Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2197

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
AWB 08/3421 tot en met 08/3432, 10/2410 tot en met 10/2420 en 11/4141 tot en met 11/4144
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:10225, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland is van oordeel dat de belastingaanslagen door de bevoegde inspecteur is opgelegd, dat eiser terecht is aangemerkt als rekeninghouder van een bankrekening in Zwitserland en dat het aanhouden van een bankrekening in Zwitserland valt onder de zogenoemde standstill-bepaling. De in verband hiermee opgelegde vergrijpboetes zijn terecht opgelegd. De winstcorrecties zijn ten onrechte aangebracht. Het verzoek van eiser om vergoeding van de integrale proceskosten wijst de rechtbank af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1305
FutD 2013-1461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 08/3421 tot en met 08/3432, 10/2410 tot en met 10/2420 en 11/4141 tot en met 11/4144

uitspraak van de meervoudige belastingkamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 juni 2013

inzake

[X], wonende te [Z] (Thailand), eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Amersfoort, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen, boetes en beschikkingen heffingsrente opgelegd:

• een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 1994 met dagtekening 29 december 2006 (aanslagnummer [000].H.47), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 89.205. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 20.764. Tevens is bij beschikking f. 7.766 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB) voor het jaar 1995 met dagtekening

29 december 2006 (aanslagnummer [000].K.57), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 762.000. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 5.136. Tevens is bij beschikking f. 1.921 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1995 met dagtekening 31 december 2007 (aanslagnummer [000].H.57), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 58.548. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 18.221. Tevens is bij beschikking f. 7.257 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag VB voor het jaar 1996 met dagtekening 31 december 2007 (aanslagnummer [000].K.67), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 810.000. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 5.488. Tevens is bij beschikking f. 2.185 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1996 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].H.67), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 51.164. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 16.521. Tevens is bij beschikking f. 7.062 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag VB voor het jaar 1997 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].K.77), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 867.000. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 5.824. Tevens is bij beschikking f. 2.402 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1997 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].H.77), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 48.911. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 15.594. Tevens is bij beschikking f. 6.428 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag VB voor het jaar 1998 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].K.87), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 869.000. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met een boete van f. 5.404. Tevens is bij beschikking f. 2.052 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1998 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].H.87), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 42.691. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 12.385 en is bij beschikking f. 4.703 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag VB voor het jaar 1999 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].K.97), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 925.000. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 5.670 en is bij beschikking f. 1.983 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1999 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].H.97), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 46.521. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 13.780 en is bij beschikking f. 4.819 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag VB voor het jaar 2000 met dagtekening 11 september 2008 (aanslagnummer [000].K.07), berekend naar een belastbaar bedrag van f. 953.000. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 5.957 en is bij beschikking f. 1.804 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2000 met dagtekening 26 augustus 2008 (aanslagnummer [000].H.07), berekend naar een belastbaar inkomen van f. 44.566. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 12.897 en is bij beschikking f. 4.017 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet (hierna: Zfw) voor het jaar 2000 met dagtekening

19 augustus 2008 (aanslagnummer [000].S.07), berekend naar een premie-inkomen van f. 41.200. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van f. 1.587;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2001 met dagtekening 29 december 2006 (aanslagnummer [000].H.17), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.688 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.506. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 21.364 en is bij beschikking € 3.681 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Zfw voor het jaar 2001 met dagtekening 29 december 2006 (aanslagnummer [000].S.17), berekend naar een premie-inkomen van € 19.059. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 657 en is bij beschikking € 241 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: Waz) voor het jaar 2001 met dagtekening 29 december 2006 (aanslagnummer [000].W.17), berekend naar een premie-inkomen van € 38.118. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 1.098 en is bij beschikking € 403 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2002 met dagtekening 14 december 2007 (aanslagnummer [000].H.27), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.374 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.337. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 13.259 en is bij beschikking € 4.242 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Zfw voor het jaar 2002 met dagtekening 12 december 2007 (aanslagnummer [000].S.27), berekend naar een premie-inkomen van € 19.650. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 390 en is bij beschikking € 271 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Waz voor het jaar 2002 met dagtekening 12 december 2007 (aanslagnummer [000].W.27), berekend naar een premie-inkomen van € 38.118. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 549 en is bij beschikking € 437 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2003 met dagtekening 26 augustus 2008 (aanslagnummer [000].H.37), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.706 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.105. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 5.781 en is bij beschikking € 1.843 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Zfw voor het jaar 2003 met dagtekening 19 augustus 2008 (aanslagnummer [000].S.37), berekend naar een premie-inkomen van € 20.706. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 384 en is bij beschikking € 308 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een navorderingsaanslag premie Waz voor het jaar 2003 met dagtekening 19 augustus 2008 (aanslagnummer [000].W.37), berekend naar een premie-inkomen van € 25.632. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 247 en is bij beschikking € 226 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 met dagtekening 22 november 2007 (aanslagnummer [000].H.46), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.574 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.081. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 5.777 en een verzuimboete van € 113 en is bij beschikking € 1.461 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een aanslag premie Zfw voor het jaar 2004 met dagtekening 22 november 2007 (aanslagnummer [000].S.46), berekend naar een premie-inkomen van € 20.800. Tevens is bij beschikking € 223 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 met dagtekening 28 november 2008 (aanslagnummer [000].H.56), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.101 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.549. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 17.269 en is bij beschikking € 3.640 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• een aanslag premie Zfw voor het jaar 2005 met dagtekening 28 november 2008 (aanslagnummer [000].S.56), berekend naar een premie-inkomen van € 21.050. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 177 en is bij beschikking € 96 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Bij uitspraken op bezwaar van 2 juli 2008 heeft verweerder de belastingaanslagen IB/PVV 1994, VB 1995, IB/PVV 1995, VB 1996, IB/PVV 2001, Waz 2001, Zfw 2001, IB/PVV 2002, Zfw 2002, Waz 2002, IB/PVV 2004, Zfw 2004 en de daarbij opgelegde boetes en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft bij brief van 23 juli 2008, ontvangen door de rechtbank op 24 juli 2008, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft op 25 en 26 november 2008 de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend. Hierbij is onder meer de geanonimiseerde versie van het Draaiboek Project Buitenlands Vermogen met bijlagen (hierna: het Draaiboek) ingebracht.

1.5 Bij uitspraak op bezwaar van 20 mei 2010 heeft verweerder de belastingaanslagen IB/PVV 1996, VB 1997, IB/PVV 1997, VB 1998, IB/PVV 1998, VB 1999, IB/PVV 1999, VB 2000, IB/PVV 2000, Zfw 2000, IB/PVV 2003, Zfw 2003, Waz 2003, IB/PVV 2005, Zfw 2005 en de daarbij opgelegde boetes en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.6 Eiser heeft daartegen bij brief van 29 juni 2010, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

1.7 Verweerder heeft op 27 oktober 2010 de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.8 De rechtbank heeft eiser bij brief van 11 oktober 2011 verzocht om zijn standpunten kenbaar te maken omtrent de voortvarendheid waarmee verweerder de diverse navorderingsaanslagen heeft opgelegd en het door verweerder overgelegde Draaiboek. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 14 oktober 2011. In deze brief heeft hij onder meer aangegeven dat hij van mening is dat verweerder niet alle op het geding betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Vooralsnog gaat het volgens eiser om:

a) de niet geanonimiseerde renseignementen;

b) het niet geanonimiseerde en ongeschoonde begeleidend schrijven van de Duitse autoriteiten waarbij de renseignementen zijn verstrekt;

c) de schriftelijke vastlegging van het identificatieproces;

d) aantekeningen van de ambtenaren [A] en [B] van het telefoongesprek dat zij op 6 december 2006 met de heer [C] zouden hebben gevoerd;

e) de aantekening in de applicatie Buitenlands Vermogen van het telefoongesprek dat de ambtenaren [A] en [B] op 30 november 2006 met de heer [C] zouden hebben gevoerd;

f) aantekening in de applicatie Buitenlands Vermogen van het telefoongesprek dat de ambtenaren [A] en [B] op 9 januari 2007 met de heer [C] zouden hebben gevoerd;

g) een afschrift van de originele en integrale versie van het inlichtingenverzoek van de Nederlandse belastingautoriteiten aan Duitsland, waarvan tot nu toe slechts een geschoond exemplaar is opgenomen in de bijlagen, waarvan bovendien de bladzijde 1 ontbreekt;

h) een afschrift van de originele en integrale versie van de reactie van Duitsland op het inlichtingenverzoek.

Tevens heeft hij zijn standpunt omtrent de verlengde navorderingstermijn nader toegelicht.

