Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2214

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
05/901210-10 en 05/701777-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:9504, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met proeftijd 3 jaar ter zaken meerdere oplichtingen, valsheid in geschriften, witwassen en verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/901210-10 en 05/701777-12

Data zittingen : 5 april 2012, 10 januari 2013 en 23 mei 2013

Datum uitspraak : 6 juni 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer 05/901210-10

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2009 tot en met 16 augustus 2011 in de gemeente Arnhem en/of Ede en/of elders in Nederland, (telkens)in haar hoedanigheid van voorzitter van bestuur van [stichting1] en/of bestuurder van [stichting2], (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] en/of [slachtoffer6] en/of [slachtoffer7] en/of [slachtoffer8] en/of een of meer ander(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere (grote) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed,

hierin bestaande dat verdachte (telkens) tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- aan voornoemde [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] en/of [slachtoffer6] en/of [slachtoffer7] en/of [slachtoffer8] en/of aan een of meer ander(en) een lening heeft gevraagd ten behoeve van de [stichting1] en/of de [stichting2] en/of

- (daarbij) heeft aangegeven dat over die lening een rente zou worden uitgekeerd van 9 procent en/of

- dat de [stichting1] en/of de [stichting2] bij elke 20e inleg een verdubbeling van een [bedrijf3] zou ontvangen en/of

- dat de lener na 24 maanden zijn/haar gehele inleg (inclusief rente) weer terug zou ontvangen,

waardoor voornoemde [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] en/of [slachtoffer6] en/of [slachtoffer7] en/of [slachtoffer8] en/of die ander(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 16 augustus 2011 in de gemeente Arnhem en/of Ede, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een of meerdere (grote) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [stichting1] en/of [stichting2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf, te weten in haar hoedanigheid als voorzitter van bestuur van [stichting1] en/of als bestuurder van [stichting2], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 01 februari 2011 te Velp, althans in de gemeente Rheden en/of in de gemeente Ede en/of elders in Nederland,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam1], althans de [slachtoffer9], heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) ongeveer 3500 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed,

hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan voornoemde [naam1], althans aan de [slachtoffer9] heeft aangegeven dat zij, voornoemde [naam1], althans voornoemde vereniging, sponsorgelden konden binnenhalen ten behoeve van een bus en dit geld gestort diende te worden op een bankrekening van [stichting2], voorzien van de vermelding "t.b.v. rolstoelbus [slachtoffer9] en/of

- (daarbij) heeft aangegeven dat een bedrijf/fonds dit sponsorgeld zou verdubbelen en/of

- dat zij, verdachte, contacten had met een autobedrijf dat voornoemde bus zou kunnen leveren (mogelijk met korting),

waardoor die [naam1], althans die [slachtoffer9] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte

en/of

zij in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 01 februari 2011 te Velp, althans in de gemeente Rheden en/of in de gemeente Ede en/of elders in Nederland,

opzettelijk (in totaal) ongeveer 3500 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam1], althans de [slachtoffer9], en/of de [stichting2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten in haar hoedanigheid als bestuurder van [stichting2], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

A.

zij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 01 maart 2010 tot en met 30 november 2010, in elk geval in het jaar 2010, in de gemeente Ede en/of de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland,

(een) bankafschrift(en), te weten:

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 22 / maart 2010 en/of

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 23 / maart 2010 en/of

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 24 / maart 2010 en/of

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 25 / april 2010 en/of

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 29 / april 2010 en/of

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 49 / september 2010,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer tegenrekeningnummer(s) te wijzigen in het rekeningnummer van [bedrijf4] en/of de omschrijvingen van betalingen op voornoemde bankafschriften te wijzigen in 'spoedopdracht' met vermelding van een factuurnummer;

en/of

B.

zij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 01 maart 2010 tot en met 30 november 2010, in elk geval in het jaar 2010, in de gemeente Ede en/of de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland,

een of meer factu(u)r(en), te weten:

factuur [bedrijf5] 20100298

factuur [bedrijf5] 20100299

factuur [bedrijf5] 20100302

factuur [bedrijf5] 20100303

factuur [bedrijf5] 20100315

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid:

in die factu(u)r(en) (telkens) op te (laten) nemen 'interieur' en een bedrag, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van de levering van een interieur;

4.

