Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1164

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
228389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoerszaak. CMR.

Diefstal van lading uit vrachtwagen op onbewaakt parkeerterrein. Beroep op vervoerdersovermacht (art. 17 lid 2 CMR) slaagt niet, evenmin als het beroep op limitering van de aansprakelijkheid (art. 23 CMR). Uitleg van art. 29 lid 1 CMR; schuldbegrip van art. 8:1108 BW. Niet voldaan aan stelplicht. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. Vorderingen afgewezen, behalve tegen de niet verschenen gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/7

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/228389 / HA ZA 12-245

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak [woonplaats]eressen (2)]

eiseressen,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

[gedaagden]

gedaagde,

niet verschenen.

De verschenen partijen zullen hierna [eiseres] c.s. en [gedaagde] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk worden deze partijen aangeduid met hun eigen namen, [eiseres] Europa, [eiseres sub 2], [gedaagde] (dit geldt voor beide gedaagden [gedaagde] B.V.) en [gedaagde] Transport Groep. De niet-verschenen vierde gedaagde wordt Also Actebis genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 januari 2013

- het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] heeft omstreeks 20 maart 2012 van Hewlett Packard (HP) opdracht gekregen om een zending elektronica, bestaande uit 1177 dozen met onder meer HP-laptops en een bruto gewicht van 8.110,83 kg, te vervoeren van [woonplaats], Nederland, naar Taastrup, Denemarken. De zending elektronica diende daar te worden afgeleverd aan Also Actebis.

2.2. [gedaagde] heeft dit vervoer uitbesteed aan [eiseres] Europa. [eiseres] Europa kreeg regelmatig opdracht van [gedaagde] om HP-goederen te vervoeren. [eiseres] Europa heeft het onderhavige vervoer uitbesteed aan [eiseres sub 2], een dochtervennootschap van [eiseres] Europa. [eiseres sub 2] werd wel vaker door [eiseres] Europa ingeschakeld voor het vervoer van HP-goederen.

2.3. Een chauffeur van [eiseres sub 2], de heer [chauffeur a], heeft de zending elektronica op 20 maart 2012 in de loods van [gedaagde] te [woonplaats] in ontvangst genomen. Deze chauffeur heeft daarbij de CMR-vrachtbrief gedateerd 20 maart 2012 met nummer NL-[000000], de vertrekmelding en de losinstructies voor akkoord en ontvangst ondertekend.

2.4. Uit deze documenten was duidelijk dat de lading bestond uit elektronica afkomstig van HP. Op de overgelegde losinstructie stond, omkaderd en onderstreept:

In all cases avoid unnecessary stops.

If you HAVE to stop, do it on a secured parking.

2.5. [chauffeur a] is van [woonplaats] met de lading gereden naar het terrein van [eiseres sub 2] te [woonplaats] in Duitsland. Daar heeft hij de trailer met lading afgekoppeld van zijn trekker. Vervolgens is de trailer met lading gekoppeld aan de trekker van een andere chauffeur van [eiseres sub 2], de heer [chauffeur b]. [chauffeur b] heeft de reis voortgezet naar het 170 km verderop gelegen parkeerterrein in Sittensen, Duitsland, alwaar [chauffeur b] heeft overnacht. Sittensen is geen bewaakt parkeerterrein.

2.6. Op dat parkeerterrein in Sittensen is in de nacht van 20 op 21 maart 2012 een deel van de lading ontvreemd. De dief of dieven hebben het zeil van de huif opengesneden en doelgericht dozen met laptops gestolen. [eiseres] c.s. hebben een certificaat (Bescheinigung) van de Duitse politie overgelegd, waarop staat vermeld dat de chauffeur heeft opgegeven dat 120 HP-laptops ter waarde van € 78.000,00 zijn gestolen. [gedaagde] c.s. stellen dat 305 dozen laptops met een waarde van € 237.171,50 zijn gestolen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] c.s. vorderen, samengevat, een verklaring voor recht dat [eiseres] c.s. niet, althans tot niet meer dan de in art. 23 CMR jo art. 25 CMR genoemde limieten door [gedaagde] c.s. en Also Actebis ter zake de in de dagvaarding omschreven schade aansprakelijk kunnen worden gehouden, met veroordeling van [gedaagde] c.s. en Also Actebis in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het betreft een geschil tussen partijen, die gevestigd zijn in verschillende landen. Voor de bevoegdheid van deze rechtbank om dit geschil te behandelen verwijst de rechtbank naar het vonnis in incident van 21 november 2012, rov. 2.2.

