Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0322

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
238139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringsincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/238139 / HA ZA 13-8

Vonnis in incident van 3 april 2013

in de zaak van

[verweerders in het incident]

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.W. van der Linde te Wageningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDE,

zetelend te Ede,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [verweerders] Zij zullen afzonderlijk [verweerder sub 1], [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] genoemd worden. Gedaagde zal hierna de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vaststaande feiten

2.1. [verweerders] zijn eigenaren van percelen grond in Bennekom, gemeente Ede aan de [locatie]. Zij zijn met de gemeente overeengekomen dat de gemeente op hun (agrarische) percelen woningbouw mogelijk zou maken door het bestemmingsplan te wijzigen.

2.2. De gemeente was daartoe bereid in het kader van de zogenoemde “Ruimte voor Ruimte regeling” (RVR-regeling), die haar oorsprong vindt in het door het Rijk gevoerde mestbeleid. Kern van dit beleid is het wegsaneren van intensieve veehouderij om aan de Europese nitraatrichtlijn te voldoen. Het beëindigen van intensieve veehouderijen gebeurt door in ruil bouwmogelijkheden op de voormalige agrarische percelen of elders mogelijk te maken. Voorwaarde van gebruik van deze mogelijkheid is de storting van een bedrag door de gemeente in een provinciaal fonds om de sloop van agrarische bedrijfsruimten te financieren.

2.3. Met het oog op het voorgaande is in de considerans van de overeenkomsten tussen [verweerders] en de gemeente van 6/7 april 2009 onder meer, onder a, opgenomen:

“de Gemeente is met de provincie Gelderland d.d. 21 december 2006 de overeenkomst in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling, locatie [locatie] aangegaan, welke overeenkomst voorziet in het scheppen van planologische ruimte voor het realiseren van vijf zogenaamde Ruimte voor Ruimte woningen (hierna te noemen en af te korten tot ‘RVR-woning[en]’) binnen de locatie [locatie] onder gehoudenheid van de Gemeente de financiële bijdrage ad € 91.000,00 per RVR-woning die de provincie Gelderland bij de Gemeente in rekening brengt (…) aan de provincie Gelderland te voldoen.”

In die overeenkomsten staat verder dat de gemeente zich zal inspannen dat na een verkregen ontvankelijke aanvraag de benodigde bouwvergunning voor de RVR-woning voor het perceel zal worden verleend (artikel 3.3) en dat de eigenaar de financiële bijdrage voor de RVR-woning ad € 91.000,-- aan de gemeente voldoet (artikel 4.1).

2.4. In de hiervoor bedoelde overeenkomst tussen de gemeente en de provincie Gelderland van 21 december 2006 staat onder meer dat de provincie “onder financiële voorwaarden, welke geheel ten goede zullen komen aan de bekostiging van de sloopregeling, de planologische ruimte wil scheppen voor gemeentes om woningen te realiseren” (considerans), dat partijen streven naar het planologisch mogelijk maken van vijf RVR- woningen in het cluster Bennekom [locatie] op onder meer de percelen van [verweerders] (artikel 3.1) en dat de gemeente aan de provincie een geldbedrag verschuldigd is van € 91,000,-- per RVR-woning (artikel 5.3). Verder staat in artikel 4.3:

“Als de gemeente, op grond van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak, waarin de uitgangspunten van Ruimte voor Ruimte worden aangetast, gehouden is schadevergoeding uit te keren aan kopers van RvR-woningen, dan is de provincie gehouden de schade die de gemeente daarbij oploopt te vergoeden. Over de aard van de hieraan toe te rekenen posten en de hoogte van de vergoeding vindt overleg plaats tussen gemeente en provincie”.

2.5. De gemeente heeft met het oog op artikel 3 van de overeenkomst met [verweerders] bij besluit van 17 december 2009 het bestemmingsplan “[bestemmingsplan] en omgeving [locatie]” vastgesteld. Dat bestemmingsplan is op 2 maart 2012 onherroepelijk geworden.

2.6. Zowel [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als [verweerder sub 3] hebben de overeengekomen € 91.000,-- aan de gemeente voldaan. De gemeente heeft deze bedragen aan de provincie Gelderland betaald.

3. Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

3.1. In de hoofdzaak hebben [verweerders] gevorderd:

a. te verklaren voor recht dat de betalingsverplichtingen, neergelegd in artikel 4.1 van de tussen hen met de gemeente gesloten overeenkomsten van 6/7 april 2009, nietig zijn,

b. te verklaren voor recht dat de gemeente gehouden is al hetgeen [verweerders] uit hoofde van die nietige bepalingen aan de gemeente hebben betaald, terug te geven wegens onverschuldigdheid van de gedane betalingen, te weten, aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] € 91.000,-- aan hoofdsom en € 2.543,01 aan rente, en aan [verweerder sub 3] eveneens € 91.000,-- aan hoofdsom en € 4.001,51 aan rente.

[verweerders] hebben ten slotte gevorderd de gemeente te veroordelen aan hen te betalen een bedrag van € 2.842,-- wegens buitengerechtelijke kosten.

Zij hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat uit de wet en de jurisprudentie volgt dat de in de met de gemeente gesloten overeenkomsten neergelegde betalingsverplichtingen nietig zijn wegens onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht.

