Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ7321

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
05/900407-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8932, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren voor moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900407-12

Data zittingen : 22 augustus 2012, 31 oktober 2012, 11 december 2012, 20 februari 2013 en

3 april 2013

Datum uitspraak : 17 april 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI [adres]

raadsman : mr. J.W.J. Hopmans, advocaat te Groesbeek.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012 te

Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Ooij, gemeente

Ubbergen, in elk geval in de gemeente Ubbergen en/of elders in Nederland,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes

mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen meerdere malen, althans

eenmaal een aantal kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op/naar/in de

richting van die [slachtoffer], waarna die [slachtoffer] door een of meer

projectielen/kogels in het hoofd werd geraakt/getroffen, ten gevolge waarvan

voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012 te

Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Ooij, gemeente

Ubbergen, in elk geval in de gemeente Ubbergen en/of elders in Nederland,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin

bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met een

vuurwapen meerdere malen, althans eenmaal een aantal kogels/projectielen

heeft/hebben afgevuurd op/naar/in de richting van die [slachtoffer], waarna die

[slachtoffer] door een of meer projectielen/kogels in het hoofd werd

geraakt/getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 3 april 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.W.J. Hopmans, advocaat te Groesbeek.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen: [benadeelde partij].

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en heeft hiertoe aangevoerd:

1) Het openbaar ministerie heeft door het strafdossier op het verkeerde adres te laten bezorgen (een studentenflat) zodanig verwijtbaar gehandeld dat er sprake is van een zodanige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid.

2) Het openbaar ministerie heeft ten nadele van verdachte verzuimd om cruciaal ontlastend materiaal voor verdachte, in de vorm van de camerabeelden van de ANAC, op te vragen, op te slaan c.q. te bewaren en nader te bekijken. Hiermee zijn de belangen van verdachte op zodanige grove wijze veronachtzaamd dat diens recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak te kort wordt gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging:

1) Het is weliswaar hoogst ongelukkig dat het BOB-dossier op een verkeerd adres is bezorgd, maar niet valt in te zien hoe de verdediging hierdoor in haar belangen is geschaad.

2) De camerabeelden van de ANAC zijn door de politie weliswaar verkeerd gebrand, maar gelet op de overige bewijsmiddelen in het dossier kan niet worden gesteld dat de verdediging hierdoor in haar belangen in geschaad.

De beoordeling door de rechtbank

Ad 1)

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onzorgvuldig is dat het BOB-dossier op een onjuist adres is afgeleverd. Dit levert echter nog geen strijd op met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Het betreft hier een menselijke fout, waarvan niet aannemelijk is geworden dat enig belang van verdachte als gevolg hiervan daadwerkelijk is geschonden. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Ad 2)

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg van onregelmatigheden in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Blijkens een proces-verbaal bekijken camerabeelden ANAC (p. 1486 van het dossier) zijn op 15 maart 2012 de camerabeelden opgevraagd van tankstation ANAC van 10 maart 2012 te 21.00 uur tot 11 maart 2012 te 03.00 uur. Deze bestanden zijn door een onbekende oorzaak echter niet op de harde schijf van de PC van TGO Lood geschreven.

Op 18 mei 2012 heeft verdachte verklaard dat hij op de avond van 10 maart 2012 rond 19.00 uur tot 20.30 uur op het terrein van de ANAC is geweest. Van deze tijdstippen waren geen camerabeelden opgevraagd. Bij navraag bij de ANAC bleek dat de camerabeelden ongeveer drie weken bewaard bleven op hun Big Brother systeem. Op 18 mei 2012 waren de camerabeelden van 10 maart 2012 niet meer aanwezig en was het dus niet meer mogelijk om vast te stellen of verdachte daar op die dag tussen de door hem genoemde tijdstippen geweest is.

Uitgaande van deze lezing, ten aanzien waarvan geen reden is de juistheid in twijfel te trekken, is de rechtbank van oordeel dat deze gang van zaken bij de politie weliswaar slordig is geweest en kan worden beschouwd als een vormverzuim, maar dat hiermee nog niet is voldaan aan voornoemd criterium dat zulks is gedaan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de (verdediging van) verdachte. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 maart 2012 om 03.02 uur is door passanten in de berm langs het wegdek van de Vlietberg te Ooij, gemeente Ubbergen, het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). [slachtoffer] is overleden door verwikkelingen aan de hersenen ten gevolge van twee inschoten in het hoofd. Het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] is vastgesteld op 10 maart 2012 tussen 16.18 uur en 23.00 uur.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de moord c.q. doodslag op [slachtoffer]. Op onderdelen van het verweer wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient twee vragen te beantwoorden. Heeft verdachte [slachtoffer] om het leven gebracht en zo ja, heeft hij dit met voorbedachte raad gedaan?