4.2. Ter comparitie hebben [gedaagde] c.s. opgegeven dat de onder 1 en 2 gedaagde [gedaagde] B.V.’s een en dezelfde rechtspersoon zijn, waarvan de onderneming meerdere vestigingsplaatsen heeft. [eiseres] c.s. hebben zich hieraan geconformeerd. Voor de beoordeling van het geschil, doet dit verder niet ter zake.

4.3. Verder hebben [gedaagde] c.s. gesteld dat de gedaagde sub 3, [gedaagde] Transportgroep, buiten deze zaak staat. Het was [gedaagde], die vanuit de vestigingsplaats [vestigingsplaats] de vervoersopdracht gaf. Dit is niet weersproken door [eiseres] c.s. en dit blijkt ook uit de door [eiseres] c.s. overgelegde internationale vrachtbrief. [eiseres] c.s. zijn dus in elk geval niet-ontvankelijk in hun vorderingen, voor zover deze tegen [gedaagde] Transportgroep zijn gericht.

4.4. Partijen zijn het erover eens dat op hun overeenkomst en dit geschil het Verdrag betreffende de Overeenkomst tot Internationaal Vervoer van Goederen over de Weg (CMR-verdrag van 19 mei 1956, Trb. 1957, 84) van toepassing is.

4.5. [eiseres] c.s. leggen twee rechtsvragen aan de rechtbank voor. De eerste vraag betreft hun stelling dat hen een beroep op vervoerdersovermacht toekomt als bedoeld in artikel 17 lid 2 CMR, aangezien de diefstal een omstandigheid is die zij redelijkerwijs niet hebben kunnen vermijden en waarvan zij de gevolgen niet hebben kunnen voorzien (bedoeld zal zijn: verhinderen, rb). De tweede vraag betreft hun stelling dat, indien hun aansprakelijkheid toch moet worden aangenomen, zij niet verder aansprakelijk zijn dan de bedragen als genoemd in artikel 23 CMR. Het gaat hen daarbij in het bijzonder om de limitering in lid 3. [eiseres] c.s. verwijzen ook naar artikel 25 CMR, maar hieraan gaat de rechtbank voorbij, zijnde gesteld noch gebleken dat goederen beschadigd zijn. Er is alleen sprake van gedeeltelijk verlies van de goederen.

4.6. [gedaagde] c.s. betwisten dat [eiseres] c.s. een beroep op overmacht dan wel een aansprakelijkheidsbeperking toekomt.

4.7. Met betrekking tot de gestelde overmacht overweegt de rechtbank dat artikel 18 lid 1 CMR de bewijslast op de vervoerder, dus op [eiseres] c.s., legt. Aan bewijslevering komt de rechtbank echter niet toe omdat [eiseres] c.s. ter zake niet aan hun stelplicht hebben voldaan. [eiseres] c.s. hebben de overduidelijke specifieke instructie genegeerd om niet-noodzakelijke stops te voorkomen en om, indien een stop onvermijdelijk is, in elk geval alleen te stoppen op bewaakte parkeerplaatsen.

4.8. [eiseres] c.s. hebben immers in de eerste plaats reeds onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om, bij bewijs daarvan, aannemelijk te kunnen achten dat de stop en overnachting c.q. langdurige rustpauze van [chauffeur b] noodzakelijk waren. Uit de overgelegde verklaring van [chauffeur b], de Bescheinigung en de toelichting van [eiseres] c.s. ter comparitie blijkt dat [chauffeur b] omstreeks 18.00 uur is vertrokken uit [woonplaats], omstreeks 20.50 uur is aangekomen op Sittensen, daar eerst heeft gegeten en vervolgens omstreeks 22.30 uur is gaan slapen en dat de diefstal, volgens zijn aangifte, heeft plaats gevonden tussen 22.30 uur en 04.00 uur de volgende dag.

