Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1820

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
226462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BX 6421.

Rechtbank komt niet terug op bindende eindbeslissing. Geen aanleiding om aanvullend deskundigenbericht buiten beschouwing te laten. Vernietiging verstekvonnis. Veroordeling tot schadevergoeding wegens non-conformiteit verkochte woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/226462 / HA ZA 12-122

Vonnis in verzet van 10 april 2013

in de zaak van

[gedaagden in het verzet]

eisers,

gedaagden in het verzet,

advocaat mr. J.H.G.M. van Goch te Nijmegen,

tegen

[gedaagden in het verzet]

gedaagden,

eisers in het verzet,

advocaat mr. J.W.D. Roozemond te Nijkerk.

Partijen zullen hierna [gedaagden in het verzet] en [eisers in het verzet] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 augustus 2012

- het aanvullend deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden in het verzet]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [eisers in het verzet]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 8 augustus 2012 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank een aanvullend deskundigenbericht gelast. Daaraan voorafgaand heeft de rechtbank in r.o. 4.7 van het tussenvonnis beslist dat de verzetdagvaarding van 12 januari 2012 tijdig is uitgebracht. In de conclusie na deskundigenbericht hebben [gedaagden in het verzet] gesteld dat de rechtbank daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan hun aanbod om te bewijzen dat de wijze waarop het verstekvonnis feitelijk is betekend, naar Frans recht gelijkgesteld kan worden met betekening in persoon en aldus heeft te gelden als een rechtsgeldige betekening in de zin van artikel 56 Rv.

2.2. De bedoelde beslissing van de rechtbank is een bindende eindbeslissing. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553), ziet zij in hetgeen [gedaagden in het verzet] hebben aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing berust namelijk niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Om tot bewijs te worden toegelaten dient een stelling voldoende te zijn onderbouwd en toegelicht. Voor de door [gedaagden in het verzet] ingenomen stelling ontbrak ten tijde van de zitting en zelfs nu nog ieder aanknopingspunt, zodat de rechtbank op deze grond, en niet door te anticiperen op de uitkomst van een eventuele bewijsopdracht, kon aannemen dat geen betekening in persoon heeft plaatsgevonden. De rechtbank blijft derhalve bij het tussenvonnis.

2.3. In het tussenvonnis is voorts beslist dat aan dezelfde deskundige die in opdracht van de rechtbank het voorlopig deskundigenbericht van 21 oktober 2008 heeft opgesteld, zal worden verzocht om bij aanvullend deskundigenbericht te reageren op de bezwaren van [eisers in het verzet] tegen het voorlopige rapport, zoals weergegeven onder 4.25, 4.29, 4.32 en 4.34 van het tussenvonnis, en zo nodig een nadere toelichting te geven bij zijn conclusies, met name de conclusies ter zake van het causaal verband.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om vragen en opmerkingen te plaatsen bij het concept aanvullend deskundigenrapport van 24 augustus 2012. Van deze gelegenheid hebben [gedaagden in het verzet] nauwelijks en [eisers in het verzet] in ruime mate gebruik gemaakt. De deskundige heeft de opmerkingen van partijen in zijn (definitieve) aanvullend deskundigenbericht van 23 oktober 2012 verwerkt.

2.4. Alvorens toegekomen wordt aan de beoordeling van de technische merites van de zaak, ligt de vraag voor of het aanvullende deskundigenbericht als bewijs kan worden gebruikt. [gedaagden in het verzet] hebben immers in hun conclusie na deskundigenbericht gesteld dat het deskundigenbericht om twee redenen buiten beschouwing moet worden gelaten:

a. De deskundige heeft buiten medeweten van [eisers in het verzet] om een plaatsopneming gehouden.

b. De deskundige heeft zich onnodig grievend over de kennis, kunde en persoon van de heer Visser uitgelaten.

Wat voor het aanvullende rapport geldt, heeft volgens [eisers in het verzet] ook zijn weerslag op de (bewijs)waardering van het voorlopige rapport. Naar de mening van [eisers in het verzet] had de deskundige toen ook niet de vereiste onafhankelijkheid. Bovendien zijn zij niet bij de eerste plaatsopneming aanwezig geweest.

2.5. Ten aanzien van het gestelde sub a. heeft de deskundige het volgende opgemerkt:

‘Bij ontvangst van het gerechtsdossier, met daarin de dagvaarding in verzet, stuitte ondergetekende op productie 1 bij dagvaarding met een schuine projectie van de opstand met dakrand en de doorsnede tussen de PVC goot langs het hoofdgebouw en de dakgoot met bitumen afwerking. Bij het op grote schaal ophalen van de digitale foto’s uit 2008 (zie in verkleinde vorm de beide foto’s op pagina 5 van het voorlopig deskundigenrapport) kon onvoldoende worden vastgesteld het verschil in hoogte tussen de PVC goot en de gebitumeerde goot. In de tekst uit 2008 stond dat de pvc goot met een strookje lood uitloopt in de bitumineuze goot.