1. Is verdachte de dader/schutter?

A. Het vuurwapen

Redengevende feiten en omstandigheden

Volgens onderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna het NFI) zijn de twee kogels die in het hoofd van [slachtoffer] zijn aangetroffen vermoedelijk verschoten met een omgebouwd gas/alarmpistool van het kaliber 6.35 Browning.

Tijdens een tactische doorzoeking is in de auto in gebruik bij verdachte, een Citroën C5 met kenteken [x], in de bagageruimte onder het reservewiel een blauwe plastic tas van de Albert Heijn aangetroffen met daarin een pistool.

Bij onderzoek aan het pistool is vastgesteld dat het de opschriften en de uiterlijke kenmerken heeft van een semi automatisch alarmpistool van het merk BBM, model 315 Auto, kaliber 8mm Knal, maar dat het wapen is omgebouwd naar een scherpschietend pistool van het kaliber 6,35 mm Browning.

Er is een vergelijkend kogelonderzoek uitgevoerd door het NFI, waarbij is geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de kogels die in het hoofd van [slachtoffer] zijn aangetroffen zijn afgevuurd uit de loop van dit pistool, dan uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.

Tijdens microscopisch onderzoek van het pistool en de demper is aan de binnenzijde van de trekkerbeugel één bloedspoor aangetroffen en op de voorzijde (bij de monding) van de demper meerdere bloedsporen. Op grond van vergelijkend DNA-onderzoek is vastgesteld dat het bloed afkomstig kan zijn van [slachtoffer], waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

Op de veiligheidspal van het pistool is celmateriaal (biologische contactsporen) aangetroffen. Op grond van vergelijkend DNA-onderzoek is vastgesteld dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

Tussenconclusie

Op grond van vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat in de auto van verdachte het vuurwapen is aangetroffen waarmee [slachtoffer] om het leven is gebracht en dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting ook heeft verklaard, dit vuurwapen in zijn handen heeft gehad.

Het verweer en de beoordeling daarvan

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de auto van verdachte aangetroffen vuurwapen niet aan verdachte toebehoorde en ook niet door hem is afgeschoten. Verdachte heeft de auto waarin het wapen is aangetroffen enkele dagen na het overlijden van [slachtoffer] gekregen van [betrokkene1] zonder daarvoor te hebben betaald. Verdachte heeft de auto op een gegeven moment schoongemaakt en vond daarbij onder het reservewiel een blauwe plastic tas met daarin het betreffende pistool. Hij heeft het pistool uit de tas gehaald, bekeken en het wapen ontgrendeld om de patroonhouder laten zakken, hetgeen zijn aangetroffen DNA op de veiligheidspal van het pistool verklaart, en heeft het vervolgens weer op dezelfde plek teruggelegd. Verdachte heeft hierna meteen contact opgenomen met [betrokkene1], waarna er op initiatief van verdachte een bespreking heeft plaatsgevonden bij de St. Stevenskerk in Nijmegen. [betrokkene1] had te kennen gegeven dat verdachte het wapen moest laten liggen en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, omdat het wapen ‘clean’ was.

De rechtbank overweegt als volgt.

[vriendin verdachte], de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat ze, toen ze nog in (woonplaats)) woonde, een wapen voor verdachte in haar koelkast heeft bewaard. Dat was een klein zwart wapen, een 9 mm. Het was verpakt in een blauwe zak. Ze denkt dat het in de week van 12 maart 2012 of 26 maart 2012 bij haar in de koelkast is gelegd. Toen verdachte werd aangehouden en zijn auto is doorzocht lag het wapen in haar koelkast (rechtbank: de witte Renault Kangoo van verdachte is op 17 maart 2012 gecontroleerd en in beslag genomen ). Verdachte had haar toen verteld dat hij opgelucht was dat het op dat moment daar lag. Verdachte had ook nog een grijs en een ander zwart wapen.