1.9 Verweerder heeft in reactie op de brief van de rechtbank aan verweerder van 11 oktober 2011 nog een aantal ontbrekende belastingaanslagen en aangiftegegevens overgelegd. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft verweerder gereageerd op het standpunt van eiser dat hij nog niet alle op het geding betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

1.10 Bij brief van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het beroep op 3 november 2011 door de enkelvoudige kamer zal worden behandeld en dat daarbij alleen aan de orde zal komen wat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. In deze brief verzoekt de rechtbank verweerder alle door eiser in zijn brief van 11 oktober 2011 gevraagde bescheiden naar de zitting mee te nemen, zodat deze eventueel, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb, ter zitting kunnen worden overgelegd.

1.11 Het verzoek van eiser is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 3 november 2011. Namens eiser is daar verschenen mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A]. Tijdens deze zitting heeft verweerder onder meer de handgeschreven aantekeningen van de ambtenaren [A] en [B] van het telefoongesprek met de heer [C] op 6 december 2006 overgelegd. Ook zijn nog een aantal andere stukken overgelegd waarvoor verweerder een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van de Awb.

1.12 Bij tussenbeslissing van 22 november 2011 heeft de rechtbank het verzoek van eiser toegewezen en verweerder gelast de in de brief van eiser van 11 oktober 2011 genoemde stukken – al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb – binnen veertien dagen aan de rechtbank te overleggen (voor zover dit in een eerder stadium niet reeds is gebeurd). Iedere verdere beslissing met betrekking tot artikel 8:29 van de Awb alsmede de hoofdzaak wordt aangehouden.

1.13 Eiser en verweerder hebben hun nadere standpunten naar aanleiding van deze tussenbeslissing neergelegd in de brieven van respectievelijk 24 november 2011 en 14 december 2011.

1.14 Bij beslissing van 1 februari 2012 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank het beroep van verweerder om beperkte kennisneming van het Draaiboek en de renseignementen toegewezen. Het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van de digitale weergave van het telefoongesprek d.d. 6 december 2006 met de heer [C] heeft de rechtbank afgewezen. Het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van het inlichtingenverzoek aan de Duitse belastingautoriteiten en de reactie op dit verzoek van de Duitse belastingautoriteiten wordt deels afgewezen. Voor wat betreft de hiervoor onder 1.8 na letter c) en d) genoemde stukken, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat zij op dit punt geen taak heeft omdat verweerder heeft aangegeven dat het stuk genoemd na letter c) zich niet in het dossier van eiser bevindt en het stuk genoemd na letter d) niet is opgemaakt. Voor wat betreft de hiervoor onder 1.8 na letter f) en g) genoemde stukken geldt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer hetzelfde. Ten aanzien van deze stukken heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gelet op de omvang van deze stukken overlegging daarvan tot een onevenredig tijdsbeslag zou leiden (de applicatie bevat volgens verweerder gegevens van 18.060 belastingplichtigen). Daarnaast bevat de applicatie gegevens over strategie en aanpak alsmede gegevens over (intern) overleg. Verweerder heeft deze stukken dan ook terecht niet overgelegd.

1.15 Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2012 gereageerd op de beslissing van de geheimhoudingskamer van 1 februari 2012. Als bijlage bij deze brief heeft verweerder, ter uitvoering van voornoemde beslissing, de volgende stukken gevoegd:

1) de uitdraai van de digitale vastlegging van de telefoongesprekken van 6 december 2006 en 19 december 2006 met de heer [C];

2) de geschoonde versie van het inlichtingenverzoek aan de Duitse autoriteiten van 4 juni 2007;

3) de geschoonde versie van de reactie van de Duitse autoriteiten van 12 september 2007.

1.16 Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.17 Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [D] en mr. [gemachtigde], beiden advocaat te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [E], [gemachtigde], mr. [F] en [A].

1.18 Eiser heeft ter zitting een pleitnota met een bijlage overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt geacht te zijn voorgedragen.

1.19 De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken geregistreerd onder de nummers AWB 08/3434, 08/3436 tot en met 08/3445, 10/2390, 10/2449, 10/2452, 10/2454, 10/2456, 10/2458, 10/2460, 10/2462, 10/2464 tot en met 10/2467 en 10/2469.

1.20 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat dit niet volledig is geweest. Het hiervan opgemaakte schorsingsbesluit is op 19 april 2012 aan partijen toegezonden. Op 26 april 2012 is het proces-verbaal van de zitting aan partijen toegezonden.

1.21 Partijen hebben nadere stukken ingediend, welke stukken telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.22 Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2013 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [D] en mr. [gemachtigde], beiden advocaat te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [E], mr. [G] en [A], tot bijstand vergezeld van mr. [H].

1.23 Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De niet voorgedragen gedeelten van de pleitnota worden geacht te zijn voorgedragen.

1.24 De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken geregistreerd onder de nummers AWB 08/3434, 08/3436 tot en met 08/3445, 10/2390, 10/2449, 10/2452, 10/2454, 10/2456, 10/2458, 10/2460, 10/2462, 10/2464 tot en met 10/2467, 10/2469, 12/3377 en 12/3378.

1.25 Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1 Eiser is geboren op [1959] en heeft als roepnaam [I]. Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) heeft eiser ingeschreven gestaan op de volgende adressen:

- van [1959] tot 13 november 1997, [A-straat 1] te [R];

- van 13 november 1997 tot 30 november 2011, [A-straat 2] te [S];

- van 30 november 2011 tot heden, [A-straat 3] [Z] Thailand.

2.2 De partner van eiser, [J], is geboren op [1958] en heeft volgens de GBA op de volgende adressen ingeschreven gestaan:

- van [1958] tot 14 november 1997, [A-straat 4] te [S];

- vanaf 14 november 1997, [A-straat 2] te [S].

2.3 Eiser is in de in geding zijnde jaren vennoot in de vennootschap onder firma, [K] v.o.f. (hierna: de vof). De vader van eiser, [L], is tot zijn overlijden op 19 december 2004 eveneens vennoot in de vof. De vof was gevestigd in [R] en hield zich bezig met de detailhandel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden.

2.4 De vader van eiser heeft als roepnaam [M] en is tot zijn overlijden gehuwd geweest met de moeder van eiser, [N]. De voornaam van de moeder van eiser is [O] en haar roepnaam is [P]. De vader en moeder van eiser woonden op het adres [A-straat 1] te [R] en de moeder van eiser woont nog steeds op dit adres.

2.5 De Duitse autoriteiten hebben op 17 mei 2005 op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD/Team Internationaal (hierna: FIOD). Verweerder heeft deze gegevens van de FIOD ontvangen. Deze gegevens bestaan onder meer uit:

- twee bladzijden met een samenvatting van gegevens waarop handgeschreven ‘[X] [A-straat 1] [R]’ is vermeld. Deze gegevens staan vermeld op in totaal 45 regels, onderverdeeld in 7 kolommen. Boven deze kolommen is respectievelijk vermeld ‘FallNR’, ‘PagNum’, ‘OrdnerNr’, ‘Nachname’, ‘Vorname’, ‘AuslandkontoNr’ en ‘Betrag’. Onder ‘Nachname’ is op 7 regels ‘Null’ vermeld, op 36 regels [a] en op 2 regels ‘[R]’. Onder ‘Vorname’ is op 8 regels ‘Null’ vermeld, op 2 regels ‘[b]’, op 3 regels ‘[c].’, op 2 regels ‘[d]’, op 2 regels ‘[I]’, op 3 regels ‘[e].’, op 3 regels ‘[f]’, op 15 regels [M], op 2 regels ‘[g]’, op 2 regels ‘[h]’, op 2 regels ‘[i]’ en op 1 regel ‘[j]’. Onder ‘AuslandkontoNr’ is op alle regels ‘[001]’ vermeld. Verder zijn op alle regels onder ‘Betrag’ bedragen ingevuld van minimaal 8.895 en maximaal 65.000;

- afschriften van stortingsbewijzen van de Deutsche Bank in Duitsland voor rekeningnummer [002] bij de Deutsche Bank in [T], Zwitserland, waarbij is vermeld dat dit voor één van de klanten van de heer [k] is met de vermelding van rekeningnummer [001]. Verder is daaraan op sommige stortingsbewijzen toegevoegd ‘[d] [a]’, ‘[e]. [a]’, ‘[L], [R], [A-straat 5]’ of ‘[X], [S], [A-straat 6]’;

- een afschrift van een microfiche inzake een swiftbetaling van 11 februari 1992 van de Deutsche Bank (filiaal [003]) aan de Deutsche Bank in Zwitserland van 33.000 DEM naar rekening [001], waarop de naam [k] staat vermeld;

- afschriften van microfiches van de rekening-courant van filiaal [004] waarbij geld wordt overgemaakt naar de Deutsche Bank in Zwitserland. Hierop is rekeningnummer [005] of [001] vermeld en ‘[k]’, ‘[b]. [a], [A-straat 1] NL-[R]’, ‘[M] [a], [A-straat 5], NL-[R]’ of ‘[U]’, ‘[l] [a], [A-straat 5], NL-[R]’, ‘[I] [a], [A-straat 5]’ of ‘[h] [a], [U]-NL’;

- een samenvatting van gegevens (Seite 13) betreffende boekingen van [a] waarbij onder plaats ‘[R]’, ‘[S]’ of ‘?’ is vermeld en onder buitenlandse bank ‘DBS’. De data van deze boekingen liggen tussen 18 januari 1993 en 4 november 1996 en de bedragen luiden in DM.

