Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1945

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
AWB 13/2494
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Voorlopige voorziening tijdens bezwaarfase in verband met geweigerde teruggaaf (aftrek voorbelasting). Aanleg kunstgrasveld in opdracht van Stichting. Stichting ondernemer? Misbruik van recht? Is de Stichting te vereenzelvigen met de voetbalvereniging die het kunstgrasveld van haar huurt? Beroep op gelijkheidsbeginsel.

Voorlopige voorziening afgewezen, want geen spoedeisend belang, ook al heeft de Stichting het geld van de belastingdienst met spoed nodig om de leverancier van het kunstgrasveld te kunnen betalen. Ernstig en onherstelbaar nadeel niet aannemelijk. Voorts afwijzing wegens te groot restitutierisico, complexheid van de zaak en nader feitelijk onderzoek nodig, met name ten aanzien van beroep op gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1279
V-N 2013/36.28.19
FutD 2013-1460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 13/2494

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Stichting [X], gevestigd te [Z], verzoekster,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Enschede, verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft voor verzoekster bij beschikking Teruggaaf Omzetbelasting, met dagtekening 28 maart 2013 en nummer [000]O012506, voor het tijdvak 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012 het bedrag van de omzetbelasting vastgesteld op nihil. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 22 april 2013 bezwaar gemaakt.

Op 30 april 2013 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (hierna: het verzoek).

Verweerder heeft bij brief van 16 mei 2013, ontvangen door de rechtbank op 21 mei 2013, de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend. De pleitnota is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 mei 2013. Namens verzoekster zijn verschenen de heren [A] en [B] en haar gemachtigde de heer mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen de heren [gemachtigde] en

mr. [C]. Verzoekster heeft ter zitting stukken overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.3 Verzoekster beoogt met het verzoek dat de bij de aangifte van 17 januari 2013 gevraagde BTW-teruggaaf over het tijdvak 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012, ten bedrage van € 65.298, aan haar wordt uitbetaald. Het betreffende bedrag aan omzetbelasting is onderdeel van een factuur terzake van de levering van een kunstgrasveld aan verzoekster. Verzoekster meent dat zij als exploitant van dat kunstgrasveld ondernemer is en derhalve recht heeft op teruggaaf van deze omzetbelasting. Verweerder heeft de teruggaaf geweigerd, primair omdat hij meent dat geen sprake is van ondernemerschap (geen prestaties in het economische verkeer) en subsidiair omdat hij van mening is dat sprake is van misbruik van recht. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat verzoekster kan worden vereenzelvigd met de voetbalvereniging aan wie het kunstgrasveld wordt verhuurd.

2.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het verzoek om meerdere redenen te worden afgewezen. Dit oordeel wordt hierna gemotiveerd.

2.4.1 Ten eerste is het spoedeisende belang niet voldoende aannemelijk geworden. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat het hebben van uitsluitend een financieel belang op zichzelf niet kan leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit is alleen anders als sprake is van nadelige nevengevolgen die leiden tot ernstig en onherstelbaar nadeel. Verzoekster heeft weliswaar betoogd dat van dergelijk nadeel sprake is, maar de voorzieningenrechter acht dit niet aannemelijk. De ter zitting overgelegde brief van de leverancier van het kunstgrasveld is niet voldoende om aan te nemen dat de leverancier daadwerkelijk het kunstgrasveld in beslag gaat nemen en gaat sluiten als de factuur op 15 juni 2013 niet is betaald. Ook de stellingen over mondelinge bedreigingen zijn niet aannemelijk, nu zij niet zijn onderbouwd. De stellingen over een dreigend faillissement zijn ook niet aannemelijk, omdat niet is gebleken dat sprake is van een steunvordering. Daarbij komt dat verzoekster zichzelf in deze lastige financiële situatie heeft gebracht door zonder tijdig en positief afgerond vooroverleg met verweerder het kunstgrasveld te laten aanleggen zonder dat een financiële buffer was geregeld voor de BTW-component van de aankoopprijs. Bij afweging van de belangen dient dit voor rekening en risico van verzoekster te blijven.