Op 19 maart 2012 belt NN-man met verdachte (op [x]). Verdachte zegt dat hij een probleem heeft en dat zijn auto in beslag is genomen. Hij kan niet via de telefoon zeggen waarom. Wel zegt verdachte verder nog dat hij het speciale blauwe tasje heeft meegenomen.

[betrokkene1] heeft verklaard dat de Citroën C5 van verdachte inderdaad van hem is geweest. Hij heeft echter geen wapens in de Citroën gelegd. Hij bevestigt wel dat hij met verdachte een afspraak heeft gehad bij de St. Stevenskerk, maar daarbij zou niet over wapens zijn gesproken.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank het door de verdediging opgevoerde ‘alternatieve scenario’ niet aannemelijk geworden. De door [vriendin verdachte] afgelegde verklaring is zeer belastend voor verdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte bekend was met vuurwapens en vlak voor zijn aanhouding een klein vuurwapen in een blauwe tas ter bewaring bij [vriendin verdachte] in de koelkast heeft gelegd, welke omschrijving lijkt aan te sluiten bij het vuurwapen in de blauwe Albert Heijn tas dat in de auto van verdachte is aangetroffen, alsmede bij het door verdachte gevoerde telefoongesprek over ‘het speciale blauwe tasje’. Nu de rechtbank voor het overige geen aanleiding heeft om aan de verklaring van [vriendin verdachte] te twijfelen zal zij deze verklaring bezigen tot het bewijs. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat de verklaring van verdachte op geen enkele wijze wordt ondersteund door ander bewijs nu [betrokkene1] de lezing van verdachte ontkent.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het vuurwapen dat in de Citroën van verdachte is aangetroffen aan verdachte toebehoorde.

De vraag of het ook verdachte is geweest die [slachtoffer] met dit wapen om het leven heeft gebracht dient te worden beantwoord in het licht van de overige bewijsmiddelen in het dossier, die de rechtbank nu nader zal bespreke[adres]

Redengevende feiten en omstandigheden

In een loods aan de [adres] te Nijmegen is sporenonderzoek verricht, waarbij sporen/sporendragers zijn veiliggesteld en in beslag genomen. Hierbij zijn op het plafond, een deurstijl en op de grond onder een bureau bloedsporen aangetroffen. Op grond van vergelijkend DNA-onderzoek is vastgesteld dat het bloed afkomstig kan zijn van [slachtoffer], waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

In het kader van het opsporingsonderzoek is beeldmateriaal (beelden in de omgeving waar mogelijk [slachtoffer] zich heeft bevonden) opgevraagd en zijn de historische printgegevens van de telefoonnummers 06[x] (hierna: [x]) en 06-[x] (hierna: [x]) van [slachtoffer] en de telefoonnummers 06-[x] (hierna: [x]) en 06-[x] (hierna: [x]) van verdachte opgevraagd . Aan de hand hiervan is het volgende vastgesteld:

- Op 10 maart 2012 om 18.44 uur belt [x] met 06-[x]. Het nummer straalt daarbij de mastlocatie Doddendaal aan in het centrum van Nijmegen.

- Op 10 maart 2012 om 19.10 uur verlaat verdachte cafetaria [naam cafetaria] aan de [adres], stapt in zijn Renault Kangoo met kenteken [x] , rijdt vanuit het steegje aan de achterzijde van het cafetaria in de richting van de [adres] en passeert daar om 19.13 uur de roadbarrier.

- Op 10 maart om 19.15 uur vindt er sms-verkeer plaats tussen [x] en [x]. Beide nummers stralen de mastlocaties Doddendaal en Kantoren Marienburg Marienburgpassage in het centrum van Nijmegen aan.

- Op 10 maart 2012 tussen 19.15 uur en 19.20 uur loopt [slachtoffer] in de [adres] en directe omgeving te Nijmegen. [x] straalt hierbij de mastlocaties Doddendaal en Kantoren Marienburg Marienburgpassage in het centrum van Nijmegen aan.

- Op 10 maart 2012 om 19.20 uur verlaat [slachtoffer] de [adres] en steekt de [adres] over.

- Op 10 maart 2012 om 19.21 uur ontvangt [x] een sms-bericht van [x]. [x] straalt daarbij de mastlocatie Kantoren Marienburg Marienburgpassage in het centrum van Nijmegen aan.