2.6 Het totale bedrag dat op de renseignementen is vermeld is DM 471.644,13 (f. 528.241,43/€ 239.705,51). Het bedrag dat op renseignementen is vermeld waarop de naam van eiser is vermeld is DM 92.400,25 (f. 103.488,28/€ 46.960,93), waarop de naam van de moeder van eiser is vermeld is DM 50.906,88 (f. 57.015,71/€ 25.872,60) en waarop de naam van de vader van eiser is vermeld is DM 145.482,50 (f. 162.940,40/€ 73.939,13). Voor een bedrag van DM 182.854,50 (f. 204.797,04/€ 92.932,85) is op de renseignementen niet de naam [a] vermeld maar alleen rekeningnummer [001].

2.7 Bij brief van 16 mei 2006 heeft verweerder eiser een vragenbrief verzonden waarin onder meer het volgende is vermeld:

‘De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen”.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25 lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.’

2.8 De bijlage bij de vragenbrief van 16 mei 2006 bevat het formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’, waarin eiser onder meer wordt gevraagd om - onder vermelding van rekeningnummer(s), naam van de bank en jaar van opening van de rekening(en) - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. Op 30 mei 2006 heeft eiser voormeld formulier ondertekend en onder meer aangegeven dat hij niet gerechtigd is (geweest) tot een of meerdere bankrekeningen in het buitenland.

2.9 Omdat de gegevens op dit formulier niet overeenkomen met de renseignementen heeft verweerder op 6 november 2006 telefonisch contact opgenomen met de toenmalige gemachtigde, mr. [C], werkzaam bij [m] (hierna: [C]). Aanvankelijk was een afspraak gemaakt voor 9 november 2006, welke afspraak op 6 november 2006 aan eiser is bevestigd. De afspraak is vervolgens verschoven naar 14 november 2006. Bij dit gesprek waren namens verweerder aanwezig [A] (hierna: [A]) en [B] (hierna: [B]). Ook eiser zelf is daar verschenen, tot bijstand vergezeld van [C].

2.10 [A] en [B] hebben van dit gesprek een verslag gemaakt. Eiser heeft dit verslag niet ondertekend. [A] en [B] hebben dit verslag wel ondertekend en hebben daaraan, vanwege het uitblijven van de ondertekening door eiser, ‘Ondertekening’ en ‘Ambtsedige verklaring’ toegevoegd. In dit verslag is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…) Vóór de aanvang van het gesprek hebben wij de gemachtigde erop gewezen dat vragen van feitelijke aard moeten worden beantwoord door belanghebbende, die daartoe gehouden is op grond van artikel 42 lid 2, artikel 45 en artikel 47 lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

(…)

Afspraken

Met belanghebbende zijn de volgende afspraken gemaakt:

1. (…)

2. Belanghebbende heeft toegezegd na te kijken over welke oude jaren de administratie nog aanwezig is. (…)

3. [A] heeft belanghebbende gevraagd een opvraag bij de Deutsche Bank te doen om na te gaan over welke jaren nog informatie aanwezig is. (…) Als bijlage 2 is bijgevoegd een voorbeeldbrief van de gegevens die opgevraagd zouden kunnen worden bij de Deutsche Bank.

(…)’

2.11 Op 30 november 2006 en 6 december 2006 heeft [C] met [A] gesproken. De inhoud van deze gesprekken is door [A] en [B] uitgewerkt en bij brief van 2 februari 2007 naar [C] gestuurd. De uitwerking van voornoemde telefoongesprekken en van het telefoongesprek van 9 januari 2007 zijn door [A] en [B] neergelegd in een ambtsedige verklaring welke door hen op 5 februari 2007 is ondertekend.

2.12 Op 4 juni 2007 heeft de FIOD op basis van de Richtlijn een inlichtingenverzoek gedaan aan het Bundeszentralamt für Steuern in [V] (Duitsland). In de brief van 12 september 2007, ontvangen door de FIOD op 18 september 2007, van het Bundeszentralamt is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

Betreff Auskunftaustausch (…);

- Deutsche Bank [W]

- Deutsche Bank AG [q]

- [L] / [N] / [X] / [J] / VOF [K]

(…) dass ab 01/1997 bis heute für die oben genannten Personen beziehungsweise Firmen keine Kundenverbindungen beziehungsweise Vollmachten feststellbar waren.

Unter genannten Kontonummer [001] besteht bundesweit keine Kundenverbindung. Zusätzlich wurde darauf hingewiesen, dass die Kontonummern bei der Deutsche Bank AG 7- beziehungsweise 9- stellig sind.

Unter der genannten Kontonummer [002] wird bei der Filiale [q] der Deutschen Bank AG die Kundenverbindung der Deutschen Bank S.A. (Suisse) in Genf geführt.

Die Nummers [004] und [003] sind jeweils Filialnummern. Diese Nummern stehen vor der eigentlichen Kontonummer (…).

Filiale [003] is der Filialbereich [r] und Filiale [004] ist der Filialbereich [q].

(…)’

De belastingaanslagen waarvoor op 2 juli 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan

2.13 Bij brief van 7 december 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en VB 1995 op te leggen, in verband met het verstrijken van de termijn voor het opleggen van deze belastingaanslagen. Tevens heeft hij aangegeven dat het bedrag van de niet aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen in 1994 is geschat op f. 42.000 en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per

1 januari 1995 op f. 642.000. Tevens is aangekondigd dat boetes van 100% zullen worden opgelegd. In de bijlage waarnaar in deze brief wordt verwezen en die bij deze brief is gevoegd, is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

[X]

Waarde buitenlandse vermogensbestanddelen.

- schatting op basis van redelijkheid en billijkheid;

- deze percentages zijn de gewogen gemiddeldes over diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden

waarde 1-1-1994 f 600.000 schatting

Rendement 1994 – 7% f. 42.000

Waarde 1-1-1995 f 642.000

Rendement 1995 – 7% f. 44.940

Waarde 1-1-1996 f 686.940

Rendement 1996 – 6% f. 41.216

Waarde 1-1-1997 f 728.156

Rendement 1997 – 6% f. 43.689

Waarde 1-1-1998 f 771.846

Rendement 1998 – 5% f. 38.592

Waarde 1-1-1999 f 810.438

Rendement 1999 – 5% f. 40.522

Waarde 1-1-2000 f 850.960

Rendement 2000 – 5% f. 42.548

Waarde 1-1-2001 f 893.508 € 405.456

Rendement 2001 – 5% f. 44.675 € 20.273

Waarde 1-1-2002 f 938.183 € 425.729

Rendement 2002 – 5% f. 46.909 € 21.286

Waarde 1-1-2003 f 985.093 € 447.016

Rendement 2003 – 5% f. 49.255 € 22.351

Waarde 1-1-2004 f 1.034.347 € 469.366

2001 1-1-2001 31-12-2001 gemiddeld

Correctie € 405.456 € 425.729 € 415.593

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 16.623

Correctie box 3 € 16.623’

2.14 Bij brief van eveneens 7 december 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2001 met boete op te leggen. Tevens zijn hierin navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Aangekondigd wordt dat in verband met de omzetcorrectie bij de vof van € 100.000 en de gerechtigdheid van eiser tot de winst van 45%, het in de aangifte aangegeven bedrag aan winst uit onderneming zal worden verhoogd met

€ 45.000. Deze hogere winst heeft ook gevolgen voor de zelfstandigenaftrek. Tevens zal er een correctie in box 3 aangebracht worden vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar een bij de brief gevoegde bijlage (voor de inhoud, zie hiervoor onder 2.13). Voor de correctie van het ondernemingsvermogen wordt een boete aangekondigd van 50% en voor de correctie buitenlandse vermogensbestanddelen een boete van 100%. Tevens is in deze brief een matiging van de boete voor de Zfw en Waz aangekondigd vanwege de samenloop met de IB/PVV.

