Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ8370

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
13/397
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair vrijgesproken in tuchtappel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Locatie Arnhem

Team strafrecht

Meervoudige militaire kamer

RB-nummer : 13/397

Datum zitting : 8 april 2013

Uitspraak : 22 april 2013

Uitspraak van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland, op het beroep van:

[gestrafte],

Huzaar der derde klasse, personeelsnummer [personeelsnummer],

thans geplaatst op de [standplaats],

wonende: [adres], [woonplaats]

– hierna aangeduid als gestrafte –, waarbij de beslissing op beklag wordt bestreden.

Procedureverloop

Op 2 november 2012 is gestrafte te gast in het televisieprogramma ‘de Halve Maan’. Tijdens de uitzending noemt hij de naam van een medewerker van[medewerker]sie, [medewerker] en doet enige uitlatingen over deze medewerker.

Op 6 november 2012 stuurt gestrafte een mail omtrent zijn aanwezigheid bij dit tv-programma aan, onder anderen, de commandant van de Nederlandse Defensie Academie (hierna: de commandant NLDA) en de commandant opleidingen bij de Koninklijke Militaire Academie (hierna: de commandant OPLKMA). In de mail bevestigt hij wat hij heeft gezegd over [medewerker]. Tevens doet hij uitspraken over de h[imam]gsmachtimam, [imam].

[medewerker] en [imam] krijgen kennis van deze mail. [medewerker] verzoekt op 14 november 2012 aan de commandant OPLKMA om de uitspraken die gestrafte over hem heeft gedaan, aan het tuchtrecht te toetsen. [imam] sluit zich hierbij aan.

Op donderdag 15 november 2012 mailt de commandant OPLKMA aan [medewerker] en [imam] dat:

“er volgens het strafrecht aangifte kan worden gedaan van smaad, als variant op art 20/21 WMT”. (WMT: Wet Militair Tuchtrecht, hierna WMT; rechtbank)

[medewerker] doet op 20 november 2012 aangifte bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR), brigade Zuid Holland, ter zake van belediging/smaad. De aangifte wordt door de officier van justitie bij het arrondissementsparket in Arnhem onderzocht.

In een “Terwee-afloopbericht” van 29 november 2012 van een hulpofficier van justitie KMAR, district West, brigade Zuid Holland gericht aan [medewerker] wordt vermeld dat de officier van justitie van het arrondissementsparket Arnhem heeft besloten de zaak terug te verwijzen voor een afdoening op basis van militair tuchtrecht.

De procedure in eerste aanleg

Door de commandant OPLKMA is aan gestrafte op 14 december 2012 te 10.45 uur een beschuldiging uitgereikt, luidende:

“Rubriek 17: Door ongepaste uitlatingen doelbewust aantasten in de goede naam van twee officieren van de krijgsmacht, dus militaire meerderen, zijnde [medewerker] en Hoofdkrijgsmachtimam [imam]”.

Op 18 december 2012 om 10.30 uur heeft het onderzoek (‘de parade’) plaatsgevonden. De commandant OPLKMA heeft dezelfde dag beslist. De beslissing is neergelegd in een schriftelijke uitspraak, die aan gestrafte is uitgereikt op 18 december 2012 om 11.30 uur.

Aan gestrafte is een geldboete opgelegd van € 250,00 wegens overtreding van de gedragsregels 79, 20 en 21 WMT.

De bewezen gedraging luidt: “[gestrafte] geeft aan dat hij op basis van de Grondwet recht heeft op Vrijheid van Meningsuiting, en daarvan gebruik heeft gemaakt bij zijn uitspraken tijdens het TV programma ‘De Halve Maan’ en de genoemde mail. Betrokkene heeft bewust de namen gebruikt van betreffende officieren en met zijn uitspraken hun goede naam in diskrediet gebracht. (gedraging in het openbaar tegen de persoon)”

De beklagprocedure

Op 20 december 2012 heeft gestrafte een beklagschrift ingediend bij de commandant NLDA.

Het onderzoek op beklag heeft op 17 januari 2013 plaatsgevonden. Gestrafte en zijn advocaat zijn hierbij aanwezig geweest. Gestrafte is in persoon gehoord. Uit een opgemaakt verslag van deze hoorzitting blijkt dat beklagmeerdere niet de volgende dag uitspraak zal doen maar meer tijd wil nemen voor nader beraad.