Van een aantal foto’s uit zijn archief kon ondergetekende na 4 jaar niet meer exact reproduceren vanuit welk oogpunt de foto’s waren genomen. Omwille van de zorgvuldigheid besloot ondergetekende aan de hand van zijn foto’s de juiste situatie ervan nogmaals in ogenschouw te nemen. Daarop heeft hij de advocaat van partij Kerkhoff gebeld met de vraag of hij de goot aldaar nogmaals mocht betreden. Zij gaf aan dat op vrijdag 24 augustus 2012 iemand van partij Kerkhoff aanwezig zou zijn om mij de toegang tot de goot te verschaffen. Aldaar heeft ondergetekende kunnen constateren dat de door partij Visser getekende doorsnede/zijaanzicht van zijn productie 1 klopt en dat de PVC goot op dezelfde hoogte ligt als de gebitumeerde goot. Omdat een foto daar ter plekke ontbrak in het digitale archief van ondergetekende heeft hij op 24 augustus de foto gemaakt die op A4 formaat is afgedrukt onder Bijlage A bij dit aanvullend deskundigenrapport.’

(pagina 11, derde alinea)

2.6. Geconcludeerd kan worden dat de deskundige op 24 augustus 2012 geen nader onderzoek ter plaatse heeft verricht, hetgeen bij de opdrachtverstrekking ook niet was beoogd, en dat hij louter heeft geverifieerd of een door [eisers in het verzet] getekend zijaanzicht klopte. Dit kon hij kennelijk niet goed vaststellen aan de hand van zijn archieffoto’s. Niet valt in te zien hoe [eisers in het verzet] door dit kortstondige bezoek aan de woning kan zijn benadeeld of oneerlijk kan zijn behandeld. Evenmin valt in te zien hoe de aanwezigheid van [eisers in het verzet] een verschil had gemaakt, temeer nu de deskundige juist heeft geconstateerd dat de door [eisers in het verzet] geschetste situatie bleek te kloppen en de deskundige de ontbrekende foto van deze situatie aan het archief heeft toegevoegd. Een situatie vergelijkbaar met die uit het door [eisers in het verzet] genoemde arrest van de Hoge Raad heeft zich derhalve niet voorgedaan. Er bestaat dan ook gaan reden om het aanvullend deskundigenrapport vanwege dit bezoek van de deskundige buiten beschouwing te laten.

2.7. Dan ten aanzien van het verwijt dat de deskundige zich onnodig grievend over de kennis, kunde en persoon van de heer Visser heeft uitgelaten.

De rechtbank constateert dat het voorlopig deskundigenbericht (nog) geen blijk geeft van enige ‘incompatibilité d’humeur’ en dat de deskundige op zakelijke wijze heeft toegelicht welke gebreken er naar zijn oordeel kleven aan de dak- en gootconstructie en aan het rioleringsstelsel. [eisers in het verzet] bestrijden deze conclusies in de verzetdagvaarding maar daarin reppen zij niet over schijn van partijdigheid aan de zijde van de deskundige. Dit standpunt hebben [eisers in het verzet] pas ingenomen nadat de deskundige het concept aanvullend deskundigenrapport heeft opgesteld. De rechtbank is met [eisers in het verzet] van oordeel dat het geen pas geeft hoe de deskundige zich in dit concept rapport heeft uitgelaten over de kennis en kunde van Visser. Hoe zeer een deskundige het ook oneens moge zijn met een partij en hoe zeer zijn deskundigheid ook in twijfel wordt getrokken, dit mag nimmer leiden tot een minder zakelijke reactie waardoor hij de schijn van partijdigheid op zich laadt. De vraag is echter of dit zich in het onderhavige geval ook heeft vertaald naar de technisch inhoudelijke kant van het aanvullend deskundigenbericht en of de inhoud van dit rapport zich om die reden niet meer leent om als bewijs te dienen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De deskundige is in zijn aanvullend deskundigenbericht bij de conclusies gebleven die hij reeds in het voorlopig deskundigenrapport had weergegeven toen er nog geen sprake was van enige schijn van partijdigheid. Hij heeft deze conclusies slechts nader toegelicht en onderbouwd aan de hand van de opmerkingen van [eisers in het verzet] De inhoud en de betrouwbaarheid van het rapport is niet aangetast als gevolg van de ‘incompatibilité d’humeur’ die tussen Visser en de deskundige is ontstaan, anders gezegd: naar de zakelijke/

technische inhoud kan het rapport niet als partijdig worden aangemerkt.

2.8. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding om het aanvullend deskundigenrapport buiten beschouwing te laten en gelet op het voorgaande dus evenmin om het voorlopig deskundigenrapport buiten beschouwing te laten. De omstandigheid dat de deskundige in het aanvullend deskundigenrapport (2e alinea van pagina 11) zijn verbazing heeft geuit over het uitblijven van een reactie van [eisers in het verzet] op de door hem in augustus en september 2008 gestuurde uitnodigingen om aanwezig te zijn bij het deskundigenonderzoek maakt dit niet anders, ook al had de deskundige deze opmerking achterwege kunnen en moeten laten. Dat de deskundige zich hierover heeft verwonderd is immers niet relevant voor de beantwoording van de aan hem voorgelegde vragen.