2.15 In de brief van 7 december 2006, waarin verweerder de vof heeft meegedeeld dat een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2001 zal worden opgelegd, heeft verweerder aangegeven dat hij de verzwegen omzet heeft geschat op € 100.000. Hij is tot dit bedrag gekomen door uit te gaan van een gemiddelde verkoopprijs van € 500 (exclusief omzetbelasting) van een naaimachine en ervan uit te gaan dat wekelijks 4 naaimachines worden verkocht die niet in de omzet zijn aangegeven.

2.16 Vervolgens zijn met dagtekening 29 december 2006 de in geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, VB 1995, IB/PVV 2001, Zfw 2001 en Waz 2001, boetes en beschikkingen heffingsrente opgelegd. Hiertegen is op 5 januari 2007 bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift is verzocht om een hoorgesprek en – daaraan voorafgaand – inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken, indien verweerder overweegt niet geheel tegemoet te komen aan dit bezwaar. Tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Het verzoek om inzage in de stukken is vervolgens nog verschillende keren herhaald, waarop verweerder weer heeft gereageerd.

2.17 Bij brief van 5 november 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 op te leggen, in verband met het verstrijken van de termijn voor het opleggen van deze belastingaanslagen. Tevens heeft hij aangegeven dat het bedrag van de niet aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen in 1995 is geschat op f. 44.940 en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per

1 januari 1996 op f. 686.940. Tevens is aangekondigd dat boetes van 100% zullen worden opgelegd. In de bijlage waarnaar in deze brief wordt verwezen en die bij deze brief is gevoegd, is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

[X]

Waarde buitenlandse vermogensbestanddelen.

- schatting op basis van redelijkheid en billijkheid;

- deze percentages zijn de gewogen gemiddeldes over diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden

waarde 1-1-1994 f 600.000 schatting

Rendement 1994 – 7% f. 42.000

Waarde 1-1-1995 f 642.000

Rendement 1995 – 7% f. 44.940

Waarde 1-1-1996 f 686.940

Rendement 1996 – 6% f. 41.216

Waarde 1-1-1997 f 728.156

Rendement 1997 – 6% f. 43.689

Waarde 1-1-1998 f 771.846

Rendement 1998 – 5% f. 38.592

Waarde 1-1-1999 f 810.438

Rendement 1999 – 5% f. 40.522

Waarde 1-1-2000 f 850.960

Rendement 2000 – 5% f. 42.548

Waarde 1-1-2001 f 893.508 € 405.456

Rendement 2001 – 5% f. 44.675 € 20.273

Waarde 1-1-2002 f 938.183 € 425.729

Rendement 2002 – 5% f. 46.909 € 21.286

Waarde 1-1-2003 f 985.093 € 447.016

Rendement 2003 – 5% f. 49.255 € 22.351

Waarde 1-1-2004 f 1.034.347 € 469.366

Rendement 2004 – 5% f. 51.717 € 23.468

Waarde 1-1-2005 f 1.086.065 € 492.835’

2.18 Bij brief van eveneens 5 november 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2002 met boete op te leggen. Tevens zijn hierin navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Aangekondigd wordt dat in verband met de omzetcorrectie bij de vof van € 100.000 en de gerechtigdheid van eiser tot de winst van 45%, het in de aangifte aangegeven bedrag aan winst uit onderneming zal worden verhoogd met

€ 45.000. Deze hogere winst heeft ook gevolgen voor de zelfstandigenaftrek. Tevens zal er een correctie in box 3 aangebracht worden vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar een bij de brief gevoegde bijlage (voor de inhoud, zie hiervoor onder 2.13), waarin voor wat betreft de correctie in box 3 het volgende is vermeld:

‘ 2002 1-1-2002 31-12-2002 gemiddeld

Correctie € 425.729 € 447.016 € 436.372

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 17.455

Correctie box 3 € 17.455’

Voor de correctie van het ondernemingsvermogen wordt een boete aangekondigd van 50% en voor de correctie buitenlandse vermogensbestanddelen een boete van 100%. Tevens is in deze brief een matiging van de boete voor de Zfw en Waz aangekondigd vanwege de samenloop met de IB/PVV.

2.19 In de brief van 5 november 2007 waarin verweerder de vof heeft meegedeeld dat een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2002 zal worden opgelegd, heeft verweerder aangegeven dat hij de verzwegen omzet heeft geschat op € 100.000. Hij is tot dit bedrag gekomen door uit te gaan van een gemiddelde verkoopprijs van € 500 (exclusief omzetbelasting) van een naaimachine en ervan uit te gaan dat wekelijks 4 naaimachines worden verkocht die niet in de omzet zijn aangegeven.

2.20 Vervolgens zijn met dagtekening 31 december 2007 de in geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 opgelegd, met dagtekening 14 december 2007 de in geding zijn navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en met dagtekening 12 december 2007 de in geding zijnde navorderingsaanslagen Zfw 2002 en Waz 2002. Daarbij zijn tevens boetes en beschikkingen heffingsrente opgelegd. Hiertegen is op 28 december 2007 en 12 december 2007 bezwaar aangetekend. In deze bezwaarschriften is wederom verzocht om een hoorgesprek en – daaraan voorafgaand – inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken, indien verweerder overweegt niet geheel tegemoet te komen aan het bezwaar. Tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

2.21 Met dagtekening 22 december 2007 zijn de aanslagen IB/PVV 2004 en Zfw 2004 opgelegd. Deze zijn vastgesteld overeenkomstig hetgeen is vermeld in de brief van 1 oktober 2007, waarin verweerder zijn voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2004 kenbaar maakt. Aangekondigd wordt dat in verband met de omzetcorrectie bij de vof van € 50.000 en de gerechtigdheid van eiser tot de winst van 50%, het in de aangifte aangegeven bedrag aan winst uit onderneming zal worden verhoogd met € 25.000. Deze hogere winst heeft ook gevolgen voor de zelfstandigenaftrek. Tevens zal er een correctie in box 3 aangebracht worden vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar een bij de brief gevoegde bijlage (voor de inhoud, zie hiervoor onder 2.17), waarin voor wat betreft de correctie in box 3 het volgende is vermeld:

‘ 2004 1-1-2004 31-12-2004 gemiddeld

Correctie € 469.366 € 492.835 € 481.100

[X]

Gerechtigdheid 50% € 240.550

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.622

Correctie box 3 € 9.622

[J]

Gerechtigdheid 50% € 240.550

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.622

Correctie box 3 € 9.622’

Voor de correctie van het ondernemingsvermogen wordt een boete aangekondigd van 50% en voor de correctie buitenlandse vermogensbestanddelen een boete van 100%. Tevens is in deze brief een matiging van de boete voor de Zfw aangekondigd vanwege de samenloop met de IB/PVV.

2.22 In de brief van 1 oktober 2007 waarin verweerder heeft meegedeeld dat een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2004 aan de vof zal worden opgelegd, heeft verweerder aangegeven dat hij de verzwegen omzet heeft geschat op € 50.000. Hij is tot dit bedrag gekomen door uit te gaan van een gemiddelde verkoopprijs van € 500 (exclusief omzetbelasting) van een naaimachine en ervan uit te gaan dat wekelijks 2 naaimachines worden verkocht die niet in de omzet zijn aangegeven. Hiermee heeft hij rekening gehouden met het feit dat de omzet volgens de jaarrekening 2004 is teruggelopen.

2.23 Op 11 december 2007 is bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2004. In dit bezwaarschrift is verzocht om een hoorgesprek en – daaraan voorafgaand – inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken, indien verweerder overweegt niet geheel tegemoet te komen aan het bezwaar. Tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Op 17 december 2007 heeft een andere gemachtigde, [n], namens eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag Zfw 2004.

2.24 Op 4 maart 2008 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar op de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 (registratienummer AWB 08/1225) VB 1995 (08/1228), IB/PVV 2001 (08/1231), Waz 2001 (08/1232) en Zfw 2001 (08/1233).

2.25 Bij brief van 1 april 2008 heeft verweerder gereageerd op de tot dan toe ingediende bezwaarschriften. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

Overlegging informatie

Alle aanslagen zijn het gevolg van het feit dat de Belastingdienst over gegevens beschikt waaruit aannemelijk wordt dat de heer [a] buitenlandse vermogensbestanddelen in Duitsland en/of Zwitserland heeft (bezeten). (…)

Het onderzoek naar deze buitenlandse vermogensbestanddelen loopt sinds medio 2006. (…)

Op 16 maart 2007 heb ik van u een brief ontvangen op grond waarvan ik wel moest concluderen dat u (namens uw cliënt) niet langer bereid was mee te werken aan het heffingsonderzoek met betrekking tot het buitenlandse vermogen.

