Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ9364

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
06/850683-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

team strafrecht

zittingsplaats Zutphen

meervoudige kamer

parketnummer: 06/850683-12

uitspraak d.d.: 3 mei 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. Ten Doesschate, advocaat te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2013.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 april 2013 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2006 tot en met 7 juli 2010 in Terwolde en/of Teuge en/of Twello, in ieder geval in Nederland,

met [slachtoffer1], geboortedatum [geboortedatum],

zijnde verdachtes minderjarige kleindochter welke aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd,

(buiten echt) opzettelijk ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte de borsten en/of vagina van die die [slachtoffer1] betast en/of zich opzettelijk ontuchtig door die [slachtoffer1] aan zijn penis laten betasten;

art 247 Wetboek van Strafrecht

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 22 juni 2007 tot en met 21 juni 2008 in Terwolde en/of Teuge, in ieder geval in Nederland,

met [slachtoffer2], geboortedatum [geboortedatum],

zijnde verdachtes minderjarige kleindochter welke aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd,

(buiten echt) opzettelijk ontuchtige handelingen gepleegd, immers heeft verdachte de borsten en/of vagina van die die [slachtoffer2] betast;

art 247 Wetboek van Strafrecht

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Niet-ontvankelijkheidverweer

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Nog voordat [slachtoffer1] en [slachtoffer2] aangifte hebben gedaan is er een (informatief) gesprek met hen gevoerd door [brigadier], brigadier van politie, in het bijzijn van een ‘vertrouwenspersoon’ in de persoon van de moeder van een vriendin van [slachtoffer1]. De aangeefsters hebben dit ervaren als een gesprek met een politieagent in functie. Dit is in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. Het is van het grootste belang dat professioneel, adequaat en zorgvuldig wordt gehandeld in zaken als deze, zodat de kans op beïnvloeding door een verhoorder zoveel mogelijk wordt verkleind. Er kan op geen enkele manier meer worden vastgesteld wat aangeefsters zouden hebben verklaard indien het verzuim niet zou hebben plaatsgevonden. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, waardoor de behandeling van de zaak niet meer voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Om die reden dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat brigadier van politie [familievriend] al heel lang een vriend van de familie [slachtoffers] is. Om die reden is er door de familie navraag bij hem gedaan. [familievriend] heeft vervolgens als vriend van de familie uit betrokkenheid, en niet uit hoofde van zijn dienstbetrekking, een gesprek met [slachtoffer1] en [slachtoffer2] gevoerd. Hij had gezien zijn achtergrond als politieagent beter moeten weten en dat gesprek niet moeten aangaan. Die betrokkenheid is echter geen verzuim in het voorbereidend onderzoek van de zaak. De aangiften zijn opgenomen door daartoe bevoegde (zeden)rechercheurs en het verdere onderzoek is ook door hen verricht, waarbij alle voor zedenzaken geldende waarborgen in acht zijn genomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken komt naar voren dat [familievriend] bevriend is met het gezin [slachtoffers]. Hij heeft op verzoek van [moeder slachtoffers], moeder van [slachtoffer1] en [slachtoffer2], een gesprek gevoerd met [slachtoffer1] en [slachtoffer2] over mogelijk door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen. Deze gesprekken heeft [familievriend] gevoerd in het bijzijn van een vertrouwenspersoon van het gezin [slachtoffers]. [familievriend] heeft voorafgaande aan die gesprekken met [moeder slachtoffers] gesproken en heeft daarna de gesprekken met haar doorgesproken.

In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik worden eisen aan de opsporing en vervolging in zedenzaken gesteld, onder meer inhoudende dat de opsporing in dat soort zaken gebeurt door deskundige, daartoe gecertificeerde, zedenrechercheurs en dat niet daartoe belaste opsporingsambtenaren zich niet meer dan strikt noodzakelijk met een dergelijke zaak inlaten.

De rechtbank heeft geen reden om eraan te twijfelen dat [familievriend] in zijn vrije tijd en goedwillend het gezin [slachtoffers] terzijde heeft willen staan. Niet is gebleken dat hij daarbij zou hebben gehandeld in opdracht van de (zeden)recherche of het openbaar ministerie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [familievriend] door aangeefsters (inhoudelijk) te horen (nog voordat zij een intakegesprek hadden gehad en aangifte hadden gedaan) wel in strijd met (de ratio van) de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik gehandeld, mede omdat hij een opsporingsambtenaar is en als zodanig leek op te treden ? in welke hoedanigheid hij ook op ambtseed een proces verbaal van bevindingen over de gesprekken heeft opgemaakt. Hierdoor is een waarborgnorm geschonden, welk vormverzuim niet meer kan worden hersteld.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of en, zo ja, welke consequentie aan dit handelen moet worden verbonden.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen (nog) in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim of de vormverzuimen daarin bestaan, dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het valt vanuit een oogpunt van zorgvuldige opsporing en waarheidsvinding weliswaar te betreuren dat [familievriend] heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan en dat door zijn handelen is gehandeld in strijd met de voormelde aanwijzing, maar uit niets is het de rechtbank gebleken, dat [familievriend] – wiens handelen in zijn vrije tijd, onder deze omstandigheden kan worden gelijkgesteld met zijn handelen binnen werktijd als een opsporingsambtenaar – de bedoeling heeft gehad om doelbewust aan de rechten van verdachte tekort te doen. Evenmin is er sprake van een grove veronachtzaming van die rechten. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