samenvatting van de conclusies van de deskundige

2.9. Tijdens het voorlopig deskundigenonderzoek heeft de deskundige bij diverse wanden en vloeren overtollig vocht, aantasting van stukadoorswerk, wandafwerking en laminaat geconstateerd. Blijkens bijlage 4 van het voorlopig deskundigenrapport (een plattegrond waarop de vochtplekken, hwa’s en bestaande riolering zijn aangegeven) is deze vocht- en waterschade geconstateerd in de bijgebouwen en in de gang en hal die de overgang vormen van de bijgebouwen naar het hoofdgebouw. De deskundige persisteert in het aanvullend deskundigenbericht bij zijn oordeel dat de aanwezige vocht- en wateroverlast onder meer is ontstaan als gevolg van onzorgvuldig c.q. onjuist uitgevoerde dak- en gootwerkzaamheden in 1998 en 2000. De gebreken zijn verergerd door het loslaten van de aangebrachte stroken weefsel tussen pvc-goot en daktrim. Visser heeft in 1998 een kapconstructie aangebracht op het hoofd- en bijgebouw en heeft zelf de tekeningen gemaakt voor de bouwaanvraag. In 2000 heeft Visser het bijgebouw uitgebreid met een wasruimte en een berging en ook voor deze verbouwing heeft Visser zelf de bouwtekeningen gemaakt. Op grond hiervan concludeert de deskundige dat de geconstateerde gebreken reeds aanwezig waren bij de levering op 1 mei 2006.

Voorts persisteert de deskundige bij zijn oordeel dat de aanwezige vocht- en wateroverlast tevens is veroorzaakt door een leidingbreuk nabij hwa 3, een te smalle diameter van hwa 3 en het gebrek aan een deugdelijk rioleringsstelsel waarop de hwa’s zijn aangesloten. Volgens de deskundige kan de schade niet zijn ontstaan door wortelgroei bij de aansluitingen van de rioleringsbuizen dan wel door achterstalling onderhoud van de goten, zoals door [eisers in het verzet] is aangevoerd.

dak- en gootconstructie/ hoogteverschil buitenopstand en binnenopstand

2.10. Naar aanleiding van nadere opmerkingen van [eisers in het verzet] heeft de deskundige in het eindrapport zijn oordeel dat de buitenzijde van een goot lager moet zijn dan de binnenzijde nader onderbouwd en de bronnen vermeld waarop hij dit oordeel baseert. Ook heeft hij gewezen op NEN 6702 waarin is bepaald dat alle daken worden berekend en geconstrueerd op belasting door regenwater in combinatie met het blokkeren van het hemelwaterafvoer-systeem. Zelfs indien hemelwaterafvoeren (hierna: hwa’s) blokkeren, dient dit niet te leiden tot het binnendringen van vocht in de woning. Dit is bij de onderhavige woning wel gebeurd. Voorts heeft de deskundige geschreven:

(…)

Het causale verband tussen de foutieve gootconstructie en de lekkage plekken is duidelijk. Immers, op Bijlagen 1E en 1F bij voorlopig deskundigenrapport zijn de oorspronkelijke casco’s van het huidige bijgebouw getekend. Het zijn halfsteens muren. Als water over de buitenzijde van de PVC goot wordt gezogen c.q. overloopt komt het op of achter de halfsteens muur terecht en het water is binnen. (…) Weliswaar heeft hij de buitenkant van de PVC goot ± 25 mm lager dan de binnenkant getekend, maar bij het blokkeren van het hemelwaterafvoersysteem loopt het water direct in de overstek omdat het boeiboord hoger is dan de PVC goot. Op de foto’s is te zien dat de bitumen slabbe niet vast zit op de PVC goot en als een lappendeken is hersteld. Alle daken moeten worden geconstrueerd met voorzieningen die bij het blokkeren van het hemelwaterafvoersysteem niet tot calamiteiten leiden. Daaronder wordt ook verstaan het direct binnendringen van hemelwater tot het interieur. Dit onverminderd het “goed huisvaderschap”om periodiek onderhoud te plegen.

De zomerperiode tussen de levering van de woning op 1 mei 2006 en het betrekken van de woning omstreeks 12 juni 2006 aan te merken als een periode waarop de gootconstructie door gebrek aan tijdig onderhoud zou disfunctioneren, zoals onder punt 8 en 28 van het exploot van dagvaarding in verzet wordt vermeld, is een argument wat er bij geen ervaren bouwkundige ingaat na de hierboven gegeven toelichting.‘

In het aanvullend deskundigenbericht heeft de deskundige de stelling van [eisers in het verzet] dat in verband met de ‘overgedimensioneerde goot’ de schade niet kan zijn ontstaan door de toegepaste dak- en gootconstructie (nogmaals) weerlegd en heeft hij zijn conclusies nog verder toegelicht. Ook heeft de deskundige voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [gedaagden in het verzet] Niet alleen heeft de deskundige geen opgehoopte bladeren aangetroffen in de goten bij zijn onderzoek in 2008, maar [eisers in het verzet] hebben hun stelling dat [gedaagden in het verzet] onvoldoende onderhoud hebben gepleegd of onvoldoende hebben geventileerd niet voorzien van enige onderbouwing. De rechtbank volgt dan ook de conclusies van de deskundige ten aanzien van de gebrekkige constructie dan wel de gebrekkige uitvoering van de dak- en gootconstructie en de als gevolg hiervan ontstane vocht- en waterschade.

boeiboordconstructie

2.11. De deskundige heeft aan de hand van foto’s en beschrijvingen voldoende overtuigend gesteld dat de boeiboordconstructie niet is gebouwd in overeenstemming met de bouwtekeningen en dat geen c.q. onvoldoende ventilatieruimte is toegepast bij de boeiboorden. Naar aanleiding van de opmerking van [eisers in het verzet] dat een tussenruimte van 20 mm uit de lucht is gegrepen, heeft de deskundige in het aanvullend deskundigenbericht als bijlage opgenomen het KOMO attest met productcertificaat voor gevelbekleding systeem met Trespa Meteon van Trespa International B.V. Hieruit blijkt dat achter het gevelbekledingsysteem een geventileerde doorgaande spouw van tenminste 20 mm diepte aanwezig dient te zijn.

De conclusie moet volgens de deskundige zijn dat Visser zich niet heeft gehouden aan de toepassingsvoorschriften van Trespa en daarmee niet voldoet aan de van toepassing zijnde eisen van het Bouwbesluit. Zoals [eisers in het verzet] hebben aangevoerd is hiermee nog niet gezegd dat sprake is van een gebrek waardoor normaal gebruik van de woning wordt belet. De aanwezig vocht- en wateroverlast belet echter wel een normaal gebruik van de woning en de deskundige heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze overlast onder meer is veroorzaakt door de genoemde onjuiste wijze waarop het Trespa-materiaal is toegepast. Zo heeft hij aan de hand van foto’s getoond dat het multiplex van het bijgebouw reeds is gedelamineerd en ter plaatse van de hwa 3 in verregaande staat van ontbinding verkeert. De rechtbank begrijpt de deskundige aldus dat het de combinatie van geconstateerde gebreken en/of risicovolle constructies is die de geconstateerde vocht- en waterschade heeft veroorzaakt.

plaatsing pvc-dakgoten

2.12. In het voorlopig deskundigenrapport heeft de deskundige zich kritisch uitgelaten over de los op de ondergrond liggende pvc-dakgoten (en schuifstukconstructie) en de te smalle diameter van hwa 3. Bij hwa 3 is de klemconstructie zodanig dat de einden van de pvc-goot eenvoudig zijn op te tillen met alle lekkagegevolgen van dien.

[eisers in het verzet] hebben naar aanleiding hiervan gesteld dat het in verband met uitzetting en krimp goed is dat de pvc-dakgoot los ligt. Naar aanleiding van het conceptdeskundigenrapport hebben zij voorts gesteld gootmerk Eslon Type ‘S’ lon (type 180) te hebben gebruikt zodat de opmerkingen van de deskundige over de onjuiste gootconstructie niet van toepassing zijn. In reactie hierop heeft de deskundige in het eindrapport geschreven dat volgens de installatie-instructie van de fabrikant dit type pvc-goot als goot buiten de muur, bevestigd met gootbeugels met minimaal afschot van 2,5 mm per meter, dient te worden toegepast. Visser heeft de goot echter niet op deze wijze toegepast. De deskundige vervolgt: De pvc goot met zijn buitenopstand van 70 mm gewoon op het bestaande dakbeschot leggen is volstrekt af te keuren. De enig juiste oplossing is een op maat gemaakte zinken goot die met zijn kraal over de boeiboordrand steekt en aan de binnenzijde een opstand heeft van ca 25 mm boven de buitenopstand. Hier hebben [eisers in het verzet] in de conclusie na deskundigenbericht niet meer op gereageerd. Dit geldt eveneens voor de constatering van de deskundige dat de gehanteerde constructie, inhoudende het aanbrengen van stroken bitumen als overlap tussen het bestaande daktrimprofiel en de aangebrachte pvc goot, niet bestand is tegen weer en wind en derhalve niet deugdelijk is. De opmerking van [eisers in het verzet] dat stroken bitumen zijn verwijderd na de overdracht wordt gepasseerd. [eisers in het verzet] heeft immers volstaan met deze blote stelling en hebben deze niet onderbouwd. Bovendien is niet aannemelijk dat [gedaagden in het verzet] de disfunctionerende dak-/gootconstructie zelf zouden hebben verergerd door de bitumen stroken te verwijderen. Alle overige opmerkingen van [eisers in het verzet] zijn door de deskundige voldoende weerlegd. Ook hier volgt de rechtbank derhalve de conclusies van de deskundige.

aansluiting hoofdgebouw en bijgebouw

2.13. In het voorlopig deskundigenrapport heeft de deskundige gewezen op de gebrekkige wijze waarop de nieuwe goot uitloopt in de oorspronkelijke bitumineuze goot en gesteld dat hemelwater onder het lood en de nieuwe goot doorloopt. [eisers in het verzet] hebben betwist dat de nieuwe goot uitloopt in de bitumineuze goot en gesteld dat de aansluiting afdoende is. [eisers in het verzet] hebben ook gesteld dat de door de deskundige aangetroffen constructie niet de constructie is zoals deze bestond ten tijde van de levering. Ook voor deze stelling geldt dat deze wordt gepasseerd nu deze niet nader is onderbouwd.

