Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1400

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
05/760058-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt een 34-jarige voormalig militair uit Zwolle wegens het handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door middel van verbreking tot een werkstraf voor de duur van 200 uren. Bewezenverklaard is dat de man opzettelijk 532 hennepplanten heeft geteeld, bereid en/of verwerkt en daartoe illegaal elektriciteit heeft afgetapt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/760058-13

Datum zitting : 13 mei 2013

Datum uitspraak : 27 mei 2013

Tegenspraak

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Raadsman : mr. U. Yildirim, advocaat te Zwolle.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode gelegen van 1 juli 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 532, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode gelegen van 1 juni 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle,

met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan de [adres] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 532, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/althans te verhuren ;

2.

hij in of omstreeks de periode gelegen van 1 juni 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle, in een woning ([adres]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking, het forceren en/of openen van een deksel van de (elektrische) aansluitkast in die woning ;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 mei 2013 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. U. Yildirim voornoemd.

De officier van justitie, mr. J.C. Stikkelman, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 augustus 2011 is verdachte, tezamen met (medeverdachte) [medeverdachte], aangetroffen in een woning aan de [adres] te Zwolle. In de woning, die op naam van verdachte staat , is een inwerking zijnde hennepplantage aangetroffen met 532 hennepplanten . Naar uiterlijke kenmerken zijn de planten herkend als van het geslacht Cannabis (hennep), zijnde een middel genoemd in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Bij een chemische test op monsters van de aangetroffen hennepplanten kleurde de testvloeistof helder rood, hetgeen een indicatie is voor Cannabis. Verdachte wist dat de aangetroffen hennepplanten op zijn zolder aanwezig waren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1, primair. Daartoe acht hij de bevindingen van de politie, zoals het aantreffen van verdachte en zijn vriend ter plaatse, redengevend, evenals de omstandigheid dat verdachte het feit aanvankelijk heeft bekend. Het later door verdachte aangevoerde alternatieve scenario acht de officier van justitie niet aannemelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde onder feit 1, primair en subsidiair. Volgens de raadsman blijkt uit het dossier dat de kwekerij vanaf het begin heeft toebehoord aan een derde ([naam]) en heeft verdachte nimmer opzettelijk hennepplanten in zijn bezit gehad, beheerd, geteeld of verwerkt. Evenmin is verdachte naar zijn mening opzettelijk behulpzaam geweest bij het telen/kweken van die hennepplanten door zijn pand ter beschikking te stellen, nu aanvankelijk sprake was van een zuivere verhuursituatie.

Beoordeling door de militaire kamer

Vaststaat dat verdachte op 15 augustus 2011 tezamen met een ander is aangetroffen in een pand aan de [adres] te Zwolle, waar tevens 532 hennepplanten zijn aangetroffen. Nu is het de vraag of verdachte deze planten - al dan niet met een ander - opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad. De militaire kamer beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De aanleiding voor verbalisanten om op 15 augustus 2011 het pand aan de [adres] te Zwolle te bezoeken, betrof een melding van een derde in verband met de vermoedelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. De melder gaf aan dat de bewoner iedere avond een half uur in zijn woning was en daarna weer vertrok en dat de bewoner die betreffende avond eveneens de woning was ingegaan. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen deed verdachte de deur open en liet de verbalisanten binnen. Verdachte gaf op dat moment toe dat er zich een hennepkwekerij op de zolder bevond en vertelde tevens dat een maat van hem op de zolder aan het werk was. Op de zolder werd een volledig in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Zij troffen daar ook (medeverdachte) [medeverdachte] aan, die aan het werk was in de kwekerij.

Tijdens zijn eerste verhoor, de ochtend na de aanhouding, heeft verdachte verklaard dat hij de eigenaar van de hennepkwekerij is en deze ongeveer vanaf mei 2011 is begonnen. Hij verklaart gedetailleerd over de materialen die hij voor de aanleg van de hennepkwekerij heeft aangeschaft, te weten: dat hij in juni 2011 iets meer dan 500 plantjes voor de kwekerij heeft gekocht voor ongeveer € 3,- per stuk en tevens, voor een bedrag van € 7.000,- à € 8.000,-, ongeveer 30 lampen, 2 filters en 28 travo’s. Volgens verdachte waren de aangetroffen plantjes 10-11 weken oud en ongeveer 60 centimeter hoog. Verder heeft verdachte verklaard dat de stroomtoevoer, die in juni 2011 zou zijn aangesloten, via tijdschakelaars werd geregeld. Ook tijdens zijn tweede verhoor heeft verdachte verklaard dat hij de hennepplantage zelf is begonnen en heeft hij gezegd dat hij dit wel moest doen om na zijn scheiding uit de schulden te komen.

