Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1892

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
AWB 11/3984, 11/3985, 11/3986 en 11/3987
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstcorrecties inkomstenbelasting bij vennoot van coffeeshop. Voldoet de administratie aan de eisen? Controlerapport nee: Tegenrapport eiser: ja. Rechtbank: verweerder heeft de gestelde gebreken niet voldoende onderbouwd, zeker niet in het licht van het tegenrapport, dus administratie voldoet aan de eisen. Geen omkering van de bewijslast. Verweerder maakt niet aannemelijk dat het brutowinstpercentage 100% dient te zijn, zodat eisers eigen percentage van 67% in stand blijft. Het zogenaamde BOOM-rapport (van het Bureau Ontneming Openbaar Ministerie), waarin de minimum-opbrengst van hennep voor henneptelers is bepaald, is niet bruikbaar voor het bepalen van de inkoopprijs van hennep voor coffeeshophouders. De winstcorrecties zijn niet aannemelijk, dus de navorderingsaanslagen worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1266
V-N 2013/37.22.4
FutD 2013-1454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 11/3984, 11/3985, 11/3986 en 11/3987

uitspraak van de meervoudige belastingkamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 30 mei 2013

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

• voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H57) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 69.540, alsmede bij beschikking een boete van € 4.618. Tevens is bij beschikking € 2.185 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H67) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.851, alsmede bij beschikking een boete van € 5.820. Tevens is bij beschikking € 2.517 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H77) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.598, alsmede bij beschikking een boete van € 7.806. Tevens is bij beschikking € 2.483 aan heffingsrente in rekening gebracht;

• voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer [000].H86) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 207.170. Tevens is bij beschikking € 2.852 aan heffingsrente in rekening gebracht;

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 augustus 2011 de belastingaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 28 september 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2013 te Arnhem. Namens eiser is verschenen mr. drs. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde], [A], [B], [C] en [D]

Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

2.1 Eiser is, samen met de heer [E], vennoot in vennootschap onder firma (vof) [F]. Vanaf 1 juli 2008 is eiser tevens vennoot in vof [G], samen met [H].

2.2. Beide vennootschappen exploiteren een coffeeshop waarin softdrugs worden verkocht.

2.3 Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2008 en omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008. Als gevolg van de wijziging in de vennoten van vof [G] heeft verweerder twee afzonderlijke rapporten opgemaakt voor de periode tot 1 juli 2008 en de periode na 1 juli 2008. De rapporten zijn gedagtekend 10 resp. 11 juni 2010 en zijn opgesteld door [D] en [C]. Een afschrift van de rapporten behoort tot de gedingstukken.

2.4 Op grond van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en heeft hij de onderhavige belastingaanslagen opgelegd en de boete- en heffingsrentebeschikkingen gegeven. De belastingaanslagen zijn gebaseerd op de volgende correcties:

2005

- een correctie van de winst van € 22.389

- een correctie van de zelfstandigenaftrek van € 2.357

2006

- een correctie van de winst van € 27.981

2007

- een correctie van de winst van € 37.529

2008

- een correctie van de winst van € 39.637 voor vof [F]

- een correctie van de winst van € 28.942 voor vof [G];

- aangegeven verzamelinkomen voor deze correcties was € 138.591.

2.5 In de beide rapporten van verweerder wordt onder punt 5.1.1. een opsomming gegeven van de aan eiser gemaakte verwijten ten aanzien van de gevoerde administratie. Het gaat om het volgende:

- De kassa uitdraaien met betrekking tot de registratie van de beginvoorraad van de softdrugs en de overige producten, die bij het begin van de dag worden geprint, zijn niet bewaard gebleven;

- De dagelijkse Z-afslagen worden niet bewaard;

- Over de jaren 2004 tot en met 2005 komen er negatieve kassen voor;

- Er wordt geen inkoopadministratie bijgehouden;

- Er wordt geen voorraadadministratie bijgehouden;

- De bankstortingen over de jaren 2004 tot en met 2008 worden niet op de juiste datum in de kasadministratie vermeld;

- De pinbetalingen worden niet op de juiste datum in de kas vermeld;

- Op de week kasstaten komen geen kasverschillen voor;

- Eigen gebruik van het personeel wordt niet bijgehouden op de week kasstaten;

- De voorraad horeca en diversen, welke staan vermeld op de balans, wordt geschat.

2.6 De gemachtigde van eiser heeft aan de heer [I] (oud medewerker van de Belastingdienst, destijds werkzaam als controlespecialist bij de fraudeafdeling, thans zelfstandig adviseur, hierna: [I]) verzocht om een tegenonderzoek te verrichten in de administratie van eiser ter zake van vof [F]. [I] heeft daarvan een rapport opgemaakt, gedagtekend 15 september 2010, welk rapport zich bij de stukken bevindt.

