Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1788

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
240266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Straat- en contactverbod met betrekking tot winkel en personeelsleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 240266/ KG 13-114\SG\180\ts

Datum vonnis:

Vonnis in kort geding

In de zaak van

[eiser]

eisende partij

advocaat mr. P.J.G. van den Boom

tegen

[gedaagde]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 maart 2013 met producties

- de conclusie van antwoord

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 21 maart 2013.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn op 27 juni 1996 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

[eiser] heeft de echtelijke woning eind 2010 verlaten. Hij heeft op 3 mei 2012 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van 6 december 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is op 15 maart 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 Partijen zijn vennoten van de vennootschap onder firma [firma], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de vennootschap). Oorspronkelijk bestond de vennootschap uit drie vennoten. De derde vennoot, de heer J. [derde vennoot], is in 2008 uitgetreden, waarbij partijen met hem op 19 juni 2008 een regeling hebben getroffen. [derde vennoot] is bij zijn uittreding door partijen gevrijwaard voor aanspraken van derden voor zover die betrekking hebben op verplichtingen van de vennootschap.

2.3 Partijen zijn op grond van de vennootschapsovereenkomst ieder gerechtigd tot de helft van de winst van de vennootschap. Het tussen partijen geldende vennootschapscontract van 18 mei 1998 bepaalt onder meer:

artikel 2. duur/beëindiging

2.1. De vennootschap wordt aangegaan voor onbepaalde tijd;

2.2. De vennoten hebben het recht de vennootschap op te zeggen tegen het einde van het boekjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twaalf maanden; (…)

artikel 3. inbreng

3.1. Door de vennoten wordt ingebracht hun kennis, arbeidskracht en vlijt, alsmede zijn relaties, diploma’s en vergunningen; (…)

artikel 9. voorschot op winstaandeel

De vennoten zullen maandelijks, in onderling overleg op rekening en in mindering van hun aandeel in de vermoedelijk te behalen winst, een bedrag mogen opnemen;

artikel 11. voortzetting en afrekening

11.1. Indien de vennootschap eindigt door opzegging (…) hebben de andere vennoten het recht de zaken der vennootschap hetzij samen, hetzij met derden, voort te zetten, mits het verlangen daartoe binnen een maand te kennen is gegeven aan de andere vennoot respectievelijk diens rechtsopvolgers;

11.2. Ingeval van voortzetting van de vennootschap, wordt het vermogen van de vennootschap, waaronder begrepen de handelsnaam en overige goodwill, toegescheiden aan de voortzettende vennoten onder gebondenheid om de andere vennoot, respectievelijk diens rechtsopvolgers ter zake deze overbedeling schadeloos te stellen op basis van een daartoe op te maken eindbalans; (…)

2.4 Op 4 februari 2011 is door de heer F. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) het volgende op papier gezet:

“Onderneming

1. De dagelijkse leiding gaat per direct volledig naar [voornaam eiser] ([eiser], vrz.). (…) Zij ([gedaagde], vrz.) legt dan ook haar werkzaamheden voor de duur van deze afspraken neer. In dat kader zal [voornaam gedaagde] ([gedaagde], vrz.) geen contact meer hebben met de werknemers over ondernemingsaangelegenheden. [voornaam eiser] is aldus enig aanspreekpunt voor het personeel. (…)

4. De winstverdeling blijft gelijk;

7. [voornaam gedaagde] behoudt het recht op volledige inzage in de administratie en informatie (…) aangaande de onderneming. Via het geautomatiseerde systeem heeft zij reeds inzage in de financiële administratie. Zij kan tevens de bank verzoeken haar inzage in de bankrekening te verschaffen via internetbankieren;

Financiën

(…)

e) [voornaam eiser] zal rond de 24ste van de maand € 5.000,00 overmaken naar [voornaam gedaagde] voor de vaste lasten, haar levensonderhoud en dat van de kinderen. [voornaam eiser] zal € 1.600,00 overmaken naar zijn rekening en tevens € 900,00 extra voor eigen rekening. (…)

De hierboven gemaakte afspraken gelden tot uiterlijk 1 mei 2011. Aan deze afspraken

kunnen geen enkele rechten worden ontleend voor de periode daarna. In de loop van de

maand april zal een evaluatie plaatsvinden ten einde tot vervolg en mogelijk definitieve

afspraken te komen. (…)”

2.5 De opnames uit de onderneming zijn met ingang van 1 juni 2012 door [eiser]

aangepast in die zin dat vanaf 1 juni 2012 aan [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 3.000,00

beschikbaar is gesteld.