Voorts is ter comparitie door [eiseres] c.s. opgegeven dat de afstand tussen [woonplaats] en Denemarken ongeveer 600 kilometer is. Volgens [gedaagde] c.s. was de totale route van [woonplaats], de laadplaats, naar Denemarken ongeveer ongeveer 720 kilometer en is de afstand van [woonplaats] naar [woonplaats] ongeveer 150 kilometer. Ervan uitgaande dat [woonplaats] niet helemaal op de route ligt en dat voor de chauffeurswisseling in [woonplaats] een stukje moest worden omgereden, kan de door [eiseres] c.s. opgegeven rijafstand van 600 kilometer van [woonplaats] naar Taastrup, Denemarken, als onvoldoende weersproken worden vast gesteld.

4.9. [eiseres] c.s. hebben onvoldoende gesteld om, bij bewijs daarvan, aannemelijk te kunnen maken dat die afstand van 600 kilometer niet kon worden afgelegd zonder een stop van de duur, die [chauffeur b] daarvoor heeft genomen. [eiseres] c.s. hebben te dien aanzien slechts gesteld (ter comparitie) dat de chauffeur die rit niet in één keer kan halen binnen de wettelijke regels inzake de rijtijden ‘als er files zijn of andere tegenslag’. [eiseres] c.s. hebben echter niet gesteld en al helemaal niet onderbouwd dat er die avond en nacht daadwerkelijk sprake was van files op de route of andere tegenslag. De door [eiseres] c.s. ter comparitie aangevoerde omstandigheid dat [chauffeur b] niet kon doorrijden, omdat hij die dag al een ander transport had gedaan en daarom moest gaan rusten, kwalificeert niet als een van buiten komende tegenslag, terwijl [eiseres] c.s. niets hebben gesteld ter rechtvaardiging van hun, volgens [gedaagde] c.s. door commerciële motieven ingegeven, keuze om [chauffeur b] dit transport van [gedaagde] te laten uitvoeren en niet een andere chauffeur, die niet al eerder op die dag een ander transport had uitgevoerd. De stop van deze duur was dus niet noodzakelijk, in dier voege dat [eiseres] c.s. zich tegenover [gedaagde] c.s. niet kunnen beroepen op de dreigende overschrijding van het rijtijdenregime.

4.10. Daarenboven was Sittensen geen bewaakt parkeerterrein en had [chauffeur b] ook om die reden daar niet mogen overnachten. [eiseres] c.s. beroepen zich te dien aanzien op een van een aan [gedaagde] gelieerde rechtspersoon afkomstige lijst van goedgekeurde parkeerterreinen voor overnachtingstops, waarop Sittensen staat vermeld. Op deze lijst kunnen [eiseres] c.s. zich echter niet beroepen, omdat deze lijst, zoals blijkt uit dat stuk, afkomstig is van een andere rechtspersoon dan de opdrachtgever, te weten van [gedaagde] N.V. te Mechelen, en betrekking heeft op een andere route, te weten de route van België naar Zweden (welke route langer is) en bovendien omdat, indien al aangenomen zou kunnen worden dat dit een voor de hele [gedaagde] Groep geldende algemene lijst is, deze goedkeuring van Sittensen in deze concrete vervoersopdracht terzijde is gesteld door de uitdrukkelijke instructie om bij dit transport niet te stoppen en al helemaal niet op onbewaakte parkeerterreinen.

4.11. De, door [gedaagde] c.s. betwiste, stelling van [eiseres] c.s. dat er geen bewaakte parkeerterreinen zijn op de route van [woonplaats] naar Denemarken, doet niet ter zake en behoeft geen bewijs, omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de rechtbank van oordeel is dat [eiseres] c.s. zich tegenover [gedaagde] c.s. niet kunnen beroepen op de noodzaak van [chauffeur b] om een lange rustpauze in te lassen, terwijl onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat er een andere, wel geldige, rechtvaardiging was voor die stop. Dan doet het ook niet ter zake of er wel of geen bewaakte parkeerterreinen waren onderweg.

4.12. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] c.s. in het geheel niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade, wordt jegens [gedaagde] afgewezen.