2.7 In punt 4.8 van dat rapport heeft [I] de conclusie van zijn onderzoek neergelegd met betrekking tot de controleerbaarheid en betrouwbaarheid van de administratie van vof [F]. Hij schrijft onder meer:

“De administratie geeft een goed verzorgde indruk. Van foutieve boekingen is niets gebleken (…). De omzetten en uitgaven werden per dag weergegeven. De kasadministratie werd bijgehouden. De kas werd dagelijks gecontroleerd door belanghebbenden.

Er is tevens niet vastgesteld waar het vermeende verzwegen geld (een zeer aanzienlijk bedrag) dan wel is gebleven.

Alle in- en verkopen en kosten zijn bijgehouden, opgeslagen en bewaard. De inkopen, verkopen en voorraadopnamen zijn tot in detail verwerkt in het Ebpos systeem. (…)

Er kunnen goederenbewegingen worden opgezet. Voor de gehele periode kunnen voor de softdrugs in- en verkoop naast elkaar worden gezet. Op deze wijze is precies te bepalen hoeveel goederen er verkocht zijn. (…) Omdat de in- en verkopen in grammen per soort en de verkoopprijzen bekend zijn, kan een theoretische omzetberekening worden gemaakt.

De Z-afslagen zijn bewaard. Met deze afslagen kan de omzet worden beoordeeld.

Het te besteden privé is na te gaan. (…) Van een gebrek is niets gebleken.

Het kasboek kan gecontroleerd worden op gebreken zoals negatieve kassen en andere onvolkomenheden. Van materiële gebreken met betrekking tot de kas is niets gebleken.

Branchegegevens zijn voorhanden zoals ook van de onderhavige branche. Doordat de Belastingdienst alle coffeeshops op een hoop gooit en geen onderscheid maakt tussen de verschillende soorten coffeeshops zijn de conclusies van de Belastingdienst niet betrouwbaar. De gegevens van de Belastingdienst komen niet van vergelijkbare coffeeshops. (…).

Conclusie

Mijns inziens is de administratie controleerbaar, ondanks het ontbreken van inkoopfacturen voor de inkoop van softdrugs. Mijns inziens is de betrouwbaarheid en controleerbaarheid van de administratie niet twijfelachtig, omdat diverse controlemogelijkheden voorhanden zijn en omdat belanghebbende voldaan heeft aan artikel 52 AWR.

2.8 In punt 5.3 van het rapport van [I] staat voorts vermeld:

“De negatieve kassen zoals door de belastingdienst aangegeven heb ik niet geconstateerd. Ik heb alleen een negatieve kas op 18 juni 2004 geconstateerd. (…) De verklaring die ik heb ontvangen voor deze eenmalige negatieve kas op 18 juni 2004 lijkt mij acceptabel en geloofwaardig. (…)”.

3. Geschil

In geschil is of de belastingaanslagen en de boete- en heffingsrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat een nieuw feit voor navordering ontbreekt. Voorts stelt hij dat hij heeft voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 AWR. Hij verwijst daarvoor onder meer naar het rapport van [I]. Verweerder heeft volgens eiser daarom ten onrechte het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de AWR, toegepast (hierna: de omkering van de bewijslast). Bovendien is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, gelet op de afdoening van een eerder boekenonderzoek in 2007. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de correcties van verweerder niet zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Eiser is verder van mening dat de boetes dienen te vervallen omdat verweerder (voorwaardelijk) opzet niet aannemelijk heeft gemaakt.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging dan wel vermindering van de belastingaanslagen en vernietiging van de boetebeschikkingen.

Verweerder stelt dat wel sprake is van een nieuw feit. Verder stelt hij zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd. Hij beroept zich daartoe op het controlerapport. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aldus verweerder. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de belastingaanslagen berusten op een redelijke schatting. Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat de boetes terecht zijn opgelegd.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR dient het beroep van de belastingplichtige ongegrond worden verklaard indien deze niet volledig heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de AWR, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.2 Artikel 52, eerste lid, AWR bepaalt dat administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken.

4.3 Verweerder stelt en eiser betwist dat de door eiser in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 gevoerde administratie niet kan dienen als betrouwbare basis voor de belastingheffing en dat de tekortkomingen van de administratie van eiser in deze jaren dermate ernstig zijn, dat de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast.