De deskundige schrijft hierover (onder meer) in het eindrapport:

‘(…) Op bijlage 3D van het voorlopig deskundigenrapport tekent Visser 2 stuks HWA’s in de PVC goot. In werkelijkheid is HWA 5 van Bijlage 4 onderdeel van de gebitumeerde goot en is daarmee ook de enige HWA van de gebitumeerde goot en heeft een inloop van 60 mm. Blijft voluit overeind staan het causale verband tussen de lekkageplekken a en b op tekening Bijlage 4 en de aangetroffen voetlood constructie. Immers partij [eisers in het verzet] moet weet hebben van de fouten die worden gemaakt met bitumineuze bedekking en de loodaansluitingen tegen opstanden als gevels etc. Nu hij géén lood heeft aangebracht boven de bitumenopstand ter plaatse van de achtergevel van het hoofdgebouw had hij deze loodslabbe in V-vorm ook beter weg kunnen laten, althans niet moeten laten doorlopen tot op het vlak van de gebitumeerde goot. Nu is het een schijnoplossing die niet voorkomt dat bij disfunctioneren van de HWA in de grindkoffer het water in de gebitumeerde goot stijgt, waarna het water oploopt tussen lood en bitumenopstand waarna het in gang B van bijlage 4 uitkomt. Ter staving van het bovenstaande, wordt als Bijlage A bij dit rapport een overdruk uit het Handboek Bouwgebreken opgenomen over de capillaire werking tussen bitumineuze dakbedekking en voetlood, alsmede een foto op A4 formaat van de aansluiting van de PVC goot op de gevel van het hoofdgebouw. Het laat zich raden als HWA 3 (met een diameter van 40 mm) disfunctioneert wat er geschiedt met de vollopende goot tussen hoofdgebouw en bijgebouw. Dan ontstaat er lekkage in gang B op Bijlage 4.’ (pagina 7 en 8)

[eisers in het verzet] hebben erkend dat het beter zou zijn geweest om aan de kop van de zaalgoot een overloop of spuwer aan te brengen maar blijven betwisten dat door de aanwezige constructie waterschade kan zijn ontstaan. De rechtbank hecht op dit punt meer waarde aan de goed en uitvoerig onderbouwde bevindingen van de deskundige dan aan genoemd oordeel van Visser. Hierbij is tevens van belang dat juist onder deze aansluiting van het hoofdgebouw en bijgebouw belangrijke vochtplekken bij het plafond en de bovenzijde van de wand zijn geconstateerd.

Uit het voorgaande volgt dat [eisers in het verzet] jegens [gedaagden in het verzet] toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen door niet te leveren hetgeen [gedaagden in het verzet] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst mochten verwachten. [eisers in het verzet] zijn dan ook aansprakelijk voor de dientengevolge door [gedaagden in het verzet] geleden schade.

herstel dak- en gootconstructie

2.14. De deskundige heeft de kosten voor herstel als volgt begroot:

Dakconstructie:

- Ca. 63 m boeiboord van Trespa demonteren en monteren à 0,6 mu/m

- Aanbrengen houtwerk t.b.v. ventilatie à 0,25 mu/m

- Monteren ventilatie profiel à 0,10 mu/m

63 m boeiboord loon à 0,95 mu à € 43,- bruto € 2.574,00

Materiaal excl. Trespa (hergebruik) 378,00

75 m zinken goot incl. verwijderen bestaande pvc goot à € 75,- 5.625,00

Dakpanelen demonteren en monteren 40 mu à € 43,- bruto 1.720,00

Onvoorzien en aanpassingen aan overstekbetimmering 1.700,00

Totaal (materiaal en loon excl. btw) € 12.000,00

De door de deskundige voorgestelde maatregelen om de dak- en gootconstructie te herstellen zijn goed gemotiveerd en onderbouwd, evenals de begroting. In het voorlopig deskundigenrapport heeft de deskundige de opmerkingen van [gedaagden in het verzet] bij de raming van de kosten (punten A t/m K) besproken en heeft deze overtuigend weerlegd. De rechtbank zal de raming van de deskundige, die lager uitkomt dan de door [gedaagden in het verzet] gevorderde schade, dan ook volgen met dien verstande dat een ‘nieuw voor oud correctie’ op zijn plaats is. Zoals [eisers in het verzet] immers terecht hebben aangevoerd dient rekening te worden gehouden met het voordeel voor [gedaagden in het verzet] wegens ‘oud voor nieuw’. Dit voordeel kan niet nauwkeurig worden begroot en de rechtbank zal daarom de schade die door [eisers in het verzet] moet worden vergoed naar billijkheid schatten Ervan uitgaande dat zink omstreeks 20 jaar meegaat en in 2006 ongeveer 1/3 van de levensduur van de zinken goten was verstreken indien deze in 1998 respectievelijk 2000 waren aangebracht, acht de rechtbank het redelijk om 66,66% van de geraamde materiaalkosten van € 6.003,- (€ 378,00 + € 5.625,00), dus € 4.002,- toe te wijzen. Vermeerderd met de kosten voor arbeidsloon en de post onvoorzien, komt (afgerond) derhalve een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de btw, voor toewijzing in aanmerking.

