Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2241

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
137031 KG RK 13-32
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het wrakingsverzoek, gericht tegen de eerste wrakingskamer, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 137031 KG RK 13-32

Beslissing van 9 april 2013 van de meervoudige wrakingskamer van (thans) de rechtbank Gelderland op het verzoek van:

De stichting

STICHTING GARANTIE- EN WAARBORGFONDS NEDERLAND

gevestigd te Zutphen,

verzoekster tot wraking, hierna te noemen: verzoekster,

vertegenwoordigd door [voormalig bestuurder], voormalig bestuurder van SGWN,

strekkende tot wraking van:

1. mr. C.M.J. Peters,

2. mr. W.L.F. Prisse,

3. mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek,

allen rechters in deze rechtbank, hierna gezamenlijk te noemen: de eerste wrakingskamer.

1. De procedure en de ter zitting gegeven beslissing

1.1. Ter zitting van 18 december 2012 heeft verzoekster mr. C. Hoogland, rechter in de (toenmalige) rechtbank Zutphen en belast met beslissing op de voordracht van de rechter-commissaris tot opheffing van het faillissement van verzoekster (hierna te noemen: behandelend rechter), gewraakt. In afwachting van de behandeling van dit wrakingsverzoek door de wrakingskamer heeft de behandelend rechter de zitting geschorst. Per 1 januari 2013 is de rechtbank Zutphen overgegaan in de rechtbank Oost-Nederland.

1.2. Bij aanvang van de behandeling van dit wrakingsverzoek ter zitting van 18 februari 2013 heeft verzoekster de eerste wrakingskamer gewraakt. In verband met dat wrakingsverzoek heeft de eerste wrakingskamer de behandeling van het tegen de behandelend rechter gerichte wrakingsverzoek ter zitting geschorst, in afwachting van de behandeling van het wrakingsverzoek van 18 februari 2013 door de (huidige) wrakingskamer.

1.3. De rechters van de eerste wrakingskamer hebben ieder afzonderlijk schriftelijk verklaard niet te berusten in het tegen hen gerichte verzoek tot wraking en aangegeven dat en waarom zij niet ter zitting van de wrakingskamer verschijnen.

Het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer is behandeld ter zitting van 26 maart 2013. Van die behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Namens verzoekster is de wrakingskamer verzocht de zitting te schorsen om zich te beraden op verzoeksters stelling dat de rechtbank Oost-Nederland en derhalve ook de huidige wrakingskamer de schijn van partijdigheid tegen heeft.

De wrakingskamer heeft de zitting vervolgens voor beraad onderbroken. Na hervatting heeft de voorzitter als de beslissing van de wrakingskamer, ter zitting van 26 maart 2013 medegedeeld dat voor zover het verzoek als een wrakingsverzoek is bedoeld, het buiten behandeling wordt gesteld. Namens verzoekster zijn geen op de persoon van de rechters van de (huidige) wrakingskamer betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een bezwaar opleveren tegen de behandeling van dit wrakingsverzoek door deze rechters. Een wrakingsverzoek dat neerkomt op een verzoek om wraking van alle rechters in deze rechtbank moet buiten behandeling worden gelaten. Rechters worden vermoed uit hoofde van hun aanstelling onpartijdig te zijn. Voor zover het verzoek is bedoeld als een uitnodiging om zich te verschonen heeft de voorzitter namens de wrakingskamer ter zitting van 26 maart 2013 medegedeeld dat deze rechters daartoe geen reden zien.

1.4. Met ingang van 1 april 2013 is de rechtbank Oost-Nederland gesplitst. De oorspronkelijke rechtbank Zutphen is overgegaan in de rechtbank Gelderland.

2. Beoordeling van het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer

2.1. Verzoekster heeft aan haar verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer ten grondslag gelegd dat de (toenmalige) rechtbank Oost-Nederland in totaliteit zelf belanghebbende bij de zaak is geworden. Volgens verzoekster zijn in het verleden fouten gemaakt door rechters van de rechtbank Zutphen, waardoor zij en/of [voormalig bestuurder] zijn benadeeld. Daarmee is de schijn van partijdigheid gegeven. Ter zitting van 26 maart 2013 is namens verzoekster verder aangevoerd dat de onder 3 genoemde rechter van de eerste wrakingskamer eerder betrokken is geweest bij zittingen betreffende verzoekster en/of [voormalig bestuurder]. Verzoekster stelt dat rechters van een andere rechtbank haar wrakingsverzoek moeten behandelen.

2.2. Ingevolge artikel 36 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.3. Het tegen de eerste wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek komt neer op een verzoek tot wraking van alle rechters van de (toenmalige) rechtbank Oost-Nederland, thans Gelderland. Een wrakingsverzoek dat zich uitstrekt tot alle rechters van de rechtbank, zonder op de persoon van de rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden die een bezwaar opleveren tegen de behandeling door die rechters, kan niet slagen reeds vanwege het onder 2.2. geformuleerde criterium. Verzoeksters stelling over gemaakte fouten, wat daar ook van klopt, maakt dit niet anders.

2.4. Voor zover het wrakingsverzoek zich uitstrekt tot betrokkenheid bij eerdere zaken van de onder 3 genoemde rechter van de eerste wrakingskamer, overweegt de wrakingskamer dat die grond strikt genomen te laat, want pas op 26 maart 2013, naar voren is gebracht. De wrakingskamer ziet in dit specifieke geval echter aanleiding op dit punt een inhoudelijke beslissing te nemen. De enkele omstandigheid dat de betreffende rechter (mogelijk) eerder betrokken is geweest bij een zaak met betrekking tot verzoekster en/of [voormalig bestuurder] rechtvaardigt niet reeds de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid en/of het ontbreken van onpartijdigheid. Ook deze grond kan niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

2.5. Het voorgaande brengt mee dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen. Dit betekent dat de eerste wrakingskamer de behandeling van het inleidende wrakingsverzoek zal voorzetten in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van de schorsing op 18 februari 2013.

2.6. Artikel 39, vierde lid, Rv geeft de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.

De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster misbruik maakt van het rechtsmiddel wraking door het op nagenoeg identieke gronden indienen van opeenvolgende (kennelijke) wrakingsverzoeken gericht tegen de wrakingskamer, zonder op de persoon van de rechters betrekking hebbende omstandigheden naar voren te brengen die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan de onpartijdigheid van die rechters. De wrakingskamer ziet daarin aanleiding om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek gericht tegen de wrakingskamer in de onderhavige procedure (opheffing faillissement verzoekster) niet in behandeling wordt genomen. Het is derhalve aan de eerste wrakingskamer, belast met de behandeling van het inleidende wrakingsverzoek van 18 december 2012, om te bepalen of zij op haar beurt al dan niet aanleiding ziet voor toepassing van de misbruikbepaling.

2.7. Gelet op het vorenstaande wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het wrakingsverzoek van 18 februari 2013, gericht tegen de eerste wrakingskamer, ongegrond;

- bepaalt dat het procedure (behandeling wrakingsverzoek van 18 december 2012) wordt hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 18 februari 2013;

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van de wrakingskamer in de onderhavige procedure (opheffing faillissement verzoekster) niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, W.M. Eijkelestam en L.J.P. Lambooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.