Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0529

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
21-05-2013
Zaaknummer
05/800374-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

de rechtbank Gelderland heeft een 27 jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Gedurende de proeftijd dient de veroordeelde zich aan diverse voorwaarden te houden, waaronder reclasseringstoezicht.

veroordeelde werd verdacht van het mishandelen van zijn levensgezel alsmede dat hij haar enige tijd wederrechtelijk van haar vrijheid had beroofd en beroofd gehouden. De rechtbank acht de mishandeling van zijn levensgezel bewezen, maar niet de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/800374-13

Datum zitting : 07 mei 2013

Datum uitspraak : 21 mei 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : 2[geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in [PI].

raadsman : mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 4 februari 2013 op 5 februari 2013 te Arnhem in de gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [aangeefster], heeft geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt en/of met kracht bij haar hals heeft vastgepakt en/of met een mes, althans een scherp voorwerp een stuk van haar haren heeft afgesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 4 februari 2013 op 5 februari 2013 te Arnhem opzettelijk [aangeefster], zijnde zijn levensgezel, wederrechtelijk van de vrijheid heft beroofd en/of beroofd gehouden, door opzettelijk voornoemde persoon wederrechtelijk in de woning aan de [adres 2] aldaar vast te houden en/of die [aangeefster] heeft belet en/of belemmerd die woning te verlaten, door de deur(en) en/of raam/ramen die toegang tot die woning geven, op slot te draaien en/of op slot te houden, ondanks het verzoek van [aangeefster] om de woning te mogen verlaten.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 07 mei 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. B. Molenaar, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van politie Gelderland-Midden nr. PL078L 2013013315, gesloten op 7 februari 2013, met bijlagen, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d. 5 februari 2013 (pag. 37 e.v.), haar verhoor van 6 februari 2013 (pag. 40 e.v.) alsmede de door aangeefster voornoemd afgelegde verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2013;

- een geneeskundige verklaring d.d. 9 februari 2013 opgemaakt door de huisarts [huisarts] betreffende [aangeefster] (pag. 44);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 07 mei 2013.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de nacht van 4 februari 2013 op 5 februari 2013 te Arnhem in de gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangeefster], heeft geslagen, gestompt, geschopt en met kracht bij haar hals heeft vastgepakt waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen is. De gebeurtenissen in de nacht van 4 op 5 februari 2013 dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Aangeefster is behoorlijk mishandeld waarbij met een mes haren zijn afgesneden. Weliswaar levert dit laatste geen mishandeling op, maar de officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dit wel gedaan heeft. Deze handeling is te kwalificeren als een vorm van dwang, heeft angst ingeboezemd en is een factor die meegewogen moet worden. Aangeefster kon weliswaar weg via het raam boven het aanrecht in de keuken, maar heeft dit niet gedaan omdat haar kinderen dan bij verdachte in de woning zouden achterblijven. Bij de rechter-commissaris verklaart aangeefster ook dat verdachte haar telefoon had en dat zij weg wilde. Verdachte zou, aldus aangeefster, gezegd hebben dat zij niet weg mocht waarna verdachte de deur op slot gedaan heeft. Verdachte erkent tegen aangeefster te hebben gezegd dat zij niet weg mocht en erkent ook dat hij de deur op slot heeft gedraaid. Verdachte stelt alleen dat hij de deur al eerder op slot had gedraaid. Verdachte stelt dat aangeefster wist waar de reservesleutel lag. Dat er een reservesleutel was, staat niet in de weg aan bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Aangeefster beschikte niet over de reservesleutel en niet ter discussie staat dat toen aangeefster wederom de woning wilde verlaten, zij verdachte om de sleutel heeft gevraagd. Voorts is sprake van de nodige vernedering van aangeefster en zegt aangeefster nog aan verdachte te hebben gevraagd haar te laten gaan.

