Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2536

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
05/701816-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de man tevens veroordeeld tot gedeeltelijke vergoeding van de gevorderde schade aan het slachtoffer met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank veroordeelt een 37-jarige man uit Lunteren wegens het meermalen plegen van ontuchtige handelingen en het seksueel binnendringen van het lichaam van een 13-jarige jongen tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer. Voorts dient de man een schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/701816-12

Datum zitting : 27 mei 2013

Datum uitspraak : 10 juni 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. J.F. Schouwenaar, advocaat te Velp.

Officier van justitie : mr. P.A. de Boer.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april

2010 tot en met 19 juni 2012 te Lunteren, gemeente Ede en/of te Wekerom,

gemeente Ede, althans telkens in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige

handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

te weten

- zijn verdachtes penis in de mond brengen en/of duwen en/of bewegen en/of

zich laten pijpen en/of

- zijn verdachtes tong in de mond brengen en/of bewegen en/of tongzoenen,

welke handelingen hij, verdachte, (telkens) heeft gepleegd met [slachtoffer],

geboren op 15 april 1997, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april

2010 tot en met 19 juni 2012 te Lunteren, gemeente Ede en/of te Wekerom,

gemeente Ede, althans telkens in Nederland, (telkens) met [slachtoffer],

geboren op 15 april 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

bestaande in het (telkens) opzettelijk ontuchtig

- de penis van die [slachtoffer] in de mond nemen en/of het pijpen van die [slachtoffer] en/of

- het aftrekken van de penis van die [slachtoffer];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 mei 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.F. Schouwenaar, advocaat te Velp.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen: [slachtoffer], bijgestaan door mr. S.F. Nijhuis, advocaat te Nijmegen en vergezeld door zijn ouders.

De moeder van de ten tijde van de terechtzitting nog minderjarige [slachtoffer] heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

De officier van justitie, mr. P.A. de Boer, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 61-73.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2013.

De rechtbank is, naar analogie van het arrest van de Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BZ 2653, van oordeel dat het door verdachte in de mond brengen en/of bewegen van diens tong, en/of tongzoenen, niet gekwalificeerd kan worden als seksueel binnendringen in de zin van artikel 245 Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal van dat deel van de tenlastelegging daarom worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 61-73.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2013.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 23 april 2010 tot en met 19 juni 2012 in Nederland, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten

- zijn, verdachtes, penis in de mond brengen en/of duwen en/of bewegen en/of zich laten pijpen welke handelingen hij, verdachte, heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 15 april 1997, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 23 april 2010 tot en met 19 juni 2012 te Lunteren, gemeente Ede en te Wekerom, gemeente Ede, telkens met [slachtoffer], geboren op 15 april 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het telkens opzettelijk ontuchtig

- de penis van die [slachtoffer] in de mond nemen en het pijpen van die [slachtoffer] en2

- het aftrekken van de penis van die [slachtoffer];

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

"Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien haren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam"

Ten aanzien van de feit 2:

"met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meerdere malen gepleegd"

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij Psychologenpraktijk Brouwer of een FPK indien de reclassering dit noodzakelijk acht en een contactverbod met [slachtoffer] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit, de lange periode waarin de handelingen hebben plaatsgevonden en de gevolgen die de feiten voor het slachtoffer en zijn familie hebben. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de schuldbewuste houding van verdachte en het feit dat verdachte uit eigen beweging hulp heeft gezocht en in therapie is gegaan.

Het standpunt van de verdediging

In tegenstelling tot de officier van justitie is de verdediging van mening dat een maximale werkstraf met een voorwaardelijke straf passend is. Het opleggen van een gevangenisstraf treft het hele gezin van verdachte, en hij zal daardoor zijn baan verliezen. Verdachte zal de komende jaren therapieën moeten volgen en Jeugdzorg zal zich voor lange tijd met het gezin van verdachte bemoeien.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 april 2013; en

* een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 18 oktober 2012 en 24 mei 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft met het slachtoffer, bij aanvang 13 jaar oud, ontuchtige handelingen gepleegd. Die handelingen bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft zich oraal laten bevredigen door het slachtoffer en voorts heeft hij het slachtoffer oraal bevredigd en diens penis afgetrokken. Deze handelingen vonden plaats gedurende een lange periode. Verdachte heeft met het plegen van deze handelingen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog jonge slachtoffer. Verdachte en aangever gingen veel met elkaar om en konden het goed met elkaar vinden. Hoewel verdachte geen geweld heeft gebruikt en evenmin bedreigingen heeft geuit om het slachtoffer zover te krijgen, had hij - mede gelet op het grote leeftijd verschil tussen hem en het slachtoffer - beter moeten weten.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld en dat hij na de beëindiging van de inverzekeringstelling direct in therapie is gegaan. Volgens zijn behandelend psycholoog is er geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis, maar wel, onder andere, van lage zelfwaardering, afhankelijke trekken en seksuele identiteitsproblematiek. Verdachte geeft aan dat hij veel spijt heeft van zijn daden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als door de officier van justitie is geëist, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekeringstelling heeft gezeten, passend en geboden is.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering, zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, en voorts dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen voor zijn parafilie bij Psychologenpraktijk Brouwer dan wel door een FPK indien dit door reclassering noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod op met het slachtoffer [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank zal aan de algemene voorwaarden, het contact verbod en de meldplicht, conform het advies van reclassering een proeftijd verbinden van vijf jaar. Daarbij overweegt de rechtbank dat de therapie van verdachte nog niet is voltooid en is nog onzeker hoe die therapie bij verdachte zal aanslaan en of deze zal beklijven, zodat nog ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Zonder (succesvolle afronding van) deze therapie wordt het recidiverisico door de reclassering als hoog gemiddeld in geschat. Verdachte heeft kinderen. De rechtbank onderschrijft het door reclassering omschreven belang om over een langere periode te kunnen monitoren hoe betrokkene omgaat met zijn eigen kinderen en eventuele vriendjes die dan de leeftijd hebben van de risicogroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank conform de eis van de officier van justitie.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.129,21 (aangepast ter terechtzitting in verband met een rekenfout in de reiskosten bezoek advocaat, bijlage 1).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot een bedrag van € 4.500,- kan worden toegewezen en dat het overige deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De materiële kosten dienen te worden beperkt tot een bedrag van € 1500,-. De kosten voor therapie van [slachtoffer] en zijn ouders, evenals de reiskosten acht de officier van justitie te ingewikkeld en tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden.

De immateriële schade dient te worden beperkt tot € 3000,-.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.500,-, zoals door de officier van justitie geadviseerd.

Ten aanzien van de materiële kosten voert de raadsman aan dat hij uit de verklaring van het UMC en therapeut niet kan opmaken dat benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten naar een andere school heeft gemoeten en dat daarvoor dus reiskosten gemaakt moesten worden.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade:

De rechtbank zal de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van

€ 1.509,02 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken op dat bedrag is begroot.

Ten aanzien van de reiskosten is de rechtbank van oordeel dat vordering wat betreft de posten (zoals genoemd in bijlage 1): 'school [slachtoffer] (treinkosten)' en 'school [slachtoffer] (auto)' niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu op voorhand niet is vast te stellen of sprake is van voldoende rechtstreeks verband tussen deze schadeposten en de bewezenverklaarde feiten. Nadere bewijslevering en onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafproces op leveren.

Ten aanzien van de kosten van de therapie bij [therapeut], contextueel therapeut, is de rechtbank van oordeel dat van het deel van de kosten dat ziet op de behandeling van de ouders van benadeelde partij [slachtoffer], [ouders slachtoffer], niet is gebleken dat deze in rechtstreeks verband staan met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank acht de kosten van tien behandelingen van benadeelde partij [slachtoffer] wel voor toewijzing vatbaar.

Het gaat om tien behandelingen a € 45,- te vermeerderen met BTW, te weten EUR 450 + 21% BTW= EUR 544,50. Het overige deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De overige posten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen.

Immateriële schade:

Aan de benadeelde partij is door het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Uit de verslagen van het UMC Utrecht d.d. 7 mei 2013 en [therapeut], contextueel therapeut, blijkt voldoende dat benadeelde partij [slachtoffer] psychische schade heeft opgelopen door de bewezenverklaarde feiten. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op € 5000,-. Dit bedrag wordt bij wijze van voorschot opgelegd. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 19 juni 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen 5 dagen na kennisgeving meldt bij Reclassering Nederland, [adresgegevens]. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht;

5. zich gedurende de eerste twee jaar van de proeftijd onder behandeling zal stellen voor zijn parafilie van Psychologenpraktijk Brouwer. Als Reclassering Nederland op enig moment binnen die twee jaar beslist dat de behandeling door een forensische psychiatrische kliniek moet worden overgenomen, dat veroordeelde dit zal opvolgen, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die forensische psychiatrische behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboortedatum 15 april 1997, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Ten aanzien van feit 1 en 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] te betalen € 6509,02 (zesduizendvijfhonderdennegen euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 6509,02 (zesduizendvijfhonderdennegen euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 67 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL07AH 2012071226, gesloten op 7 november 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.