Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ8354

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
05/900901-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis voor aanranding over de kleding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900901-12

Datum zitting : 10 april 2013

Datum uitspraak : 24 april 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. K.D.M. Schepers, advocaat te Venlo.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 mei 2012 te Arnhem, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig bij genoemde [slachtoffer] wrijven over haar vagina/schaamstreek en/of betasten van

haar vagina/schaamstreek, en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke

bedreiging met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het (telkens)

opzettelijk gewelddadig en/of dreigend haar, verdachtes, hand en/of vinger(s)

onverhoeds bij genoemde [slachtoffer] tussen haar benen te brengen en/of (daarbij)

over haar vagina/schaamstreek te wrijven en/of haar vagina/schaamstreek te

bestasten;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 april 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. K.D.M. Schepers, advocaat te Venlo.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• [slachtoffer]. Zij wordt bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde].

De officier van justitie, mr. P.A. de Boer, heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2012 waren verdachte en aangeefster aan het werk in een frietkraam op de kermis te Arnhem. Verdachte hield toezicht bij afwezigheid van de eigenaar. Op een gegeven moment heeft verdachte een beweging gemaakt met haar vinger, waarbij zij haar vinger over de vagina van aangeefster haalde en de vinger via haar billen weer omhoog bracht. Dit alles gebeurde over de kleding heen.

Aangeefster zei daarop: ‘dit doe je één keer en nooit meer’. Kort daarna raakte verdachte aangeefster weer aan bij haar vagina.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

1. De camerabeelden van de frietkraam, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Er was geen vordering conform artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering van een officier van justitie voor het vorderen van de beelden uit de frietkraam. De genoemde toestemming die zou zijn gegeven, werd pas gegeven nadat men had gezegd dat men deze beelden in beslag zou nemen. Voor een mondelinge vordering is een noodzaak nodig en die was er niet en de schriftelijke vordering die er is, is van een datum die ver na het moment van vorderen ligt. De beelden waren op dat moment al lang terug naar de eigenaar. De beelden en foto’s daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Als ‘fruits of the poisened tree’ dienen het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden, de foto’s van die beelden en de getuigenverklaring van [getuige], die is afgelegd nadat hij is geconfronteerd met de beelden, te worden uitgesloten van het bewijs. Ten aanzien van de verklaring van verdachte, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

2. In de tenlastelegging staat verder dat verdachte aangeefster heeft ‘gewreven’ en/of ‘betast’ over haar vagina/schaamstreek. Niemand spreekt echter over wrijven of betasten. Cliënt heeft het over een in één richting opgaande beweging. Bij wrijven gaat het om een op en neer gaande beweging; dat is dus wat anders. Betasten is het ook niet. Cliënt heeft aangeefster slechts kort bij haar vagina aangeraakt. Dat is wat anders dan betasten. Aangeefster heeft verder verklaard dat cliënt haar in haar kruis heeft gegrepen, maar dit heeft zij pas verklaard nadat dit al door de politie als zodanig werd gekwalificeerd en overigens staat grijpen ook niet in de tenlastelegging.

3. Daarnaast moet ook gekeken worden naar de context waarin het gebeurde. Men was met elkaar aan het geinen. Aangeefster lachte steeds mee. De eerste keer dat aangeefster werd aangeraakt reageerde zij met ‘dat doe je eens maar niet nog een keer’, maar dan op een uitdagende manier. Om het ontuchtige karakter te bewijzen, moet duidelijk zijn dat het tegen de wil is van de ander. Dat aangeefster dit niet wilde was voor cliënt niet duidelijk. Het ontuchtige karakter ontbreekt daarmee.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de zaak moet worden aangehouden, om de getuige [getuige2] te horen. Deze getuige kan meer verklaren over de context waarin het gebeurde plaatsvond.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde op grond van de verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte bewezen kan worden.

De rechtbank zal daarom niet ingaan op het verweer van de raadsvrouw dat het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden, de foto’s van die beelden en de getuigenverklaring van [getuige] uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu zij deze stukken niet als bewijs zal gebruiken.

De rechtbank is verder van oordeel dat de beweging die verdachte heeft gemaakt ‘een vinger over aangeefsters vagina halen en met die vinger via haar billen weer omhoog gaan’ naar algemeen spraakgebruik is te kwalificeren als wrijven of betasten. De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de raadsvrouw.

Ten aanzien van de context waarin dit wrijven en betasten heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt. Het was de eerste werkdag van aangeefster, die op dat moment minderjarig was. Ze verklaarde ‘best zenuwachtig te zijn en te twijfelen of ze het wel goed deed’. Verdachte sprak haar aan met ‘Pamela’ vanwege haar grote boezem en zette haar voor de bakplaat zeggend: “die tieten van jou verkopen beter” . Dat er sprake was van geinen, zoals verdachte heeft verklaard, onderschrijft de rechtbank niet. Misschien dat verdachte het zo heeft willen ervaren, maar zij had er hoe dan ook niet vanuit mogen gaan dat dit voor aangeefster, een nieuwe werkneemster, ook het geval was. Vast staat dat verdachte degene is geweest die onverhoeds aangeefster heeft betast. Dat daarvoor –stilzwijgend of expliciet- toestemming is gegeven door aangeefster, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank wijst daarom ook het verzoek van de raadsvrouw om een getuige te horen over de context waarin het gebeuren zich heeft afgespeeld, af.

