Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
AWB 12/4041
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:2568, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWR, informatiebeschikking. Opvragen informatie redelijkerwijs noodzakelijk. Verzoek om informatie kan ook betrekking hebben op subjectieve belastingplicht. Nemo tenetur-beginsel niet geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1302
V-N 2013/36.4 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1467
NTFR 2015/1609 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 12/4041

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 juni 2013

inzake

[X], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 9 februari 2012 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) afgegeven.

Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2012 heeft verweerder de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank op 7 augustus 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013 te Arnhem. Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigden mr. [gemachtigde] en mr. [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], mr. [B], [C] en [D].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

2.1 Bij brief van 23 november 2011 heeft verweerder aangekondigd dat hij bij eiser een onderzoek inkomstenbelasting vanaf het jaar 2004 instelt. In het kader van dit onderzoek wordt eiser gevraagd om de volgende inlichtingen te verstrekken.

1. Uw wereldinkomen over de periode 2004-heden

Hierbij graag een specificatie/onderbouwing per land, inclusief de onderliggende documenten zoals bijvoorbeeld arbeidsovereenkomsten, dividendbesluiten, leningsovereenkomsten (i.v.m. rente-inkomsten).

2. Gaarne een kopie van de aangiften inkomstenbelasting (2004-heden) die u in het buitenland doet.

3. Klopt het dat u geen arbeidsbeloning voor uw Nederlandse directiefuncties heeft ontvangen? Hierbij gaarne een toelichting.

4. We ontvangen graag een gespecificeerd overzicht van uw vermogen vanaf 2004. Hierbij tevens inzicht in uw prive-vastgoedobjecten en de rechtspersonen waarin dit is ondergebracht.

5. Gaarne inzage in de trusts of verwante lichamen waar u bij betrokken bent.

Hierbij een kopie van de relevante overeenkomsten, correspondentie en de periodieke rapportages omtrent de vermogensposities van het betreffende rechtsfiguur.

6. Inzage in uw buitenlandse bankrekeningen.

7. Inzage in de buitenlandse bankrekeningen van de trusts of verwante lichamen waar u bij betrokken bent.

2.2 In reactie op deze brief heeft eiser verweerder op 24 november 2011 per e-mail medegedeeld dat hij van mening is dat hij niet verplicht is tot het beantwoorden van de gestelde vragen.

2.3 Bij brief van 30 november 2011 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht de gevraagde inlichtingen binnen vier weken te verstrekken.

2.4 Bij e-mail van 11 december 2011 deelt eiser verweerder opnieuw mede dat hij het standpunt inneemt dat hij niet gehouden is om de gestelde vragen te beantwoorden en de gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij voert eiser aan dat hij in de in het informatieverzoek genoemde jaren inwoner was/is van het Verenigd Koninkrijk en dat door de werking van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk geen heffingsbevoegdheid toekomt aan Nederland. Omdat Nederland niet mag heffen, kunnen de gestelde vragen en inlichtingen niet van belang zijn voor de belastingheffing, aldus eiser.

2.5 Bij brieven van 13 december 2011 en 5 januari 2012 heeft verweerder zijn inlichtingenverzoek herhaald. Hierbij is eiser steeds een termijn van vier weken gegeven om de inlichtingen te verstrekken.

2.6 In reactie op deze herhaalde informatieverzoeken heeft eiser telkens gemotiveerd zijn standpunt, inhoudende dat hij niet verplicht is om de gevraagde inlichtingen te vertrekken omdat Nederland geen heffingsrecht heeft over zijn inkomen, gehandhaafd.

2.7 Omdat eiser de gevraagde inlichtingen niet heeft verstrekt, heeft verweerder met dagtekening 9 februari 2012 de onderhavige informatiebeschikking afgegeven. De beschikking heeft betrekking op de hierboven onder 2.1 opgenomen inlichtingen zoals vermeld in verweerders brief van 23 november 2011.