4.13. Met betrekking tot het beroep van [eiseres] c.s. op limitering van de aansprakelijkheid op grond van artikel 23 CMR overweegt de rechtbank dat artikel 29 lid 1 CMR bepaalt dat de vervoerder niet het recht heeft om zich te beroepen op de bepaling, die zijn aansprakelijkheid beperkt, indien de schade voortspruit uit zijn opzet of uit schuld zijnerzijds, welke volgens de wet van het gerecht, waar de vordering aanhangig is, met opzet wordt gelijkgesteld. Dit betekent dat, voor de vraag of in casu sprake was van met opzet gelijk te stellen schuld, aansluiting moet worden gezocht bij het Nederlandse artikel 8:1108 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waar deze schuld wordt omschreven als: ‘roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien’. Dit schuldbegrip is nader uitgewerkt in de zogenaamde 5-januari arresten van de Hoge Raad (HR 5 januari 2001, S&S 2001, 61 en 62), waarin is overwogen dat sprake moet zijn van gedrag waarvan de vervoerder het daaraan verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich hierdoor niet van dat gedrag laat weerhouden. Dit is onlangs nogmaals bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2012, LJN BW6747, S&S 2012,120, in welke zaak overigens onder meer speelde dat de vervoerder de op de transportopdracht opgenomen instructie, dat de vrachtwagen niet onbewaakt moest worden achtergelaten, had genegeerd. In zoverre is die zaak vergelijkbaar met de onderhavige.

4.14. Deze uitleg van deze wetsbepaling legt een zware bewijslast. De vraag is echter op wie de bewijslast rust. Doorgaans zal die bewijslast rusten op de opdrachtgever of ladingbelanghebbende, die bij verlies of beschadiging van de goederen volledige, of althans de limitering van artikel 23 CMR overschrijdende, schadevergoeding vordert van de vervoerder. In deze zaak echter is bij deze rechtbank door [gedaagde] c.s. geen vordering tot schadevergoeding tegen [eiseres] c.s. aanhangig gemaakt. Een dergelijke vordering is (na de dagvaarding in de onderhavige zaak) door [gedaagde] tegen [eiseres sub 2] ingesteld bij het Landgericht Münster in Duitsland (waar mogelijk een andere definitie voor het onderhavige schuldbegrip wordt gebezigd). In de onderhavige zaak vorderen [eiseres] c.s. in Nederland een verklaring voor recht dat hun aansprakelijkheid is beperkt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het dan aan [eiseres] c.s. om de feiten te bewijzen, die zij ten grondslag leggen aan de door hen gevorderde verklaring voor recht dat zij (als schadeplichtige niet de volledige waarde van de verloren goederen hoeven te vergoeden, maar) slechts aansprakelijk zijn conform de limitering van lid 3 van artikel 23 CMR, te vermeerderen met een deel van de vrachtprijs e.d. conform lid 4.

4.15. Om tot die bewijslevering te kunnen worden toegelaten, zullen [eiseres] c.s. echter eerst voldoende feiten moeten stellen ter onderbouwing van deze vordering, waarmee bedoeld zijn feiten, waaruit, bij bewijs daarvan, volgt dat aan hun zijde geen sprake is van opzet, noch van aan opzet gelijk te stellen schuld. Aan deze stelplicht hebben [eiseres] c.s. niet voldaan. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.16. [gedaagde] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat niet is voldaan aan artikel 8:1108 BW, dit wil zeggen dat geen sprake is van opzet of roekeloosheid met de wetenschap dat de schade daar waarschijnlijk uit zou voortvloeien. [gedaagde] c.s. hebben gesteld dat alles wijst op een inside job.

[gedaagde] c.s. hebben ter adstructie hiervan gesteld dat de parkeerplaats vol stond met 150 vrachtwagens en dat alleen in deze ene vrachtwagen is ingebroken, waarbij doelgericht de waardevolle goederen zijn gestolen, dat in de vrachtwagen 1.177 dozen van HP stonden, dat de meeste van die dozen andere artikelen bevatten, zoals cartridges en papier, en dat alleen dozen met laptops zijn gestolen, die doelbewust eruit gekozen moeten zijn omdat aan de buitenkant van de doos niet makkelijk gezien kan worden wat erin zit. Deze verdenking vindt steun in het door [gedaagde] c.s. overgelegde rapport van het Polizeikommisariat Zeven, dat insiderkennis waarschijnlijk acht en erop wijst dat op deze plaats delict de laatste jaren geen opmerkelijke ladingdiefstallen hebben plaatsgevonden, alsmede dat, om de gestolen goederen af te kunnen voeren, ten minste een kleine vrachtwagen ter plaatse moet zijn geweest. De verdenking van [gedaagde] c.s. vindt ook steun in de door [eiseres] c.s. overgelegde schriftelijke verklaring van de chauffeur [chauffeur b], die aan [eiseres sub 2] heeft gemaild op 27 maart 2012: ‘Nach dem Eindruck der Polizei en nach meinem persönlichen Eindruck war dies ein gezielter Überfall. Die Täter wußten genau, was sie suchten. Die Plane wurde von hinten an 7 Stellen kontrollweise aufgeschnitten. Bei den Paletten mit der gestohlenen Ware hörten diese Schnitte auf. Es ist mir auch aufgefallen, das ein Spanngurt gespannt war wo die beiden Paletten standen’.