Daaraan doet niet af dat het bestuur van verzoekster op basis van informatie van andere stichtingen die kunstgrasvelden exploiteren, meende dat de gekozen constructie in orde was en geen risico’s opleverde. Die onjuiste inschatting kan namelijk evenmin voor rekening en risico van verweerder worden gebracht.

2.4.2 Maar ook als het spoedeisende belang wel aanwezig zou zijn, dan is er een zodanig groot restitutierisico, dat een voorlopige voorziening bestaande uit betaling door verweerder van het gevraagde bedrag van € 65.298 niet aan de orde kan zijn. De argumenten die door verzoekster, door voorlezing van een schriftelijk stuk, zijn aangedragen ter zitting maken dat oordeel niet anders. Weliswaar is aannemelijk dat het kunstgrasveld een bepaalde waarde vertegenwoordigt, maar het is de vraag of die waarde zo nodig te gelde kan worden gemaakt door verzoekster of door verweerder. Daarbij weegt mee dat verzoekster heeft gesteld dat zij geen lening heeft kunnen krijgen van de bank met het kunstgrasveld als onderpand. Voorts zijn de voorgerekende opbrengsten van de exploitatie dermate laag dat hierin geen zekerheid besloten ligt dat het bedrag kan worden terugbetaald indien verzoekster in de bodemzaak in het ongelijk zou worden gesteld.

2.4.3 Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zaak inhoudelijk te complex is voor een beslissing bij voorlopige voorziening. Het is, gelet op de ontwikkelingen binnen de jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie van de Europese Unie, bepaald onzeker wat de uitkomst van de beoordeling in de bodemzaak zal zijn. Bovendien is er nog nader feitelijk onderzoek nodig, met name ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat voor het eerst is gedaan in de pleitnota van 27 mei jl. en waarop verweerder nog niet inhoudelijk heeft kunnen reageren.

2.5 Ter zitting heeft de voorzieningenrechter bovenstaand oordeel al in grote lijnen meegedeeld. In reactie daarop zijn partijen overeengekomen dat verzoekster per ommegaande de gegevens over de vergelijkbare gevallen zal e-mailen aan verweerder en dat verweerder op basis daarvan in de week van 3 juni 2013 zal onderzoeken of het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Ook zal op korte termijn, zo mogelijk aan het eind van de week van 3 juni 2013, een hoorgesprek plaatsvinden, waarna verweerder uitspraak op bezwaar zal doen vóór 15 juni 2013.

2.6 Daarnaast is ter zitting het volgende afgesproken.

- Indien partijen het niet eens worden in de bezwaarfase met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel, zullen zij de rechtbank zo spoedig mogelijk daarvan op de hoogte stellen.

- In dat geval dient verzoekster de rechtbank per brief gericht aan mevrouw

mr. F.M. Smit te verzoeken om een snelle behandeling van de bodemzaak door de meervoudige belastingkamer, waarbij ook wordt aangegeven of 22 augustus 2013 daarvoor een geschikte datum zou zijn en op welke andere data in augustus, september en oktober zij voor een zitting in de bodemzaak beschikbaar zou zijn.

- Ook verweerder dient zich over deze data uit te laten.

- Uiteraard dient verzoekster dan wel direct beroep in te stellen en dient verweerder korte tijd daarna een verweerschrift in te dienen.

- Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat als de rechtbank in de bodemzaak zou beslissen dat de teruggaaf moet worden verleend, het bedrag van € 65.298 aan verzoekster zal worden uitbetaald, ook indien hoger beroep en cassatie worden ingesteld.

- Indien tijdens de bezwaarfase blijkt dat geen behandeling door de rechtbank meer nodig is, dan verneemt de rechtbank dat graag per ommegaande, zodat voor de zittingsdag van 22 augustus 2013 andere zaken kunnen worden ingepland.

2.7 Nu de voorziening wordt afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2013

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: