Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3194

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12/2993
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1531, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser komt op tegen een toegekende planschadevergoeding voor de bouw van 8 appartementen in Goor. Het betoog van eiser dat de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen lag en dat op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft, slaagt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraken van 29 februari 2012, LJN: BV7254 en 5 september 2012, LJN: BX6492, overwogen dat de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen.

Het bouwplan voegt zich naar het oordeel van de rechtbank goed in het bestaande karakter van de buurt. Voor het gehele gebied gelegen tegenover de woning van aanvrager gold al de bestemming bijzondere doeleinden waar verzorgingstehuizen waren toegestaan. In die zin sloot de ontwikkeling (de zuidelijke nieuwe bebouwing) aan op de plaatselijke situatie en was het bouwplan in overeenstemming met het ruimtelijke beleid van verweerder. Tevens sluiten de afmetingen en de hoogte van de zuidelijke nieuwbouw aan bij de bestaande bebouwing en de eerder mogelijk gemaakte 8 zorgappartementen in de noordelijke bebouwing. Gezien voorts de afmetingen van het object en de kortste afstand tot het perceel van aanvrager, zal ter plaatse geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat plaatsvinden. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat er geen planologische verslechtering is aangenomen ten opzichte van het noordelijk bouwvlak, met een vergroting van het bouwvlak over een breedte van 4,5 meter en waarbij de afstand tussen bouwvlak en het perceel van aanvrager ongeveer 39 meter bedraagt.

Onder deze omstandigheden lag de planologische wijziging naar oordeel van de rechtbank, mede gezien de aangehaalde jurisprudentie, in de lijn der verwachtingen. De beroepsgrond slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

registratienummer: AWB 12/2993

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 april 2013.

inzake

[eiseres], eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door [naam],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente, verweerder,

alsmede

[partij ex artikel 8:26 van de Awb], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 november 2011, verzonden 9 november 2011.

2. Procesverloop

Op 17 augustus 2010 is namens [partij ex artikel 8:26 van de Awb] een verzoek bij verweerder ingediend om toekenning van een tegemoetkoming in de schade wegens waardevermindering van hun woning als gevolg van de projectvrijstelling voor de bouw van 8 appartementen aan de Lintelerweg 5 te Goor (plan Heeckeren) alsmede de bestemmingsplanherziening “integrale herziening 2004, herziening Lintelerweg 5”.

Bij besluit van 31 mei 2011, verzonden 1 juni 2011, en gericht aan “[naam]” heeft verweerder deze aanvraag toegewezen tot een bedrag van € 5.100, exclusief wettelijke rente. Volgens verweerder is er geen sprake van een planologische verslechtering als gevolg van bedoelde projectvrijstelling maar wel als gevolg van genoemde bestemmingsplanherziening.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 februari 2013. Namens eiseres is aldaar [naam] verschenen, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Braamhaar. [partij ex artikel 8:26 van de Awb] is niet verschenen.

3. Overwegingen

3.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoedingen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro, dan wel die na 1 juli 2008 zijn ingediend, maar die betrekking hebben op een planologische maatregel van voor 1 september 2005.

3.2 In dit geval betreft de schadeveroorzakende planologische maatregel het bestemmingsplan “Integrale herziening Kloosterlaan 2004”, vastgesteld op 10 februari 2009 en in werking getreden op 7 september 2009. Nu het verzoek om planschadevergoeding is ingediend na de inwerkingtreding van de Wro, op 17 augustus 2010, en dit verzoek geen betrekking heeft op een planologische maatregel van voor 1 september 2005, is de Wro van toepassing.

