Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1687

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
ARN AWB 12/5181
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand ter vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage aan de maatschappelijke opvang en subsidiair verzoek om nihilstelling van deze eigen bijdrage.

De eigen bijdrage verbonden aan de maatschappelijke opvang betreft geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm. De aanvraag bijzondere bijstand is terecht afgewezen. Ten aanzien van het verzoek om nihilstelling geldt dat eiseres wordt geacht de eigen bijdrage te hebben voldaan uit de met terugwerkende kracht ontvangen algemene bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team Bestuursrecht

registratienummer: ARN AWB 12/5181

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 7 mei 2013.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 september 2012.

2. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand ter vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage aan de maatschappelijke opvang van eiseres en haar dochter afgewezen. Het subsidiaire verzoek om nihilstelling van voornoemde eigen bijdrage heeft verweerder eveneens afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 26 april 2012 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 9 januari 2013. Eiseres is samen met haar dochter verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem en kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.P. Servais, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1 Eiseres en haar minderjarige dochter hebben van 7 juli 2011 tot 20 maart 2012 in de crisisopvang bij IrisZorg te Arnhem verbleven. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft verweerder aan de dochter van eiseres, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, een bijstandsuitkering verstrekt op basis van het verschil tussen een uitkering voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder, aangevuld met het bedrag dat eiseres per maand aan kinderbijslag ten behoeve van haar dochter zou ontvangen indien zij daar recht op had gehad. Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag voor een bijstandsuitkering voor zover betrekking hebbend op eiseres afgewezen, omdat zij geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland en daarom niet gelijkgesteld wordt met een Nederlander. Eiseres heeft daartegen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 9 juli 2012, geregistreerd onder AWB 11/5567, eiseres met ingang van 7 juli 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 10%.

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft eiseres bij besluit van 29 februari 2012 een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) toegekend met ingang van 19 december 2011 tot en met - zo is ter zitting vastgesteld - eind april 2012. Over de periode waarin eiseres en haar dochter in de crisisopvang bij IrisZorg verbleven, is een inkomensafhankelijke eigen bijdrage van eiseres en haar dochter geheven van € 10 per dag, zijnde € 300 per maand.

3.2 Verweerder heeft aan de in het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand ten grondslag gelegd dat de eigen bijdrage ziet op de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, met name de kosten van maaltijden en onderdak. Deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden en worden geacht uit de algemene bijstand die de dochter van eiseres ontvangt te kunnen worden voldaan. Aan de gehandhaafde afwijzing van het verzoek tot nihilstelling van de eigen bijdrage heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verweerder voor opvang heeft gezorgd en eiseres en haar dochter niet in een andere situatie verkeren dan een andere bijstandsontvangende alleenstaande ouder. Het kleed- en leefgeld is even hoog als voor een persoon in dezelfde gezinssituatie in een instelling op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

3.3 Vooreerst stelt de rechtbank vast dat de periode die in het onderhavige geding dient te worden beoordeeld de periode betreft van 7 juli 2011, zijnde de ingangsdatum van het verblijf in de crisisopvang, tot 19 december 2011, de datum met ingang waarvan eiseres een uitkering op grond van de Rvb heeft ontvangen van het COA.

3.4 Vast staat dat verweerder bij besluit van 30 augustus 2012 met terugwerkende kracht over de gehele in het onderhavige geding te beoordelen periode bijstand heeft verstrekt aan eiseres naar de voor haar geldende norm.

3.5 Aannemelijk is dat de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand alsmede het verzoek van eiseres om nihilstelling van de eigen bijdrage zijn voortgekomen uit het aanvankelijk ontberen harerzijds van algemene bijstand. De toekenning van algemene bijstand aan eiseres met terugwerkende kracht over de ter beoordeling voorliggende periode brengt evenwel niet met zich dat eiseres in beginsel niet langer belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het thans voorliggende beroep betreffende de aanvraag om bijzondere bijstand en het verzoek om nihilstelling van de eigen bijdrage. Algemene bijstand en bijzondere bijstand betreffen immers twee te onderscheiden vormen van bijstandsverlening, waarbij de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor algemene bijstand (artikel 11 van de Wwb) dan wel bijzondere bijstand (artikel 35 van de Wwb) plaatsvindt aan de hand van verschillende, los van elkaar staande toetsingkaders. Ook voor de beoordeling van het verzoek om nihilstelling van de eigen bijdrage verbonden aan de maatschappelijke opvang geldt een van de wijze van de beoordeling van het recht op algemene bijstand afwijkend toetsingskader. Daarnaast is het procesbelang van eiseres gelegen in de beoordeling van het beroep strekkende tot vergoeding van de proceskosten in de bestuurlijke voorprocedure.

3.6 Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wwb wordt bijzondere bijstand enkel verleend voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.

3.7 De rechtbank is van oordeel dat de eigen bijdrage aan de maatschappelijke opvang van eiseres en haar dochter algemeen noodzakelijke kosten van bestaan betreft. Gesteld noch gebleken is dat eiseres die kosten niet kan voldoen uit de aan haar betaalde algemene bijstand. Nu derhalve geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand terecht afgewezen.

3.8 Ten aanzien van het verzoek om nihilstelling van de eigen bijdrage overweegt de rechtbank dat eiseres geacht wordt de eigen bijdrage te hebben voldaan uit de algemene bijstand die zij met terugwerkende kracht heeft ontvangen. De omstandigheid dat eiseres in de te beoordelen periode, waarin zij de eigen bijdrage diende te voldoen, feitelijk niet de beschikking had over het eerst achteraf ineens uitgekeerde bedrag aan bijstandsuitkering, doet daaraan in juridisch opzicht niet af.

3.9 Nu het besluit op bezwaar in rechte stand houdt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Evenmin acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten.

3.10 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 mei 2013.