Op 7 februari 2013 heeft de beklagmeerdere beslist.

Uit een mail van 8 februari 2013 om 8.24 uur, van de senior P&O adviseur Bureau Adelborsten, cadetten en cursisten NLDA, blijkt dat het besluit van de beklagmeerdere die dag per mail aan de vertrouwensman van gestrafte is verzonden. Het tijdstip van uitreiken aan gestrafte is niet op het beklagformulier zelf, rubriek 29, aangetekend.

Uit een bij het beklagformulier gevoegde bijlage blijkt dat de beklagmeerdere de uitspraak van de bestreden schuldigverklaring heeft bevestigd, met wijziging van de opgelegde straf.

De bewezen gedraging luidt: “Art 21. In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de gestrafte die een aantijging inbrengt tegen twee personen die ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam zijn.”. De opgelegde geldboete wordt gewijzigd naar € 130,00 wegens overtreding van de gedragsregels 21 en 79 WMT.

De beroepsprocedure

Gestrafte heeft op 11 februari 2013 tegen de beslissing op beklag een beroepschrift per mail ingediend bij de commandant OPLKMA met het verzoek ex 82 WMT tot doorzending naar het gerecht.

Op 19 februari 2013 is namens gestrafte het beroepschrift naar het gerecht gefaxt.

Gestrafte stelt in zijn beroepschrift onder meer (kort zakelijk weergegeven) dat:

- er geen sprake is van een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3, eerste lid WMT;

- onvoldoende duidelijk is wat nu precies bewezen wordt verklaard;

- hij de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet heeft overschreden.

Gestrafte is van mening dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat hij moet worden vrijgesproken.

Het openbaar ministerie heeft op 4 maart 2013 ter zake van het beroep een advies uitgebracht, dat aan deze uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Het beroep is op 8 april 2013 ter zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte is daar verschenen en bijgestaan door zijn vertrouwensman, mr. S.M. Diekstra. Beiden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

[medewerker] is als getuige gehoord.

De officier van justitie, mr. S. Wiarda, heeft ter zitting het advies van het openbaar ministerie nader toegelicht. Zij persisteert bij het reeds eerder ingediende advies en maakt als haar oordeel kenbaar dat de militaire kamer de beslissing waartegen het beroep is ingesteld dient te bevestigen, zonodig met verbetering of aanvulling daarvan.

De militaire kamer heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in beroep.

De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de termijnen in eerste aanleg

Ingevolge artikel 53, eerste lid WMT, wordt “geen beschuldiging uitgereikt indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden (…)”.

Deze termijn van 21 dagen kan worden verlengd indien toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid WMT, of artikel 79, eerste lid WMT.

In dat geval vangt de genoemde termijn van 21 dagen aan nadat de beslissing van het openbaar ministerie ter kennis is gekomen van de commandant.

Op grond van artikel 78, eerste lid WMT, is een commandant verplicht aangifte te doen indien hij van oordeel is dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft.

In dit geval heeft de commandant OPLKMA geen aangifte gedaan (ingevolge art. 78, eerste lid WMT), niet naar aanleiding van de door gestrafte aan hem verzonden e-mail, en evenmin naar aanleiding van de uitlatingen die door gestrafte zijn gedaan in het televisie programma ‘De halve maan’.

Ingevolge artikel 79, eerste lid WMT, kan, als de commandant van oordeel is dat een hem ter kennis gekomen gedraging een van de specifiek in dat artikel genoemde strafbare feiten oplevert, dat feit desgewenst, na consultatie en instemming van het openbaar ministerie, zelf tuchtrechtelijk afdoen. Van de afloop zendt de commandant in dat geval een bericht naar het openbaar ministerie, de zogenaamde afloopmelding.

De officier van justitie heeft verklaard dat in de onderhavige zaak geen terugverwijzing ingevolge art. 79 WMT heeft plaatsgevonden, er is geen parketnummer aan de zaak gekoppeld en evenmin is sprake van een tuchtsepot ‘code 20’.

Nu de commandant geen aangifte heeft gedaan als omschreven in artikel 78, eerste lid WMT en evenmin sprake is geweest van een consultatie en instemmingsmededeling als bedoeld in art. 79 eerste lid WMT, had de beschuldiging uiterlijk 27 november 2012 aan gestrafte moeten worden uitgereikt. Immers, de e-mail die in de bewezenverklaring is genoemd, is op 6 november 2012 door gestrafte verzonden en op dat moment is de termijn voor uitreiken van een beschuldiging aangevangen.