Daarom heb ik mijn onderzoek op andere wijze voortgezet en een verzoek om internationale gegevensuitwisseling gedaan. (…) Ik overleg u hierbij het hier relevante gedeelte van de gegevens, zoals die op dit moment in mijn dossier aanwezig zijn.

Ik overleg u de volgende stukken:

- Stuk over een contante storting van DM 16.000 op een eigen of vreemde bankrekening, afkomstig van de Deutsche Bank d.d. 4 november 1996 met daarop de naam van de heer [a] en het adres en de woonplaats van zijn partner (…);

- Gedeelte van een afdruk van de magneetband van de rekening-courant van filiaal [004] uit de periode

6 april 1994 – 17 april 1994, waarbij op 5 april 1994 een bedrag van DM 19.292 op rekeningnummer [001] van de Deutsche Bank Schweiz wordt gestort (“Gutschrift”) onder vermelding van naam, adres en woonplaatsgegevens van de heer [a] (…).

Eind 2007 verkreeg ik van de Duitse overheid de volgende informatie

(…)

Naar mijn mening blijkt uit deze stukken dat uw cliënt in ieder geval medio jaren negentig beschikte over buitenlandse vermogensbestanddelen bij de Deutsche Bank in Duitsland en Zwitserland. (…)

Hoorgesprek en inzage

Voordat ik op deze bezwaarschriften ga beslissen, stel u en uw cliënt in de gelegenheid om gehoord te worden over de bezwaren. Ik verzoek u mij mede te delen of u van die gelegenheid gebruik wenst te maken. In dat geval zal ik het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage leggen.

(…)’

2.26 Bij uitspraken van de rechtbank ingevolge artikel 8:54 van de Awb van 9 juni 2008 heeft de rechtbank de beroepen wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk op 31 juli 2008 alsnog een beslissing neemt op de door eiser gemaakte bezwaren.

2.27 Bij brief van 20 juni 2008 heeft de gemachtigde aangegeven dat vanochtend inzage heeft plaatsgevonden in het dossier van de familie [a]. In deze brief geeft hij tevens aan dat afgezien wordt van de hoorzitting die gepland is voor 23 juni 2008.

2.28 Op 2 juli 2008 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

De belastingaanslagen waarvoor op 20 mei 2010 uitspraak op bezwaar is gedaan

2.29 Bij brief van 8 juli 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2003 met boete op te leggen. Tevens zijn hierin navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Aangekondigd wordt dat in verband met de omzetcorrectie bij de vof van € 50.000 en de gerechtigdheid van eiser tot de winst van 40%, het in de aangifte aangegeven bedrag aan winst uit onderneming zal worden verhoogd met € 20.000. Deze hogere winst heeft ook gevolgen voor de zelfstandigenaftrek. Tevens zal er een correctie in box 3 aangebracht worden vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar een bij de brief gevoegde bijlage, welke overeenkomt met de hiervoor onder 2.17 aangehaalde bijlage met daaraan toegevoegd ‘waarde per 1-1-2006 € 517.576’. Voor wat betreft de correctie in box 3 is in de bijlage het volgende vermeld.

‘ (…)

2003 1-1-2003 31-12-2003 gemiddeld

Correctie € 447.016 € 469.366 € 458.191

[X]

Toerekening 50% € 229.095

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.163

Correctie box 3 € 9.163’

Voor de correctie van het ondernemingsvermogen wordt een boete aangekondigd van 50% en voor de correctie buitenlandse vermogensbestanddelen een boete van 100%. Tevens is in deze brief een matiging van de boete voor de Zfw en Waz aangekondigd vanwege de samenloop met de IB/PVV.

2.30 Bij brieven van 8 juli 2008 zijn navorderingaanslagen met boetes voor de IB/PVV 1996 tot en met 2000, VB 1997 tot en met 2000 en Zfw 2000 aangekondigd. Deze belastingaanslagen zijn vervolgens met dagtekening 19 augustus 2008 (Zfw 2000, Zfw 2003 en Waz 2003), 26 augustus 2008 (IB/PVV 2000 en 2003) en 11 september 2008 (IB/PVV 1996, VB 1997, IB/PVV 1997, VB 1998, IB/PVV 1998, VB 1999, IB/PVV 1999, VB 2000) aan eiser opgelegd. Met dagtekening 28 november 2008 zijn de aanslagen IB/PVV 2005 en Zfw 2005 opgelegd. Hiertegen is tijdig bezwaar gemaakt.

2.31 Op 20 mei 2010 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belastingaanslagen en de boetes terecht en naar de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

3.2 Meer in het bijzonder zijn de volgende vragen in geschil:

(a) richt het beroep van eiser zich tevens tegen de aanslag IB/PVV 2004;

(b) is de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Amersfoort, bevoegd de onderhavige belastingaanslagen op te leggen;

(c) is eiser terecht aangemerkt als rekeninghouder, is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en is sprake van een redelijke schatting?

(d) voor de jaren 2001 tot en met 2005; zijn de winstcorrecties terecht en tot de juiste bedragen aangebracht?

(e) voor de jaren 1994 tot en met 2000; is het gebruik van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) toegestaan?

(f) zijn de boetes terecht opgelegd en tot de juiste bedragen vastgesteld?

(g) zijn de beschikkingen heffingsrente tot de juiste bedragen berekend?

(h) is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden?

(i) heeft eiser recht op vergoeding van de integrale proceskosten?

3.3 Met betrekking tot de boetes heeft verweerder zich in beroep op het standpunt gesteld dat:

- de boetebeschikking bij de IB/PVV 2001 € 7.391 te hoog is vastgesteld en moet worden vastgesteld op

€ 13.973 (waarvan € 8.986 over de winstcorrectie en € 4.987 over het buitenlandse vermogen);

- de boetebeschikking van 50% bij de Waz 2001 € 549 te hoog is vastgesteld en moet worden vastgesteld op € 549 (25%) vanwege de samenloop met de IB/PVV;

- de boetebeschikking bij de Zfw 2001, uitgaande van een boete van 50%, weliswaar € 100 te laag is vastgesteld maar dat vanwege de samenloop met de IB/PVV 2001 deze toch moet worden verminderd en vastgesteld moet worden op 25% ofwel € 379, zodat de boete ambtshalve verminderd zal worden met € 278 (€ 657 - € 379);

- de boetebeschikking bij de IB/PVV 2002 € 1.578 te laag is vastgesteld omdat de boete had moeten worden vastgesteld op € 14.837 (waarvan € 9.600 over de winstcorrectie en € 5.237 over het buitenlandse vermogen), zodat voor vermindering van deze beschikking geen aanleiding bestaat;

- de boetebeschikking bij de IB/PVV 2004 € 372 te hoog is vastgesteld en moet worden vastgesteld op

€ 10.534 (waarvan € 5.410 over de winstcorrectie en € 5.124 over het buitenlandse vermogen).

3.4 Met betrekking tot de heffingsrente heeft verweerder in beroep voor wat betreft onderstaande beschikkingen heffingsrente handmatig controleberekeningen uitgevoerd en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat:

- de beschikking heffingsrente bij de IB/PVV 1994 f 5 te laag is vastgesteld;

- de beschikking heffingsrente bij de VB 1995 f 1 te laag is vastgesteld;

- de beschikking heffingsrente bij de IB/PVV 1995 f 1,78 te laag is vastgesteld;

- de beschikking heffingsrente bij de VB 1996 f 1,27 te laag is vastgesteld;

- de beschikkingen heffingsrente bij de IB/PVV 2001, Waz 2001, Zfw 2001, IB/PVV 2002, Waz 2002 en Zfw 2002 juist zijn vastgesteld.

4. Beoordeling van het geschil

Is beroep aangetekend tegen de aanslag IB/PVV 2004?

4.1 Bij uitspraken op bezwaar van 2 juli 2008 heeft verweerder de belastingaanslagen IB/PVV 1994, VB 1995, IB/PVV 1995, VB 1996, IB/PVV 2001, Waz 2001, Zfw 2001, IB/PVV 2002, Zfw 2002, Waz 2002, IB/PVV 2004, Zfw 2004 en de daarbij opgelegde boetes en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Tegen deze uitspraken op bezwaar heeft eiser bij brief van 23 juli 2008 beroep ingesteld. In deze brief is de aanslag IB/PVV 2004 niet vermeld. Dit berust echter op een verschrijving van eiser. Deze verschrijving was ook voor verweerder kenbaar aangezien hij ervan uit is gegaan dat het beroep zich tevens richt tegen de aanslag IB/PVV 2004. Gelet op deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de brief van 23 juli 2008 tevens aanmerken als beroepschrift tegen de aanslag IB/PVV 2004.