- Op 10 maart 2012 tussen 19.35 en 21.15 uur stralen [x], [x], [x] en [x] de masten Energieweg / hoogsp.mast 11 / Lagelandseweg / Lindenhoutseweg aan. Het pand aan de [adres] te Nijmegen valt onder het dekkingsgebied van de masten aan de Lagelandseweg / Lindenhoutseweg op het industrieterrein van Nijmegen.

- Op 10 maart 2012 om 20.30 uur belt (betrokkene

4) (06-[x]) met [x] en dit duurt 91 seconden. Na dit gesprek is er geen activiteit meer waargenomen met [x].

- Op 10 maart 2012 om 21.15 uur komt verdachte met zijn auto terug in de [adres] en parkeert de auto in het steegje achter cafetaria [naam cafetaria].

- Op 10 maart 2012 straalt [x] om 21.44 uur en 22.28 uur de mastlocatie Doddendaal aan. Dit is de laatste keer dat er een zendmast wordt aangestraald door [x].

Volgens gegevens van de Belastingdienst Rivierenland huurde verdachte vanaf augustus 2010 de loods aan de [adres] te Nijmegen. [verhuurder] de eigenaar/verhuurder van het pand heeft verklaard dat hij het pand verhuurde aan een Armeniër en eigenaar van cafetaria [naam cafetaria] aan de [adres] (rechtbank: verdachte is eigenaar van cafetaria [naam cafetaria]). Hij had de man een setje van drie sleutels gegeven. Verdachte heeft ook bevestigd de huurder te zijn van het pand en heeft in eerste instantie verklaard de enige te zijn die een sleutel heeft.

Tussenconclusie

Op grond van vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden, in samenhang met hetgeen onder ‘de feiten’ reeds is vastgesteld, stelt de rechtbank het volgende vast:

- [slachtoffer] is op 10 maart 2012 tussen 20.30 uur en 23.00 uur om het leven gebracht in het pand aan de [adres] te Nijmegen.

- Verdachte was de huurder van het pand aan de [adres].

- Verdachte en [slachtoffer] hebben op 10 maart 2012 tussen 19.15 uur en 19.21 uur meerdere malen zowel telefonisch als via sms contact met elkaar gehad.

- De telefoons van verdachte en [slachtoffer] verplaatsen zich op 10 maart 2012 na 19.20 uur gelijktijdig vanuit het centrum van Nijmegen in de richting van het industrieterrein van Nijmegen, alwaar ook het pand aan de [adres] gelegen is.

- Verdachte keert op 10 maart 2012 om 21.15 uur weer terug in het centrum van Nijmegen en het nummer [x] (van [slachtoffer]) straalt om 21.44 uur weer een mastlocatie aan in het centrum van Nijmegen.

Het verweer en de beoordeling daarvan

De verdediging heeft betwist dat [slachtoffer] die avond om 19.20 uur met verdachte is meegegaan naar de [adres] en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- [slachtoffer] had om 19.00 uur een afspraak met een zekere [betrokkene2] en had pas om 21.00 uur een afspraak met verdachte.

- Niet kan worden vastgesteld dat verdachte en [slachtoffer] samen vanuit het centrum van Nijmegen zijn vertrokken naar de [adres]. De mobiele telefoons van [slachtoffer] en verdachte straalden ieder een andere zendmast aan, te weten de zendmast aan de Lagelandseweg en de zendmast aan de Lindenhoutseweg. Daarbij komt dat een zendmast een gemiddeld stralingsgebied heeft van 35 kilometer.

- Verdachte bevond zich rond de betreffende tijdstippen van de netwerkmeting op het terrein van de ANAC, alwaar hij een afspraak had met [betrokkene1]. Verdachte maakte daarbij kortstondige rondjes in de omgeving om de tijd te doden.

- Verdachte had in die periode niet de beschikking over een toegangssleutel van het pand aan de [adres] en had slechts een ‘marginale’ rol bij de aldaar gevestigde hennepkwekerij.

De rechtbank overweegt als volgt.

Getuige [getuige1] (hierna: [getuige1]) heeft bij de rechter-commissaris op de vraag van wie hij had gehoord dat [slachtoffer] op 10 maart 2012 om 19.00 uur een afspraak had met een zekere [betrokkene2] (rechtbank: bijnaam van [betrokkene2]) verklaard dat hij daar pas later achter kwam. Hij had gehoord van [getuige2] (rechtbank: [getuige2]) dat [slachtoffer] om 19.00 uur was weggegaan. Hij weet niet meer van wie hij had gehoord dat [slachtoffer] een afspraak had. Aangezien zijn nichtje (rechtbank: [nicht slachtoffer]) deze [betrokkene2] had gezien op de camera concludeerde [getuige1] dat [nicht so] heeft gezien via de camerabeelden met wie [slachtoffer] om 19.00 uur wegging.