Gevolg van het niet-naleven door [familievriend] van de aanwijzing is wel, dat de rechtbank bij de beoordeling van het later verkregen bewijsmateriaal extra zorgvuldig en behoedzaam te werk zal moeten gaan.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van het onderzoek

In april 2012 is er aangifte van gedaan dat verdachte ontuchtige handelingen zou hebben gepleegd met zijn twee kleindochters. Er is vervolgens een onderzoek ingesteld. Verdachte is op 4 juni 2012 aangehouden en in verzekering gesteld. Nadat verdachte een aantal malen was gehoord, is hij op 6 juni 2012 heengezonden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, indien haar preliminaire verweer verworpen zou worden, dit verweer bij de waardering van de bewijsmiddelen als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, hetgeen er in dat geval toe moet leiden dat de resultaten van het latere onderzoek niet mogen meewerken aan het bewijs, zodat vrijspraak dient te volgen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Voor zover de rechtbank dit niet zou volgen heeft de raadsvrouw nog het volgende aangevoerd.

Het onder 1 ten laste gelegde betasten door verdachte van de borsten en/of vagina van [slachtoffer1] kan niet bewezen worden verklaard. Naast de verklaring van aangeefster is er geen steunbewijs. Wel bewezen kan worden verklaard dat aangeefster de penis van verdachte heeft betast, maar niet dat dit op ontuchtige wijze zou zijn geschied. Van het betasten is sprake geweest toen aangeefster verdachte hielp bij het inbrengen van de katheter. De verklaringen van aangeefster en verdachte lopen daarover uiteen. Uit de informatie van de uroloog en het over verdachte bijgehouden zorgdossier valt af te leiden dat het niet voor de hand ligt dat de penis stijf zou worden tijdens het inbrengen van een katheter en verdachte er genot aan zou beleven. De handeling kan dus niet als ontuchtig worden beschouwd, zodat verdachte ook van dit deel van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. Het al dan niet geheim houden van het helpen inbrengen verandert het karakter van de handeling op zichzelf niet.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van aangeefster door beïnvloeding niet (meer) als betrouwbaar kan worden aangemerkt, zodat het feit – indien het al wettig bewezen zou kunnen worden – niet op overtuigende wijze bewezen kan worden en er dus vrijspraak dient te volgen.

Het onder 2 ten laste gelegde bestasten door verdachte van de vagina van [slachtoffer2] kan niet bewezen worden verklaard. Naast de verklaring van aangeefster is er geen steunbewijs, zodat vrijspraak voor dat deel van de tenlastelegging dient te volgen. Er kan bewezen worden verklaard dat verdachte de borst van aangeefster heeft betast, maar niet dat dit op ontuchtige wijze is geschied. Het kijken naar en aanraken van een moedervlek die zich boven een borst/tepel bevindt is geen ontuchtige handeling.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van aangeefster door beïnvloeding niet (meer) als betrouwbaar kan worden aangemerkt, zodat het feit – indien het al wettig bewezen zou kunnen worden – niet op overtuigende wijze kan worden bewezen en er dus vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

[slachtoffer1], geboren op [geboortedatum], heeft aangifte gedaan. Zij heeft ? zakelijk weergegeven ? verklaard dat verdachte, haar opa, in de periode tussen haar 14e en haar 19e jaar meermalen ontucht met haar heeft gepleegd. Dit begon toen zij 15 jaar was. Hij heeft vanaf die tijd over haar borsten en haar kruis gewreven. Zij vond het niet fijn, maar durfde nooit nee te zeggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 19 april 2013 ontkend dat hij de borsten en vagina van zijn kleinkind [slachtoffer1] heeft betast.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangifte met betrekking tot dit deel van het onder 1 ten laste gelegde enkel wordt ondersteund door verklaringen van getuigen, die slechts verklaren over wat zij van [slachtoffer1] hebben gehoord. Bovendien is niet uit te sluiten dat daarbij (ook) sprake is geweest van enige onderlinge beïnvloeding. De aangifte wordt aldus niet ondersteund door enig ander, uit andere bron, afkomstig bewijsmiddel. Daarom zal de rechtbank de verdachte van dit deel van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken bij gebrek aan wettig bewijs.