[gedaagde] c.s. hebben voorts gesteld dat alleen [eiseres] c.s. ermee bekend waren dat de vrachtwagen hier zou stilstaan en dit ligt ook voor de hand, juist omdat [gedaagde] c.s. deze stop hadden verboden.

Onder deze omstandigheden had het op de weg van [eiseres] c.s. gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren ter weerlegging van deze verdenking. Het enkele feit dat de Duitse politie de strafzaak tegen de chauffeur, die als verdachte werd aangemerkt, heeft geseponeerd en dat bij een screening door een recherchebureau ten aanzien van de beide chauffeurs geen onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen, is niet toereikend. In het strafrecht worden zwaardere eisen aan de bewijslevering gesteld en bovendien is de verdenking niet alleen tegen de chauffeurs gericht. [eiseres] c.s. hadden minst genomen moeten uitleggen, en met feiten moeten onderbouwen, hoe het mogelijk was dat de dief of dieven zo doelgericht te werk hebben kunnen gaan en dat dit, bij wijze van spreken, voor hem of hen een toevalstreffer was in plaats van een gebeurtenis waarop de kans aanmerkelijk is vergroot door het gedrag van [eiseres] c.s. doordat [eiseres] c.s. welbewust gelegenheid, inlichtingen en/of middelen hebben verschaft.

Dit hebben [eiseres] c.s. niet uitgelegd en met feiten onderbouwd. Ter comparitie hebben zij gesteld dat zij beschikken over een expertiserapport, maar dit rapport is niet in het geding gebracht.

4.17. Nu [eiseres] c.s. niet hebben voldaan aan hun stelplicht, komt de rechtbank ook niet toe aan bewijslevering op het punt van de aansprakelijkheidsbeperking. Ook deze verklaring voor recht wordt jegens [gedaagde] afgewezen.

4.18. Also Actebis heeft verstek laten gaan. De gevorderde verklaring voor recht komt jegens Also Actebis niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan daarom jegens Also Actebis wel worden toegewezen.

4.19. [eiseres] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde] c.s. worden veroordeeld. Het betreft alleen de kosten van de hoofdzaak. Over de kosten van het incident is reeds beslist in het vonnis van 21 november 2012.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.479,00

4.20. Also Actebis wordt in de kosten van [eiseres] c.s. veroordeeld, zij het, in verband met het feit dat Also Actebis slechts een van de vier gedaagden is, beperkt tot 1/4de deel daarvan, terwijl de kosten van het incident en de comparitie geheel buiten aanmerking worden gelaten omdat Also Actebis hierbij niet betrokken was. De toe te wijzen kosten worden begroot op 1/4de van € 575,00 voor griffierecht en van € 452,00 voor salaris van de advocaat (één punt voor de dagvaarding), zijnde € 256,75, te vermeerderen met € 76,17 voor het exploot en derhalve € 332,92 in totaal.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [eiseres] en [eiseres sub 2] niet, althans tot niet meer dan de in art. 23 CMR jo art 25 CMR genoemde limieten door Also Actebis ter zake de in de dagvaarding omschreven schade aansprakelijk kunnen worden gehouden,

5.2. verklaart [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens [gedaagde] Transport Groep,

5.3. wijst de vorderingen jegens [gedaagde] (de gedaagde sub 1 en 2) af,

5.4. veroordeelt Also Actebis in een deel van de proceskosten van [eiseres] c.s., tot op heden gesteld op € 332,92,

5.5. veroordeelt [eiseres] c.s. in de proceskosten van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op € 1.479,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt [eiseres] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s., begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.