2.6 Bij aangetekende brief van 1 november 2012 aan [gedaagde] heeft [eiser] de

vennootschap tegen 31 december 2013 opgezegd. Bij (aangetekende) brief van 28 december 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van diens aangetekende brief van 17 december 2012 waarin hij de vennootschap opzegt, laten weten dat zij het voornemen heeft de v.o.f. [firma] voort te zetten.

2.7 Bij dagvaarding van 20 november 2012 heeft [eiser] een kort geding aanhangig

gemaakt en gevorderd, voor zover hier van belang:

3. [gedaagde] te verbieden zich te begeven in de winkel van de vennootschap [firma], die is gelegen aan de [adres] en [..] 38 te [woonplaats];

4. [gedaagde] te verbieden betalingen en/of opnames van de rekeningen ten name van de vennootschap [firma] te [woonplaats] te doen, anders dan na instemming en met toestemming van [eiser].

2.7 Bij vonnis in kort geding van 11 januari 2013 heeft de voorzieningenrechter de vordering

onder 3. afgewezen. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.8 Onder 3. vordert [eiser] een verbod voor [gedaagde] om de optiekwinkel van de vennootschap te betreden, omdat zij op 28 september 2011 in de winkel is geweest en aldaar veel onrust onder het personeel zou hebben veroorzaakt. [gedaagde] is nog altijd vennoot van de vennootschap en mede-eigenaar van de optiekwinkel, zodat het vrij ver gaat om haar een toegangsverbod tot de winkel op te leggen. Er zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concrete aanwijzingen voor toewijzing van een zo vergaande vordering. Dat er één incident is geweest, is onvoldoende om [gedaagde] de toegang tot de winkel te ontzeggen.”

Met betrekking tot de vordering onder 4. heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:

“4.11 De vordering komt er op neer dat [gedaagde] van de rekeningen van de vennootschap geen geld mag opnemen zonder toestemming van [eiser]. Vast staat dat [gedaagde] gelet op haar hoedanigheid van vennoot recht heeft op geld uit de vennootschap. Dat gaat echter niet zo ver dat [gedaagde] zonder meer bedragen aan de vennootschap mag onttrekken. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij daarbij de liquiditeitspositie van de vennootschap in het oog houdt. (…) Te bepalen dat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] in het geheel niets mag opnemen, is echter te verstrekkend. Bij wijze van ordemaatregel zal worden bepaald dat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] niet meer dan € 4.000,00 per maand aan de vennootschap zal mogen onttrekken (waarin natuurlijk begrepen zit het door [eiser] aan [gedaagde] ten laste van de vennootschap uitgekeerde maandelijkse bedrag), bij wijze van voorschot op haar aandeel in de winst.(…)”

2.8 Vanaf 19 februari 2013 heeft [gedaagde] van 09.30 tot 12.00 uur haar werkzaamheden in

[firma] hervat.

2.9 Bij e-mail van 20 februari 2013 heeft J[werknemer 1] het volgende aan [eiser] laten weten:

“Ik heb er goed over nagedacht en vind het heel vervelend, maar ik zie helaas geen andere optie dan mezelf ziek te melden. De gespannen en gefrustreerde situatie op de werkvloer trek ik niet. Sorry.

Ik hoop er gauw weer voor het team te kunnen zijn.”

2.10 [werknemer 2] heeft bij e-mail van 20 februari 2013 het volgende aan [eiser] laten weten:

“Morgenochtend ben ik van plan, als je het niet erg vindt, thuis te gaan werken, Deze situatie met [voornaam gedaagde] in de winkel trek ik niet en wil ik zoveel mogelijk vermijden. Ik heb [voornaam gedaagde] vanavond een e-mail gestuurd met daarin de vraag het buiten de zaak op te lossen. En ons als werknemers er niet meer bij te betrekken.”

