Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0047

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
05-720073-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van 2 feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdstrafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummer: 05/720073-13

Uitspraak d.d. 7 mei 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

raadsman: mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2013.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging ter terechtzitting van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 september 2012 te Hierden, gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of

goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, als volgt heeft/hebben gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of diens mededader, zich op een eerder tijdstip die dag begeven naar de woning van die [benadeelde partij 1] voornoemd ([adres 2]) en/of de situatie/locatie aldaar geobserveerd en/of

afgelegd en/of een raam en/of een hor van een raam van die woning heeft/hebben geforceerd en/of op een later tijdstip die dag zich wederom heeft/hebben begeven naar die woning en/of voor het keukenraam van de woning van die [benadeelde partij 1] is/zijn gaan staan met een (bivak)muts en/of een panty over het hoofd, althans met gezichtsverhullende kleding over het hoofd en/of dreigend tegen die [benadeelde partij 1] heeft/hebben geroepen : "Open, open, geld, geld" en/of "overval, overval" en/of (nadat die [benadeelde partij 1] had geroepen dat ze geen geld had) een zogenaamd snijdend(e) gebaar/beweging langs de keel heeft/hebben gemaakt en/of meermalen, althans eenmaal met kracht tegen de voordeur van die woning heeft/hebben getrapt en/of met een (stenen) voorwerp het raam van de voordeur heeft/hebben ingegooid of ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

(zaaksdossier II)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 september 2012 te Harderwijk, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld (en/of goederen van zijn/hun gading), geheel of ten dele toebehorend[benadeelde partij 2]nadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of diens mededader zich begeven naar de woning van die [benadeelde partij 2] voornoemd ([adres 3]) terwijl hij/zij zijn/hun gezicht(en)geheel of gedeeltelijk had(den) bedekt met een muts en/of een capuchon, althans met gezichtsverhullende kleding over het hoofd en/of heeft/hebben verdachte en/of diens mededader zich (vervolgens) geposteerd aan de voorkant en/of aan de achterkant van die woning en/of heeft/hebben verdachte en/of diens mededader een of meermalen aangebeld bij die woning en/of toen die [benadeelde partij 2] voornoemd de voordeur opende, met kracht tegen die deur geduwd/gedrukt en/of vervolgens met kracht tegen die deur heeft geschopt/getrapt waarbij de ruit van die deur is ingetrapt en/of heeft/hebben verdachte en/of diens mededader vervolgens de ruit van de achterdeur ingetrapt

en/of ingeslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

(zaaksdossier IV)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Aanleiding van het onderzoek

Op zondag 16 september 2012, omstreeks 20.43 uur, kwam bij de meldkamer van Noord- en Oost-Nederland de melding binnen van een poging tot een overval. Deze was gepleegd op de alleen wonende 84-jarige bewoonster van de woning [adres 2] te Hierden.

De politie heeft onderzoek naar soortgelijke feiten verricht. Het gaat om feiten die alle in dezelfde omgeving zijn gepleegd en alle in het weekend. Een van de feiten is een poging tot een overval in een woning aan de [adres 3] te Harderwijk.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde, te weten voor beide feiten een poging tot afpersing en een poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft bepleit, overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, nu de verdachte de feiten heeft ontkend te hebben gepleegd. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman – kort weergegeven - aangevoerd dat de door verdachte afgelegde verklaring in een gesprek dat de politie met de ouders en verdachte hebben dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat ten onrechte verzuimd is verdachte de cautie te geven, waardoor zijn verklaring onrechtmatig is verkregen. Zodoende is ook de vraag naar welke schoenen verdachte in bezit had onrechtmatig. De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de schoenen van de verdachte ook onrechtmatig zijn verkregen, zodat deze ook niet kunnen bijdragen aan het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat het door de politie veiliggestelde schoenspoor niet kan bijdragen aan het bewijs tegen de verdachte, nu geen sprake is van een match met de schoenen van de verdachte maar van een globale overeenkomst. De raadsman heeft voorts betoogd dat de belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Aldus is niet voldaan het bewijsminimum in de zin van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman primair aangevoerd dat de vingerafdrukken die zijn aangetroffen op het raam van de voordeur niet toebehoren aan de verdachte. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat een enkele vingerafdruk onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen nu dit niets zegt over eventuele wetenschap en het tijdstip daarvan dan wel betrokkenheid bij het ten laste gelegde. Naast de vingerafdruk is er geen bewijs voorhanden dat de verdachte betrokken zou zijn geweest bij het ten laste gelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij met anderen op 16 september 2012 te Hierden een poging diefstal heeft gepleegd in de woning dan wel een poging afpersing heeft gedaan.

