Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1270

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
05/800230-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 49-jarige Nijmeegse man wegens zware mishandeling van zijn echtgenote tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een contactverbod met zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/800230-13

Datum zitting : 15 mei 2013

Datum uitspraak : 29 mei 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. S. Striekwold, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Nijmegen aan een persoon genaamd, [slachtoffer], zijn vrouw, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en/of gebroken ribben en/of klaplong), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht)

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag:

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer], zijn vrouw, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk (met kracht),

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend [slachtoffer], zijn vrouw, (met kracht)

- meermalen, althans eenmaal, bij de haren heeft (vast)gepakt en/of (vast)gegrepen en/of aan de haren overeind heeft getrokken en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en/of gebroken ribben en/of klaplong), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 15 mei 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S. Striekwold, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd, [slachtoffer] en [dochter]. [slachtoffer] is tevens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S.F. Nijhuis, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. C.Y. Huang, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van zaterdag 19 januari 2013 heeft verdachte zijn echtgenote, [slachtoffer] (hierna verder te noemen: [slachtoffer]), in hun woning aan haar haren getrokken, geslagen en geschopt, ook toen zij op de grond lag. [slachtoffer] had, toen zij later die ochtend wakker werd erg veel pijn en kon niet lopen. Zij is aan het begin van de middag met een ambulance vervoerd naar het Radboud ziekenhuis. [slachtoffer] had zes gebroken ribben aan de linkerkant, een gedeeltelijke klaplong, een gebroken neus, een verwonding op haar voorhoofd en onderhuidse bloeduitstortingen in haar gezicht, op haar hoofd, op haar borstkas, op haar bekkenkam, beide handen, armen en benen. [slachtoffer] heeft een week in het ziekenhuis gelegen, alwaar zij via medisch ingrijpen pijnstilling direct in het ruggenmerg kreeg toegediend en voor haar klaplong een longdrain had, die tussen haar ribben was aangebracht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend [slachtoffer] te hebben geslagen, te hebben geschopt en aan haar haar te hebben getrokken, maar heeft ontkend dat hij het opzet had [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat hoogstens tot een bewezenverklaring gekomen kan worden van de eenvoudige mishandeling.

De verdediging heeft zich hiertoe primair op het standpunt gesteld dat het zwaar lichamelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen niet aan verdachte kan worden toegerekend. Volgens de verdediging is dit letsel ontstaan door de val van [slachtoffer] op de tafel en de omstandigheid dat verdachte vanwege evenwichtsverlies daarbij op haar is terechtgekomen.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet -ook niet in voorwaardelijke zin- had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte [slachtoffer] aan haar jaskraag van de grond omhoog heeft getrokken en daarbij wellicht aan haar haren heeft getrokken, dat hij haar -toen zij op de grond lag- een aantal keren tegen haar billen heeft geschopt om haar bij te brengen en dat hij haar om diezelfde reden ook een aantal keren met de vlakke hand in haar gezicht heeft geslagen. Verdachte heeft bij dat schoppen en slaan echter geen kracht gebruikt, aldus de verdediging.

Wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het gevolg dat zwaar lichamelijk letsel is bekomen, zodat hij ook hiervan dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat gezien de ernst en aard van het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen, de omstandigheid dat zij een week in het ziekenhuis heeft gelegen alwaar zij intensieve behandelingen heeft ondergaan, en de omstandigheid dat het herstelproces ruim drie maanden heeft geduurd , sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de volgende vragen gesteld:

1. kan het zwaar lichamelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen aan verdachte worden toegerekend

en zo ja,

2. was er bij verdachte sprake van opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op het toebrengen van dat zwaar lichamelijk letsel.