2.11 Bij e-mail van 21 februari 2013 heeft [werknemer 3] het volgende aan [eiser] laten weten:

“Ik vind het heel erg maar ik zie het niet zitten om morgen te gaan werken. Ik ga met een knoop in mijn maag en hart kloppingen naar het werk. In deze team samenstelling is het voor mij onmogelijk om goed mijn werk te doen. Ik ben inmiddels ook oververmoeid (de laatste 3 nachten erg slecht geslapen). Zodra er weer gewerkt kan worden in de oude team samenstelling ben ik ervan overtuigd dat ik weer met veel plezier en goed mijn werk kan uitvoeren.”

3. De vordering en het verweer

3.1 [eiser] vordert

1. te bepalen dat [gedaagde] zal worden verboden zich te begeven naar en zich op de houden in het winkelpand van [firma] aan de [adres]/[..] 38 te [woonplaats];

2. te bepalen dat [gedaagde] geen rechtstreekse contacten zal onderhouden met personeelsleden van [firma];

3. [gedaagde] te verbieden om zelfstandig opnames uit de v.o.f. door overboeking op een (mede) op haar naam staande rekening te verrichten, behoudens de uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [eiser];

4. te bepalen dat vanuit de v.o.f. en ten laste van het winstaandeel van [gedaagde] de maandelijks verschuldigde hypotheekrente rechtstreeks aan de Rabobank zal worden voldaan;

5. te bepalen dat, indien [gedaagde] de verboden onder 1. tot en met 3. overtreedt, zij een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag en per keer dat zij de gevorderde verboden zal overtreden;

6. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [gedaagde] voert verweer.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit in voldoende mate voort uit zijn stellingen.

4.2 [eiser] vordert onder 1. [gedaagde] te verbieden de winkel van [firma] te

betreden en onder 2. te bepalen dat [gedaagde] geen rechtstreekse contacten zal onderhouden met personeelsleden van [firma]. Deze vorderingen hangen nauw met elkaar samen en worden dan ook gezamenlijk behandeld. [eiser] baseert deze vorderingen op de voorlopige afspraken die partijen op 4 februari 2011 ten overstaan van [betrokkene] hebben gemaakt. Daarbij is afgesproken dat de dagelijkse leiding van de onderneming per direct volledig naar [eiser] gaat en dat [gedaagde] haar werkzaamheden voor de duur van deze afspraken neerlegt en geen contact meer zal hebben met de personeelsleden over ondernemingsaangelegenheden. Beide partijen vonden dit het beste voor de onderneming en dus in beider belang.

[gedaagde] betwist dat over deze afspraken overeenstemming zou zijn bereikt, nu deze nooit door partijen zijn ondertekend. Dit verweer faalt. Uit de e-mail van 4 februari 2011 van [betrokkene] blijkt niet dat het de bedoeling was dat partijen de voorlopige afspraken voor akkoord zouden ondertekenen. Bovendien blijkt niet dat [gedaagde] ooit aan [betrokkene] en/of [eiser] heeft laten weten dat zij de voorlopige afspraken niet zou onderschrijven. Integendeel, partijen hebben zich overeenkomstig de afspraken gedragen. [eiser] mocht daaruit afleiden dat ook [gedaagde] het (nog steeds) met de voorlopige afspraken eens was. Verder betwist [gedaagde] dat de afspraken geldig zouden zijn na 1 mei 2011. Ook dit verweer faalt, nu partijen deze na 1 mei 2011 stilzwijgend en ongewijzigd hebben voortgezet. [eiser] mocht daaruit afleiden dat [gedaagde] daar nog steeds achter stond.