Dit alles bij elkaar maakt dat naar het oordeel van de officier van justitie sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gepleit voor vrijspraak. Verdachte is heel stellig en consequent in zijn verklaring dat hij al bij binnenkomst, zoals gebruikelijk was, de deur op slot heeft gedraaid. De problemen tussen hem en aangeefster ontstonden pas later die avond nadat verdachte berichten in de telefoon van aangeefster las. De chronologie van het gebeuren is in deze van belang. Met betrekking tot dat wat zich in het begin van de ruzie zou hebben afgespeeld, het moment dat verdachte aangeefster vastpakt en zegt dat zij nergens heen mocht, zou wellicht gesproken kunnen worden van een wederrechtelijke vrijheidsbeneming. Daarna niet meer. Vervolgens gaat de ruzie door en pleegt verdachte fysiek geweld jegens aangeefster.

Toen de hond de volgende ochtend uitgelaten moest worden, heeft verdachte de deur voor haar geopend. Toen aangeefster bij de buurvrouw zat is niet gesproken over “het vluchten” uit de woning en dat is naar het oordeel van de verdediging een teken aan de wand. Aangeefster stelt in haar latere verklaring bij de rechter-commissaris dat zij gelegenheid had de woning te verlaten. Zij is dus niet vastgehouden. Aangeefster wilde echter niet weg, maar had daartoe wel de mogelijkheden. Aangeefster dacht bovendien dat verdachte haar sleutels had achtergehouden, maar die bleken later achter het fornuis te zijn gevallen. Voorst stelt verdachte dat hij aangeefster in het begin niet heeft vastgepakt en tegengehouden om haar van haar vrijheid te beroven, maar omdat hij de ruzie uit wilde praten. Gelet op de situatie waarin een en ander plaats vond, schiet het te ver door om de situatie als wederrechtelijke vrijheidsberoving te kwalificeren.

Bespreking van de standpunten

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken maakt de rechtbank onderscheid tussen hetgeen zich in het begin van de ruzie tussen aangeefster en verdachte heeft afgespeeld en de periode daarna tot de volgende ochtend toen aangeefster de woning verliet en naar de buurvrouw is gegaan. Met het begin doelt de rechtbank op de situatie dat er reeds ruzie tussen aangeefster en verdachte was en aangeefster de woning wilde verlaten maar door verdachte werd tegengehouden met de woorden “jij gaat nergens heen”.

Voor wat betreft de periode na het hiervoor bedoelde begin van de ruzie tot de volgende ochtend toen aangeefster de woning verliet om de hond uit te laten, is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat in deze niet gesproken kan worden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Anders dan aangeefsters bij de politie verklaarde, waren niet alle ramen en deuren afgesloten. Zij verklaart immers bij de rechter-commissaris dat het keukenraam gewoon geopend kon worden en dat zij de hele tijd weg kon. Dit keukenraam komt uit op de galerij en aangeefster had, zo zij dit gewild had, via dat raam de woning kunnen verlaten. Dat aangeefster zelf de keuze maakte de woning niet te verlaten aangezien haar kinderen dan in de woning bij verdachte zouden achter blijven, doet daar niet aan af. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij niet bang was dat verdachte haar kinderen wat zou aandoen. Van dwang op aangeefster door bedreiging van haar kinderen is geen sprake.

Vaststaat dat aangeefster (in het begin van de ruzie tussen haar en verdachte) op enig moment de woning wilde verlaten. Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaarde aangeefster omtrent dit moment: “Hij had mijn telefoon. Ik wilde weg. Hij duwde mij terug. Ik zei dat ik naar de buurvrouw wilde. Hij zei “neen, je gaat niet”. Of verdachte de voordeur toen op slot deed, of al eerder had gedaan, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Aangeefster werd immers op dat moment door verdachte fysiek tegengehouden toen zij de woning wilde verlaten. Verdachte erkent ook dat hij aangeefster op dat moment belette de woning te verlaten, maar verdachte ontkent de opzet op vrijheidsberoving. De vraag is of dit beletten een wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht oplevert. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Met betrekking tot de vraag of zeer korte beperkingen van een vrijheid van beweging als “vrijheidsberoving” in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt, wordt in de jurisprudentie een lage drempel aangehouden. Situaties waarin sprake was van een vrijheidsbeneming van ongeveer zeven minuten kunnen als wederrechtelijke vrijheidsberoving worden aangemerkt.