3.3 Voorts stelt de rechtbank voorop dat, gelet op het verhandelde ter zitting, de heer [naam] niet als afzonderlijke eisende partij wordt aangemerkt maar, in voorkomend geval, als gemachtigde van eiseres

3.4 Eiseres stelt zich bij nader inzien op het standpunt dat zij door verweerder ten

onrechte als belanghebbende is aangemerkt. De achtergrond van deze stelling is dat eiseres meent geen partij te zijn bij het primaire besluit en dat om die reden planschade ook niet op haar kan worden verhaald. De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

3.5 Artikel 6.4a, tweede lid van de Wro luidt als volgt :

“De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om tegemoetkoming op grond van artikel 6.1. ter zake van de vaststelling van het bestemmingsplan dan wel de verlening van de omgevingsvergunning waarom hij heeft verzocht.”

3.6 De heer [naam], naar ter zitting is gebleken handelend namens eiseres, en de burgemeester van de gemeente Hof van Twente, handelend namens de gemeente Hof van Twente, zijn op 10 oktober 2007 overeengekomen (hierna : de overeenkomst) dat de gemeente planologische medewerking zal verlenen voor de realisatie van een woongebouw met maximaal 14 zorgappartementen op het perceel kadastraal bekend Goor, sectie A nummer 2009 en plaatselijk bekend Lintelerweg 5 te Goor. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan “Sportveldencomplex Heeckeren” (hierna: het bestemmingsplan). In deze overeenkomst is onder meer overeengekomen dat de gemeente bereid is de door eiseres gevraagde planologische maatregel verder in procedure te brengen, onder voorwaarde dat eiseres zich ten behoeve van de economische uitvoerbaarheid van de maatregel bereid verklaart de daaruit voortvloeiende voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Zoals voorts uit (artikel 4 van) de overeenkomst volgt verbindt eiseres zich om aan de gemeente het totale bedrag te compenseren van de schade die onherroepelijk voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt en die voortvloeit uit de vrijstelling en herziening van het bestemmingsplan.

3.7 Nu het primaire besluit betrekking heeft op planschadevergoeding voor het gebied waarop de overeenkomst ziet en ook betrekking heeft op de daarin voorziene bouw en de daarvoor benodigde bestemmingsplanherziening kan er geen twijfel over bestaan dat eiseres daarbij belanghebbende is op de voet van artikel 6.4a, tweede lid, van de Wro; daaraan kan niet afdoen dat het primaire besluit niet aan eiseres is gericht. Gelet op het vorenstaande is eiseres door verweerder in bezwaar terecht ontvankelijk geacht. Of eiseres gehouden is op grond van de overeenkomst de planschade geheel of gedeeltelijk te compenseren is een vraag die in deze procedure bij de rechtbank niet voorligt.

3.8 Verweerder heeft het verzoek om planschade behandeld conform “de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade”, en een adviseur opdracht verstrekt om naar aanleiding van deze verzoeken advies uit te brengen. Langhout & Wiarda Juristen Rentmeesters uit Oranjewoud (Langhout & Wiarda) heeft als adviseur gediend voor verweerder en heeft vastgesteld dat alleen de tweede planologische wijziging, te weten het bestemmingsplan “Integrale herziening Kloosterlaan 2004, herziening Lintelerweg 5”, een planologische verslechtering teweeg brengt. De adviseur heeft geconcludeerd dat aan [partij ex artikel 8:26 van de Awb] planschadevergoeding moet worden toegekend ad. € 5.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; Daarbij heeft deze adviseur geconcludeerd dat de schade niet valt binnen het normale maatschappelijke risico. Verweerder heeft dat advies overgenomen.

3.9 De rechtbank overweegt dat Langhout & Wiarda een onafhankelijke deskundige is op het gebied van planschade. Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 maart 2010, LJN: BL6224, mag verweerder bij zijn besluit op een verzoek om planschadevergoeding, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

3.10 Eiseres heeft aan de hand van het door haar overgelegd tegenadvies van juli 2011, op gesteld door NOMIS Advies, aangevoerd dat zij een gemotiveerde onderbouwing heeft gegeven voor de conclusie dat er in het geheel geen sprake is geweest van een planologische verslechtering en indien er al van een planologische verslechtering sprake zou zijn, dan zou het nadeel bovendien binnen het 2% eigen risico van aanvrager vallen. Voorts heeft eiseres op 15 februari 2013 een nieuwe beroepsgrond naar voren gebracht. Daarin stelt eiseres dat – gelet op de recente jurisprudentie - de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen lag en dat op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Daartoe voert eiseres aan dat het bouwplan zich naadloos in het bestaande karakter van de buurt voegt. Tevens stelt eiseres dat de afmetingen en de hoogte van de zuidelijke nieuwbouw aansluiten bij de bestaande bebouwing en de eerder mogelijk gemaakte 8 zorgappartementen in de noordelijke bebouwing.