Zijn de belastingaanslagen opgelegd door de bevoegde inspecteur?

4.2 Eiser heeft bij brief van 25 januari 2013, onder verwijzing naar de uitspraak van Hof Arnhem van 11 mei 2012 (LJN: BW5529), aangekondigd dat hij ter zitting nader zal toelichten waarom hij van mening is dat de belastingaanslagen door de onbevoegde inspecteur zijn opgelegd. Na de toelichting van eiser ter zitting heeft verweerder hierop inhoudelijk gereageerd. Verweerder heeft zich echter primair op het standpunt gesteld dat deze beroepsgrond tardief moet worden verklaard. De bevoegdheid van de inspecteur betreft echter een vraagstuk waarnaar de rechtbank ambtshalve moet kijken. De stelling van verweerder dat deze beroepsgrond tardief moet worden verklaard, kan reeds hierom niet slagen. Bovendien is verweerder door de handelwijze van eiser kennelijk niet in zijn belangen geschaad, nu verweerder ter zitting inhoudelijk verweerder op dit punt heeft gevoerd.

4.3 Op grond van artikel 11, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een aanslag vaststellen. In artikel 16, eerste lid, van de AWR is de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van een navorderingsaanslag geregeld.

4.4 Artikel 3 van de AWR luidt als volgt:

‘1. De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van het Rijk.

2. Bij ministeriële regeling worden regels worden gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst, alsmede omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder wie een belastingplichtige ressorteert.’

4.5 Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2012 (AWB 12/2608, LJN: BY4185), is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid van de inspecteur is geregeld in het eerste lid van artikel 3 van de AWR. Gelet hierop is de inspecteur landelijk bevoegd zodat de belastingaanslagen door de bevoegde inspecteur zijn opgelegd. De vraag onder welke inspecteur eiser ressorteert behoeft geen beantwoording meer.

4.6 De stelling van eiser dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat een belastingplichtige niet meer weet waar hij terecht kan voor vragen en inlichtingen, kan niet slagen. De belastingaanslagen zijn opgelegd door de inspecteur van de regio Utrecht-Gooi. Dat de inspecteurs landelijk gevoegd zijn heeft dus niet tot gevolg dat een belastingplichtige niet meer weet waar hij terecht kan. Ook de verwijzing door eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 (LJN: BI5110) gaat niet op. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist welke gevolgen de landelijke bevoegdheid van de inspecteur heeft voor de toepassing van de meerderheidsregel. Dat alleen de inspecteur waaronder een belastingplichtige ressorteert bevoegd is belastingaanslagen op te leggen, kan uit dit arrest niet worden afgeleid.

Correctie buitenlandse bankrekening

4.7 Verweerder heeft op 17 mei 2005 de hiervoor onder 2.5 genoemde gegevens van de Duitse autoriteiten ontvangen. De hierop vermelde (voor)namen komen overeen met die van eiser, zijn vader en zijn moeder. De adressen die op de door de Duitse autoriteiten verstrekte gegevens staan vermeld komen overeen met de adressen waar eiser en/of zijn partner hebben gewoond. Verder laten deze gegevens verschillende overboekingen vanuit de Deutsche Bank in Duitsland naar een rekening bij de Deutsche Bank in Zwitserland zien. De uit Duitsland ontvangen inlichtingen van 12 september 2007 bevestigen dat het inderdaad om een rekeningnummer bij de Deutsche Bank in Zwitserland gaat. Ook volgt uit deze gegevens dat degenen die de stortingen hebben gedaan, ook rekeninghouder van de in Zwitserland aangehouden rekening moeten zijn geweest. De rechtbank heeft hierbij met name belang gehecht aan de combinatie van de volgende gegevens: het rekeningnummer, de vermelding dat het gaat om een klant van de heer [k] met daarbij de vermelding van de naam van eiser of zijn ouders.

4.8 In hetgeen eiser heeft aangevoerd over de bewijskracht die van de renseignementen uitgaat, ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door verweerder overgelegde renseignementen. Het enkele feit dat het gaat om kopieën is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen leiden dat daarmee de authenticiteit niet vaststaat. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de authenticiteit te twijfelen.

4.9 Of, zoals eiser heeft gesteld, verweerder ten onrechte waarde heeft gehecht aan de verklaringen van [C] en selectief gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van eiser, is gelet op het hiervoor onder 4.7 overwogene niet meer van belang. Reeds op basis van de gegevens van de Duitse autoriteiten heeft verweerder eiser terecht geïdentificeerd als rekeninghouder. Ook is niet van belang dat er geen proces-verbaal van identificatie is opgemaakt. In dit geval bestond daartoe, gelet op de volledigheid van de van de Duitse autoriteiten ontvangen gegevens, geen aanleiding.

4.10 Gelet op het voorgaande, heeft eiser, die heeft ontkend te beschikken over een buitenlandse bankrekening in Zwitserland en steeds heeft geweigerd informatie te verstrekken over de hem in het buitenland ter beschikking staande banktegoeden, niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR rustende verplichting om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraagstelling van verweerder in de aan eiser gerichte brieven niet zodanig ruim, dat eiser daarom niet gehouden zou zijn geweest aan zijn inlichtingenplicht te voldoen. Uit de vragenbrief kon eiser precies afleiden welke gegevens en inlichtingen van hem werden gevraagd. Het betoog van eiser, dat hij niet aan de inlichtingenplicht hoeft te voldoen omdat dat zou neerkomen op zelfincriminatie, hetgeen is verboden door artikel 6 van het EVRM, volgt de rechtbank niet. Het voldoen aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR betreft een verplichting in het kader van het vaststellen van de belastingschuld en niet in het kader van een criminal charge (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008 en Hoge Raad 27 juni 2001, nr. 35.889, LJN: AB2314, BNB 2002/27). In de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 5 april 2012 (Chambaz c. Suisse, nr. 11663/04, EHRC 2012, 135), ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. In die zaak heeft het EHRM geoordeeld dat vanwege de nauwe verwevenheid, zowel juridisch als feitelijk, van de administratieve en strafrechtelijke procedure, ook de administratieve procedure diende te worden beoordeeld als onderdeel van de strafrechtelijke in het kader van artikel 6 van het EVRM (o. 48). In de onderhavige zaak was echter ten tijde van het verzoek om informatie op de voet van artikel 47 van de AWR nog geen sprake van een criminal charge en kon derhalve ook geen sprake zijn van een dergelijke nauwe verwevenheid. Anders dan eiser stelt, ziet de rechtbank ook overigens geen aanknopingspunt in de zaak Chambaz voor het oordeel dat in de Nederlandse heffingsprocedure aan de belastingplichtige, voorafgaande aan het stellen van vragen op de voet van artikel 47 van de AWR, de garantie zou moeten worden gegeven dat de antwoorden op die vragen nimmer tot een boeteoplegging of strafvervolging zullen leiden in die gevallen waarin op dat moment nog geen sprake is van een criminal charge. Voor zover de gevraagde gegevens onder het zwijgrecht vallen en door een belastingplichtige worden verstrekt onder bedreiging van de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast dan wel de strafbaarstelling van artikel 68 van de AWR en die gegevens vervolgens tevens worden gebruikt voor het opleggen van een boete, dan dient die wijze van gegevensverkrijging te worden beoordeeld en zonodig gesanctioneerd bij de oplegging en beoordeling van de boete, overeenkomstig de waarborgen van artikel 6 van het EVRM (vgl. Hoge Raad 16 september 2005, nr. 38.156, LJN: AO9013, BNB 2006/111, en Hoge Raad 27 juni 2001, nr. 35.889, LJN: AB2314, BNB 2002/27). Een mogelijke, toekomstige schending van het verbod van zelfincriminatie kan echter niet in de weg staan aan de plicht om de benodigde gegevens te verschaffen in het kader van de belastingheffing.

4.11 Reeds vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard, als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onder b, en slot, van de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit voor alle in geding zijnde jaren, omdat aannemelijk is dat in alle jaren een niet onaanzienlijk banksaldo in het buitenland is aangehouden. De rechtbank leidt dit af uit de renseignementen, waaruit blijkt dat in een periode van bijna 4 jaar (18 januari 1993 - 4 november 1996) in totaal € 239.705,51 door eiser en zijn ouders op de buitenlandse bankrekening is gestort. Informatie over de periode vóór 18 januari 1993 en ná 4 november 1996 ontbreekt, maar gelet op de omvang van de stortingen in een periode van bijna 4 jaar, acht de rechtbank aannemelijk dat het om een niet onaanzienlijk banksaldo moet gaan. Als algemene ervaringsregel geldt dat een dergelijk groot bedrag op een verzwegen bankrekening in een land met een wettelijk bankgeheim voor de lange termijn wordt aangehouden. Verder is er in de gedingstukken geen enkele aanwijzing te vinden dat de in Zwitserland aangehouden tegoeden naar een bankrekening zijn overgebracht waarvan het tegoed door eiser is aangegeven.