4.3 [eiser] stelt dat [gedaagde] in strijd met de gemaakte en tussen partijen geldende afspraken

haar werkzaamheden vanaf 19 februari 2013 dagelijks van 09.30 tot 12.00 uur in de winkel van

[firma] heeft hervat. Hij voert daartoe aan dat [gedaagde] sinds december 2010 geen enkele bemoeienis meer met de winkel en de vennootschap heeft gehad. Partijen zijn er altijd vanuit gegaan dat de vennootschap door [eiser] zal worden voortgezet. Bij aangetekende brief van 1 november 2012 heeft [eiser] de vennootschap opgezegd. Nu [gedaagde] niet binnen de daarvoor in de vennootschapsovereenkomst gestelde termijn heeft gereageerd, zal de vennootschap door [eiser] worden voortgezet, aldus [eiser].

[gedaagde] betwist dat zij niet binnen de daarvoor in de vennootschapsovereenkomst gestelde termijn zou hebben gereageerd. Bij (aangetekende) brief van 28 december 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van diens aangetekende brief van 17 december 2012 waarin hij de vennootschap opzegt, laten weten dat zij het voornemen heeft de v.o.f. [firma] voort te zetten.

Wat daar ook van zij, over de definitieve verdeling van de gemeenschap van goederen en de vennootschap, waaronder de vraag wie de vennootschap zal voortzetten, zal worden beslist in de verdelingsprocedure.

4.4 Verder voert [eiser] aan dat de terugkeer van [gedaagde] op de werkvloer tot veel onrust en spanning bij de personeelsleden heeft geleid. [eiser] en de overige personeelsleden vertrekken wanneer [gedaagde] zich ’s morgens in de winkel meldt. Dit betekent dat [gedaagde] alleen in de winkel staat en dat een aantal werkzaamheden, zoals oogmetingen, niet kunnen worden gedaan. Naar de mening van [eiser] is er sprake van een onhoudbare situatie en berokkent [gedaagde] schade aan de onderneming. [eiser] heeft een aantal schriftelijke verklaringen van 20 februari 2013 in het geding gebracht. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat een aantal personeelsleden, te weten [werknemer 3], J[werknemer 1] en [werknemer 2], het niet ziet zitten om in verband met de terugkeer van [gedaagde] op de werkvloer te komen werken. Tijdens de mondeling behandeling zijn [werknemer 3] en [werknemer 2] als informant gehoord. Zij hebben verklaard dat de aanwezigheid van [gedaagde] op de werkvloer voor de nodige spanning zorgt en dat de personeelsleden er alles aan doen om de vrede te bewaren.

[gedaagde] betwist dat haar aanwezigheid op de werkvloer spanning bij het personeel oproept. Volgens haar is het [eiser] die privéproblemen met haar over de ruggen van de personeelsleden uitvecht. [gedaagde] is van mening dat zij bij het wisselen van de wacht dagelijks om 12.00 uur zonder problemen aan de personeelsleden informatie over klanten kan doorgeven en met hen kan overleggen. Verder is [gedaagde] van mening dat zij door haar arbeidsinspanning in ieder geval geen financiële schade berokkent aan de onderneming; de omzet over de afgelopen maand was circa 20% hoger dan over diezelfde maand in het voorgaande jaar.

4.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen op 4 februari 2011 niet voor niets voorlopige afspraken met elkaar hebben gemaakt over de onderneming, de kinderen en de financiën.

Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 4.2 zijn deze afspraken (nog steeds) geldig. Het staat [gedaagde] dan ook niet vrij om in strijd met deze afspraken haar werkzaamheden in de winkel van [firma] te hervatten. Dit klemt temeer, nu voldoende aannemelijk is geworden dat de aanwezigheid van [gedaagde] op de werkvloer tot de nodige onrust en spanning bij personeelsleden leidt. Daarom zal de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel [gedaagde] verbieden de winkel van [firma] te betreden en rechtstreeks contact te onderhouden met personeelsleden. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen te worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet de gevorderde dwangsom te matigen en aan een maximum te binden.