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 30 september 2008 in de gemeente Ede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een loonstrook en/of een werkgeversverklaring, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met

het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid voornoemde loonstrook en/of werkgeversverklaring (ten behoeve van een hypotheekaanvraag bij de [bank1] te Ede) zelf dan wel door een ander of anderen op te (laten) stellen, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een door een werkgever verstrekte loonstrook/loon en/of een door een werkgever afgegeven werkgeversverklaring;

5.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 augustus 2011 in de gemeente Ede en/of Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

172.910,13 euro en/of

73.896,18 euro en/of

58.049,00 euro

althans een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer van voornoemde geldbedrag(en), althans van een hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat geld onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Onder parketnummer 05/701777-12

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 in de gemeente Amersfoort (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (te weten in totaal ongeveer 770 euro afkomstig uit de dagopbrengsten), in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf1]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte (telkens) uit hoofde van haar

persoonlijke dienstbetrekking van/als (verkoop)medewerkster, en aldus (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 in de gemeente Amersfoort (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten in totaal ongeveer 770 euro afkomstig uit de dagopbrengsten), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf1]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari 2012 tot en met 10 maart 2012 in de gemeente Amersfoort, althans in Nederland, een of meermalen een retour)bon, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid deze (retour)bon(nen) op te maken en/of (vervolgens) te voorzien van een naam en/of een telefoonnummer en/of een of meer handtekening(en), waardoor het leek alsof een of meer goed(eren) was/waren geretourneerd door de klant en/of een of meer geldbedrag(en) was/waren teruggegeven aan de klant;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari 2012 tot en met 10 maart 2012 in de gemeente Amersfoort (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten in totaal een bedrag van ongeveer 562,70 euro), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf1]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

zij in of omstreeks de periode van 27 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 in de gemeente Amersfoort opzettelijk een hoeveelheid geld (te weten 180 euro, bedoeld voor teruggave aan een klant), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf1]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als (verkoop)medewerkster, en aldus

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

zij in of omstreeks de periode van 27 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 in de gemeente Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten 180 euro, bedoeld voor teruggave aan een klant), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf1]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 23 mei 2013 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is bij geen van de terechtzittingen verschenen. Verdachtes raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, is wel verschenen en was steeds uitdrukkelijk gemachtigd om namens verdachte het woord te voeren.

De officier van justitie, mr. J. Grijns, heeft gerekwireerd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- De heer [slachtoffer1] met als gemachtigde mr. D.D.M. Xanthopoulos;

- De heer [slachtoffer5];

- Mevrouw [slachtoffer6];

- De heer [slachtoffer7];

- Mevrouw [slachtoffer8];

- [slachtoffer9] met als gemachtigde [naam1].

De uitdrukkelijk gemachtigde raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Parketnummer 05/901210-101

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 19 januari 2010 tot en met 1 januari 2011 was verdachte voorzitter van het bestuur van de [stichting1] te Arnhem.2 In de periode van 26 juni 2008 tot en met 5 januari 2011 was verdachte bestuurder van de [stichting2] te Wageningen, gemeente Ede.3

Verdachte deed tegenover potentiële deelnemers voorkomen dat zij geld inzamelde voor de [stichting1] voor de bouw van een kinderhospice. In dit kinderhospice zouden langdurig en/of ongeneeslijk zieke kinderen kunnen logeren. De deelnemers moesten minimaal € 5.000, - inleggen. Van de Stichting zouden zij dan een rente van 9% per jaar over de oorspronkelijke inleg ontvangen en uiteindelijk zouden zij het bedrag na 24 maanden terugkrijgen. [bedrijf3] zou, zo werd door verdachte aan potentiële deelnemers verteld, iedere € 100.000, - verdubbelen. Dit beheerfonds kende verdachte en haar stichtingen niet en heeft geen bemoeienis gehad met de activiteiten van de stichtingen of van verdachte.4

Naar aanleiding van deze fondsenwerving zijn de na te noemen personen een overeenkomst aangegaan met [stichting1] en zijn de volgende bedragen overmaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] van [stichting2] ten behoeve van [stichting1] ter financiering van een kinderhospice:

- € 275.000, - in totaal door [slachtoffer1];5

- € 145.000, - in totaal door [slachtoffer2];6

- € 10.000, - door [slachtoffer3];7

- € 12.500,- door [slachtoffer4];8

- € 5.000, - door [slachtoffer5];9

- € 5.000, - door [slachtoffer6] en [naam2];10

- € 5.000, - door [slachtoffer7];11

- € 5.000, - door [slachtoffer8].12

Verdachte heeft deze ontvangen bedragen - ondanks toezeggingen daartoe - nooit doorgestort naar het rekeningnummer van de [stichting1].13

[naam1] heeft op voorspraak van verdachte namens [slachtoffer9] in ieder geval een bedrag van € 3.500, - overmaakt op de rekening van [stichting2] ten behoeve van de aanschaf van een rolstoelbus voor de [slachtoffer9]. Dit geld zou worden verdubbeld door een vastgoedfonds en met dit verdubbelde bedrag zou de stichting de bus kunnen kopen. Verdachte zei contacten te hebben met een autobedrijf. De bus zou aldus zo mogelijk met korting geleverd kunnen worden.14 Dit geld bestemd voor de aanschaf van een rolstoelbus is door verdachte niet daaraan besteed.15

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte had het oogmerk op bevoordeling van zichzelf. De officier van justitie heeft gemotiveerd betoogd dat de aangevers op verzoek van verdachte de donaties hebben overgemaakt op de rekeningen van de [stichting2] en verdachte heeft deze gelden direct gebruikt om alleen al de tekorten op die rekening (ontstaan door de hoge privé-uitgaven van haarzelf) aan te vullen. Verdachte zou daarom - aldus de officier van justitie - een persoonlijk financieel belang hebben om donateurs te werven. Voorts gebruikte verdachte bewust een onjuist verhaal om donateurs over te streep te trekken.