4.12 Eiser heeft noch in bezwaar noch in beroep openheid van zaken gegeven en ook overigens geen concrete stellingen betrokken op grond waarvan blijkt dat de in de uitspraken op bezwaar gehandhaafde belastingaanslagen onjuist zijn.

4.13 Met betrekking tot de vraag of de belastingaanslagen - voor zover deze betrekking hebben op de door eiser in Zwitserland aangehouden bankrekening - berusten op een redelijke schatting, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat verweerder ten behoeve van het vaststellen van de belastingaanslagen een analyse heeft gemaakt van de van de Duitse autoriteiten ontvangen gegevens en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per 1 januari 1994 heeft geschat op f. 600.000. Deze berekening kan naar het oordeel van de rechtbank als redelijk worden aangemerkt, gelet op de omvang van de stortingen. Voor de berekening van het rendement heeft verweerder verklaard dat hij daarvoor is uitgegaan van de gewogen gemiddeldes van diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden. De rechtbank heeft geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen en ook overigens komen de gehanteerde percentages de rechtbank redelijk voor.

4.14 In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om daar anders over te oordelen, ook omdat eiser niet bereid is gebleken aan zijn wettelijke inlichtingenverplichting te voldoen. Dit terwijl eiser degene is die door het verstrekken van inlichtingen de juiste gegevens van de saldi van de buitenlandse bankrekening had kunnen verstrekken. Verweerder heeft zijn schatting daardoor moeten baseren op erg weinig informatie. De beroepen zijn in zoverre dan ook ongegrond.

De winstcorrecties

4.15 Over de winst die is behaald met de handel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden heeft verweerder aan eiser geen inlichtingen gevraagd ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR. De administratieve sanctie van de omkering en de verzwaring van de bewijslast wegens het niet verstrekken van deze inlichtingen strekt zich dan ook niet uit tot de winstcorrecties.

4.16 Ook de stelling van verweerder, dat de bewijslast moet worden omgekeerd vanwege het niet doen van de vereiste aangifte voor de jaren 2001 tot en met 2005, kan niet slagen. De bewijslast hiervoor rust op verweerder. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de stortingen op de buitenlandse bankrekening, de aangegeven belastbare winsten over 1994 en 1996, de in de aangiften vermogensbelasting aangegeven vermogens, de verklaringen van [C] en de verklaringen van eiser. Deze stortingen, aangiften en verklaringen hebben echter geen betrekking op de jaren 2001 tot en met 2005. Verweerder heeft hiermee onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen die tot het oordeel kunnen leiden dat eiser in de jaren 2001 tot en met 2005 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.17 Hieruit volgt dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de aangegeven winst te laag is. Hiertoe heeft verweerder in wezen geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd dan die hiervoor in 4.15 zijn vermeld. Deze feiten en omstandigheden, zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang beschouwd, zijn onvoldoende concreet om te kunnen concluderen dat wekelijks twee tot vier verkochte naaimachines buiten de omzet zijn gehouden. De winstcorrecties voor de jaren 2001 (€ 45.000), 2002 (€ 45.000), 2003 (€ 20.000), 2004 (€ 25.000) en 2005 (€ 25.000) zijn derhalve ten onrechte aangebracht. Als gevolg hiervan dienen ook de in verband met deze correcties opgelegde boetes te worden vernietigd. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

De verlengde navorderingstermijn

4.18 Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV, VB en Zfw die zijn opgelegd voor de jaren tot en met 2000 in strijd is gehandeld met de vereiste voortvarendheid, zodat het gebruik maken van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd is met het communautaire recht.

4.19 De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010 (nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120) uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, zaken C-155/08 en C-157/08, Jur. 2009, blz. I-05093, LJN: BI8987) de regels afgeleid die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de verlengde navorderingstermijn teneinde te voorkomen dat wordt gehandeld in strijd met de artikelen 49 en 56 EG (thans: artikelen 56 en 63 VWEU). Deze jurisprudentie ziet in beginsel slechts op (inkomsten uit) binnen de Europese Unie aangehouden vermogensbestanddelen. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser een bankrekening in Zwitserland heeft aangehouden. Dit land maakt geen deel uit van de Europese Unie.

4.20 Eiser zou nog wel een beroep op het arrest Passenheim-van Schoot kunnen doen indien het aanhouden van een bankrekening valt onder de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 63 VWEU. Dit artikel heeft immers ook betrekking op derde landen. Artikel 64, eerste lid, VWEU maakt daarop echter een uitzondering voor op 31 december 1993 volgens het nationale recht bestaande wettelijke belemmeringen, de zogenoemde standstill-bepaling. Het vierde lid van artikel 16 van de AWR, waarin de verlengde navorderingstermijn is opgenomen, is ingevoerd bij de Wet van 22 mei 1991, Stb. 1991, 264. Hieruit volgt dat sprake is van een op 31 december 1993 bestaande belemmering.

4.21 De zogenoemde standstill-bepaling geldt echter niet voor alle soorten kapitaalverkeer maar is beperkt tot de in artikel 64 VWEU genoemde categorieën kapitaalverkeer. Het aanhouden van een bankrekening valt naar het oordeel van de rechtbank onder één van die categorieën, namelijk de categorie ‘financiële dienstverlening’ (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2013, nr. 12/00650, n.n.g.). Aan dit oordeel doet niet af dat dit begrip als zodanig niet is gedefinieerd in de nomenclatuur van het kapitaalverkeer die is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988. Deze nomenclatuur bevat immers een niet limitatieve omschrijving van kapitaalverkeer. Artikel 63 noch 64 VWEU staat daarom aan het onverkort toepassen van de verlengde navorderingstermijn in de weg.

4.22 Het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010 (07/10306, LJN: BJ8465) waarop eiser zich heeft beroepen kan aan dit oordeel niet afdoen. In dit arrest ging het weliswaar over een door een belanghebbende aangehouden bankrekening in Zwitserland, maar kwam de Hoge Raad aan de vraag of het arrest Passenheim-van Schoot ook voor derde landen geldt niet toe. De Hoge Raad heeft in dit arrest enkel de regels uit het arrest Passenheim-van Schoot weergegeven. Een oordeel over de toepassing van dit arrest voor derde landen is hiermee niet gegeven. Ook de verwijzing door eiser naar de uitleg van het begrip financiële dienstverlening op grond van de Zesde Richtlijn (thans: btw richtlijn) gaat niet op. Het gaat immers om de uitleg van de categorieën kapitaalverkeer zoals opgenomen in de standstill-bepaling in artikel 64 VWEU.

Ten aanzien van de beschikkingen heffingsrente

4.23 Eiser heeft voorts nog aangevoerd dat de in rekening gebrachte heffingsrente dient te worden beperkt tot maximaal drie maanden nadat er voldoende gegevens voorhanden waren voor het opleggen van de belastingaanslagen. Eiser heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (nr. 07/13362, LJN: BJ8524, BNB 2009/295). Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat in een geval als dit uitvoering wordt gegeven aan voornoemd arrest van de Hoge Raad. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding om de heffingsrente in afwijking van de wettelijke regeling te berekenen of te beperken.

4.24 Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente ongegrond. Wel dienen de beschikkingen heffingsrente te worden verminderd overeenkomstig de bovenstaande verminderingen van de desbetreffende belastingaanslagen.

Ten aanzien van de boetes

4.25 Verweerder heeft gelijktijdig met het opleggen van de belastingaanslagen vergrijpboetes opgelegd van 100% voor de correcties wegens de buitenlandse bankrekening. De bewijslast hiervoor ligt voor ieder jaar afzonderlijk, zowel wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, bij verweerder (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324, BNB 2011/206 en Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, BNB 2011/207).

4.26 Voor zover eiser zich met betrekking tot de opgelegde boetes op het standpunt heeft gesteld dat oplegging daarvan vanwege de door verweerder verzonden vragenbrieven en de inlichtingenplicht van artikel 47 van de AWR in strijd zou zijn met het verbod van zelfincriminatie zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM, kan de rechtbank dat betoog niet volgen. In het onderhavige geval heeft eiser immers geen inlichtingen gegeven of gegevens overgelegd waarvan gebruik zou kunnen worden gemaakt bij de eventuele bewezenverklaring van de beboetbare feiten, nog daargelaten dat die gegevens zijn gevraagd op een moment dat nog geen sprake was van een criminal charge. Hieraan doet verder niet af dat het zwijgen van eiser niet zonder meer in zijn nadeel mag worden uitgelegd (zie de hiervoor aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 15 april 2011). Nu niet is gebleken dat verweerder zich heeft gebaseerd op door eiser tegen zijn wil verstrekte gegeven, is bewijsuitsluiting niet aan de orde.