3.11 Verweerder stelt zich ten aanzien van de aanvullende beroepsgrond primair op het standpunt dat het aanvullen van beroepsgronden in dit stadium van het geding in strijd is met een goede procesorde en subsidiair dat de planologische wijziging niet binnen het normale maatschappelijke risico valt.

3.12 De rechtbank is van oordeel dat het eiseres in beginsel vrijstaat om beroepsgronden aan te voeren die zij nog niet eerder naar voren had gebracht. De termijn waarop dat is gebeurd brengt niet mee dat verweerder daarop niet meer adequaat heeft kunnen reageren. Mitsdien is ter zake van de beroepsgrond ‘normaal maatschappelijk risico’ geen sprake van strijd met een goede procesorde.

3.13 Ter zake van het normaal maatschappelijk risico wordt het volgende overwogen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraken van 29 februari 2012, LJN: BV7254 en 5 september 2012, LJN: BX6492, overwogen dat de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht moeten worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.

3.14 Het bouwplan (het zuidelijke bebouwingsvlak met een oppervlakte van circa 600 m2

en een maximale goot- en bouwhoogte van 6,5 en 11 meter, mogelijk gemaakt door het

bestemmingsplan “Integrale herziening Kloosterlaan 2004”) voegt zich naar het oordeel van de rechtbank goed in het bestaande karakter van de buurt. Voor het gehele gebied gelegen tegenover de woning van aanvrager gold al de bestemming bijzondere doeleinden waar verzorgingstehuizen waren toegestaan. In die zin sloot de ontwikkeling (de zuidelijke nieuwe bebouwing) aan op de plaatselijke situatie en was het bouwplan in overeenstemming met het ruimtelijke beleid van verweerder. Tevens sluiten de afmetingen en de hoogte van de zuidelijke nieuwbouw aan bij de bestaande bebouwing en de eerder mogelijk gemaakte 8 zorgappartementen in de noordelijke bebouwing. Gezien voorts de afmetingen van het object en de kortste afstand tot het perceel van [partij ex artikel 8:26 van de Awb] (ongeveer 57 meter), zal ter plaatse geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat plaatsvinden. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat er geen planologische verslechtering is aangenomen ten opzichte van het noordelijk bouwvlak, met een vergroting van het bouwvlak over een breedte van 4,5 meter en waarbij de afstand tussen bouwvlak en het perceel van [partij ex artikel 8:26 van de Awb] ongeveer 39 meter bedraagt.

3.15 Onder deze omstandigheden lag de planologische wijziging naar oordeel van de rechtbank, mede gezien de aangehaalde jurisprudentie, in de lijn der verwachtingen. De beroepsgrond slaagt. De andere beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

3.16 De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, omdat verweerder in dat besluit niet heeft onderkend dat de door eiseres gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt en voor rekening van de aanvrager blijft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en alsnog afwijzend te beslissen op het verzoek om planschadevergoeding en tevens bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.17 De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in dit verband gemaakte proceskosten. De kosten van verleende rechtsbijstand zijn begroot op € 1.888,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar. Tevens komt in verband met reiskosten van eiseres een bedrag van € 24,20 voor vergoeding in aanmerking. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank, gelet op de inhoud van de door eiseres ingevulde formulier proceskosten, niet gebleken.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- beslist afwijzend op het verzoek van [partij ex artikel 8:26 van de Awb] om een tegemoetkoming in de planschade;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.912,20;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 16 april 2013.