2.8 Op 12 april 2013 heeft de gemachtigde van eiser een nader stuk ingediend. Als bijlage bij dit stuk zijn 17 multomappen met informatie gevoegd. De multomappen zijn vervolgens door de rechtbank, na telefonisch overleg tussen de griffier en de gemachtigde van eiser, op 16 april 2013 opgehaald door een door eiser ingeschakelde koerier, die de multomappen naar verweerder heeft gebracht.

2.9 Eveneens op 12 april 2013 heeft de rechtbank een nader stuk van verweerder ontvangen. Dit betreft een notitie (met bijlagen) waarin de feiten en omstandigheden worden beschreven waaraan verweerder het vermoeden ontleent dat eiser vanaf 2004 in Nederland woonachtig is geweest.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de onderhavige informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Was het opvragen van de betreffende informatie door verweerder in het kader van de belastingheffing redelijkerwijs noodzakelijk?

2. Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

3. Is het nemo tenetur-beginsel geschonden?

4. Is het motiveringsbeginsel geschonden?

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet alle door verweerder gevraagde informatie heeft verstrekt.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de informatiebeschikking geen betrekking heeft op het jaar 2005 nu de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor dat jaar is opgelegd met dagtekening 31 december 2011, dus voordat de informatiebeschikking is vastgesteld.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Was het opvragen van informatie redelijkerwijs noodzakelijk?

4.1 Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt onder meer dat indien met betrekking tot een op te leggen (navorderings)aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 van die wet, de inspecteur dit kan vaststellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (de zogenoemde informatiebeschikking).

4.2 Ingevolge artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn.

4.3 De rechtbank stelt voorop dat in deze beroepsprocedure de rechtmatigheid van de vastgestelde informatiebeschikking ter toetsing voorligt. In het onderhavige geval dient meer in het bijzonder te worden bezien of het opvragen van de betreffende informatie door verweerder in het kader van de belastingheffing redelijkerwijs noodzakelijk was.

4.4 Gezien de redelijke verdeling van de bewijslast rust naar het oordeel van de rechtbank op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat verweerder met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.

4.5 In dat kader is voldoende dat verweerder zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser (HR 18 april 2003, nr. 38122, LJN: AF7408, BNB 2003/268, HR 28 mei 1986, nr. 23784, LJN: AW 8017, BNB 1986/238 en HR 8 januari 1986, nr. 23034, LJN: AW8125, BNB 1986/128).

4.6 Eiser heeft gesteld dat hij de door verweerder gevraagde informatie niet behoeft te verstrekken, omdat eerst de vraag of eiser in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was dient te worden beantwoord.

4.7 De rechtbank verwerpt dit standpunt van eiser. Uit artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR blijkt dat verweerder informatie mag opvragen die voor de belastingheffing van belang kan zijn. Deze informatie kan betrekking hebben op de objectieve belastingplicht, maar ook op de subjectieve belastingplicht. In dat laatste geval dient wel te worden getoetst of verweerder over voldoende aanwijzingen beschikt dat eiser mogelijk inwoner van Nederland was.

4.8 Gelet op de in het verweerschrift opgenomen feiten en omstandigheden, zoals het feit dat eiser over woonhuizen in Nederland beschikte die hij ook heeft laten inrichten, welke feiten en omstandigheden door middel van het nader stuk door verweerder nader zijn onderbouwd, beschikte verweerder over voldoende aanwijzingen dat eiser mogelijk in Nederland woonde. De rechtbank acht daarbij met name het feit dat eiser in Nederland verzekerd was voor de ziektekosten en ook daadwerkelijk meerdere keren ziektekosten in Nederland heeft gemaakt en het feit dat zijn partner, [E], in Nederland woonachtig was, van wezenlijk belang. Verweerder heeft daarnaast ter zitting onweersproken verklaard dat de partner van eiser in de onderhavige periode in Nederland aangifte heeft gedaan als binnenlands belastingplichtige.