Getuige [nicht so] heeft verklaard dat [slachtoffer] rond 19.10 uur het restaurant heeft verlaten. Ze heeft hem om 19.37 uur nog gebeld en gesproken. Hij zei toen dat hij rond 21.00 uur terug zou zijn. Als haar wordt gevraagd of de verklaring van [getuige1] klopt dat zij [slachtoffer] die avond samen met [betrokkene2] op de camerabeelden van het restaurant heeft gezien en dat [slachtoffer] samen met hem is weggegaan, antwoordt [nicht so] dat dat niet klopt. Ze had tegen [getuige1] gezegd dat ze [slachtoffer] wel eens met deze jongen had gezien, maar dat was niet die avond. Die avond is [slachtoffer] alleen het restaurant uitgegaan. Ze weet niet of [slachtoffer] die avond samen met [betrokkene2] was.

Getuige [getuige2] heeft verklaard dat [slachtoffer] op 10 maart 2012 om 19.00 uur restaurant [naam restaurant] heeft verlaten. Hij had een afspraak en zou om 21.00 uur terug zijn.

Getuige [betrokkene2] heeft bij de rechter-commissaris ontkend op 10 maart 2012 een afspraak te hebben gehad met [slachtoffer].

Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op 10 maart 2012 iets na 19.00 weliswaar restaurant [naam restaurant] heeft verlaten voor een afspraak, maar dat uit de getuigenverklaringen niet is af te leiden dat deze afspraak met [betrokkene2] was. [betrokkene2] ontkent een afspraak te hebben gehad met [slachtoffer] en de stelling van de verdediging dat [nicht so] [slachtoffer] die avond samen met [betrokkene2] op de camerabeelden van het restaurant zou hebben gezien wordt ontkracht door de verklaring van [nicht so] zelf dat dit niet juist is.

De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of verdachte dan degene was met wie [slachtoffer] om 19.00 uur een afspraak had en naar de [adres] is gegaan.

Zoals de rechtbank reeds heeft vastgesteld hebben verdachte en [slachtoffer] op 10 maart 2012 tussen 19.15 uur en 19.21 uur meerdere malen zowel telefonisch als via sms contact met elkaar gehad en lijken hun telefoons zich na 19.20 uur gelijktijdig te verplaatsen vanuit het centrum van Nijmegen in de richting van het industrieterrein van Nijmegen, alwaar ook het pand aan de [adres] gelegen is.

Ook heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat verdachte de huurder was van dat pand.

Verdachte heeft echter verklaard op dat moment geen sleutel te hebben gehad van het pand aan de [adres] en dat hij daar ook niet kwam. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat het zijn taak was om de hennepkwekerij aan de [adres] te bewaken. Dit deed hij samen met [getuige3].

Getuige [getuige3] heeft verklaard dat hij een paar keer op de [adres] is geweest en daar ook heeft geslapen. Hij kreeg van verdachte geld om daar te slapen, omdat er was ingebroken. Het pand was van verdachte en er lagen ook spullen uit het cafetaria van verdachte. Als er iets was moest hij verdachte bellen. [betrokkene1] en verdachte waren samen. Zij deden het samen en wisten alles.

[betrokkene1] heeft verklaard dat verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene3] op de [adres] kwamen. Ook kwamen er Bulgaren.

Verdachte heeft in eerste instantie zelf verklaard de enige te zijn die een sleutel heeft.

Ook acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij die avond bij de ANAC in Nijmegen is geweest, omdat hij daar een afspraak had met [betrokkene1], niet aannemelijk. Voor deze afspraak wordt geen bevestiging gevonden in het dossier. [betrokkene1] verklaart er niet over en het past ook niet bij de door de telefoons van verdachte aangestraalde mastlocaties. Vanaf 20.29 uur bevindt het nummer [x] van verdachte zich onder de mast aan de Lagelandseweg, cell-ID 26671. Volgens de door de politie verrichte netwerkmeting in de omgeving ANAC, Energieweg, [adres] en Symfoniestraat heeft deze cell van de mast aan de Lagelandseweg geen uitstraling naar het ANAC-terrein. Het pas ter terechtzitting door de verdediging naar voren gebrachte scenario dat verdachte om de tijd te doden rondjes is gaan rijden acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte past klaarblijkelijk zijn verklaringen aan al naar gelang het bewijsmateriaal dat hem op dat moment bekend is.

