Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1928

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
13-166
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, nieuwe wetgeving. Veroordeelde is in 1996 veroordeeld, welke straf hij eerst in september 2012 uitzit. Daarbij is DNA afgenomen voor onderzoek. Het openbaar ministerie had veroordeelde internationaal gesignaleerd en had het TES ingeschakeld voor de executie van de straf. Niet aannemelijk geworden is dat het openbaar ministerie verdergaande inspanningen moest verrichten om veroordeelde te traceren. Voor veroordeelde zelf was het reeds in 2002 duidelijk dat hij onherroepelijk veroordeeld was. Desondanks heeft hij zich nimmer gemeld en heeft hij zijn adressen in verschillende Europese landen niet aan de Nederlandse autoriteiten kenbaar gemaakt.

Gelet op de huidige Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden was het openbaar ministerie gehouden tot het afgeven van een bevel tot afname van DNA-materiaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van DNA van veroordeelde. Het bezwaarschrift is dan ook ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/028117-97 en 21/002544-98

Rechtbanknummer : 13/166

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer inzake het op 22 januari 2013 bij deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift, ex artikel 7 van de wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

naam : [veroordeelde], hierna te noemen: veroordeelde,

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de [PI],

strekkende tot vernietiging van het afgenomen celmateriaal van veroordeelde.

De procedure

In besloten raadkamer van 27 maart 2012 zijn gehoord veroordeelde, zijn advocaat mr. B. van Els, advocaat te ‘s-Gravenhage, en de officier van justitie, mr. C.Y. Huang.

De feiten

Uit het dossier blijkt -onder meer- het navolgende.

Veroordeelde is op 24 januari 2000 door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, ter zake van (poging tot) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Bij arrest van de Hoge Raad d.d. 25 juni 2002 is de gevangenisstraf verminderd tot 16 maanden, waarvan 5 maanden, voorwaardelijk.

Op 2 januari 2013 is door de officier van justitie bevolen dat celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek bij veroordeelde zal worden afgenomen. Op 10 januari 2013 heeft celafname plaatsgevonden.

Het standpunt van veroordeelde

Veroordeelde heeft aangevoerd dat hij reeds lange tijd geleden is veroordeeld. Het openbaar ministerie had eerder contact met veroordeelde moeten opnemen, zodat hij reeds jaren geleden zijn straf had kunnen uitzitten. Nu veroordeelde zijn straf zal uitzitten eerst nadat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van kracht is geworden, is hij in zijn belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en nu veroordeelde in al die jaren na zijn veroordeling niet is gerecidiveerd, dient in dit geval te worden afgezien van het bepalen en verwerken van het DNA van veroordeelde.

Subsidiair heeft veroordeelde verzocht deze zaak aan te houden opdat de officier van justitie kan aantonen welke activiteiten het openbaar ministerie heeft ondernomen om veroordeelde te bereiken voor de tenuitvoerlegging van zijn straf.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat veroordeelde sinds 1996 in Nederland geen vaste woon- of verblijfsplaats meer heeft. Hij heeft sinds zijn veroordeling in 1996 gesignaleerd gestaan in het landelijk opsporingsregister, omdat hij onvindbaar was. Via het TES (team executie strafvonnissen) is veroordeelde eerst op 13 september 2012 in Spanje aangehouden en ingesloten. Veroordeelde was steeds op de hoogte van de uitkomst van zijn zaak en heeft geen moeite gedaan om zijn buitenlandse verblijfadres(sen) bekend te maken bij de autoriteiten in Nederland.

Het openbaar ministerie is gelet op de tekst van de artikelen 2 en 8 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gehouden het DNA-profiel van veroordeelde te bepalen en verwerken. De aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering op die regel.

De officier van justitie is daarom van mening dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaalt dat de officier bij de justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. In het eerste lid onder a en b zijn de limitatieve uitzonderingsbepalingen opgenomen.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is die wet – kort weergegeven (ook) van toepassing op personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet reeds zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1, tenzij zij deze straf op dat tijdstip al hebben ondergaan.

Door de wetgever is bepaald in welke gevallen het bepalen en verwerken van DNA-profiel in de databank is toegestaan. In deze zaak is aan de wettelijke vereisten voldaan. Veroordeelde had de hem opgelegde gevangenisstraf nog niet ondergaan, zodat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing is.

Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend is geweest bij de executie van zijn straf, waardoor hij nu is geconfronteerd met de tussentijdse inwerkingtreding van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, welke wet immers dateert van 16 september 2004.

De raadkamer overweegt hieromtrent als volgt.

Veroordeelde is in 1996 uit Nederland geëmigreerd en is nadien in diverse landen woonachtig geweest. Hij heeft geen woon- of verblijfplaats in het GBA laten opnemen.

Het openbaar ministerie heeft getracht veroordeelde te bereiken voor de executie van zijn straf. Daartoe is hij gesignaleerd in het Opsporingsregister. Blijkens de Aanwijzing executie van het Openbaar Ministerie wordt een veroordeelde slechts gesignaleerd indien de veroordeelde geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland dan wel in een Europese lidstaat heeft.

Voorts heeft het openbaar ministerie het Team Executie Strafvonnissen (TES) ingeschakeld. Dit team heeft een landelijke taak ten aanzien van de opsporing van tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeelden van wie:

• het vonnis of arrest onherroepelijk is,

• het vonnis of arrest een openstaand strafrestant van 120 dagen of meer heeft,

• de signalering in het Opsporingsregister (OPS) heeft plaatsgevonden,

• geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

Aan deze criteria is door veroordeelde voldaan.

De inspanningen van het TES hebben uiteindelijk geresulteerd in de aanhouding van veroordeelde in Spanje (waar veroordeelde niet woonachtig was).

Uit hetgeen door veroordeelde is aangevoerd, dan wel anderszins, is naar het oordeel van de raadkamer niet aannemelijk geworden dat van het openbaar ministerie verdergaande inspanningen mochten worden verlangd ter executie van de onherroepelijke straf van veroordeelde. Het (subsidiair geformuleerde) verzoek tot aanhouding wordt dan ook afgewezen.

Veroordeelde daarentegen heeft in raadkamer aangegeven dat het voor hem reeds op 25 juni 2002, na het arrest van de Hoge Raad, duidelijk was dat hij onherroepelijk was veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. Hij heeft zich echter nadien nimmer gemeld bij justitie met betrekking tot die straf, noch heeft hij zijn adresgegevens in de diverse landen waar hij verbleef aan justitie kenbaar gemaakt. De enkele omstandigheid dat veroordeelde zijn paspoort heeft laten verlengen bij de Nederlandse ambassades in Lissabon en Bern maakt niet dat justitie van zijn verblijfplaats of -land op de hoogte moest zijn.

Gelet op het voorgaande is de raadkamer van oordeel dat zich in deze zaak geen uitzonderingsituatie voordoet op grond waarvan de officier van justitie niet gerechtigd was tot het afgeven van een bevel tot afname van DNA-materiaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van DNA van veroordeelde.

De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus gegeven in besloten raadkamer van 10 april 2013 door mr. P.C. Quak, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, als griffier.