Ten aanzien van het als feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte met haar verhaal [naam1] heeft kunnen overtuigen om het geld naar de rekening van de [stichting2] over te maken.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn geen bewijsverweren gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Door op de hierboven aangegeven wijze aangevers voor te spiegelen dat zij onder de genoemde voorwaarden een bedrag konden lenen aan de [stichting1] voor de bouw van een kinderhospice en voor de aankoop van een rolstoelbus heeft verdachte door middel van dit samenweefsel van verdichtsels de aangevers, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, bewogen tot de afgifte van deze geldbedragen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte het oogmerk had zichzelf hiermee te bevoordelen. Verdachte heeft verklaard dat zij de door de aangevers overgemaakte geldbedragen nooit heeft doorgeboekt naar de bankrekening van [stichting1]. Ook heeft zij verklaard dat zij nooit contact heeft gehad met [bedrijf3] en heeft dit fonds nooit toegezegd de bedragen te verdubbelen. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte van meet af aan wist dat zij nooit kon voldoen aan de voorwaarden genoemd in de met de bovengenoemde deelnemers gesloten overeenkomsten. Deze gedragingen van verdachte kunnen dan ook worden gekwalificeerd als oplichting.

Nu de rechtbank van oordeel is dat deze gedragingen moeten worden gekwalificeerd als oplichting, kunnen de gedragingen niet ook worden gekwalificeerd als verduistering. Verdachte heeft de geldbedragen immers wel degelijk uit misdrijf onder zich gekregen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 12 maart 2010, pagina 446;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 12 maart 2010, pagina 447;

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 19 maart 2010, pagina 449;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 19 maart 2010, pagina 450;

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 26 maart 2010, pagina 454;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 26 maart 2010, pagina 455;

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 1 april 2010, pagina 458;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 1 april 2010, pagina 459;

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 29 april 2010, pagina 462;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 29 april 2010, pagina 463;

- het schriftelijke bescheid zijnde het originele rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 17 september 2010, pagina's 466 en 467;

- het schriftelijke bescheid zijnde een rekeningafschrift van [stichting2], datum afschrift 17 september 2010, pagina 468;

- de schriftelijke bescheiden zijnde de facturen van [bedrijf5] voor [stichting2], met factuurnummers 20100298, 20100299, 20100302, 20100303 en 20100315, d.d. 1 maart 2010, 18 maart 2010 en 27 april 2010, pagina's 451, 452, 456, 460 en 464;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 8 november 2011, pagina's 564 en 565.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In 2008 is door [bank1] te Ede een hypotheeklening verstrekt aan verdachte en haar echtgenoot voor het bedrag van € 358.000, -.16 Voor deze hypotheekaanvraag heeft verdachte in de periode van 1 september 2008 tot en met 30 september 2008 een werkgeversverklaring en een loonstrook aan de bank overgelegd van de [stichting2].17 Deze werkgeversverklaring is ingevuld door verdachte18 en mede ondertekend door de heer [getuige1], een van de voormalige bestuurders van de Stichting19. Verdachte stond op dat moment niet op de werknemerslijst van de [stichting2] en ontving op dat moment geen salaris.20

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft een werkgeversverklaring en een loonstrook overgelegd met het doel een hypotheeklening voor een bedrag van € 358.000, - te krijgen, terwijl zij niet in dienst was bij [stichting2] en op dat moment geen salaris ontving van deze stichting. De twee geschriften zijn - aldus de officier van justitie - valselijk opgemaakt.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn geen bewijsverweren gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat op het moment dat verdachte de werkgeversverklaring en de loonstrook verstrekte aan de [bank1] ten behoeve van de verstrekking van een hypotheeklening ten bedrag van € 358.000,-, zij niet officieel werkzaam was bij [stichting2] en dat zij eveneens geen salaris ontving en ook niet al eerder had ontvangen van deze stichting.

De vraag die de rechtbank in deze moet beantwoorden is of verdachte deze twee geschriften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft laten opmaken. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De heer [getuige1], als getuige gehoord, herkent de hem voorgelegde werkgeversverklaring niet en heeft voorts verklaard de getoonde loonstrook niet te hebben opgesteld.21Nu verdachte ook zelf heeft verklaard dat zij ten tijde van het verstrekken van de geschriften nog niet het betreffende loon ontving en uit de verklaring van [getuige1] volgt dat zij op dat moment ook niet in dienst was bij [stichting2], kan het niet anders dan dat de geschriften in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. De verklaring van verdachte dat zij ervan overtuigd was dat zij dit salaris zou gaan verdienen en dat de loonstrook door een administratiekantoor zou zijn opgemaakt, wordt daarom ook door de rechtbank ter zijde geschoven. De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

De bankrekeningnummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer2] behoren beide toe aan de [stichting2].

In de periode 1 juni 2008 tot en met 16 augustus 2011 is te Ede van bankrekening [rekeningnummer] in totaal een bedrag van € 157.960,1322 en van bankrekening [rekeningnummer2] in totaal een bedrag van € 14.950,- 23, overgemaakt naar de privérekening van verdachte, zijnde rekeningnummer [rekeningnummer3] t.n.v. [verdachte] e/o.

Van deze rekeningen zijn tevens diverse goederen en diensten betaald. Ten aanzien van rekening [rekeningnummer] betreft het een bedrag van € 48.629,2124 en ten aanzien van [rekeningnummer2] betreft het een totaal bedrag van € 25.266,5725.

In totaal is er van rekening [rekeningnummer] in totaal € 12.540, - 26 contant opgenomen en van rekening [rekeningnummer2] een bedrag van € 49.389, - 27. Van dit laatste bedrag is € 3.880, - gepind door [naam4]. Door verdachte is een bedrag van € 45.509, - contact opgenomen van rekening [rekeningnummer2].28

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van ruim € 250.000,-. Verdachte wist dat dit bedrag afkomstig was van misdrijf nu zij dit had verworven door de gepleegde oplichting. Deze bedragen heeft zij doorgeboekt vanaf de bankrekeningnummers van [stichting2] naar haar privérekening en vervolgens gebruikt voor privé-uitgaven. De officier van justitie is daarom van mening dat zij gedragingen heeft verricht die de herkomst van het verkregen geld konden verhullen of verbergen. Het tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn geen bewijsverweren gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onder 1 en 2 tenlastegelegde overwogen dat verdachte verschillende personen heeft bewogen tot afgifte grote geldbedragen door middel oplichting. Aan verdachte is in deze ten laste gelegd dat zij de gelden die zij heeft verkregen door de gepleegde oplichting, heeft witgewassen door deze gelden te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten dan wel te gebruiken.

Nu het voorhanden hebben van verdachte ziet op gelden die zij heeft verkregen uit een misdrijf door haarzelf gepleegd (namelijk de onder feiten 1 en 2 bewezenverklaarde oplichting), moet - om tot een bewezenverklaring te komen - worden aangetoond dat verdachte een handeling heeft verricht die erop gericht was om de door haar verkregen criminele opbrengsten veilig te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in casu dergelijke handelingen heeft verricht. Zij heeft namelijk de bedragen - zoals onder de vaststaande feiten beschreven - overgeboekt van de rekeningen van [stichting2] naar haar privérekening, contante bedragen van deze rekeningen opgenomen en diverse privé-uitgaven betaald vanaf de rekeningen van de [stichting2]. Op deze wijze heeft verdachte de herkomst van het geld verhuld, verborgen, overgedragen, omgezet en gebruikt. Nu verdachte wist dat de gelden afkomstig waren van de door haar gepleegde oplichtingen, is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Parketnummer 05/701777-1229

Ten aanzien van onder 1 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam3] namens [bedrijf1]., d.d. 23 mei 2012, pagina's 3 tot en met 5;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige2], d.d. 26 juni 2012, pagina 25;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 1 augustus 2012, pagina 21 onderaan en pagina 22 bovenaan.

Ten aanzien van onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode 28 februari 2012 tot en met 10 maart 2012 zijn door verdachte in haar hoedanigheid van verkoopmedewerkster bij [bedrijf2] te Amersfoort, retourbonnen opgemaakt voor een vijftal paar schoenen.30

Deze schoenen zijn niet aangetroffen bij de voorraad.31

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zou de retourbonnen hebben opgemaakt, maar de schoenen niet hebben teruggegeven. Daartoe heeft zij verwezen naar de aangifte van [bedrijf1] en de verklaring van de getuige [getuige2]. Voorts heeft de officier van justitie ter overtuiging opgemerkt dat het opvallend is dat de retourbonnen die door verdachte zijn opgemaakt, geen, een onjuist of een niet bestaand telefoonnummer bevatten en dat zij bij de politie heeft verklaard dat zij het bedrag van € 562,70 wel wil terugbetalen terwijl zij het tenlastegelegde heeft ontkend.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is bepleit dat het tenlastegelegde feit niet overtuigend bewezen kan worden en verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat verdachte retourbonnen voor vijf paar schoenen heeft opgemaakt. Deze schoenen zijn niet bij de voorraad aangetroffen. Verdachte ontkent echter dat zij deze retourbonnen opzettelijk heeft vervalst.

Uit het schema 'retouren tekort bij 616 Amersfoort' volgt dat op de vijf retourbonnen het telefoonnummer ontbreekt, niet juist is dan wel in het geheel niet betstaat.32 Gezien deze constatering in samenhang met de vaststelling dat de veronderstelde in retour genomen schoenen ontbreken in de voorraad, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de retourbonnen heeft vervalst waardoor het leek alsof de schoenen waren geretourneerd en het contante bedrag teruggegeven was aan de klant. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat zij het betreffende bedrag wel zou willen terug betalen, bijdraagt aan de overtuiging van de rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het hier tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het dossier bevat onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 05/901210-10 en de tenlastegelegde feiten 1 en 2 onder parketnummer 05/701777-12 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Onder parketnummer 05/901210-10

Feit 1:

zij op meer tijdstippen in de periode van 01 december 2009 tot en met 16 augustus 2011 in de gemeente Arnhem en Ede telkens in haar hoedanigheid van voorzitter van bestuur van [stichting1] en bestuurder van [stichting2], telkens alleen,

telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer1] en [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] en [slachtoffer6] en [slachtoffer7] en [slachtoffer8] heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere (grote) geldbedrag(en),

hierin bestaande dat verdachte telkens alleen, telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid:

- aan voornoemde [slachtoffer1] en [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] en [slachtoffer6] en [slachtoffer7] en [slachtoffer8] een lening heeft gevraagd ten behoeve van de [stichting1] en/of de [stichting2] en

- (daarbij) heeft aangegeven dat over die lening een rente zou worden uitgekeerd van 9 procent en

- dat de [stichting1] en/of de [stichting2] bij elke 20e inleg een verdubbeling van een [bedrijf3] zou ontvangen en

- dat de lener na 24 maanden zijn/haar gehele inleg (inclusief rente) weer terug zou ontvangen,

waardoor voornoemde [slachtoffer1] en die [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] en [slachtoffer6] en [slachtoffer7] en [slachtoffer8] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 2:

zij in de periode van 01 februari 2010 tot en met 01 februari 2011 te Velp, en in de gemeente Ede

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

de [slachtoffer9], heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) ongeveer 3500 euro,

hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

- aan voornoemde aan de [slachtoffer9] heeft aangegeven dat zij, voornoemde Vereniging, sponsorgelden konden binnenhalen ten behoeve van een bus en dit geld gestort diende te worden op een bankrekening van [stichting2], voorzien van de vermelding "t.b.v. rolstoelbus [slachtoffer9] en

- (daarbij) heeft aangegeven dat een bedrijf/fonds dit sponsorgeld zou verdubbelen en

- dat zij, verdachte, contacten had met een autobedrijf dat voornoemde bus zou kunnen leveren (mogelijk met korting),

waardoor die [slachtoffer9] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 3:

A.

zij, alleen, in de periode van 01 maart 2010 tot en met 30 november 2010, in de gemeente Ede

bankafschriften, te weten:

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 22 / maart 2010 en

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 23 / maart 2010 en

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 24 / maart 2010 en

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 25 / april 2010 en

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 29 / april 2010 en

afschrift [rekeningnummer], volgnummer 49 / september 2010,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, telkens heeft vervalst, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid:

meer tegenrekeningnummers te wijzigen in het rekeningnummer van [bedrijf4] en de omschrijvingen van betalingen op voornoemde bankafschriften te wijzigen in 'spoedopdracht' met vermelding van een factuurnummer;

en

B.

zij, tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 01 maart 2010 tot en met 30 november 2010, in elk geval in het jaar 2010, in de gemeente Ede en elders in Nederland,

meer facturen, te weten:

factuur [bedrijf5] 20100298

factuur [bedrijf5] 20100299

factuur [bedrijf5] 20100302

factuur [bedrijf5] 20100303

factuur [bedrijf5] 20100315

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid:

in die facturen telkens op te (laten) nemen 'interieur' en een bedrag, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van de levering van een interieur;

Feit 4:

zij in de periode van 1 september 2008 tot en met 30 september 2008 in de gemeente Ede en alleen, een loonstrook en een werkgeversverklaring, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt, met

het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid voornoemde loonstrook en werkgeversverklaring ten behoeve van een hypotheekaanvraag bij de [bank1] te Ede zelf dan wel door een ander op te (laten) stellen, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een door een werkgever verstrekte loonstrook/loon en/of een door een werkgever afgegeven werkgeversverklaring;

Feit 5:

zij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 augustus 2011 in de gemeente Ede en Arnhem alleen,

172.910,13 euro en

73.896,18 euro en

58.049,00 euro

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet,

terwijl zij wist, dat dat geld onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Onder parketnummer 05/701777-12