[slachtoffer1] heeft in haar aangifte voorts ? zakelijk weergegeven ? verklaard dat zij in de periode tussen haar 14e jaar en haar 19e jaar meermalen de penis van verdachte heeft moeten betasten. In die tijd paste verdachte vaak op haar en verbleef zij geregeld bij hem in [adres]. Hij had last van zijn blaas en vroeg haar of zij hem kon helpen met het inbrengen van een urinekatheter, omdat hij dat niet alleen kon. Zij moest dan zijn penis vasthouden en als het pijn begon te doen moest zij erin knijpen en heen en weer wrijven, ook als de katheter er al weer uit was. Dit begon toen zij 15 jaar was. Zij vond het niet fijn, maar durfde nooit nee te zeggen. Zij mocht het van verdachte aan niemand vertellen. Het begon eerst met één keer in de maand en later gebeurde het meerdere keren per maand. Het gebeurde meestal bij verdachte thuis in [adres], maar als er niemand was ook wel in de woning van haar ouders in [adres].

De verdachte heeft ter terechtzitting van 19 april 2013 verklaard dat zijn kleinkind [slachtoffer1] wel eens heeft geholpen bij het inbrengen van de katheter. Zij moest daarbij dan zijn penis tegen de zijn buik aanhouden. Dat heeft slechts vier keer en alleen in 2011 plaatsgevonden.

Tegenover de politie heeft verdachte echter verklaard dat hij vanaf 2008 gebruik moest maken van een urinekatheter. [slachtoffer1] heeft hem één tot twee keer per maand geholpen bij het inbrengen ervan. [slachtoffer1] hield zijn penis dan vast.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze bewijsmiddelen bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode tientallen malen zijn penis door zijn minderjarige kleindochter [slachtoffer1] heeft laten betasten. Anders dan de raadsvrouw heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer1] voor zover die inhouden dat verdachte zich door haar op deze manier heeft laten betasten en voor zover die een frequentie inhouden zoals zij die heeft aangegeven, welke frequentie (globaal) overeenkomt met wat verdachte tegenover de politie daarover heeft verklaard.

De raadsvrouw heeft betoogd dat op zichzelf wel bewezen verklaard kan worden dat aangeefster de penis van verdachte heeft betast, maar dat niet bewezen kan worden dat dit ontuchtig handelen is geweest.

De rechtbank komt tot een ander oordeel. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde handelingen, de frequentie hiervan en de leeftijd van [slachtoffer1] op die momenten, is de rechtbank van oordeel dat het ging om handelingen die als ontucht in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht moeten worden gezien en dat verdachte dat karakter van die handelingen redelijkerwijs heeft moeten onderkennen. Dit klemt temeer nu verdachte tegen [slachtoffer1] heeft gezegd dat het hun geheim was en dat zij het aan niemand anders mocht vertellen.

Feit 2

[slachtoffer2] heeft eveneens aangifte gedaan. Zij heeft ? zakelijk weergegeven ? verklaard dat verdachte, haar opa, in de ten laste gelegde periode een keer aan haar borsten heeft gezeten en een keer met zijn hand in haar broek is gegaan en daarbij over haar vagina heeft gewreven.

De verdachte heeft zowel ter terechtzitting van 19 maart 2013 als tegenover de politie ontkend dat hij ontuchtige handelingen met zijn kleindochter [slachtoffer2] heeft verricht. Hij heeft in het bijzijn van zijn dochter gekeken naar de moedervlek op de borst van [slachtoffer2], maar hij heeft haar daarbij niet aangeraakt. Ook haar vagina heeft hij niet aangeraakt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat aangeefster over wat er tussen haar en haar opa plaatsgevonden zou hebben enerzijds heeft verklaard dat zij zich niet veel kan herinneren en anderzijds dat er eenmaal ‘wat’ is voorgevallen. Verder wordt wat er zou zijn voorgevallen door haar op wisselende locaties geplaatst. Eventueel steunbewijs in de vorm van verklaringen van getuigen zijn van dezelfde bron afkomstig. Niet uit te sluiten is dat deze verklaringen mede door onderlinge beïnvloeding tot stand zijn gekomen.

Alles overziende kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en ook overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft gepleegd. De verdachte dient hiervan vrijgesproken te worden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 8 juli 2006 tot en met 7 juli 2010 in Terwolde en/of Teuge en/of Twello, met [slachtoffer1], geboortedatum [geboortedatum], zijnde verdachtes minderjarige kleindochter welke aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd,

buiten echt opzettelijk ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte zich opzettelijk ontuchtig door die [slachtoffer1] aan zijn penis laten betasten.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. De officier van justitie heeft daaraan de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte gedurende de proeftijd geen contact zal onderhouden met [slachtoffer1], [slachtoffer2] en hun ouders.