Vervolgens is verdachte een week later teruggekomen op zijn eerdere verklaringen en heeft hij een alternatief scenario geschetst. Dit scenario wordt door de verdediging ook ter terechtzitting voorgedragen. Verdachte zou zijn woning eind mei 2011 hebben onderverhuurd aan ene [naam]. Op enig moment is verdachte er achtergekomen dat deze [naam] een hennepkwekerij in de woning van verdachte heeft gevestigd. Eind juli 2011 zou verdachte [naam] hierover hebben aangesproken. Hierop zou [naam] hebben aangegeven dat het nog een paar weken zou duren en hij daarna weg zou gaan. Verdachte durfde naar zijn zeggen naar de politie te gaan noch de hennepkwekerij weg te laten halen, omdat hij niet wist met wie hij te maken had.

De militaire kamer volgt verdachte niet in diens alternatieve scenario. Ten eerste wordt dit scenario weerlegd door de verklaringen van verdachte bij diens aanhouding en diens eerste twee verklaringen bij de politie. De verklaringen die verdachte ter terechtzitting heeft gegeven voor zijn gedetailleerde kennis over de aangetroffen hennepplantage, dat hij dit uit nieuwsgierigheid op internet had opgezocht, acht de militaire kamer niet geloofwaardig. Om die reden heeft de militaire kamer geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor bedoelde eerste - bekennende - verklaringen van verdachte. Voorts is het alternatieve scenario ook niet aannemelijk geworden. Onderzoek naar [naam] door de politie heeft enkel opgeleverd dat deze op 19 november 2009 uit het GBA is uitgeschreven en diens bankrekening eveneens in 2009 is opgeheven. Daarnaast heeft verdachte vaag en inconsequent verklaard over zijn huurovereenkomst met [naam]. Verdachte heeft tijdens zijn derde verhoor verklaard dat hij de woning voor € 1.000,- per maand aan [naam] heeft verhuurd en hij de eerste twee maanden de huur cash betaald heeft gekregen. Later heeft verdachte evenwel verklaard dat [naam] hem slechts een bedrag van € 500,- aan borg heeft betaald. Opvallend is ook dat gestelde het huurcontract met [naam] veel gebreken vertoond.

Zo komt de huurperiode niet overeen met het aantal ingevulde maanden, is er geen keus gemaakt tussen in het standaardcontract opgenomen opties en komt de handtekening van [naam] op de huurovereenkomst, niet overeen met diens handtekening op de kopie van zijn identiteitskaart . Openheid over [naam] zelf heeft verdachte evenmin gegeven. De politie heeft [naam] niet kunnen traceren. Verdachte heeft desgevraagd verklaard niet te willen zeggen wie hem in contact heeft gebracht met [naam].

De militaire kamer acht daarmee bewezen dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode een hennepkwekerij met 532 hennepplanten in werking heeft gehad.

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte het telen, bereiden en kweken in de tenlastegelegde periode in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte], [naam] of een ander heeft gedaan, zodat verdachte van het handelen in vereniging wordt vrijgesproken.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, primair, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) 532 hennepplanten zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging is gesproken over ‘[adres]’ heeft de verdachte kunnen en moeten begrijpen dat daarmee ‘[adres]’ is bedoeld. In de processtukken is - in onderlinge samenhang bezien - voldoende mate naar voren gekomen dat het om laatstbedoeld adres gaat. Het in de tenlastelegging vermelde [adres] te Zwolle is bovendien een niet bestaand adres. De militaire kamer heeft deze kennelijke schrijffout dan ook verbeterd, zonder dat verdachte daarmee in zijn verdediging is geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft met Enexis B.V. een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar het perceel aan de [adres] te Zwolle. Op 15 augustus 2011 is door een monteur van Enexis B.V. geconstateerd dat in de meterkast het zegel was verbroken en er geen beschermkappen aanwezig waren.

Geconstateerd is dat de deksel van de aansluitkast ‘open/open geweest/niet meer aanwezig’ is

en dat door manipulatie illegaal (zonder dat daarvoor toestemming is verleend) elektriciteit is afgenomen/weggenomen. Verdachte heeft een opleiding electrotechniek gevolgd .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 2. Het alternatieve scenario dat door de verdediging is geschetst, wordt door hem niet gevolgd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde onder feit 2. Volgens de raadsman heeft [naam] de elektriciteit wederrechtelijk weggenomen en heeft verdachte daaraan op geen enkele wijze medewerking verleend en/of daaraan een bijdrage geleverd.

