Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1689

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
12/5652 ARN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Vervoersvoorziening. Eiseres wordt voldoende zelfredzaam geacht om de beperkingen op te heffen door op eigen kosten van de regiotaxi gebruikt te maken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst noch de toelichting op artikel 4 van de Wmo dat de begrippen zelfredzaam en eigen verantwoordelijkheid niet mede betrekking kunnen hebben op de inzet van eigen financiële middelen van eiseres, mits bij de beoordeling van de vraag of in redelijkheid gevergd kan worden deze aan te wenden om een oplossing voor het probleem te realiseren, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: 12/5652 ARN

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2013.

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E. van der Heijden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder

(gemachtigde: J.M.M. Geurts).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een pas voor de regiotaxi ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 20 februari 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.

Nadat partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep op een tweede zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres heeft een aandoening op grond waarvan zij zich niet of nauwelijks kan verplaatsen. Eiseres is niet in staat om te fietsen. Zij heeft de beschikking over een scootmobiel, maar kan deze bij koud en slecht weer niet gebruiken. Met de scootmobiel kan eiseres wel gebruik maken van de bus, maar dat is slechts op beperkte schaal. Een enkele keer moet eiseres overdag naar Nijmegen, waar haar kind woont. Wanneer eiseres haar scootmobiel niet kan gebruiken en wanneer zij overdag naar Nijmegen moet, dient eiseres gebruik te maken van het collectief vervoer (regiotaxi). Eiseres heeft aangegeven dat haar vervoersbehoefte met de regiotaxi ongeveer één keer per week is. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pas voor een regiotaxi. Met deze pas voor de regiotaxi kan tegen een sterk gereduceerd tarief gebruik gemaakt worden van de regiotaxi. Niet in geschil is dat eiseres medisch gezien in aanmerking komt voor deze vervoersvoorziening.

2. Aan het primaire besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres financieel gezien niet in aanmerking komt voor een pas voor de regiotaxi. De pas voor de regiotaxi is weliswaar een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid en aanhef onder c, van de Wmo, maar verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat is om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wmo.

3.1 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat eiseres financieel in staat is om de kosten van haar vervoersbehoefte te betalen. Eiseres stelt dat verweerder een inkomensgrens hanteert en dat dit – gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – niet is toegestaan.

3.2 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van de inkomensgrens, zoals dat in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten plaatsvond, geen rekening werd gehouden met de persoonskenmerken, behoeften en capaciteit van de aanvrager. Als het inkomen te hoog was, waren andere omstandigheden niet van belang. Verweerder stelt dat in dit geval geen inkomensgrens is gehanteerd, maar dat rekening is gehouden met de capaciteit van eiseres als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wmo.

3.3 De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder andere de uitspraak van 29 december 2011, LJN: BU7263), artikel 4, tweede lid, van de Wmo mede in verband met de inkomenseffecten moet worden geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 15 en 19 van de Wmo. Deze interpretatie leidt ertoe dat artikel 4, tweede lid, van de Wmo geen ruimte biedt om, zoals verweerder in dit geval heeft gedaan, naast de op artikel 15 van de Wmo gebaseerde bijdrage extra financiële voorwaarden op te leggen bij het verstrekken van een vervoersvoorziening zoals een pas voor de regiotaxi. De rechtbank is van oordeel dat handhaving van de afwijzing van een pas voor de regiotaxi op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo in rechte geen stand houdt.

3.4 Verweerder heeft zich vervolgens ter zitting (subsidiair) op het standpunt gesteld dat artikel 4, eerste lid, van de Wmo aan de toekenning van een pas voor de regiotaxi in de weg staat nu zij, gelet op haar financiële situatie geen beperkingen ondervindt in haar zelfredzaamheid.

3.5 De rechtbank overweegt dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo de reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid individueel bepaald en afhankelijk van individuele behoeften is (TK 2005-2006, 30131, nr. 29, p. 10). De rechtbank overweegt verder dat de zelfredzaamheid in direct verband staat met de begrippen eigen mogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar de hierna volgende passage uit de memorie van toelichting bij de Wmo (TK 2004-2005, 30131, nr. 3, p.7):

“ De regering wil met dit wetsvoorstel ook stimuleren dat mensen die dat kunnen, meer dan nu het geval is, zelf oplossingen bedenken in de eigen sociale omgeving voor problemen die zich voordoen. De regering stelt daarom een aantal historisch gegroeide vanzelfsprekendheden in zorg en ondersteuning ter discussie en doet een groter beroep op de eigen draagkracht. Het is de overtuiging van de regering dat gemeenten heel goed kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning voor burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken als het huishouden op orde houden, sociale ondersteuning bieden, het huis aanpassen en vervoer met een rolstoel of scootmobiel.”

In de toelichting bij het amendement dat heeft geleid tot de totstandkoming van artikel 4 van de Wmo (TK 2005-2006, 30 131 nr. 65) staat voorts het volgende vermeld: “Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.”

3.6 Uit voornoemde passages leidt de rechtbank af dat de compensatieplicht van verweerder eerst dan aan de orde komt wanneer eiseres geen in redelijkheid van haar te vergen mogelijkheden heeft om zelf in samenwerking met anderen een oplossing voor haar probleem op één van de resultaatsgebieden van artikel 4, eerste lid, van de Wmo, te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst van noch de toelichting op artikel 4 van de Wmo, dat de begrippen zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid niet mede betrekking kunnen hebben op de inzet van de eigen financiële middelen van eiseres, mits bij de beoordeling van de vraag of in redelijkheid gevergd kan worden deze aan te wenden om een oplossing voor het probleem te realiseren, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

3.7 Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiseres voldoende mogelijkheden heeft om zelf voor een oplossing te zorgen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij zelf – ook zonder in bezit te zijn van een pas voor de regiotaxi – de regiotaxi kan bellen voor het reserveren van een rit. Dit betekent dat eiseres de vervoersvoorziening zelf kan regelen. Voorts is door eiseres niet betwist dat zij de meerkosten voor de regiotaxi ook gezien haar vervoersbehoefte zelf kan betalen. Nu het voor eiseres mogelijk is om zelf de ritten bij de regiotaxi te reserveren en te betalen wordt eiseres niet beperkt in haar zelfredzaamheid. Gelet op de hierboven vermelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen compensatieplicht heeft met betrekking tot het verstrekken van een vervoersvoorziening op grond van de Wmo. De aanvraag is terecht afgewezen.

4. De rechtbank oordeelt tot slot dat verweerder de motivering van zijn bestreden besluit ter zitting heeft aangepast van artikel 4, tweede lid, van de Wmo naar (subsidiair) artikel 4, eerste lid van de Wmo. Om die reden is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op het vorenoverwogene aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

5. Nu de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zullen worden gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van de schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. Het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door verweerder uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Wolsink-van Veldhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 mei 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.