4.9 Aan het vorenstaande doet niet af, dat eiser in de onderhavige periode heeft geleefd en gewerkt op verschillende plekken in de wereld. In het kader van dit geschil wordt immers niet beslist of de woonplaats van eiser in de onderhavige periode in Nederland was gelegen, maar slechts of verweerder aan de hem ter beschikking staande gegevens het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat eiser mogelijk in Nederland woonde en, in het verlengde daarvan, of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft afgegeven.

4.10 Nu de verweerder ter beschikking staande gegevens het vermoeden rechtvaardigen dat eiser mogelijkerwijs in Nederland woonde, mocht verweerder alle informatie opvragen die voor de belastingheffing van belang kon zijn. Verweerder mocht derhalve ook vragen stellen die erop gericht zijn om inzicht te verkrijgen in de samenstelling van het wereldinkomen van eiser.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.11 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verweerder in zijn notitie van 10 april 2013 genoemde proces-verbaal en de daar ten grondslag liggende stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb behoren en heeft verzocht om verweerder te gelasten deze stukken te overleggen. Hij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43448 (LJN BJ1946). Verweerder heeft verklaard bereid te zijn de stukken alsnog te overleggen voor zover deze niet onder de geheimhoudingsplicht vallen.

4.12 De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Reeds aan de onder 4.8 genoemde feiten en omstandigheden heeft verweerder het vermoeden kunnen ontlenen dat eiser mogelijk in Nederland woonde. Het integrale proces-verbaal en de onderliggende stukken kunnen daaraan niet afdoen. Dit geldt ook voor de door eiser overgelegde multomappen.

Nemo tenetur-beginsel

4.13 Eiser heeft zich onder verwijzing naar het arrest Chambaz (EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04) op het standpunt gesteld dat het moeten verstrekken van de gevraagde inlichtingen strijd oplevert met artikel 6 EVRM omdat niet wordt uitgesloten dat de gevraagde informatie voor het opleggen van een boete of andere strafdoeleinden wordt gebruikt. Eiser heeft gesteld dat hij mede om die reden niet verplicht is om aan het inlichtingenverzoek te voldoen.

4.14 Het standpunt van eiser wordt verworpen. Het arrest Chambaz ontslaat eiser niet van zijn informatieverplichting, nu de gevraagde informatie in beginsel slechts van belang is voor de belastingheffing. De vraag of de verstrekte informatie gebruikt mag worden voor beboetingsdoeleinden kan slechts aan de orde komen indien daadwerkelijk boetes worden opgelegd, hetgeen thans niet het geval is.

Motiveringsbeginsel

4.15 Eiser heeft gesteld dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat sommige aanwijzingen waarop de informatiebeschikking steunt, pas bekend zijn geworden nadat de informatiebeschikking was afgegeven.

4.16 Deze beroepsgrond wordt verworpen. Verweerder heeft in de brieven, die hij voorafgaand aan het opleggen van de informatiebeschikking aan eiser heeft verstuurd, duidelijk aangegeven dat hij aanwijzingen had dat eiser in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat eiser woonhuizen in Nederland heeft laten inrichten en aangegeven dat hij aanwijzingen had dat eiser in die huizen ook zelf heeft gewoond. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat eiser zowel statutair als feitelijk bestuurder is geweest van de Nederlandse vennootschappen van het [F]. Anders dan eiser stelt was verweerder niet gehouden alle hem ter beschikking staande aanwijzingen uitvoerig uit de doeken te doen.

Conclusie

4.17 De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

4.18 Op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR zal de rechtbank aan eiser een nieuwe termijn geven om alsnog te voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in de informatiebeschikking. In overeenstemming met hetgeen partijen daaromtrent ter zitting hebben afgesproken stelt de rechtbank deze termijn vast op drie maanden. De rechtbank acht het verder redelijk deze termijn te doen aanvangen vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak.

4.19 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiser een termijn van drie maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog de in de beschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 4 juni 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.