Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0739

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/5428
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulp bij het huishouden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser krijgt voor het bereiden van zijn broodmaaltijden - conform het beleid van verweerder - de maximale indicatie van 5 keer 15 minuten per week toegekend. Het maximeren van het voorbereiden van de broodmaaltijden tot vijf dagen per week, waardoor eiser niet dagelijks kan beschikken over brood dat diezelfde dag is gesmeerd, acht de rechtbank geen compensatie zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 12/5428

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

1. Besluit van verweerder van 21 augustus 2012 (hierna; besluit 1).

2. Besluit van verweerder van 1 oktober 2012 (hierna; besluit 2).

2. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft verweerder de voorziening van eiser in de vorm van hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vastgesteld op 4 uur per week na een wijziging van het beleid.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit 1 heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard, in zoverre dat het aantal uren huishoudelijke hulp is vastgesteld op 5 uur en 15 minuten, en voor het overige het besluit van 23 mei 2012 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is nogmaals bezwaar gemaakt, waarop door verweerder is beslist bij het in rubriek 1 aangeduide besluit 2.

Door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 januari 2013. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder ten onrechte onder besluit 1 de rechtsmiddelenverwijzing van bezwaar heeft vermeld. De besluiten 1 en 2 zijn inhoudelijk identiek zodat besluit 2 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Het (tweede) bezwaarschrift van 1 september 2012 tegen besluit 1 is door verweerder ten onrechte niet op grond van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank om te worden behandeld als beroep. De rechtbank neemt het bezwaar tegen besluit 1 alsnog in behandeling als zijnde een beroep. Het beroep dat door eiser is ingesteld tegen besluit 2 wordt als aanvullend beroep tegen besluit 1 beschouwd en in die hoedanigheid meegenomen in de beoordeling van de rechtbank. Voor zover door eiser is beoogd beroep in te stellen tegen besluit 2, zal de rechtbank dit beroep niet ontvankelijk verklaren.

2. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten vast. Eiser is beperkt in het voeren van zijn huishouden en is om die reden aangewezen op voorzieningen in het kader van de Wmo. Hij ontvangt de Wmo-voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden met ingang van mei 2011 voor 9 uur en 30 minuten per week. De voorziening is verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget. Door een beleidswijziging van verweerder per 1 januari 2012 heeft er een herindicatie plaatsgevonden. Deze herindicatie heeft geleid tot het primaire besluit van 23 mei 2012 en de bestreden besluiten, respectievelijk 4 uur per week en 5 uur en 15 minuten per week.

Boodschappen

3. Eiser voert aan dat hij te weinig tijd krijgt geïndiceerd voor het laten doen van de boodschappen. Verweerder heeft hiervoor aan eiser één uur per week toegekend. Eiser stelt dat hij hierdoor maar één keer in de week zijn boodschappen kan laten halen, omdat de supermarkt op enige afstand is gelegen. Hierdoor is het voor zijn hulpverlener onmogelijk om alle weekboodschappen in één keer (op de fiets) te halen. Eiser stelt voorts dat het merendeel van de Nederlanders twee en zelfs drie keer per week boodschappen doen. Doordat hij slechts één keer in de week boodschappen kan doen en zijn etenswaren dan niet vers kan halen, wordt hij niet voldoende gecompenseerd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er door het gewijzigde beleid geen verandering is gekomen in de tijd die is toegekend voor het laten halen van de boodschappen. Daarbij is het feit dat veel mensen twee keer of vaker per week boodschappen doen geen reden om hiervoor meer tijd te indiceren. De vastgestelde tijd is conform het beleid vastgesteld.

5. Ter zitting stelt eiser dat hij in principe wel van de boodschappendienst van Albert Heijn (AH) gebruik kan maken. AH bezorgt echter pas indien er een bedrag van minimaal € 75,00 wordt besteed en hij geeft dat niet iedere week uit aan de boodschappen.

6. De rechtbank overweegt dat in redelijkheid van eiser gevergd kan worden dat hij de zware boodschappen en de boodschappen die langdurig houdbaar zijn opspaart zodat het bedrag van € 75,00 wordt bereikt en deze boodschappen dan bijvoorbeeld eens per twee of drie weken te laten bezorgen. De resterende lichte en verse boodschappen kan eiser door zijn hulpverlener laten halen in het uur dat hiervoor per week is geïndiceerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van eiser kan worden verwacht dat hij op deze wijze gebruik kan maken van de boodschappendienst. Eiser is met het toegekende uur per week voor het doen van boodschappen voldoende gecompenseerd.