De beschuldiging is echter pas op 14 december 2012 aan gestrafte uitgereikt, waarmee dus sprake is van termijnoverschrijding.

Ingevolge artikel 97, aanhef en onder a, van de WMT zal de militaire kamer om die reden de uitspraak op beklag vernietigen.

Ten aanzien van de bevoegdheid in eerste aanleg

Een bevelvoerend militair heeft op grond van artikel 49 lid 1, onder a en b WMT de bevoegdheid om straffen op te leggen aan een onder zijn bevel staande militair. De strafbevoegdheid kan niet worden afgesplitst van de rest van het commando. Wanneer de commandant afwezig is wordt het gehele commando, waaronder dus ook de strafbevoegdheid, door de opvolgend (pelotons)commandant waargenomen, tenzij voor de duur van de afwezigheid daar een andere militair voor wordt aangewezen.

Ingevolge het ‘Aanwijzingsbesluit ter uitvoering van artikel 4 en 49 Wet Militair Tuchtrecht’ is de bevelvoerende militair van het Individueel BegeleidingsPeloton (hierna: IBP) bij het OCKMA bevoegd om straffen op te leggen aan alle militairen die werkzaam of in opleiding zijn bij het IBP.

Gestrafte heeft tijdens het onderzoek op beklag verklaard dat hij sinds 2009 was geplaatst bij het IBP. Hij stelt dat hij op 6 november 2012 dus onder bevel stond van de commandant IBP.

In een schrijven van de afdeling P&O NLDA, gedateerd 26 februari 2013, wordt vermeld dat gestrafte bij het IBP was geplaatst op 6 november 2012.

Uit een door gestrafte overgelegd besluit van 25 februari 2013, dat namens de commandant landstrijdkrachten aan hem is verzonden, blijkt dat gestrafte met ingang van 1 maart 2013 is overgeplaatst. Met ingang van genoemde datum is gestrafte geplaatst op de [standplaats].

Op grond van het bovenstaande concludeert de militaire kamer dat gestrafte in ieder geval tot 1 maart 2013 onder bevel was gesteld van de commandant IBP.

Uit het voornoemde schrijven van P&O NLDA blijkt dat de commandant IBP langdurig afwezig was. Het commando werd, voor zover uit het dossier blijkt, niet door een ander waargenomen. Gestrafte zelf heeft verklaard dat vanaf het verlof van de commandant IBP de opvolgende pelotonscommandant hem aanstuurde. De militaire kamer gaat er daarom van uit dat de opvolgend pelotonscommandant was belast met het bevel, waaronder de strafbevoegdheid.

Gestrafte is echter niet gestraft door de opvolgende pelotonscommandant maar door [kolonel], de commandant OPLKMA, tevens meerdere van de commandant IBP. Het feit dat de commandant OPLKMA ingevolge het genoemde aanwijzingsbesluit eveneens is aangewezen als ‘tot straffen bevoegde meerdere’ impliceert niet dat hij daarmee tevens bevelvoerend militair is over het IBP en dat gestrafte derhalve onder zijn bevel stond .

Nu de commandant OPLKMA ten aanzien van gestrafte niet de tot straffen bevoegde meerdere was is de militaire kamer van oordeel dat sprake is van een vormschending.

De militaire kamer is van oordeel dat het aan gestrafte opleggen van een straf door een ander dan degene onder wiens bevel hij stond een wezenlijke schending oplevert van het in de huidige tuchtwetgeving door de wetgever gekozen systeem waarin slechts één commandoniveau is aangewezen waarop strafbevoegdheid bestaat en dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat gestrafte door dit verzuim in zijn verdediging is geschaad. Ook dit verzuim leidt derhalve ingevolge artikel 97, aanhef en onder b WMT, tot vernietiging van de beslissing.

De militaire kamer is van oordeel dat de uitspraak op beklag vanwege de voorgenoemde verzuimen dient te worden vernietigd en dat gestrafte vrijgesproken dient te worden van de hem verweten gedraging.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige, door de gestrafte en zijn raadsman aangevoerde, verweren geen nadere bespreking.

BESLISSING:

De militaire kamer, rechtdoende in beroep:

Vernietigt de bestreden uitspraak en spreekt gestrafte vrij van de hem verweten gedraging.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer , rechter en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Visser, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2013.