Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2393

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
137309 KG RK 13-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 137309 KG RK 13-159

Beslissing van 22 april 2013 van de meervoudige wrakingskamer van (thans) de rechtbank Gelderland op het verzoek van:

TURNER TRADING ENTERPRISES B.V.,

gevestigd Elburg,

verzoekster tot wraking, hierna te noemen: verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. D.J. Buijs,

rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de kantonrechter.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Verzoekster is gedaagde in de zaak tegen Konica Minolta Business Solutions B.V., (nr. 515539 CV EXPL 13-518).

1.2. Tijdens de rolzitting van 20 maart 2013, zittingsplaats Harderwijk, heeft verzoekster, vertegenwoordigd door haar directeur [naam], de behandelend kantonrechter in de (toenmalige) rechtbank Oost-Nederland, gewraakt. In verband met dit wrakingsverzoek heeft de kantonrechter de zitting geschorst. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt.

1.3. Bij e-mailbericht van 22 maart 2013 heeft de kantonrechter verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking en aangegeven dat hij niet ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.

1.4. Met ingang van 1 april 2013 is de rechtbank Oost-Nederland gesplitst waardoor de behandeling van het wrakingsverzoek vanaf die datum is opgedragen aan de rechtbank Gelderland.

1.5. Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek schriftelijk nader toegelicht door middel van een wrakingsschrift van 3 april 2013. Bij schriftelijke mededeling van 3 april 2013, bij de rechtbank ingekomen op 5 april 2013, heeft [naam] namens verzoekster medegedeeld dat hij op de dag waarop het wrakingsverzoek behandeld zal worden, verhinderd is.

1.6. Het verzoek tot wraking is behandeld ter zitting van 8 april 2013. Ter zitting is niemand verschenen. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoekster heeft aan haar verzoek tot wraking van de kantonrechter ten grondslag gelegd dat de kantonrechter in strijd met de regels niet al zijn bijbanen heeft laten registreren. In het op 5 april 2013 ingekomen wrakingschrift heeft verzoekster erop gewezen dat de kantonrechter bijbanen heeft bij Licent Academy te Groningen, aan de Universiteit van Leiden en de Universiteit van Groningen. Omdat de kantonrechter niet al zijn bijbanen heeft laten registreren, is niet te controleren of de kantonrechter partijdig is. Dit gegeven op zichzelf roept de schijn van partijdigheid op, aldus verzoekster.

3. Het standpunt van de rechter

De kantonrechter heeft verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking. Hij heeft aangegeven zich van geen kwaad bewust te zijn en stelt dat zijn onpartijdigheid niet in het geding is.

4. De beoordeling

4.1. De wrakingskamer constateert dat verzoekster met kennisgeving niet ter zitting is verschenen. [naam] heeft in zijn bericht van 3 april 2013 aangekondigd op de dag van de zitting verhinderd te zijn. Hij heeft daarbij niet om aanhouding van de zitting gevraagd. Nu [naam] in plaats daarvan het wrakingsverzoek schriftelijk heeft toegelicht, ziet de wrakingskamer geen aanleiding om de behandeling van het wrakingsverzoek ambtshalve aan te houden. Het verzoek zal dan ook worden beoordeeld op grond van de stukken.

4.2. Ingevolge artikel 36 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Gesteld noch gebleken is dat de persoonlijke opstelling van de kantonrechter een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat deze rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid).

De vraag is daarom of afgezien van de persoonlijke opstelling van de kantonrechter, de vrees voor partijdigheid die bij verzoekster bestaat objectief gerechtvaardigd is waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoekster is daarbij niet doorslaggevend.

4.4. De wrakingskamer stelt voorop dat verzoekster bij het wraken van de kantonrechter op 20 maart 2013 heeft geweigerd aan te geven om welke bijbanen het dan zou gaan. Die bijbanen heeft verzoekster pas genoemd in voormeld wrakingsschrift.

4.5. De wrakingskamer overweegt verder dat uit het voor een ieder toegankelijke register “Nevenfuncties van rechters” blijkt dat de kantonrechter al geruime tijd diverse onderwijsfuncties vervult. De specifiek door verzoekster genoemde onderwijsfuncties zijn niet afzonderlijk vermeld in genoemd register.

4.6. Weliswaar dient het register ertoe correcte en dus ook volledige informatie te geven over door leden van de rechterlijke macht uitgeoefende functies en (neven)betrekkingen, maar in dit geval ziet de wrakingskamer geen reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de kantonrechter of het ontbreken van vooringenomenheid. Niet valt in te zien dat de aard van de nevenfuncties (onderwijs) en het soort instellingen (onderwijsinstellingen) waarvoor de kantonrechter deze functies verricht de schijn van partijdigheid van de kantonrechter meebrengt bij enige beslissing (al dan niet als rolrechter) in de civiele procedure waarin door de eisende partij ontbinding van een service-overeenkomst met betrekking tot een kopieerapparaat wordt gevorderd. Gesteld noch gebleken is bovendien dat deze eisende partij een hier relevante band met de genoemde onderwijsinstellingen heeft. Het door verzoekster uitgesproken vermoeden dat de kantonrechter meer bijbanen heeft die nu nog onbekend zijn, is onvoldoende concreet voor een andersluidend oordeel.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen. Dit betekent dat de behandeling van de procedure met registratienummer (nr. 515539 CV EXPL 13-518) zal worden voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van de schorsing op 20 maart 2013.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het wrakingsverzoek van 20 maart 2013 tegen de kantonrechter ongegrond;

- bepaalt dat de procedure met registratienummer (nr. 515539 CV EXPL 13-518) wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing op 20 maart 2013.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, J.A.M. Strens-Meulemeester en K.H.A. Heenk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2013.