hwa’s en aansluiting hwa’s op riolering

2.15. In het voorlopig deskundigenrapport heeft de deskundige geconcludeerd dat als gevolg van het feit dat vier van de in totaal zeven hwa’s niet op het riool zijn aangesloten de vochtigheidssituatie bij de aansluitende gevels niet goed is. Hij heeft geconstateerd dat drie hwa’s lozen op een puinbed c.q. grindkoffer en één hwa loost in een vijvertje. Hij heeft voorts melding gemaakt van gaten in de hwa’s 4 en 5 (‘noodoverlopen’) die gecamoufleerd zijn met een schuifstuk. Voorts heeft de deskundige in het eindrapport aan de hand van foto’s van de gevel toegelicht dat door de disfunctionerende grindkoffer hwa 5 frequent spuwt via de geboorde ‘nooduitgang’ in de hwa.

2.16. Volgens [eisers in het verzet] is in overleg met de gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht ervoor gekozen dat één dakgootafvoer het hemelwater in de vijver loost, één dakgootafvoer in een grindkorf in de grond (die 50 cm. buiten de gevel is geplaatst) en twee dakgootafvoeren in een vroegere zitkuil in de achtertuin, als zijnde een zakput (verzetdagvaarding onder randnummer 45). Zij hebben gesteld en nadien gehandhaafd dat het regenwater op correcte wijze wordt afgevoerd en dat er geen gemeentelijk voorschrift is waaruit blijkt dat hwa’s dienen aan te sluiten op het riool. Volgens [eisers in het verzet] is het op diverse plaatsen in Nederland niet verplicht om de hwa’s op het riool aan te sluiten, zo ook op de plaats waar de onderhavige woning is gebouwd. Daar zijn de woningen gebouwd op een zandbed van ongeveer 2 meter. Hiervan wordt gebruik gemaakt door 1 m³ grind als buffer te gebruiken voordat het hemelwater de zandgrond inloopt. Bij uitzonderlijke hoosbuien verdwijnt het regenwater via de overlopen in de grindpaden, die weer voor de verspreiding van het water zorgen. Bij de conclusie na deskundigenbericht hebben [eisers in het verzet] nog een e-mailbericht van 21 december 2012 van een medewerker van de gemeente Over-Betuwe gevoegd waarin de betreffende medewerker aangeeft geen verordening of andere regeling te zijn tegengekomen waaruit een dergelijke verplichting volgt. Tenslotte hebben [eisers in het verzet] nog aangevoerd dat, anders dan de deskundige stelt, de overlopen niet naar de gevel gericht zijn, althans waren toen de woning werd geleverd.

2.17. De deskundige heeft in het aanvullend deskundigenrapport geschreven:

‘ Op Bijlage 3G heeft ondergetekende het deel van de voorschriften, behorende bij de bouwvergunning, opgenomen die hij heeft gekopieerd uit het bouwdossier van de vroegere gemeente Valburg, zijnde de huidige gemeente Overbetuwe. Daarin staat: De regenafvoerleidingen moet door middel van grondleidingen uitkomen op de huidige riolering. Nu is het in Nederland staand gebruik dat men bij scheiding van het rioolstelsel op eigen terrein het hemelwaterriool mag laten lozen op het bemalen open water van een polder. In de droogtegebieden op de zandgrond in Gelderland wordt ‘afkoppelen hemelwater’ gepropageerd om dit vervolgens te penetreren in de droge zandgrond. Op de kleigrond in de Betuwe is dit, althans op plekken zonder bemalen open water, “not done” en de opmerking van Visser dat hij dat heeft afgesproken komt dan ook ongeloofwaardig over.’ (pagina 8)

‘(…)

Capaciteit van de hemelwaterafvoer wordt in hoge mate bepaald door het volume van de infiltratievoorziening. Is dat volume beperkt dan is de capaciteit van de hemelwaterafvoer substantieel lager dan de berekening die partij Visser uitvoert op pagina 2 van zijn betoog. Dat geldt alleen bij een drukloze afvoer naar een riool of open water. Dit is ook aangehaald in de laatste zin van pagina 6 van dit rapport. Reden waarom in de genoemde gemeenten op de zandgrond het toepassen van Wadi’s prevaleert boven infiltratiekratten of zakputten. Ondergetekende heeft aan de hand van zijn waarnemingen uit 2008 geconstateerd dat door dichtslibbing van het grindpakket de infiltratievoorziening zo weinig buffer had dat bij een flinke regenbui de geboorde noodoverlopen moesten compenseren. (…)’ (pagina 15)