3.2. Voor alle weren heeft de gemeente gevorderd dat haar wordt toegestaan de provincie Gelderland in vrijwaring op te roepen. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat de bedoelde betalingsverplichting uitsluitend is bedongen vanwege de verplichting die de gemeente had tot betaling van hetzelfde bedrag aan de provincie voor het gebruik van de RVR-regeling, welke verplichting is neergelegd in een overeenkomst tussen de gemeente en de provincie van 21 december 2006. Uit deze overeenkomst volgt volgens de gemeente dat de betalingen die door [verweerders] zijn gedaan onlosmakelijk in verband staan met de financiële voorwaarden die de provincie in dit kader aan de gemeente heeft opgelegd. Bovendien omvat die overeenkomst in artikel 4.3 de verplichting voor de provincie enige schade die de gemeente moet vergoeden aan [verweerders] bij een rechterlijke uitspraak waarin het gebruik van de RVR-regeling wordt aangetast, aan de gemeente te vergoeden.

[verweerders] hebben deze vordering gemotiveerd weersproken.

4. De beoordeling van het geschil

In het incident

4.1. [verweerders] hebben allereerst opgeworpen dat de vordering moet worden afgewezen, omdat een eventueel geschil tussen de gemeente en de provincie los staat van de rechtsvraag die in de hoofdzaak moet worden beslecht. De betaling van de gemeente aan de provincie is gedaan uit hoofde van een overeenkomst met als doel het bekostigen van de provinciale sloopregeling, terwijl de betaling die [verweerders] hebben gedaan aan de gemeente is gegrond op een (nietige) grondexploitatieovereenkomst, aldus [verweerders]

4.2. Dat verweer faalt. De eis dat tussen de vordering in de hoofdzaak en de vordering in vrijwaring een rechtstreeks verband bestaat wordt niet gesteld. Om een vordering tot oproeping in vrijwaring te kunnen toewijzen is vereist dat de vordering tegen de waarborg (de provincie) afhankelijk is van de vordering in de hoofdzaak in die zin, dat de eerstgenoemde vordering alleen toewijsbaar zal zijn, omdat in de hoofdzaak een voor de gewaarborgde (de gemeente) ongunstig vonnis wordt gewezen (HR 10 april 1992, NJ 1992, 446). Uit de hiervoor weergegeven feiten volgt voldoende dat er verband bestaat tussen de vordering in de hoofdzaak en die welke de gemeente wenst geldend te maken tegen de provincie in de vrijwaringszaak in die zin, dat de beslissing in de vrijwaringszaak hoe dan ook afhankelijk is van het in de hoofdzaak te geven antwoord op de vraag of de gemeente, uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens nietigheid van de in de met [verweerders] gesloten overeenkomsten neergelegde betalingsverplichting, de door [verweerders] betaalde bedragen moet terugbetalen. Dat verband valt niet alleen te lezen in de overwegingen van de beide overeenkomsten van 21 december 2006 en 6/7 april 2009, maar ook in het hiervoor geciteerde artikel 4.3 van de overeenkomst tussen de gemeente en de provincie van 21 december 2006. Dat is al met al voldoende, zodat aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring in beginsel is voldaan. Of de rechtsverhouding tussen de gemeente en de provincie ook daadwerkelijk tot aansprakelijkheid van de provincie leidt en of de door [verweerders] van de gemeente gevorderde betalingen, indien toewijsbaar, vallen aan te merken als schade in de zin van voormeld artikel, betreft onderwerpen die in dit incident niet aan de orde zijn, maar in de afzonderlijke vrijwaringsprocedure tussen de gewaarborgde en de waarborg zonodig aan de orde kunnen komen. Het is op grond van dit laatste dat ook het verweer van [verweerders], dat uit bedoeld artikel 4.3 van de overeenkomst volgt dat de provincie niet verplicht is de gemeente te vrijwaren, faalt. Dat is een kwestie van uitleg en behoort, indien nodig, eveneens in de vrijwaringsprocedure zelf aan de orde te komen.

4.3. [verweerders] hebben ook nog opgeworpen dat de rechtbank niet bevoegd is van het geschil tussen de gemeente en de provincie kennis te nemen, omdat tussen deze partijen (nog) niet het in de artikelen 4.3 en 6.2 van de tussen hen gesloten overeenkomst vereiste overleg heeft plaatsgevonden.

Als dat al zo zou zijn, dan raakt dat niet de bevoegdheid van de rechtbank. Of een eventueel ontbreken van het vereiste overleg tot processuele gevolgen moet leiden behoort eveneens in de vrijwaringsprocedure aan de orde te komen en is in het kader van deze procedure niet relevant.

4.4. [verweerders] hebben verder opgeworpen dat de hoofdzaak onnodig zal worden vertraagd als de vordering tot vrijwaring zal worden toegewezen.

Ook aan dat verweer zal worden voorbijgegaan. Uit een oogpunt van een efficiënte rechtshandhaving heeft de gezamenlijke behandeling van de zaken voor dezelfde rechter de voorkeur. Niet aannemelijk is dat de hoofdzaak onredelijk of onnodig vertraagd wordt door de gezamenlijke behandeling. Daarbij komt dat zonodig eerst in de hoofdzaak afzonderlijk kan worden beslist. Het is de taak van de (rol)rechter hierbij toezicht op een behoorlijke procesvoering te houden en onnodig vertragingen te verhinderen.

4.5. Dat de kosten van de procedure door toewijzing van de vordering tot vrijwaring onnodig zouden kunnen oplopen, zoals [verweerders] ten slotte hebben aangevoerd, is niet te verwachten, met name niet gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 (NJ 2012/213), waarin is geoordeeld dat voor het doorschuiven van de proceskosten van de vrijwaringszaak naar de hoofdzaak geen grond bestaat.

4.6. De slotsom is dat de incidentele vordering zal worden toegewezen. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. staat toe dat provincie Gelderland door de gemeente wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 15 mei 2013,

5.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 mei 2013 voor conclusie van antwoord,

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Boon en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.

Coll.: ED