4.4 Voor een onderneming als de onderhavige – een coffeeshop – die veel contante ontvangsten en uitgaven heeft, is naar het oordeel van de rechtbank een goede kasadministratie van essentieel belang. Weliswaar mag van een exploitant van een coffeeshop, gelet op de aard van de branche, niet worden verwacht dat hij ter zake van de inkopen van de softdrugs over inkoopfacturen beschikt. Dit neemt evenwel niet weg dat hij op systematische wijze de inkoop van de softdrugs in zijn administratie dient vast te leggen. Dit houdt onder meer in dat hij door middel van dagstaten in hoeveelheden, soort softdrugs en geld bijhoudt op welke data inkopen zijn verricht en dat hij een hierop aansluitende kas- en voorraadadministratie voert.

4.5 Gelet op de nauwelijks onderbouwde verwijten in het controlerapport van verweerder en gelet op de daarvan afwijkende bevindingen van [I] in het tegenrapport, had het op de weg van verweerder gelegen om de verwijten over de tekortkomingen in de administratie van vof [F] nader te onderbouwen. Verweerder heeft dit echter nagelaten en heeft zelfs niet of nauwelijks inhoudelijk gereageerd op de bevindingen van [I].

4.6 Voorts heeft verweerder geen vermogensvergelijking gemaakt, is niet gebleken dat sprake zou zijn van onverklaarbaar hoge privébestedingen, is er geen ondersteuning van de verwijten door derdenonderzoeken en zijn er ook geen andere objectieve gegevens door verweerder overgelegd. Het enkele feit dat het brutowinstpercentage volgens eisers administratie op 67% ligt, terwijl verweerder van mening is dat 100% normaal is, is niet voldoende om de administratie te verwerpen. Verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er primaire bescheiden zijn geweest die zijn weggegooid. Vast staat dat de softdrugs bij levering worden ingewogen en dat de weegresultaten in het kassasysteem worden ingevoerd. Dat er van de weging briefjes zouden hebben bestaan, is stellig ontkend door eiser en verweerder heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De gestelde negatieve kassen zijn gelet op de bevindingen van [I] niet aannemelijk geworden; voor de enige negatieve kas die [I] heeft geconstateerd, bestaat volgens hem een acceptabele en geloofwaardige verklaring. Bovendien stelt de rechtbank vast dat een negatieve kas in juni 2004 geen gevolgen kan hebben voor de jaren 2005 tot en met 2008, die hier aan de orde zijn.

4.7 Bovendien is van belang dat eiser zeer gemotiveerd heeft toegelicht op welke wijze de inkoop van de softdrugs in dit geval in zijn werk gaat, namelijk zonder externe opslag (stash), zonder voorraad in de winkel en met slechts één vaste leverancier die aan het begin van de dag kleine porties in consignatie levert en aan het eind van de dag het restant ophaalt, waarna eiser 60% van de dagomzet aan de leverancier afdraagt als inkoopprijs. De wijze van administreren is met die gang van zaken in overeenstemming. Verweerder heeft daar tegenover slechts zonder onderbouwing aangevoerd dat hij het niet geloofwaardig acht dat eiser werkt zoals is gesteld. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat verweerder aannemelijk maakt dat de bedrijfsvoering anders is dan eiser stelt. Verweerder is daarin echter niet geslaagd.

4.8 De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de administratie van vof [F] voldeed aan de hiervoor onder

4.4. genoemde eisen. Weliswaar is de registratie van de inkoop enigszins onduidelijk en moeilijk controleerbaar, maar dat hangt samen met de aard van de branche waar de inkoopzijde illegaal is. Dit is inherent aan het softwarebeleid en kan eiser dus niet worden tegengeworpen. De administratieplicht van artikel 52 AWR is derhalve niet geschonden, zodat geen aanleiding bestaat tot omkering van de bewijslast.

4.9 De bewijslast voor de aangebrachte correcties ter zake van vof [F] rust dus op verweerder. Aan deze bewijslast heeft hij niet voldaan. Met name heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat in een coffeeshop als [F] het brutowinstpercentage altijd minimaal 100% is. Het overgelegde lijstje (bijlage 18 bij het verweerschrift) overtuigt in dit verband niet. Uit dat lijstje blijkt immers dat de brutowinstpercentages erg schommelen; bij sommige coffeeshops is het percentage veel hoger en bij andere juist veel lager. Bovendien blijkt uit het lijstje niet wat voor type coffeeshop het betreft (werkwijze, omvang, locatie). Voorts heeft verweerder niets concreets gesteld waarop zou kunnen worden gebaseerd dat het brutowinstpercentage bij

vof [F] 100% zou moeten zijn.