Bij de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij en verdachte op vrijdagavond (18 januari 2013) zijn uitgeweest, dat het een gezellige avond was en dat zij beiden alcoholhoudende drank hadden gedronken. Zij heeft verder verklaard dat zij eerder naar huis was gegaan en dat verdachte een half uur later aanbelde. Omdat zij op dat moment niet open kon doen omdat zij toen op het toilet zat, werd hun 8-jarige dochter [dochter] wakker, die vervolgens de deur voor verdachte open deed. Volgens [slachtoffer] was verdachte toen heel kwaad. Hij begon in de woonkamer vrij snel aan haar haren te trekken, te slaan en schoppen. [slachtoffer] vertelt dat zij op een bepaald moment viel en tegen de hoek van de tafel terechtkwam, waarna zij extreem bloedde. Terwijl zij op de grond lag, ging verdachte door met haar te schoppen. Hij trok haar aan haar haren omhoog, duwde haar weer op de grond en ging door met schoppen. Volgens [slachtoffer] heeft zij heel vaak geroepen dat hij moest stoppen en voelde zij pijn. Zij verklaart verder dat verdachte haar met zijn volle vuist in haar gezicht heeft geslagen. [slachtoffer] zag een razende blik bij verdachte en verklaart dat verdachte tijdens het slaan en schoppen riep: “dit heb je verdiend” of zoiets.

Verdachte heeft bij de voorgeleiding in verband met de aanhouding verklaard dat hij die nacht de nodige alcoholhoudende drank op had en dat hij, toen hij thuis kwam, heel lang heeft staan aanbellen. Door de kou werd hij steeds kwader. Uiteindelijk heeft zijn dochter de deur open gedaan. Binnen volgde een woordenwisseling met zijn vrouw waarna hij doordraaide en haar meerdere malen heeft geslagen en geschopt. In een later verhoor, heeft verdachte verklaard dat hij kwaad was op zijn vrouw omdat zij iets tegen hem zei.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] in de woonkamer op de tafel was gaan zitten en op kwetsende wijze tegen hem had gezegd dat hij een jaloerse man was en dat zij niks meer met hem te maken wilde hebben. Hij voelde toen woede en onmacht. Hij heeft haar vervolgens onder meer aan haar haar omhoog getrokken en raakte daarbij uit balans, waarna zij beiden vielen. Zij kwam met haar hoofd tegen de tafel terecht en bloedde. Terwijl zij op de grond lag heeft hij haar een aantal keren geschopt. Hij heeft haar ook uitgescholden en haar in haar gezicht geslagen. Hij heeft niet gehoord dat zij zou hebben gezegd dat hij moest stoppen en hij werd rustig toen hij zag dat zij huilde.

Zowel verdachte als [slachtoffer] hebben verklaard dat hun 8-jarige dochter, [dochter], die nacht aanwezig was. Een vriend van het stel, [getuige1], heeft verklaard dat hij op zaterdag 19 januari 2013 rond 13.30 uur bij de woning van verdachte en [slachtoffer] aankwam en dat [dochter] hem toen al huilende vertelde “dat papa mamma heel hard had geslagen. Dat mamma op de bank lag en dat papa erop ging zitten. Dat mamma heel hard huilde en dat zij heel erg ging bloeden.”

Op basis van bovenaangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast, dat verdachte al boos was toen hij in de nacht van 19 januari 2013 het huis binnen kwam. Tijdens de hierop volgende woordenwisseling raakte hij zijn zelfbeheersing kwijt. Verdachte heeft [slachtoffer] toen hard met zijn vuist geslagen en haar aan haar haren getrokken. Zij is toen gevallen en kwam met haar hoofd tegen de tafel aan, waardoor zij een bloedende hoofdwond opliep. Terwijl [slachtoffer] bloedend op de grond lag heeft verdachte haar meermalen geschopt. Naast de bloedende hoofdwond, had [slachtoffer] ook een gebroken neus, zes gebroken ribben, een gedeeltelijke klaplong en verschillende blauwe plekken over haar hele lichaam. Gezien de aard en ernst van dat letsel en gelet op de beschrijving door de forensische arts van het letsel en de mogelijke oorzaken ervan, acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit letsel (alleen) zou zijn veroorzaakt door de val tegen de tafel. Het verweer dat hierop ziet, wordt daarom verworpen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het zwaar lichamelijk letsel dat [slachtoffer] heeft bekomen, aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte heeft voorts gesteld dat hij niet het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit verweer zal eveneens worden verworpen en de rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de aard van de gedragingen van verdachte zoals hierboven beschreven, met name dat verdachte is doorgegaan met schoppen van [slachtoffer] terwijl zij al bloedend op de grond lag, is de rechtbank van oordeel dat zijn voorwaardelijk opzet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Immers, door geweld toe te passen zoals verdachte dat heeft gedaan heeft verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 19 januari 2013 te Nijmegen aan een persoon genaamd, [slachtoffer], zijn vrouw, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en gebroken ribben en klaplong), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht)