4.27 Ten aanzien van de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet is de rechtbank van oordeel dat, indien en voor zover bewezen kan worden verklaard dat eiser in de jaren vanaf 1994 tegoeden heeft aangehouden op een buitenlandse bankrekening in een land waar een wettelijk bankgeheim geldt zonder dat eiser deze tegoeden heeft aangegeven, daarmee ook de opzet op het niet-aangeven is bewezen, omdat aannemelijk mag worden geacht dat eiser wist dat ook tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus en dat de reden om gebruik te maken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim juist is geweest om die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten te houden. Hierbij is, anders dan eiser stelt, niet van belang dat verweerder niet de originele aangiften heeft overgelegd. Eiser heeft immers ontkend rekeninghouder te zijn en heeft om die reden de tegoeden ook niet in zijn aangiften aangegeven.

4.28 Ten aanzien van de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de gegevens en inlichtingen die hij heeft ontvangen van de Duitse autoriteiten aan zijn bewijslast heeft voldaan. Uit deze informatie volgt dat in de periode 18 januari 1993 - 4 november 1996 in totaal € 239.705,51 door eiser en zijn ouders is gestort op de buitenlandse bankrekening in Zwitserland. Zoals hiervoor reeds overwogen is gelet op de omvang van deze stortingen gedurende een periode van bijna 4 jaar aannemelijk dat het saldo op deze bankrekening niet onaanzienlijk moet zijn. Als algemene ervaringsregel geldt dat een dergelijk groot bedrag op een verzwegen bankrekening in een land met een wettelijk bankgeheim voor de lange termijn wordt aangehouden. Onder lange termijn valt in ieder geval tien jaar. Tevens is, zoals hiervoor reeds overwogen, in de gedingstukken geen enkele aanwijzing te vinden dat de in Zwitserland aangehouden tegoeden naar een bankrekening zijn overgebracht waarvan het tegoed door eiser is aangegeven. Verder is gesteld noch gebleken dat deze bankrekening na 4 november 1996 is opgeheven en het saldo naar een bankrekening in Nederland is overgebracht. Gelet hierop heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser ook in de jaren waarvan geen gegevens voorhanden zijn over stortingen, tegoeden heeft aangehouden op een buitenlandse bankrekening.

4.29 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de boetes die zijn opgelegd voor de buitenlandse bankrekening voor wat betreft de Waz en Zfw voldoende heeft gematigd vanwege de samenloop met de IB/PVV. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder door toedoen van eiser over een minimum aan gegevens beschikt om de belastingaanslagen op te baseren. Verder is in de gedingstukken geen concrete aanwijzing te vinden dat de belastingaanslagen, voor zover deze betrekking hebben op de in het buitenland aangehouden bankrekening, te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank ziet in het gegeven dat de bewijslast is omgekeerd dan ook geen reden de boetes te matigen. Ook overigens acht de rechtbank de boetes die zijn opgelegd voor de buitenlandse bankrekening passend en geboden.

4.30 Ten slotte dient beoordeeld te worden of de boetes gematigd moeten worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan (zie HR 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.31 De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de brieven van 7 december 2006 (voor de IB/PVV 1994, VB 1995, IB/PVV 2001, Zfw 2001 en Waz 2001), 1 oktober 2007 (IB/PVV 2004 en Zfw 2004) 5 november 2007 (voor de IB/PVV 1995, VB 1996, IB/PVV 2002, Zfw 2002 en Waz 2002) en 8 juli 2008 (IB/PVV 1996 tot en met 2000, VB 1997 tot en met 2000, Zfw 2000, IB/PVV 2003, Zfw 2003 en Waz 2003), waarin verweerder eiser op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de in geding zijnde belastingaanslagen met boetes op te leggen. Deze termijn is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank. De totale behandelingsduur bedraagt uitgaande van 7 december 2006 als aanvangsdatum ruim 6 jaar, uitgaande van 1 oktober 2007 en 5 november 2007 als aanvangsdatum ruim 5 jaar en uitgaande van 8 juli 2008 als aanvangsdatum bijna 5 jaar. De redelijke termijn is hiermee in beginsel overschreden variërend van ruim 3 jaar en (bijna) 3 jaar. Uitgangspunt is dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere matiging van de boete dan tot 80% kan leiden. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze zaken van dit uitgangspunt af te wijken zodat de boetes dienen te worden verminderd tot 80% van de belasting die is geheven over de waarde van de in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.32 Wat betreft de vergoeding van immateriële schade volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011(nr. 09/02639, LJN: BO5046, BNB 2011/232), dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie (vergelijk EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi tegen Italië, JB 2006/134), wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aldus de Hoge Raad. Uit het arrest volgt voorts dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (nr. 37.984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.33 De termijn is voor wat betreft de belastingaanslagen waarvoor op 2 juli 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan, aangevangen met de ontvangst het bezwaarschrift van eiser door verweerder op 8 januari 2007 en voor wat betreft de belastingaanslagen waarvoor op 20 mei 2010 uitspraak op bezwaar is gedaan, met de ontvangst van de bezwaarschriften op 29 september 2008, 6 oktober 2008, 13 oktober 2008 en 1 december 2008. De termijnen zijn geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. De termijnen voor alle in geding zijnde belastingaanslagen zijn overschreden. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke dan wel de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding het onderzoek te heropenen teneinde met toepassing van artikel 8:26 van de Awb naast verweerder de Staat der Nederlanden als partij in die procedure te betrekken.

Samenvatting

4.34 De beroepen zijn gegrond wat betreft de bij de belastingaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 aangebrachte omzetcorrecties en de in verband daarmee opgelegde boetes en beschikkingen heffingsrente. Dit geldt eveneens voor de aangebrachte omzetcorrecties en de in verband daarmee opgelegde boetes voor zover die zijn begrepen in de belastingaanslagen Zfw 2001 tot en met 2005 en de belastingaanslagen Waz 2001 tot en met 2003. De beroepen met betrekking tot de boetes die zijn opgelegd voor de buitenlandse bankrekening zijn gegrond wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5. Proceskosten

5.1 Eiser heeft verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het derde lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

5.2 De rechtbank ziet aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. De rechtbank zal bij het vaststellen van deze proceskostenvergoedingen de procedures over de belastingaanslagen waarvoor op 2 juli 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan en de belastingaanslagen waarvoor op 20 mei 2010 uitspraak op bezwaar is gedaan, gelet op de definitie van samenhangende zaken in artikel 3, tweede lid, van het Besluit, als twee zaken aanmerken. De rechtbank zal de procedures van eiser, [J], de erven van [L] en [N] niet als met elkaar samenhangende zaken aanmerken aangezien het in een aantal besluiten ook gaat om andere correcties dan de correctie buitenlands vermogen, de bezwaar- en beroepsgronden op onderdelen verschillen en op verschillende momenten bezwaarschriften zijn ingediend.

5.3 Deze kosten zijn, zowel voor de belastingaanslagen waarvoor op 2 juli 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan als voor de belastingaanslagen waarvoor op 20 mei 2010 uitspraak op bezwaar is gedaan, op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.476,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichten met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken). De totale proceskostenvergoeding bedraagt dan € 4.953. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen inzake de belastingaanslagen IB/PVV 1994 tot en met 2000 en VB 1995 tot en met 2000 en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- verklaart de beroepen inzake de belastingaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005, Zfw 2001 tot en met 2005, Waz 2001 tot en met 2003 en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente gegrond;

- verklaart de beroepen voor zover deze betrekking hebben op de boetes gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de belastingaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005, Zfw 2001 tot en met 2005, Waz 2001 tot en met 2003 en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente, en voor zover deze betrekking hebben de op de boetes;

- vermindert de belastingaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005, Zfw 2001 tot en met 2005 en Waz 2001 tot en met 2003 tot de belastbare inkomens uit werk en woning en premie-inkomens exclusief de omzetcorrecties, onder handhaving van de overige elementen van deze belastingaanslagen;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetes voor zover deze betrekking hebben op de omzetcorrecties;

- vermindert de boetes voor zover deze betrekking hebben op de buitenlandse bankrekening, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.3 is vermeld, tot 80% van de belasting die betrekking heeft op de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraken op bezwaar voor zover deze zijn vernietigd;

- bepaalt dat het onderzoek in verband met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt heropend op nader te bepalen wijze;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 4.953;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. A.H.M. Haerkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 4 juni 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.