Warme maaltijden

7. Eiser voert vervolgens aan dat hij geen gebruik kan en wil maken van de maaltijdservice SWOA of Tafeltje Dekje. Eiser stelt dat hij last heeft van Artrogyposis Multiplex Congenita en dat hij – om verdere achteruitgang te voorkomen – gezonde en verse etenswaren nodig heeft. De maaltijdservice levert magnetronmaaltijden die niet als gezond en vers kunnen worden aangemerkt. Eiser stelt voorts dat de bezorgers van de maaltijdservice niet op wisselende tijden kunnen bezorgen en dat hij door zijn werktijden niet op vaste tijdstippen thuis is om het eten aan te nemen. De mogelijkheid om een huissleutel af te geven bij de maaltijdservice is voor eiser geen oplossing, omdat zijn privacy dan wordt geschonden.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maaltijdservice een voorliggende voorziening is die het verstrekken van een indicatie voor het bereiden van warme maaltijden in de weg staat.

9. De rechtbank overweegt dat de stellingen van eiser dat de (magnetron)maaltijden van de maaltijdservice niet gezond en/of vers niet zijn onderbouwd. Er zijn ook geen medische stukken waaruit blijkt dat eiser op objectieve gronden is aangewezen op speciale (dagverse) maaltijden. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (31 oktober 2012, LJN: BY2147) is een maaltijdservice een voorliggende voorziening, waardoor er geen noodzaak is om hulp voor het bereiden van de warme maaltijd te indiceren. De rechtbank merkt op dat er voor eiser voldoende aanvaardbare alternatieven zijn om daarnaast regelmatig een verse maaltijd tot zich te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maaltijdservice een voorliggende voorziening is die adequate compensatie biedt. Dit betekent dat de handhaving van de afwijzing tot het indiceren van tijd voor het bereiden van warme maaltijden in rechte stand houdt.

Broodmaaltijden

10. Eiser voert tot slot aan dat hij te weinig uren geïndiceerd heeft gekregen voor het bereiden van de broodmaaltijden en dus niet voldoende wordt gecompenseerd als bedoeld in artikel 4 van de Wmo.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aantal uren is vastgesteld overeenkomstig het nieuwe beleid. Het feit dat eiser onder het oude beleid zoveel uren is toegekend, betekent – achteraf gezien – dat er destijds te veel uren is toegekend voor het bereiden van broodmaaltijden. In het primaire besluit was geen tijd toegekend voor het bereiden van broodmaaltijden en in de bestreden besluiten is het aantal uren conform het beleid wel toegekend.

12. De rechtbank is van oordeel dat het aantal uren voor de overige – niet zijnde het bereiden van broodmaaltijden – activiteiten voor de hulp bij het huishouden door verweerder juist is vastgesteld. Uit de door de gemachtigde van verweerder ter zitting gegeven toelichting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de tijdnormering voor hulp bij het huishouden vanaf 1 januari 2012 zoals opgenomen in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Arnhem (hierna; Besluit) zorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten niet binnen de geïndiceerde uren kunnen worden uitgevoerd.

13. De rechtbank stelt vast dat in het Besluit voor het bereiden van de broodmaaltijden een tijdnormering van 15 minuten per keer, met een maximum van vijf keer per week is opgenomen. Aan eiser is ingevolge dit beleid 1 uur en 15 minuten toegekend. Verweerder heeft bij het maximeren van het aantal broodmaaltijdbereidingen tot vijf per week als uitgangspunt genomen dat de broodmaaltijden niet direct bij het smeren van het brood hoeven te worden genuttigd. Het gesmeerde brood kan worden verpakt en op een latere datum worden geconsumeerd.

14. De rechtbank overweegt dat het treffen van voorzieningen ter compensatie van de beperkingen van eiser als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo een resultaatsverplichting voor verweerder inhoudt. Verweerder heeft met dit beleid, zoals opgesteld in het Besluit, geen redelijke toepassing gegeven aan de wettelijke plicht tot compensatie zoals deze voortvloeit uit de Wmo. Met artikel 4 van de Wmo is beoogd dat degene die beperkingen ondervindt op een van de in genoemde bepaling genoemde resultaatsgebieden, in een vergelijkbare positie wordt gebracht als degene die geen beperkingen ondervindt. Dit resultaat kan naar het oordeel van de rechtbank alleen worden bereikt als zoveel mogelijk wordt aangesloten bij hetgeen bij iemand zonder beperkingen gebruikelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat een persoon als eiser elke dag de gelegenheid moet krijgen een verse broodmaaltijd tot zich te nemen. Het maximeren van het voorbereiden van de broodmaaltijd tot vijf dagen per week, waardoor eiser niet dagelijks kan beschikken over brood dat diezelfde dag is gesmeerd, acht de rechtbank daarom geen compensatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo.

15. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met de wet, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om ingevolge artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf te voorzien in de zaak en voor het voorbereiden van de broodmaaltijd zeven keer 15 minuten per week toekennen, waardoor de totale indicatie van de hulp bij het huishouden moet worden vastgesteld op 5 uur en 45 minuten per week. In zoverre zal de rechtbank het besluit van 23 mei 2012 herroepen.

16. Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

17. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1;

- herroept het besluit van 23 mei 2012;

- bepaalt dat aan eiser 5 uur en 45 minuten per week voor hulp bij het huishouden wordt toegekend;

- verklaart het beroep tegen besluit 2 niet ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 42,00 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Wolsink – van Veldhuizen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 4 april 2013.