Uit het dossier blijkt van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft in haar aangifte – zakelijk weergegeven – verklaard dat op 16 september 2012 rond 20.30 uur bij haar woning aan de [adres 2] in Hierden een poging tot inbraak is gedaan. Zij zag langs het keukenraam twee schimmen wegrennen in de richting van de openbare weg. Vanuit de voorkamer zag ze nog net een schim aan het einde van de oprit. Zij zag een persoon voor het keukenraam staan, die een soort muts over zijn hoofd trok en dwingend riep: “Open, open, geld, geld”, daarbij wijzende naar de voordeur. Hij maakte een handgebaar bij de keel. De jongen liep naar de voordeur en ze hoorde een aantal harde klappen of schoppen op de deur. Ze is toen naar de voordeur gelopen en heeft de beugel erop gedaan (extra slot). Op dat moment stond ze oog in oog met de jongen, omdat de voordeur is voorzien van een glazen raam. Ze kon alleen zijn ogen en mond zien, de rest was bedekt. Ze liep terug naar de keuken en zag vanuit het keukenraam dat de jongen een stenen vogeltje uit de tuin pakte en daarmee het ruitje van de voordeur mee ingooide. Aangeefster heeft hem toegeroepen dat riep dat ze al iemand gebeld had. Ze is toen weer teruggelopen naar de keuken en heeft de jongen niet meer gezien.

Ze beschrijft de jongen als volgt: [omschrijving].

Getuige [getuige] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij een neef is van aangeefster [benadeelde partij 1] en op 16 september 2012 in de woning van zijn tante was. Die dag heeft hij tussen 16:50 uur en 16.30 uur iemand op het dak gezien van de naast de woning gelegen schuren. Signalement: [omschrijving].

Achter de woning van aangeefster werden indrukken van drie verschillende schoenzolen aangetroffen op zanderige delen op de scheiding tussen tegels, het gazon en de achtergevel. Een van de schoenzolen betrof een ruitjesprofiel. De schoenzoolindrukken werden gegipst en nader onderzocht. Door de deskundige werd vastgesteld dat het waarschijnlijk ging om onder andere schoenen van de merken “Vans” en ”Le Coq Sportif”. Onder verdachte werd een paar schoenen van het merk “Vans” in beslag genomen. In het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek is gerelateerd dat de schoenindruk spoor met het ruitjesprofiel is vergeleken met het schoenspoor van de onder verdachte inbeslaggenomen linkerschoen van het merk “Vans”. De deskundige stelde vast dat het profiel, ruitjes, overeenkwam en de maatvoering globaal.

Op 28 januari 2013 werd medeverdachte [medeverdachte 1] door de politie aangehouden. Hij heeft op 29 januari 2013 bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in september 2012 bij die mevrouw is geweest. Hij had dat raam niet kapot gegooid. Hij had niet op het dak gelegen, hij had geen plan gemaakt en hij had die vrouw niet geobserveerd. Bij de hoofdingang is een raam ingegooid. Daar wilden hij en zijn beste vriend [verdachte], verdachte, een raam open maken, maar dat lukte niet.

Zij hadden die middag gekeken bij de woning. Later gingen zij naar huis en vervolgens hadden ze weer afgesproken bij het huisje van de verdachte. Zij waren allebei in het zwart gekleed en hadden een soort panty op. Die hadden zij gekocht voor vermomming. Toen zij voor het raam stonden, zagen zij die vrouw op een stoeltje zitten. Ze stond op. Zij riepen allebei: “Overval.“ De ander gooide het raam in met een stenen vogeltje. Die kwam van de oprit. De vrouw wilde niet open doen. Iemand, [medeverdachte 1] wilde geen noemen, had ’s middags al het licht omgedraaid. Op de vraag of verdachte het licht had omgedraaid, antwoordde [medeverdachte 1] bevestigend.

Op 14 januari 2013 heeft [medeverdachte 2] bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat hij samen met een ander bij een vrouw op of in de buurt van het park had geprobeerd in te breken of te overvallen en dat iemand was aangehouden. Van die jongen was een schoenafdruk gevonden. [medeverdachte 1] had die jongen gezegd dat hij van het dak af moest springen. [medeverdachte 1] heeft de naam van die jongen wel genoemd maar [medeverdachte 2] kon zich die naam niet spontaan herinneren. Als de politie de naam van [verdachte] noemt, verklaart [medeverdachte 2] dat [verdachte] de naam is die [medeverdachte 1] noemde. Die jongen is van dat dak afgesprongen en daar is toen een voetafdruk van achter gebleven, aldus [medeverdachte 2].

De rechtbank stelt vast dat voor wat betreft de tegen verdachte gerezen ernstige bezwaren, het meest in het oogspringend is de belastende verklaring van zijn (destijds) goede vriend en medeverdachte [medeverdachte 1], die stelt samen met verdachte de mislukte overval te hebben gepleegd. [medeverdachte 1] weet details te noemen die erop duiden dat hij beschikt over daderkennis. Opmerkelijk is dat verdachte geen verklaring heeft kunnen en willen geven waarom zijn vriend hem zo ernstig heeft belast.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de belastende verklaring van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar moet worden geacht, merkt de rechtbank op dat de verdediging ondanks dit gevoerde verweer kennelijk geen belang heeft gezien in het nader doen horen van [medeverdachte 1] teneinde dit verweer zo mogelijk (nader) te kunnen onderbouwen.