2.18. Het is de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk wat de status is van het blad met gemeentelijke voorschriften waarnaar de deskundige verwijst en of dit blad onderdeel uitmaakte van de verstrekte bouwvergunning. De deskundige heeft uitleg verschaft omtrent de capaciteit van infiltratievoorzieningen waardoor aannemelijk is dat lozen op het riool in het algemeen de voorkeur verdient, maar heeft niet kunnen aangeven op grond van welke in 2000 toepasselijke wet- of regelgeving lozen in een grindkoffer ter plaatse niet was toegestaan. Mede in het licht van het door [eisers in het verzet] gevoerde gemotiveerde verweer, is in deze procedure in ieder geval onvoldoende komen vast te staan dat het niet aangesloten zijn van vier hwa’s op de riolering in dit geval als een gebrek moet worden gekwalificeerd dat mede heeft geleid tot het ontstaan van de geconstateerde vocht- en waterschade. Dit geldt voor de hwa’s 4 en 5 van het door Visser gerealiseerde bijgebouw maar geldt al helemaal voor de hwa’s 6 en 7 van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw dateert immers uit 1964 en uit niets blijkt dat in die tijd niet voor deze wijze van afvoeren kon worden gekozen. Bovendien doet de vocht- en waterschade zich niet in het hoofdgebouw voor zodat mag worden aangenomen dat hwa 6 die op de vijver loost en hwa 7 die in een puinbed loost deugdelijk functioneren.

Het voorstel van de deskundige om alle zeven hwa’s aan te sluiten op een hwa-riool en de aanbeveling om de route van hwa 1 te verleggen wordt dan ook niet overgenomen. De door de deskundige geraamde kosten voor het aanleggen van 53 meter hwa-riool zullen niet worden toegewezen. Aangezien de conclusie is dat van een gebrek ten aanzien van dit punt niet is gebleken, kunnen de kosten voor het aanleggen van 53 meter nieuw hwa-riool evenmin op grond van de subsidiaire grondslag, dwaling, worden toegewezen.

leidingbreuk nabij hwa 3

2.19. Op grond van de deskundigenrapporten moet worden geconcludeerd dat hwa 3 aan de voorzijde van het bijgebouw niet goed functioneert door de smalle inlaat van 40 mm terwijl volgens de deskundige 80 mm noodzakelijk is voor een goede afvoercapaciteit. Voorts is geconstateerd dat de leidingbreuk nabij hwa 3 vervanging van de riolering aldaar noodzakelijk maakt. Voldoende aannemelijk is dat het optrekkend vocht in de wanden en het opbollend laminaat in de slaapkamer, ter hoogte van hwa 3, het gevolg is van deze twee geconstateerde gebreken.

[eisers in het verzet] hebben aangevoerd dat de leidingbreuk nabij hwa 3 mogelijk is ontstaan door wortels van bomen waarvoor zij niet aansprakelijk kunnen worden gehouden. Volgens de deskundige kan wortelgroei echter niet tot deze leidingbreuk hebben geleid. Op pagina 9 van het eindrapport heeft de deskundige dit uitvoerig onderbouwd. In tegenstelling tot bij gresriolen wordt bij pvc-riolen de verbinding gelijmd c.q. met een rubber ringverbinding in elkaar geschoven. Bovendien wordt het aantal verbindingen verminderd door langere lengten rioolbuis. Wortelgroei bij dit soort verbindingen is daarom nog niet eerder aangetoond. Bij de camerainspectie in 2008 is geconstateerd dat er sprake is van pvc-riolering en werden geen bladresten of wortels gevonden, aldus de deskundige.

Vervolgens hebben [eisers in het verzet] daar niet meer op gereageerd, zodat het er voor wordt gehouden dat zij de stelling dat de leidingbreuk mogelijk door wortelgroei is veroorzaakt hebben laten varen. Ten aanzien van de eerste rioolbreuk die [gedaagden in het verzet] in augustus 2006 hebben ontdekt en hebben laten herstellen, hadden [eisers in het verzet] reeds bevestigd dat deze voor hun rekening en risico komt (zie commentaar [eisers in het verzet] bij concept aanvullend deskundigenbericht, randnummer 36).

2.20. De deskundige heeft de kosten ter zake van de hwa’s en riolering als volgt geraamd:

Riolering:

Ca. 53 m hwa-riool incl. hulpstukken en graafwerk à € 70,- 3.710,00

7 hwa’s vernieuwen diameter 80 mm incl. snijverlies: ca. 21 m. à € 25,- 525,00

10 m bestaand riool vervangen incl. hulpstukken alsmede graaf- en straatwerk à € 125,- 1.250,00

Totaal (materiaal en loon, excl. btw) € 5.500,00

Zoals volgt uit r.o. 2.19 komen de kosten voor de aanleg van 53 meter nieuw hwa-riool niet voor vergoeding in aanmerking. De post ‘7 hwa’s vernieuwen diameter 80 mm’ komt niet integraal voor vergoeding in aanmerking aangezien uit het deskundigenrapport onvoldoende naar voren is gekomen dat behoudens hwa 3 ook de andere hwa’s vervangen dienen te worden aangezien deze te smal zijn. Voor de vervanging van hwa 3 zal € 75,- (€ 525,00: 7) worden toegewezen. De laatste post, het vervangen van een bestaand stuk riool in verband met de leidingbreuk ter plaatse, komt voor vergoeding in aanmerking zodat in totaal ter zake van het herstel van de riolering en hwa’s € 1.325,- wordt toegewezen.

badkamerventilatie en stukadoor- en sauswerk

2.21. In het voorlopig deskundigenrapport heeft de deskundige geconcludeerd dat de ventilatie van de badkamer niet deugdelijk is aangezien deze niet tot boven het dak is doorgetrokken maar simpelweg eindigt op de vliering. Dit hebben [eisers in het verzet] erkend (zie commentaar op het conceptrapport, randnummer 31).