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de verdediging dat niet kan worden gesteld dat verdachte en [slachtoffer] samen op de [adres] waren, aangezien hun telefoons op dat moment ieder andere mastlocaties aanstraalden (Lagelandseweg versus Lindenhoutseweg). De nummers [x] en [x] van verdachte maakten gebruik van respectievelijk de netwerken Vodafone en T-Mobile en de nummers [x] en [x] van [slachtoffer] van het netwerk van KPN . Deze providers maken ieder gebruik van hun eigen GSM basisstations , hetgeen verklaart waarom de telefoonnummers ieder een andere mastlocatie aanstralen. De stelling van de verdediging dat een zendmast een stralingsgebied heeft van 35 km. doet niet ter zake omdat met zekerheid is vast gesteld welke masten zijn aangestraald en de locatiebepaling door de rechtbank niet uitsluitend daarop geschiedt maar in samenhang met het andere bewijsmateriaal, aangezien er in casu gebruik is gemaakt van een netwerkmeting, hetgeen inhoudt dat de situatie van 10 maart 2012 is nagebootst.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] om 19.00 uur een afspraak had met verdachte en dat hij samen met verdachte is vertrokken naar de [adres]. Het verweer van de verdediging dat verdachte en [slachtoffer] pas om 21.00 uur een afspraak hadden acht de rechtbank gelet op al het vorenstaande niet aannemelijk geworden.

C. Vlietberg te Ooij

Redengevende feiten en omstandigheden

Zoals onder ‘de feiten’ reeds is vastgesteld is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 11 maart 2012 omstreeks 03.00 uur gevonden in de berm langs het wegdek van de Vlietberg te Ooij.

Getuige [[getuige4] heeft verklaard dat zij omstreeks 01.45 uur met haar vriend [getuige5], vanaf Nijmegen over de Ubbergseweg en de Ooijsedijk naar een bed en breakfast op de Vlietberg fietste. Vlak voor het Hollands-Duits werden ze voorbij gereden door een witte bestelbus, een model lijkend op een Volkswagen Caddy. De auto reed over de dijk richting Ooij. Ze kon door de achterruiten naar voren kijken. Ze zag niemand op de passagiersplaats zitten. Toen ze op de Ooijsedijk reden zag ze een zelfde soort bestelauto vanaf de Vlietberg linksaf de Ooijsedijk oprijden in de richting van Nijmegen.

Aan de hand van het opgevraagde beeldmateriaal van het centrum van Nijmegen en de historische printgegevens van de telefoonnummers van verdachte ([x] en [x]) is het volgende vastgesteld:

- Op 11 maart 2012 om 01.26 uur vertrekt de witte Renault Kangoo van verdachte met kenteken [x] vanuit de achterzijde van cafetaria [naam cafetaria] en verlaat de [adres] via de [adres].

- Op 11 maart 2012 om 01.28 uur komt de Renault Kangoo vanuit de Burchtstraat, rijdt richting de Voerweg en passeert daarbij twee fietsers.

- Op 11 maart 2012 om 01.32 uur heeft [x] contact met het nummer 06-[x] ([x]). [x] straalt daarbij de mastlocatie Jacob Canisstraat aan. Het dekkingsgebied van deze mast omvat de plek waar [slachtoffer] is gevonden.

- Op 11 maart 2012 om 01.42 uur heeft [x] ook contact met 06-[x], waarbij de mastlocatie Batavierenweg wordt aangestraald. Het dekkingsgebied van de Batavierenweg omvat ook de plek waar [slachtoffer] is gevonden.

- Op 11 maart 2012 om 01.45 uur komt de Renault Kangoo terug in de Lange Hezelstraat, hetgeen wordt geregistreerd door het logging systeem pasjes van de roadbarriers.

Tussenconclusie

Op grond van vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte op 11 maart 2012 om 01.26 uur vanuit het centrum van Nijmegen met zijn auto is vertrokken en in de richting is gegaan van Ooij, alwaar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] omstreeks 03.00 uur is aangetroffen.