Beoordeling door de militaire kamer

Gelet op de hiervoor geschetste feiten staat naar het oordeel van de militaire kamer vast dat in de woning aan de [adres] te Zwolle met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening elektriciteit is weggenomen toebehorend aan Enexis. Dit wordt door de officier van justitie en de verdediging niet betwist. Zij verschillen slechts van mening over de vraag of bewezen kan worden geacht dat het verdachte is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen. De militaire kamer beantwoordt deze vraag bevestigend.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat verdachte een opleiding eletroctechniek heeft gevolgd. Verdachte heeft bij zijn eerste verhoor gedetailleerd over de elektrische installatie verklaard. Daarnaast heeft verdachte bij zijn eerste verhoor verklaard dat hij de stroomvoorziening van de hennepkwekerij zelf, ergens in juni 2011, heeft aangelegd. Op de gronden zoals opgenomen bij de beoordeling van feit 1 hecht de militaire kamer geen geloof aan de door verdachte in tweede instantie naar voren gebrachte alternatieve verklaring hij het pand te goeder trouw had verhuurd aan [naam] die zonder instemming een kwekerij was begonnen en daarbij de elektriciteit zonder zijn medeweten zou hebben afgetapt.

Conclusie

Gelet op het voorgaande en het feit dat de militaire kamer bewezen acht dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd,acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode gelegen van 1 juni 2011 tot en met 15 augustus 2011, te Zwolle, in een woning ([adres]), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte die elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, het forceren en/of openen van een deksel van de (elektrische) aansluitkast in die woning.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewe¬zen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Opzettelijk handelen in strijd met in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verboden, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich met succes kan beroepen op psychische overmacht, omdat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is niet gebleken van een dusdanige druk dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Daartoe heeft hij de volgende passage aangehaald van een stuk dat door de raadsman van verdachte als productie 3 aan de pleitnota is gehecht: ‘[naam2]: Heb je enige druk gevoeld van je onderverhuurders? [verdachte]: Wel een beetje. (…) [naam2]: Ze hebben je niet bedreigd? [verdachte]: Je voelt het wel, maar ze hebben het niet zo gezegd.’

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer gaat, zoals gezegd, niet uit van het alternatieve scenario zoals door verdachte in een later stadium is geschetst. Aldus bestaat geen reden om aan te nemen dat sprake was van enige dwang aan de zijde van [naam]. Het verweer van de raadsman van verdachte treft naar het oordeel van de militaire kamer dan ook geen doel.

Conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij tevens is gelet op:

o het reclasseringsadvies van RN Adviesunit Arnhem-Nijmegen betreffende verdachte, gedateerd 16 april 2013; en

o het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 17 april 2013.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair, en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, bij niet nakoming te vervangen door 120 dagen hechtenis. Hij heeft in dat kader rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder dergelijke feiten heeft gepleegd en met het tijdsverloop.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich onthouden van opmerkingen in het kader van de strafmaat, nu hij er primair voor heeft gepleit dat verdachte integraal wordt vrijgesproken en subsidiair heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, met een zekere professionaliteit, kweken van hennepplanten in een woonhuis met als kennelijk doel de verkoop van de geoogste planten. Daarmee verband houdend, heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt op diefstal van elektriciteit. Hij heeft daarmee elektriciteitsleverancier, Enexis B.V. benadeeld. Verder heeft hij een potentieel brandge¬vaarlijke - en daarmee levensbedreigende - situatie in een woonomgeving laten ontstaan.

Daarmee getuigt verdachte van onvoldoende respect voor het eigendom en de veiligheid van derden.

De militaire kamer overweegt dat door de rechterlijke macht landelijk oriëntatiepunten zijn opgesteld die bij het vaststellen van de strafmaat als uitgangspunt kunnen worden genomen. Op het in werking hebben van een hennepkwekerij met meer dan 500 hennepplanten wordt in deze oriëntatiepunten, voor een first offender, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken gesteld. Daarbij geldt de veronderstelling dat niet vanuit een georganiseerd verband is gehandeld. De diefstal van elektriciteit is bij dit uitgangspunt nog niet meegerekend.

De militaire kamer acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval niet gepast. De justitiële documentatie van verdachte is immers, op een (verkeers)transactie na, geheel blanco. Voorts staat in het reclasseringsrapport dat bij verdachte geen criminogene factoren aanwezig zijn.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer een werkstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden. De militaire kamer wijkt daarmee, in het voordeel van verdachte, in geringe mate af van de strafeis van de officier van justitie. Hiermee brengt de militaire kamer tot uiting dat zij er, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het vertrouwen dat vanuit Defensie is uitgesproken, vanuit gaat dat verdachte zijn justitiële documentatie niet verder zal ontsieren en het bij dit ene ‘incident’ blijft. Tevens heeft verdachte, zoals hij heeft verklaard, de schade aan Enexis inmiddels volledig vergoed.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, primair, en 2, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten als vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. J.M.J.M. Doon, voorzitter, mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter, en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2013.