Feit 1:

zij op meer tijdstippen in de periode van 27 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 in de gemeente Amersfoort telkens opzettelijk een hoeveelheid geld (te weten in totaal ongeveer 770 euro afkomstig uit de dagopbrengsten dat telkens toebehoorde aan [bedrijf1]., en welk geld verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als (verkoop)medewerkster, en aldus telkens anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 2:

zij op meer tijdstippen in de periode van 28 februari 2012 tot en met 10 maart 2012 in de gemeente Amersfoort, meermalen een retourbon, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid deze retourbonnen op te maken en (vervolgens) te voorzien van een naam en een telefoonnummer en een handtekening, waardoor het leek alsof een goed was geretourneerd door de klant en een geldbedrag was teruggegeven aan de klant.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien feit 1 onder parketnummer 05/901210-10

Oplichting, meermalen gepleegd

Ten aanzien feit 2 onder parketnummer 05/901210-10

Oplichting

Ten aanzien van feit 3 A onder parketnummer 05/901210-10 en ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/701777-12, telkens

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3 B onder parketnummer 05/901210-10

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4 onder parketnummer 05/901210-10

Valsheid in geschrift

Ten aanzien van feit 5 onder parketnummer 05/901210-10

Witwassen

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/701777-12:

Verduistering, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten onder parketnummers 05/901210-10 en 05/701777-12 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar eis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de straffen die bij dit soort feiten in de praktijk worden opgelegd. De officier van justitie is van mening dat het herhalingsgevaar evident aanwezig is en dan een forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur nodig is om herhalingsgevaar te voorkomen. Daartoe heeft zij eveneens de gevangenneming van verdachte gevorderd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen met de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 18, 19, 20 en 21 (zie aangehechte beslaglijst) verbeurd worden verklaard en teruggave van de overige op de aangehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen goederen aan de rechthebbende, zijnde verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht zijn cliënt te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact en voorts tot het verrichten van een werkstraf. Daartoe heeft hij bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het gegeven dat ze vanaf het begin heeft meegewerkt aan het strafrechtelijke onderzoek en dat haar naam in de media door het slijk is gehaald. Thans heeft de raadsman aangevoerd dat de echtgenoot van verdachte is getroffen door meerdere hersenbloedingen, de kinderen te kampen hebben met diverse problemen, verdachte aldus feitelijk de zorg heeft voor haar gezin en dat haar gezin ook financieel in grote mate van haar inkomen afhankelijk is.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 april 2013; en

* een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 8 februari 2012, betreffende verdachte;

* een psychiatrisch onderzoek Pro Justitie, van mevrouw dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 27 maart 2012, betreffende verdachte;

* een psychiatrisch onderzoek Pro Justitie, van [psychiater i.o.], psychiater i.o., onder supervisie van mevrouw dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 26 maart 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. Zij heeft een groot aantal donateurs bewogen tot afgifte van geld door te doen voorkomen dat het geld zou worden besteed aan de bouw van een kinderhospice voor ongeneeslijk zieke kinderen. Uiteindelijk heeft verdachte deze bedragen besteed aan privé-uitgaven zoals de kosten voor de koop en inrichting van een riante woning. Tevens heeft zij verschillende facturen en bankafschriften valselijk opgemaakt en/of vervalst opdat het bestuur van de stichting niet door zou hebben dat zij met deze verworven bedragen haar privé-uitgaven bekostigde. Om de hypotheekverstrekking tot stand te stand te brengen heeft verdachte eveneens valsheid in geschift gepleegd door de werkgeversverklaring en een loonstrook valselijk op te maken.

Een jaar na het plegen van bovenstaande feiten is verdachte opnieuw de fout in gegaan. Zij heeft bij een schoenenzaak, waar zij verkoopmedewerkster werkzaam was, een geldbedrag verduisterd en retourbonnen valselijk opgemaakt. Verdachte heeft op een zeer geraffineerde wijze bovenstaande delicten gepleegd opdat zij en haar familie er een riante levensstijl op konden nahouden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Door op deze wijze te handelen heeft verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van haar positie bij [stichting2] en de [stichting1]. Door te doen voorkomen alsof zij zich inzette met haar Stichting voor ongeneeslijke zieke kinderen heeft zij het vertrouwen van de donateurs ernstig geschaad. Nu verdachte een jaar later wederom de fout in is gegaan bij de schoenenzaak waar zij werkzaam was, lijkt het erop dat verdachte weinig scrupules kent waar het gaat om zich geld van een ander toe te eigenen om haar eigen levensstijl te kunnen behouden.