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen (waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen) en

- (vervolgens) meermalen, op/tegen het lichaam, te slaan en/of te schoppen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling begaan jegens zijn echtgenoot

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en een contactverbod met [slachtoffer] voor zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De officier heeft tevens dadelijke uitvoerbaarheid verzocht.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de aard en ernst van het strafbare feit, de omstandigheid waaronder het is gepleegd en de gevolgen die het voor [slachtoffer] heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de maatschappij noch verdachte gediend zijn met een gevangenisstraf. Verdachte is inmiddels op vrije voeten en verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Een gevangenisstraf zal gevolgen hebben voor een eventuele omgangsregeling met zijn kinderen en zal ook betekenen dat hij zijn baan zal kwijtraken. Verdachte heeft zich bereid verklaard een taakstraf uit te voeren en zich te houden aan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Verdachte heeft ook verweer gevoerd tegen het opleggen van een contactverbod met mevrouw [slachtoffer], omdat daarmee ook het contact met hun dochter wordt belemmerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 april 2013;

• een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 21 januari 2013, betreffende verdachte;

• een pro justitia rapport van drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, gedateerd 11 april 2013.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen

Verdachte heeft onder invloed van alcohol zijn echtgenote in de echtelijke woning zwaar mishandeld. Hij heeft haar, in aanwezigheid van hun 8 jarige dochter, aan haar haren getrokken en meermalen geslagen en geschopt. Verdachte is daar zelfs niet mee opgehouden toen zij ten val kwam en hevig bloedend op de grond lag en hem verzocht het geweld te staken. Zijn echtgenote heeft ten gevolge van deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een gebroken neus, een ingeklapte long, zes gebroken ribben en onderhuidse bloeduitstortingen over haar hele lichaam. Zij heeft ook veel pijn geleden en heeft via medisch ingrijpen een longdrain en pijnstilling direct in haar ruggenmerg gekregen. Uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen, komt duidelijk naar voren hoe groot de impact van het toegepaste geweld op het slachtoffer is. Huiselijk geweld, met name op de wijze zoals door verdachte gepleegd, is zeer ernstig. Juist in de eigen woonomgeving dient men zich veilig te voelen. De lichamelijke integriteit van het slachtoffer is op ernstige en indringende wijze aangetast door verdachte. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij met zijn (mis)handelen het gevoel van zekerheid, veiligheid en vertrouwen van [slachtoffer] heeft aangetast en dat hij zich door de aanwezigheid van zijn 8-jarige dochter niet heeft laten weerhouden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2013, waaruit blijkt dat hij zeer lang geleden is veroordeeld wegens een geweldsdelict. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte ter zitting aan de ene kant spijt heeft betuigd maar aan de andere kant zijn handelen bagatelliseert en zich niet bewust schijnt te zijn van de ernst van zijn handelen en de gevolgen dat dit heeft gehad voor zowel zijn echtgenote als zijn dochter, die getuige is geweest van dit geweld. Dit beeld wordt versterkt door de bevindingen van de psycholoog, die opschrijft dat verdachte naast de gevoelens van spijt en schaamte, ook wisselt tussen het idealiseren en devalueren van zijn vrouw en gekrenkt, boos en externaliserend is. Alcohol zal die avond/nacht een rol hebben gespeeld, maar verdachte mag bekend worden verondersteld met de gevolgen van alcoholgebruik en de ontremmende werking die dit kan hebben. Het geheel overziende adviseert de psycholoog om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en de gronden waarop zij gegeven zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en ondanks het feit dat verdachte inmiddels werd geschorst uit de voorlopige hechtenis, oordeelt de rechtbank dat geen andere straf dan gevangenisstraf passend is voor de afdoening van de onderhavige zaak. Een deel van die gevangenisstraf zal echter voorwaardelijk worden opgelegd.

Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal een proeftijd worden verbonden van drie jaar, teneinde verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, voorts aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden een meldingsgebod en het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos.

Om de risico’s voor [slachtoffer] te beperken zal als bijzondere voorwaarde worden gesteld dat het verdachte vanaf heden en gedurende de proeftijd verboden is om contact te zoeken of te hebben met [slachtoffer] voor zover en zolang de reclassering dit nodig acht.

De rechtbank zal, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, bevelen dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer] en [dochter], wettelijk vertegenwoordigd door [slachtoffer], hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. [slachtoffer] heeft een bedrag van € 1.085,59 gevorderd, ter zake van reiskosten ( € 17,28), medische kosten ( € 340,-), kosten therapie [dochter] ( € 703,31) en telefoon en portoforfait kosten (€ 25,-). Namens [dochter] heeft [slachtoffer] een bedrag van € 1703,31 gevorderd ter zake van medische kosten therapie ( € 703,31) en immateriële schadevergoeding ( € 1.000,-).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van € 328,28, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de benadeelde partij [dochter] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat het gaat om een vordering ter zake van shockschade en een verklaring van een gedragsdeskundige ontbreekt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij hetgeen de officier van justitie ter zake van de vorderingen heeft aangevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van [slachtoffer], wat betreft de reiskosten, de medische kosten en de telefoon en portoforfait kosten, is niet betwist door verdachte en komt de rechtbank gegrond voor. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering, voor een totaal bedrag van € 382,28 dan ook toewijzen, alsmede de verzochte en niet betwiste wettelijke rente. De vordering zal wat betreft de kosten voor therapie van [dochter] niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze kosten niet vallen onder de rechtstreekse schade die mevrouw [slachtoffer] tengevolge van het bewezenverklaarde feit heeft geleden.

Wat betreft de vordering van [dochter], oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het voor de 8-jarige [dochter] een uitermate traumatische ervaring moet zijn geweest om haar moeder zwaar mishandeld te zien worden door haar vader. Voor vergoeding van shockschade, en de daarmee samenhangende kosten voor therapie zoals gevorderd, is echter vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte wordt vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR d.d. 3 juli 2007, NJ 2007, 413, LJN NA5624).

In dit geval ontbreekt een rapport van een gedragsdeskundige of psycholoog/psychiater. Zonder een dergelijk rapport is een vordering zoals de onderhavige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Dit betekent dat de vordering van [dochter] niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De gevorderde en toegewezen rente zijn daar niet bij inbegrepen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 27, 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

4. zich (uiterlijk) op maandag 3 juni 2013 meldt bij de reclassering, aan de Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB te Arnhem. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht;

5. zich gedurende de proeftijd ambulant zal laten behandelen binnen de ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. vanaf heden en gedurende de proeftijd van 3 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] voor zover en zolang de reclassering zulks nodig acht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe .

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 382,28 (driehonderd tweeëntachtig euro en 28 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

- Verklaart het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 382,28 (driehonderd tweeëntachtig euro en 28 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [dochter] niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. R.M. Maanicus (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. J.M. Hamaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen en mr. N.K. Engelbrecht, griffiers

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2013.