Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2386

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
137307 KG RK 13-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter ongegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 137307 KG RK 13-157

Beslissing van 22 april 2013 van de meervoudige wrakingskamer van (thans) de rechtbank Gelderland op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker tot wraking, hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. D.J. Buijs,

rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de kantonrechter.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Verzoeker is vennoot van de vennootschap onder firma [VOF] [te plaats, gemeente], (hierna: de VOF). Deze VOF, verzoeker en een andere vennoot van de VOF, zijn de gedaagde partijen in de procedure, die door Holland International Shoe Agency B.V. (nr. 515305 CV EXPL 13-489) aanhangig is gemaakt.

1.2. Tijdens de rolzitting van 20 maart 2013, zittingsplaats Harderwijk, heeft verzoeker de behandelend kantonrechter in de (toenmalige) rechtbank Oost-Nederland, gewraakt in de eerder genoemde zaak. In verband met dit wrakingsverzoek heeft de kantonrechter de zitting geschorst. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt.

1.3. Bij e-mailbericht van 22 maart 2013 heeft de kantonrechter verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking en aangegeven dat hij niet ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.

1.4. Met ingang van 1 april 2013 is de rechtbank Oost-Nederland gesplitst waardoor de behandeling van de wrakingsverzoeken vanaf die datum is opgedragen aan de wrakingskamer van de rechtbank Gelderland.

1.5. Het verzoek tot wraking is behandeld ter zitting van 8 april 2013. Verzoeker is daarbij verschenen. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek aan de hand van notities nader toegelicht. Verzoeker heeft verklaard dat het wrakingsverzoek slechts door hem, en niet mede namens de VOF en/of de andere vennoot, is ingediend. Van die behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

2. De wrakingsverzoeken

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking van de kantonrechter ten grondslag gelegd dat de kantonrechter niet al zijn bijbanen heeft laten registreren. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker verklaard dat hij via Google heeft achterhaald dat de kantonrechter bijbanen heeft bij Licent Academy te Groningen, aan de Universiteit van Leiden en de Universiteit van Groningen. Omdat de kantonrechter niet al zijn bijbanen heeft laten registreren, vermoedt verzoeker dat de kantonrechter nog andere bijbanen heeft dan hij via Google heeft weten te achterhalen. Door de onvolledige registratie is het volgens verzoeker niet na te gaan of de kantonrechter onpartijdig is. Daardoor is sprake van de schijn van partijdigheid, aldus verzoeker.

3. Het standpunt van de rechter

De kantonrechter heeft verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking. Hij heeft aangegeven zich van geen kwaad bewust te zijn en stelt dat zijn onpartijdigheid niet in het geding is.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 36 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2. Gesteld noch gebleken is dat de persoonlijke opstelling van de kantonrechter een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat deze rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid).

De vraag is daarom of afgezien van de persoonlijke opstelling van de kantonrechter, de vrees voor partijdigheid die bij verzoeker bestaat objectief gerechtvaardigd is waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend.

4.3 De wrakingskamer stelt voorop dat verzoeker bij het wraken van de kantonrechter op 20 maart 2013 heeft geweigerd aan te geven om welke bijbanen het dan zou gaan. Die bijbanen heeft verzoeker pas genoemd ter zitting van de wrakingskamer.

4.4. De wrakingskamer overweegt verder dat uit het voor een ieder toegankelijke register “Nevenfuncties van rechters” blijkt dat de kantonrechter al geruime tijd diverse onderwijsfuncties vervult. De specifiek door verzoeker genoemde onderwijsfuncties zijn niet afzonderlijk vermeld in genoemd register.

4.5. Weliswaar dient het register ertoe correcte en dus ook volledige informatie te geven over door leden van de rechterlijke macht uitgeoefende functies en (neven)betrekkingen, maar in dit geval ziet de wrakingskamer geen reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de kantonrechter of het ontbreken van vooringenomenheid. Niet valt in te zien dat de aard van de nevenfuncties (onderwijs) en het soort instellingen (onderwijsinstellingen) waarvoor de kantonrechter deze functies verricht de schijn van partijdigheid van de kantonrechter meebrengt bij enige beslissing (al dan niet als rolrechter) in de civiele procedure waarin door de eisende partij betaling van een geldbedrag wordt gevorderd. Gesteld noch gebleken is bovendien dat deze eisende partij een hier relevante band met de genoemde onderwijsinstellingen heeft. Het door verzoeker uitgesproken vermoeden dat de kantonrechter meer bijbanen heeft die nu nog onbekend zijn, is onvoldoende concreet voor een andersluidend oordeel.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen. De behandeling van de procedure met registratienummer 515305 CV EXPL 13-489 zal worden voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van de schorsing op 20 maart 2013.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het wrakingsverzoek van 20 maart 2013 tegen de kantonrechter ongegrond;

- bepaalt dat de procedure met registratienummer 515305 CV EXPL 13-489 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing op 20 maart 2013.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, J.A.M. Strens-Meulemeester en K.H.A. Heenk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2013.