De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke feiten geen andere straf dan een forse gevangenisstraf passend en geboden is. Uit de hierboven genoemde rapportage en onderzoeken volgt dat verdachte niet het achterste van haar tong heeft laten zien. De constatering dat het recidiverisico laag wordt geschat, neemt de rechtbank daarom niet over. De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat, nu verdachte een jaar na de aanhouding opnieuw tot frauduleus handelen is overgegaan, gesteld moet worden dat het herhalingsgevaar evident aanwezig is. Daarom zal de rechtbank - conform de eis van de officier van justitie - een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen. De gevorderde gevangenneming zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank zal geen rekening houden met de aandacht die verdachte en deze zaak hebben gekregen in de pers, hoe ingrijpend dit op zichzelf voor haar en haar directe omgeving geweest zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gezien de gevoelige aard en financiële omvang van de frauduleuze handelingen en haar eigen, bewuste keuze om personen met een hoog mediaprofiel in haar activiteiten te betrekken, de publiciteit over zichzelf heeft afgeroepen. Het verweer in deze wordt dan ook verworpen.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen met de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 18, 19, 20 en 21 op de beslaglijst (aangehecht) betreffen voorwerpen met behulp waarvan de feiten zijn begaan en/of voorwerpen die door middel van de strafbare feiten zijn verkregen. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurd verklaren.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen onder nummers 14, 16, 17, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 33 zullen worden teruggegeven aan degene onder wie ze in beslag zijn genomen.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Parketnummer 05/901210-10 ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

[slachtoffer1]

De benadeelde partij [slachtoffer1] (met als gemachtigde mr. D.D.M. Xanthopoulos) heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 275.000, - aan materiële schade. Voorts heeft [slachtoffer1] de rechtbank verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De benadeelde partij verzoekt tevens om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, begroot op een bedrag van € 1.500, -.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] voor een bedrag van € 275.000, - toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Tevens is verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze kosten niet voor toewijzing vatbaar zijn omdat deze niet rechtstreeks voortvloeien uit het delict.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer1] toewijzen voor een bedrag van € 275.000, -. Voorts zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen per 9 maart 2010. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding, komen evenwel op de voet van artikel 6:96 BW ook voor vergoeding in aanmerking. Voor wat betreft de omvang van deze kosten hanteert de rechtbank doorgaans het kantonliquidatietarief. Het door benadeelde partij gevorderde bedrag aan kosten rechtsbijstand van € 1.500, - is in lijn met deze methode van berekening. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen. Voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel blijven de kosten rechtsbijstand buiten beschouwing.

[slachtoffer5]

De benadeelde partij [slachtoffer5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.712,80 aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5] voor een bedrag van € 5.000,- toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer5] toewijzen voor een bedrag van € 5.000, -. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het bedrag van € 712, 50, - niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu het causale verband tussen dit bedrag en de gedraging van verdachte ontbreekt.

[slachtoffer6]

De benadeelde partij [slachtoffer6] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.009,75 aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer6] geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer6] in het geheel toewijzen. Voorts zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen per 24 november 2010. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer7]

De benadeelde partij [slachtoffer7] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.637,50 aan materiële schade. Voorts heeft [slachtoffer7] de rechtbank verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer7] voor een bedrag van € 5.000, - toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Tevens is verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer7] toewijzen voor een bedrag van

€ 5.000, -. Voorts zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen per 6 april 2010. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het bedrag van € 637,50 niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu het causale verband tussen dit bedrag en de gedraging van verdachte ontbreekt.

[slachtoffer8]

De benadeelde partij [slachtoffer8] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,- aan materiële schade. Voorts heeft [slachtoffer8] de rechtbank verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer8] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Tevens is verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer8] in het geheel toewijzen. Voorts zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen per 24 november 2010. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Parketnummer 05/901210-10 ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De benadeelde partij [naam1] namens [slachtoffer9] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.600, - aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam1] namens [slachtoffer9] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [naam1] namens [slachtoffer9] geheel toewijzen. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 33a, 33b, 36f, 47, 57, 225, 321, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het derde tenlastegelegde feit onder parketnummer 05/701777-12.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 18, 19, 20 en 21 op de aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen met nummers 14, 16, 17, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 33 op de aangehechte beslaglijst rechthebbende, zijnde verdachte.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer1], te betalen € 275.000,- (tweehonderdvijfenzeventig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 1.500, - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], te betalen € 275.000,- (tweehonderdvijfenzeventig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 336 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer5], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer aan [slachtoffer5], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer6] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer6], te betalen € 5.009,75 (vijfduizendnegen euro en vijfenzeventig centen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer6], te betalen € 5.009,75 (vijfduizendnegen euro en vijfenzeventig centen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer7] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer7], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer7], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer8] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer8], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer8], te betalen € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam1] namens [slachtoffer9] (onder parketnummer 05/901210-10 feit 2).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [naam1] namens [slachtoffer9] te betalen € 3.600, - (drieduizendzeshonderd euro ).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam1] namens [slachtoffer9], te betalen € 3.600,- (drieduizendzeshonderd euro ), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. W.A. Holland en mr. H.T. Wagenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, divisie Recherche, bureau Financiële Recherche, opgemaakte proces-verbaal, BHV-nummer 2010126488, zaaknummer BFR 11.24, gesloten op 5 maart 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het schriftelijke bescheid zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, d.d. 3 februari 2010, pagina 237.

3 Het schriftelijke bescheid zijnde het uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, d.d. 25 augustus 2010, pagina 241.

