Dat de directeur van eiseres kennelijk met [L] de afspraken heeft gemaakt, onder andere over het te rekenen uurtarief, maakt tot slot, anders dan verweerder heeft gesteld, evenmin aannemelijk dat sprake is van dienstbetrekkingen of een persoonlijke verplichting arbeid te verrichten. [L] is immers tevens voorzitter van de Stichting [E] en ook vanuit dien hoofde kan zij de onderhandelingen met eiseres hebben gevoerd.

4.7 Dat eiseres door het inlenen van chauffeurs via Stichting [E] aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico's heeft genomen op verschillende vlakken, is weliswaar een correcte constatering van verweerder, maar een dergelijke ondernemersbeslissing kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

4.8 De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat verweerder ten onrechte de aan de Stichting [E] betaalde bedragen heeft aangemerkt als loon waarover loonheffingen dienen te worden ingehouden en afgedragen. De beroepen zijn derhalve gegrond en de naheffingsaanslagen loonheffingen 2009 en 2010 alsmede de beschikkingen heffingsrente en boete dienen te worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van de bezwaren en beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.414 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt € 235, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1 omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen loonheffingen 2009, en 2010 (aanslagnummers [000].A.01.950.0, A.01.950.1 en A.01.050.0);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.414;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 310 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. I. Linssen en mr.dr. N. Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. J.A. Vriezen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 juni 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.