4.6 Onder 3. vordert [eiser] [gedaagde] te verbieden om zelfstandig opnames uit de v.o.f. door overboeking op een (mede) op haar naam staande rekening te verrichten, behalve met zijn toestemming. In artikel 9 van de vennootschapsovereenkomst is bepaald dat de vennoten maandelijks, in onderling overleg op rekening en in mindering van hun aandeel in de vermoedelijke winst, een bedrag mogen opnemen. Bij vonnis in kort geding van 11 januari 2013 is beslist dat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] niet meer dan € 4.000,00 per maand aan de vennootschap mag onttrekken. Tegen de hoogte van dat bedrag bestaat geen bezwaar, maar [eiser] stelt dat [gedaagde] zelfstandig het bedrag van € 4.000,00 overmaakt, zonder enig vooroverleg met hem. Door de overboekingen van [gedaagde] ontstaat regelmatig een niet-voorzien liquiditeitstekort, als gevolg waarvan de vennootschap afspraken tot betaling met crediteuren niet kan nakomen, waardoor leveranties uitblijven.

[gedaagde] betwist dat in het vonnis in kort geding is beslist dat zij niet zelfstandig een bedrag van € 4.000,00 per maand aan de vennootschap mag onttrekken. Omdat de kinderalimentatie niet door [eiser] werd betaald, heeft zij dit bedrag ook opgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat zij bij deze overboekingen de liquiditeitspositie van de vennootschap niet in de gaten houdt.

4.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] die erop neerkomt dat [gedaagde] slechts met zijn toestemming bedragen uit de vennootschap mag opnemen, te verstrekkend is. Niet is gebleken dat zich door de opnames van [gedaagde] daadwerkelijk een liquiditeitstekort heeft voorgedaan. Bovendien heeft [gedaagde] als vennoot van de vennootschap daar ook geen belang bij. Daarom dient te vordering te worden afgewezen.

4.8 Tot slot vordert [eiser] onder 4. dat de maandelijks verschuldigde hypotheekrente vanuit de v.o.f. en ten laste van het winstaandeel van [gedaagde] rechtstreeks aan de Rabobank zal worden voldaan. In de afspraken die partijen op 4 februari 2011 ten overstaan van de heer F. [betrokkene] hebben gemaakt, ligt besloten dat [gedaagde] zorgdraagt voor de betalingen van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning. De hypotheekrente wordt afgeschreven van de en/of rekening. Volgens [eiser] is sinds de ontbinding van de gemeenschap van goederen door indiening van het echtscheidingsverzoek op 3 mei 2012 een debetstand op deze rekening ontstaan. De debetstand bedroeg volgens [eiser] op 24 februari 2013 € 3.040,16 en bedraagt thans ruim € 2.000,00. [eiser] vreest dat [gedaagde] op enig moment de hypotheekrente niet meer zal betalen, als gevolg waarvan de woning gedwongen zal worden verkocht. Volgens [gedaagde] bedraagt de debetstand thans € 1.100,00 en heeft de en/of rekening een kredietlimiet van € 1.000,00. De hypotheekrente voor de maand maart 2013 is begin deze maand voldaan. [gedaagde] geeft aan dat zij de hypotheekrente voortaan vanuit haar eigen rekening naar de en/of rekening wil overmaken. Op haar eigen rekening staat voldoende saldo als door [eiser] het maandelijkse bedrag van € 4.000,00 wordt betaald.

4.9 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te bepalen dat de maandelijks verschuldigde hypotheekrente voortaan vanuit de v.o.f. en ten laste van het winstaandeel van [gedaagde] rechtstreeks aan de Rabobank zal worden voldaan. Niet is gebleken dat [gedaagde] de hypotheekrente in de afgelopen jaren niet (tijdig) heeft voldaan. Evenmin is gebleken dat er een achterstand in de betaling van de hypotheekrente is ontstaan. Bovendien heeft [gedaagde] als voormalige echtgenote ook geen enkel belang bij een gedwongen verkoop van de voormalige echtelijke woning. Gelet hierop dient de vordering te worden afgewezen.

4.10 Nu partijen voormalige echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 verbiedt [gedaagde] zich te begeven naar en zich op de houden in het winkelpand van [firma] aan de [adres]/[..] 38 te [woonplaats];

5.2 verbiedt [gedaagde] rechtstreekse contacten te onderhouden met personeelsleden van [firma];

5.3 bepaalt dat [gedaagde], indien zij de verboden onder 1. en 2. overtreedt, een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag en per keer, met een maximum van € 10.000,00;

5.4 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de voorzieningenrechter mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op