Uit het dossier valt niet op te maken hoe lang de situatie dat aangeefster belet werd de woning te verlaten geduurd heeft.

Aangeefster en verdachte hadden ruzie aangezien verdachte seksueel getinte pingberichten gelezen had op de mobiele telefoon van aangeefster. Verdachte stelt dat hij aangeefster tegen hield de woning te verlaten omdat hij daarover wilde praten. Dat dit praten vervolgens uitmondde in een mishandeling zoals onder 1 tenlastegelegd doet daaraan niet af aangezien op het moment van de mishandeling de situatie van het beletten de woning te verlaten, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, al voorbij was..

Het kortstondig beletten van aangeefster de woning te verlaten teneinde te verhinderen dat zij zich aan het gesprek onttrok, is naar het oordeel van de rechtbank geen “vrijheidsberoving”in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken. In een situatie waarin partners ruzie hebben (zonder dit in algemene zin te willen goedkeuren), levert het “slechts kortstondig tegenhouden” van de ene partner door de ander met de opzet om over het conflict te praten niet direct in strafrechtelijk zin wederrechtelijke vrijheidsberoving op.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarde vordert de officier van justitie reclasseringstoezicht conform het advies van de reclassering Nederland.

De officier van justitie komt tot deze eis vanwege de ernst van de feiten. Juist in de eigen woning dient men zich veilig en geborgen te moeten kunnen voelen. De angst heeft er op een bepaald moment behoorlijk ingezeten bij aangeefster, ondanks het feit dat zij later ten overstaan van de rechter-commissaris haar verklaring genuanceerd heeft. Met de omstandigheid dat ondanks het gebeuren aangeefster en verdachte bij elkaar willen blijven is in de eis rekening gehouden.

Het standpunt van de verdediging

Een strafoplegging zal volgen, aldus de verdediging. Aangeefster en verdachte willen een toekomst met elkaar als gezin. Aangeefster wil niet dat verdachte langer vast blijft zitten. Gepleit wordt een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 06 februari 2013;

• een tweetal voorlichtingsrapporten van de reclassering Nederland d.d. 07 februari 2013 en 19 april 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn levensgezel ernstig mishandeld. Het is niet bij een droge klap gebleven, maar verdachte heeft zijn levensgezel geslagen, gestompt, geschopt en hardhandig bij haar hals gepakt waardoor zij pijn en letsel heeft bekomen. Deze wijze van mishandelen, welke mishandeling plaatsvond in de woning van aangeefster, is bijzonder heftig geweest, hetgeen te zien is aan de door aangeefster opgelopen verwondingen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, temeer nu verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest terzake het plegen van geweldsdelicten.

De rechtbank zal volstaan met een straf die nagenoeg gelijk is aan de reeds door hem ondergane voorlopige hechtenis. Verdachte werkt al mee aan de agressietraining in de PI en verdachte onderkent ook een agressieprobleem te hebben en daaraan te willen werken. Uit het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport blijkt voorts dat verdachte en aangeefster samen verder door het leven willen als gezin.

Naast het onvoorwaardelijk deel zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering Nederland voorgesteld.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 3 (drie) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. dat veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 3 dagen telefonisch melden bij de reclassering te Arnhem. Vervolgens moet hij zich blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode dat nodig acht;

5. zich verplicht, gezien de samenhang van het delictgedrag en agressieprobleem of althans persoonlijkheidsproblematiek leidend tot agressief gedrag, ambulant laat begeleiden/behandeling door Kairos of een soortgelijke instelling.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mrs. G.M.L. Tomassen (voorzitter), M.C. Gerritsen en J.J.H. van Laethem, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2013.