Ontuchtige handelingen zijn handelingen van seksuele aard, die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Bij iemand een vinger langs de vagina halen en deze door de billen naar boven brengen, is zonder twijfel een seksuele handeling. Dergelijke handelingen onverhoeds uitvoeren in een werkomgeving bij iemand die je nauwelijks een dag kent, en zonder dat zij daarmee heeft ingestemd, zijn naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel in strijd met de sociaal ethische norm. Daar komt nog bij dat verdachte degene was die in het werk in hiërarchie boven aangeefster stond en dat verdachte ouder is dan aangeefster.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op 19 mei 2012 te Arnhem, (telkens) door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig bij genoemde [slachtoffer] wrijven over haar vagina/schaamstreek en/of betasten van haar vagina/schaamstreek, en welke feitelijkheid bestond uit het (telkens) opzettelijk haar, verdachtes, vinger(s) onverhoeds bij genoemde [slachtoffer] tussen haar benen te brengen en/of (daarbij) over haar vagina/schaamstreek te wrijven en/of haar vagina/schaamstreek te bestasten;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij normaal gesproken een werkstraf van 120 uur zou eisen, maar dat, nu de wetgever hem verplicht tot het opleggen van een gevangenisstraf, hij tot een gevangenisstraf komt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank gevraagd, bij een veroordeling, rekening te houden met de context waarin het gebeurde heeft plaatsgevonden. De eis van de officier van justitie acht zij buiten proportie. Mocht de rechtbank tot een gevangenisstraf over gaan, dan heeft de verdediging subsidiair een verzoek gedaan om te zaak aan te houden voor het laten opmaken van een reclasseringsrapport. We hebben geen informatie over de persoonlijke omstandigheden van cliënt, buiten wat de verdediging heeft aangevoerd. Cliënt heeft een borderline stoornis en heeft hier op een eigen wijze mee om leren gaan. Een gevangenis zou daarnaast gevolgen kunnen hebben voor haar baan.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte (strafblad), gedateerd 15 maart 2013. Ook heeft de rechtbank de brief van de werkgeefster van verdachte, die ter terechtzitting is overhandigd, meegewogen.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in de hoedanigheid van toezichthoudster in de frietkraam een onder haar verantwoordelijkheid werkende werkneemster betast door twee maal (over de kleding) een vinger langs haar vagina en via haar billen naar boven te halen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met haar handelen de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Een werknemer hoeft dergelijke handelingen niet te verwachten op de werkvloer en al helemaal niet van iemand die op dat moment in hiërarchisch opzicht boven haar staat. Het was bovendien aangeefsters eerste werkdag. De rechtbank neemt dit verdachte dan ook kwalijk.

De rechtbank is het niet eens met de officier van justitie dat de wetgever in casu oplegging van een gevangenisstraf eist. Artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht is niet genoemd in artikel 22b en naar het oordeel van de rechtbank is in casu, nu het betasten over de kleding heeft plaatsgevonden en er sprake was van twee vluchtige kortdurende handelingen, voorts geen sprake van een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met haar houding op zitting. Verdachte lijkt te beseffen dat zij te ver is gegaan en heeft ook haar excuses aangeboden aan het slachtoffer.

De rechtbank komt gelet op het hierboven overwogene tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.550,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het bedrag van € 800,- (waarvan €50,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade), waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich –kort gezegd- op het standpunt gesteld dat aangeefster niet in dienst was bij verdachte, maar bij de eigenaar van de kraam. De gevorderde materiële schade dient dan ook te worden afgewezen. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd nu er geen verklaring van een therapeut in het dossier zit en aangeefster bovendien al in therapie was, voordat dit incident plaatsvond.

Beoordeling door de rechtbank

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermo¬gensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op na te melden bedrag.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van immateriële schade omdat dit deel van de vordering onvol¬doende met stukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ter zake de gevorderde materiële schade ad € 50,- is de rechtbank van oordeel dat deze niet rechtstreeks door het aan verdachte bewezenverklaarde feit is toegebracht. Het is immers de werkgever van aangeefster die het loon niet zou hebben uitbetaald en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt het verband met het tenlastegelegde niet in te zien. De rechtbank zal verdachte dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van dit deel van de vordering.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente, zijn daar niet bij inbegrepen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens haar vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat zij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 20 (twintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] (gemachtigde: [gemachtigde]), te betalen € 200,- ( tweehonderd euro) terzake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 200,- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. J.J.H. van Laethem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2013.