4 Het schriftelijke bescheid zijnde een voorbeeld van een overeenkomst "[instantie], d.d. 5 februari 2010, pagina 386; het schriftelijke bescheid zijnde een folder van [stichting2], pagina 129; het schriftelijke bescheid zijnde een formulier "[instantie] met vastgoedbeheerfonds, pagina 380 en het schriftelijke bescheid zijnde een brief van voorzitter [bedrijf3], d.d. 14 oktober 2011, pagina 378 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 november 2011, pagina 563, zevende alinea.

5 Het proces-verbaal van verhoor van aangifte van [slachtoffer1], d.d. 8 november 2010, pagina 80, laatste alinea en pagina 82, tweede, derde en vierde alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer1] en [stichting1], d.d. 9 maart 2010, pagina's 354 en 355.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer2], d.d. 22 juli 2011, pagina 185, zevende alinea en pagina 186, eerste en tweede alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer2] en [stichting1], d.d. 1 augustus 2010, pagina's 324 en 325.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer3], d.d. 14 december 2010, pagina 108, zesde alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer3] en [stichting1], d.d. 21 april 2010, pagina 341.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer4], pagina 112, laatste alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" [slachtoffer4] en [stichting1], d.d. 16 maart 2010, pagina's 350 tot en met 353.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer5], d.d. 27 december 2010, pagina 118, vijfde alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer5] en [stichting1], d.d. 2 maart 2010, pagina's 356 tot en met 359.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer6], d.d. 23 februari 2011, pagina 124, eerste vijf zinnen en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [naam2] en [stichting1], d.d. 8 november 2010, pagina's 130 en 131.

11 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer7], d.d. 1 april 2011, pagina 155, laatste alinea en pagina 156, eerste alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer7] en [stichting1], d.d. 7 april 2010, pagina's 344 en 345

12 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer8], d.d. 12 april 2011, pagina 180, vierde alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de overeenkomst "[instantie]" tussen [slachtoffer8] en [stichting1], d.d. 9 november 2011, pagina's 372 tot en met 374.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer1], d.d. 8 november 2010, pagina 83, zesde alinea en het

schriftelijke bescheid zijnde het schrijven [verdachte], pagina 251, vijfde alinea.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [naam1] namens [slachtoffer9], d.d. 18 februari 2011, pagina's 101 tot en met 104.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [naam1]-[naam1] namens [slachtoffer9], pagina 103.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [naam3] namens [bank1] Ede, d.d. 19 mei 2011, pagina 190, laatste twee alinea's.

17 Het schriftelijke bescheid zijnde een werkgeversverklaring van [verdachte], pagina's 416 en 417 en het schriftelijke bescheid zijnde een salarisspecificatie van [verdachte], maand september jaar 2008, pagina 442.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 november 2011, pagina 566, laatste alinea

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige1], d.d. 26 april 2011, pagina 424, zesde alinea.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 november 2011, pagina 566, laatste alinea en de verklaring van getuige [getuige1] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 14 augustus 2012, pagina 3 van 5, achtste alinea.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige1], d.d. 26 april 2011, pagina 424, zesde en negende alinea.

22 Het schriftelijke bescheid zijnde een draaitabel bankrekening [rekeningnummer], pagina 261.

23 Het schriftelijke bescheid zijnde een draaitabel bankrekening [rekeningnummer2], pagina 272.

24 Het schriftelijke bescheid zijnde een overzicht vermoedelijk privé-uitgaven via [rekeningnummer], pagina 254.

25 Het schriftelijke bescheid zijnde uitwerking rekeningnummer [rekeningnummer2], pagina's 266 en 267.

26 Het schriftelijke bescheid zijnde draaitabel bankrekening [rekeningnummer], pagina 261.

27 Het schriftelijke bescheid zijnde draaitabel bankrekening [rekeningnummer2], pagina 272.

28 Het stamproces-verbaal, paragraaf 4.3.2.2, pagina 22, onder het kopje 'kasopnamen'.

29 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Utrecht, district Eemland Zuid, Wijkpolitie, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0940 2012114476, gesloten op 1 augustus 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

30 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 1 augustus 2012, pagina 22, vijfde en zesde alinea en de schriftelijke bescheiden zijnde de kopiebonnen en retourbonnen betreffende de schoenen met nummers 111.978.20.062, 123.145.10 010, 1.611.20 072, 211.615.20 060 en 123.145.10 060, d.d. 28 februari 2012, 8 maart 2012 en 9 maart 2012, pagina's 16 tot en met 19.

31 Het proces-verbaal van aangifte van [naam3] namens [bedrijf1]., d.d. 23 mei 2012, pagina 4, vijfde alinea en het schriftelijke bescheid zijnde ontbrekende paar schoenen, pagina 13.

32 Het schriftelijke bescheid zijnde 'retouren tekort bij 616 Amersfoort', pagina 14.