Ter toelichting op zijn eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ernstige feiten heeft begaan en zijn jonge kleinkinderen meerdere keren heeft misbruikt, hetgeen langdurige psychische gevolgen voor hen kan hebben. Zij waren afhankelijk van verdachte. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het in hem als grootvader gestelde vertrouwen.

Ten aanzien van de strafmodaliteit heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat er, gelet op de gezondheidstoestand van verdachte en gelet op het advies van de reclassering, geen ruimte is om een werkstraf te eisen. Een geldboete is gelet op de ernst van de feiten niet aan de orde.

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring, er rekening mee te houden dat verdachte een blanco strafblad heeft. Ook heeft zij verzocht rekening te houden met het tijdsverloop. Het opleggen van een gevangenisstraf is disproportioneel, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene had en tevens van de vertrouwensrelatie die hij met zijn kleindochter had. Hij heeft zijn kleindochter [slachtoffer1] tientallen keren zijn penis laten betasten. Het is algemeen bekend dat de gevolgen van (dergelijke) seksuele contacten bij kinderen ernstig en langdurig kunnen zijn.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet de volle verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt, maar deze in elk geval gedeeltelijk afschuift op de hulp die hij nodig had bij het inbrengen van de katheter. Hij had die hulp ook op andere wijze kunnen verkrijgen.

Ter bevestiging van de ernst van het feit zal de rechtbank een (voorwaardelijke) gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Bij de duur daarvan houdt de rechtbank er ten voordele van verdachte rekening mee dat de reclassering de kans op herhaling als laag inschat, dat verdachte geen strafblad heeft, dat verdachte op leeftijd is en dat hij kampt met gezondheidsproblemen.

De rechtbank zal geen bijzondere voorwaarde opleggen:

De reclassering heeft geadviseerd om de zaak af te doen zonder oplegging van een gedragsinterventie of reclasseringstoezicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde contactverbod op te leggen. Sinds het moment dat er aangifte is gedaan is er geen contact meer geweest tussen verdachte en [slachtoffer1], [slachtoffer2] of hun ouders. Het ziet er niet naar uit dat dit contact hersteld zal worden en zo het al hersteld wordt tot herhaling zal leiden.

De proeftijd zal op 3 jaar worden gesteld.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.237,75 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Ook wordt de wettelijke rente gevorderd en is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het gevorderde in zijn geheel toewijsbaar is.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet voldoende is onderbouwd, dat de gevorderde vergoeding geen betrekking heeft op schade die het rechtstreekse gevolg is van wat eventueel bewezen kan worden verklaard en dat de gevorderde immateriële schadevergoeding te hoog is. De behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij heeft verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Het is een ervaringsgegeven dat jeugdigen die worden geconfronteerd met ontucht, daar (in hun latere leven) schade van kunnen ondervinden.

De rechtbank zal de tot op heden geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 1.500,-, nu ervan uit mag worden gegaan dat deze schade in ieder geval is geleden. De wettelijke rente zal worden toegewezen over dat bedrag met ingang van 7 november 2010.

Met betrekking tot de overigens gevorderde immateriële schade zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de post reiskosten ad € 155,76 en Valdisper ad € 6,99 toewijzen. Zij is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd. De gevorderde reiskosten zijn onder andere met het verslag van de jeugdpsychiater onderbouwd, waaruit blijkt dat aangeefster in verband met het bewezenverklaarde therapie heeft gevolgd.

De rechtbank zal de telefoonkosten naar redelijkheid en billijkheid stellen op een bedrag van € 25,- en de benadeelde wat deze post betreft voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De wettelijke rente over de vergoeding voor materiële schade zal worden toegewezen met ingang van de datum van indiening van de vordering, te weten 27 maart 2013.

De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.134,20 inclusief wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van dit feit.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet, gelet op hetgeen is overwogen omtrent de vordering tot schadevergoeding, aanleiding om aan de verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te noemen som geld ten behoeve van voornoemde benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

• verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

• bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

• veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer1], rekeningnummer [x], van:

een bedrag van € 1.500,- (immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2010;

een bedrag van € 187,75 (materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013;

met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

• legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], een bedrag te betalen van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2010, en een bedrag te betalen van € 187,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer2] niet-ontvankelijk in haar vordering;

• met veroordeling van de benadeelde partij [slachtoffer2] in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mrs. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Welbergen en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 mei 2013.

Mr. Van Lookeren Campagne, mr. Ouweneel en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.