Voor het aanbrengen van ventilatievoorzieningen in de badkamer heeft de deskundige € 200,- geraamd en voor stukadoor- en sauswerk € 2.200,-. Ook deze bedragen komen voor vergoeding in aanmerking, evenals de btw over het totaalbedrag aan herstelkosten van € 13.725,- (€ 10.000 + € 1.325 + € 2.400). Inclusief btw (ad 19 %) bedraagt de toe te wijzen schadevergoeding € 16.332,75 (€ 13.725,- + € 2.607,75).

toe te wijzen schadevergoeding (hoofdsom)

2.22. Onder r.o. 2.19 is reeds overwogen dat [eisers in het verzet] hebben erkend dat de factuur van € 1.049,82 ter zake van het herstel van de oude leidingbreuk van september 2006 voor hun rekening komt. Ook deze komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.

De toe te wijzen hoofdsom bedraagt derhave € 17.382,57 (€ 16.332,75 + € 1.049,82). Tegen de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 februari 2007 tot de dag van volledige betaling is geen verweer gevoerd zodat die rente voor toewijzing in aanmerking komst.

kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid

2.23. Voorts hebben [gedaagden in het verzet] voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid € 5.945,34 gevorderd (rapport CED Nomex € 776,71 + kosten van deskundige Zeeman € 3.868,63 + kosten Meurs Installatietechniek voor het begroten van de herstelkosten € 1.300,-). [eisers in het verzet] hebben aangevoerd dat deze kosten niet proportioneel zijn in verhouding tot de hoofdvordering, temeer omdat tweemaal eenzelfde expertise is rekening wordt gebracht.

2.24. In beginsel zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW toewijsbaar. Daaronder vallen de expertisekosten van CED Nomex van € 776,71 en de kosten van het voorlopig deskundigenrapport van Zeeman van € 3.868,63. Indien [gedaagden in het verzet] er immers niet voor had gekozen om eerst een voorlopig deskundigenrapport te laten opstellen, had het gehele onderzoek in het kader van deze procedure plaatsgevonden en waren deze kosten uiteindelijk ook voor rekening van [eisers in het verzet] gekomen. De kosten van Meurs zijn naar het oordeel van de rechtbank onnodig gemaakt nu de deskundige de herstelkosten reeds had begroot. Deze kosten zullen dan ook niet worden toegewezen. De toewijsbare kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid bedragen derhalve € 4.645,34. Het voorlopig deskundigenrapport van Zeeman dateert van 21 oktober 2008 zodat de wettelijke rente over deze kosten niet kan worden toegewezen vanaf 1 februari 2007. Nu [gedaagden in het verzet] niet hebben gesteld op welke datum deze kosten en de kosten van CED Nomex daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente over deze kosten toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding.

buitengerechtelijke incassokosten

2.25. Van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 16.392,32 is slechts € 1.788,- toewijsbaar, zoals in het verstekvonnis van 26 januari 2011 reeds is toegelicht. Voor het volledig afwijzen van de buitengerechtelijke kosten bestaat geen aanleiding nu voldoende aannemelijk is geworden dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. Nu [gedaagden in het verzet] niet hebben gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag der dagvaarding.

2.26. Het verzoek om de beslissing als Europese executoriale titel te waarmerken. Dit verzoek is niet toewijsbaar aangezien [eisers in het verzet] in deze verzetprocedure alsnog verweer hebben gevoerd tegen de ingestelde vorderingen.

2.27. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd.

2.28. [eisers in het verzet] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De door [eisers in het verzet] te vergoeden kosten aan de zijde van [gedaagden in het verzet] worden begroot op:

- explootkosten € 73,89

- griffierecht 580,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.888,89

De aan het aanvullend deskundigenbericht verbonden kosten van € 976,46 zijn eveneens voor rekening van [eisers in het verzet] Deze zijn ingevolge het tussenvonnis van 8 augustus 2012 echter reeds bij wijze van voorschot door [eisers in het verzet] betaald.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. vernietigt het door deze rechtbank op 26 januari 2011 onder zaaknummer / rolnummer 209605 / HA ZA 10-2536 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

3.2. veroordeelt [eisers in het verzet] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [gedaagden in het verzet] te betalen een bedrag van € 23.815,91 (drieëntwintigduizend achthonderdenvijftien euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 17.382,57 met ingang van 1 februari 2007 tot de dag van volledige betaling, en met de wettelijke rente over het bedrag van € 6.433,34 met ingang van 27 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt [eisers in het verzet] in de kosten van de verstek- en verzetprocedure, aan de zijde van [gedaagden in het verzet] tot aan deze uitspraak begroot op € 2.888,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2013.