4.10 Ook de verwijzing naar het rapport van het Bureau Ontneming Openbaar Ministerie van april 2005, getiteld: Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht (hierna: het BOOM-rapport, bijlage 19 bij het verweerschrift), met name naar p. 23 en 24 daarvan, kan verweerder niet baten. De inkoopprijzen die verweerder uit dat rapport afleidt, zijn door eiser gemotiveerd bestreden. Eiser heeft aangevoerd dat in het BOOM-rapport de prijzen zijn berekend die worden ontvangen door de telers van hennep, met als doel om de hoogte van de aan de telers op te leggen ontnemingsvorderingen te bepalen. Daarbij is van de aangetroffen bandbreedtes steeds het laagste bedrag genomen, hetgeen voor de telers uiteraard voordelig uitpakt (lagere berekende opbrengst, dus lagere ontneming). Deze lage verkoopprijzen heeft verweerder echter gehanteerd als inkoopprijzen voor de coffeeshops. Zoals eiser terecht aanvoert, is die werkwijze zeer in het nadeel van eiser en ook niet juist. Bovendien acht de rechtbank aannemelijk dat eiser de softdrugs inkoopt van een vaste leverancier, zodat er sprake moet zijn van een of meerdere tussenhandelaars en bijbehorende marges, die de inkoopprijs voor eiser verhogen. Ook moet de inkoop in kleine hoeveelheden plaatsvinden als gevolg van het geldende softwarebeleid, hetgeen prijsverhogend werkt. Voorts heeft eiser onweersproken gesteld dat hij goede kwaliteit en dure soorten softdrugs verkoopt en dat de prijzen daarvan hoger liggen. Dit alles brengt mee dat aannemelijk is dat de inkoopprijzen voor coffeeshops in het algemeen en voor vof [F] in het bijzonder veel hoger zijn dan de verkoopprijzen die in het BOOM-rapport zijn berekend. Dit geldt temeer indien eiser de softdrugs inderdaad in consignatie geleverd krijgt, zoals hij heeft gesteld. Verweerder heeft dit weliswaar betwist, maar op hem rust de bewijslast en aan die bewijslast heeft hij niet voldaan.

4.11 De conclusie uit het bovenstaande is dat de correcties ter zake van vof [F] onterecht zijn aangebracht. De beroepen zijn dus gegrond. De navorderingsaanslagen zullen worden vernietigd en de aanslag over 2008 zal worden verminderd. De opgelegde boetes zullen worden vernietigd. De beschikkingen heffingsrente bij de navorderingsaanslagen zullen worden vernietigd en de beschikking heffingsrente bij de aanslag over 2008 zal worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

4.12 Voor vof [G] geldt het zelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van vof [F]. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de werkwijze van vof [G] sinds de toetreding van [X] op 1 juli 2008 het zelfde is geworden als deze was bij vof [F]. Weliswaar ziet het rapport van [I] niet op vof [G], maar desondanks is ook het controlerapport van verweerder met betrekking tot vof [G] voor de tweede helft van 2008, gelet op de gemotiveerde stellingen van eiser over de werkwijze, te mager om tot omkering van de bewijslast te komen. En ook voor vof [G] geldt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het brutowinstpercentage op 100% dient te liggen. Ook de correctie ter zake van vof [G] voor de tweede helft van 2008 dient derhalve te vervallen. De aanslag over 2008 zal daarom worden vastgesteld overeenkomstig het voor 2008 aangegeven bedrag van € 138.591.

4.13 Gelet op bovenstaand oordeel, behoeven de overige beroepsgronden geen behandeling. In het midden kan dus blijven of een nieuw feit voor navordering ontbreekt, of er sprake is van gewekt vertrouwen en of de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.

5. Proceskosten

5.1 De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld. Daarbij is de vergoeding voor

vof [F] berekend, zodat het bedrag per vennoot op de helft daarvan uitkomt. Immers, de zaken van beide vennoten zijn vrijwel identiek en het kleine gedeelte met betrekking tot vof [G] is in het geheel van onvoldoende gewicht om apart te vergoeden. Vanwege de zwaarte van de zaak is factor 1,5 toegepast.

5.2 Voor een werkelijke kostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken.

5.3 De vergoeding komt gezien het bovenstaande voor eiser op uit op € 1.060,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1,5, gedeeld door 2 vennoten). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 2005, 2006 en 2007;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV over 2008 tot het aangegeven belastbaar inkomen van € 138.591;

- vermindert de beschikking heffingsrente over het jaar 2008 dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.060,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. M.C. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.A. Vriezen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 30 mei 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.