Het bovenstaande daargelaten, overweegt de rechtbank dat - om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van voldoende wettig bewijs - de verklaring van [medeverdachte 1] hoe dan ook in belangrijke mate steun zal moeten vinden in ander bewijsmateriaal.

Voor zover door de officier van justitie in dit verband een rol van betekenis is toegekend aan de van-horen-zeggen verklaring van [medeverdachte 2], overweegt de rechtbank dat diens verklaring, nog los van de vaststelling dat deze inhoudelijk summier is, als bron uitlatingen van [medeverdachte 1] heeft en dus niet als zelfstandig steunbewijs kan worden aangemerkt.

Aangeefster [benadeelde partij 1] en getuige [getuige] hebben, zoals hierboven weergegeven, signalementen gegeven van één van de daders. De raadsman heeft aangevoerd dat het signalement van de dader die op het dak is gezien qua huidskleur en lengte niet overeenkomt met die van de verdachte. De raadsman heeft aangegeven dat de verdachte 1.78 meter is.

De signalementen die zijn gegeven door [benadeelde partij 1] en [getuige] zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen - en op een enkel punt te afwijkend van de uiterlijke kenmerken van verdachte - om als belastend voor verdachte te kunnen gelden. De rechtbank heeft uit eigen waarneming geconstateerd dat de verdachte geen bruine huidskleur heeft.

Ten aanzien van het vergelijkend schoenspooronderzoek overweegt de rechtbank dat de deskundige heeft vastgesteld dat het ruitjesprofiel overeenkwam en de maatvoering globaal. Anders dan de officier van justitie en nog daargelaten de vraag of desbetreffende schoenen van verdachte door de politie rechtmatig zijn verkregen, acht de rechtbank de onderzoeksresultaten van de schoensporen te algemeen om als doorslaggevend, objectief steunbewijs te kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt aldus vast dat de verklaring van [medeverdachte 1], wat verder dus ook zij van de betrouwbaarheid van die verklaring, in onvoldoende mate steun vindt in alle overige door de officier van justitie aangevoerde bewijsmiddelen, zowel zelfstandig als in onderlinge samenhang bezien.

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, de nodige ernstige vermoedens naar voren komen dat verdachte is betrokken bij de poging tot woninginbraak, maar dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2

Op 22 september 2012 heeft [benadeelde partij 2] aangifte gedaan van een poging tot inbraak in haar woning aan de [adres 3] te Harderwijk.

Op 23 september 2012 is technisch onderzoek verricht naar sporen in verband met een vermoedelijke poging tot diefstal in/uit de woning van aangeefster [benadeelde partij 2]. Bij dit onderzoek werden op het bovenste glasdeel van de voordeur fragmenten van dactyloscopische sporen aangetroffen, te weten twee handpalmen met daarboven afdrukken van vingers. Deze sporen werden veiliggesteld voor onderzoek.

Uit dit onderzoek komt verder naar voren dat in de zijtuin van de woning in de aarde van een bloemperk fragmenten van schoensporen zijn aangetroffen. Ook deze sporen werden veiliggesteld.

De sporen met betrekking tot de vingerafdrukken werden vergeleken met de vingerafdrukken van de verdachte. In het rapport dactyloscopisch sporenonderzoek is geconcludeerd dat door ten minste twee dactyloscopische deskundigen, afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar, zowel een zeer grote mate van overeenkomst als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de referentieafdruk is geconstateerd. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.

In het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek is gerelateerd dat het profiel van het schoenspoor dat in het bloemperk was aangetroffen overeenkomst vertoont met de onder medeverdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen schoenen.

Verdachte heeft bij de politie het hem onder 2 ten laste gelegde ontkend.

De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen vingerafdruk van de verdachte op de plaats delict de enige aanwijzing vormt dat verdachte betrokken is geweest bij de poging tot woninginbraak. Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitkomst van het onderzoek van de vingerafdrukken uit te sluiten van het bewijs, nu zij geen redenen heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dat onderzoek.

De op/bij de plaats delict aangetroffen schoensporen belasten de verdachte niet, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] in dit geval evenmin. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aangetroffen vingerafdruk van de verdachte op het glas in de voordeur onvoldoende is om tot wettig bewijs te komen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 300,-, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 250,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De benadeelde partijen worden verwezen in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (feit 1) en [benadeelde partij 2] (feit 2)

niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

• verwijst de benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

• heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Vos, voorzitter tevens kinderrechter, Cremers en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2013.

Mr. Van der Hooft is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.