Het verweer en de beoordeling daarvan

De verdediging heeft betwist dat verdachte op 11 maart 2012 omstreeks 01.30 uur met zijn auto langs of op de plaats is geweest waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen. Verdachte heeft zich wel rond dat tijdstip bevonden in de buurt van de Waalkade, omdat hij aldaar [betrokkene1] zou treffen. Aangezien [betrokkene1] niet kwam opdagen heeft verdachte om de tijd te doden rondjes gereden in de directe omgeving van de Waalkade, waarbij hij ook een stukje op de Ubbergseweg heeft gereden en mogelijk de getuigen [getuige4] en [getuige5] is gepasseerd. Uit de getuigenverklaringen van [getuige4] en [getuige5] blijkt niet dat het busje dat hen tegemoet kwam rijden ook de bestelbus van verdachte was. Het traject is onverlicht, zodat de getuigen niet hebben kunnen vaststellen dat het om hetzelfde busje ging. Ook zou de bestuurder volgens [getuige4] 1.83 m. zijn, hetgeen betekent dat verdachte niet de bestuurder kan zijn geweest. Ook spreken de beide getuigen elkaar tegen omtrent de snelheid waarmee het busje reed.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij die avond op de Waalkade is geweest, omdat hij daar een afspraak had met [betrokkene1], onwaar. Voor deze afspraak wordt geen bevestiging gevonden in het dossier. [betrokkene1] heeft verklaard geen afspraak te hebben gehad met verdachte op de Waalkade (“ik kan dat met 100% zekerheid zeggen, omdat het nooit een trefpunt was” ), het past niet bij de door de telefoons van verdachte aangestraalde mastlocaties gezien de door de politie uitgevoerde netwerkmetingen , en ook de telefoon waarmee en de nummers waarnaar verdachte vanaf de Waalkade zou hebben gebeld zijn door de politie nooit gevonden. Het pas ter terechtzitting door de verdediging naar voren gebrachte scenario dat verdachte om de tijd te doden rondjes is gaan rijden, waarbij hij ook een stukje op de Ubbergseweg heeft gereden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte lijkt zijn verklaringen aan te passen naar gelang het bewijsmateriaal dat hem op dat moment bekend is.

De rechtbank oordeelt dat het busje dat de getuigen [getuige4] en [getuige5] tegemoet kwam rijden vanaf de Vlietberg wel degelijk het busje van verdachte is geweest. Het past bij de door de telefoons van verdachte op dat moment aangestraalde mastlocaties (Jacob Canisstraat en Batavierenweg) en de rechtbank acht het niet aannemelijk dat er rond 01.30 uur in de nacht rond dezelfde tijd een soortgelijk wit bestelbusje aldaar over de dijk heeft gereden. Het feit dat de beide getuigenverklaringen op een aantal punten niet helemaal op elkaar lijken aan te sluiten en [getuige4] verklaart over een bestuurder van 1.83 m. lang, terwijl verdachte deze lengte niet heeft, doet hier niet aan af. Er zijn tal van redenen waardoor de waarneming van getuigen vertekend kunnen zijn.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 01.30 uur met zijn bestelbus langs of op de plaats is geweest waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen.

D. Conclusie

Resumerend heeft de rechtbank het volgende vastgesteld:

- [slachtoffer] en verdachte hadden op 10 maart 2012 om 19.00 uur een afspraak en zijn samen vertrokken naar de [adres].

- [slachtoffer] is na 20.30 uur aan de [adres] om het leven gebracht.

- Het vuurwapen waarmee [slachtoffer] om het leven is gebracht behoorde toe aan verdachte en de veiligheidspal van het wapen bevatte DNA-sporen van verdachte.

- Verdachte is op 11 maart 2012 omstreeks 01.30 uur met zijn bestelbus langs of op de plaats geweest waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen.

Op grond van vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 maart 2012 aan de [adres] te Nijmegen [slachtoffer] door middel van twee pistoolschoten in het hoofd om het leven heeft gebracht en hem later die nacht met zijn bestelbus naar de Vlietberg in Ooij heeft gebracht om hem aldaar in de berm langs de kant van de weg achter te laten.

Het feit dat op de trekker van het vuurwapen geen DNA van verdachte is aangetroffen doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, aangezien hiervoor meerdere redenen denkbaar zijn. Zo is mogelijk dat er geen DNA van verdachte is achtergebleven op de trekker of dat het wapen nadien is schoongemaakt.

In elk geval weegt de vaststelling dat verdachte’s DNA niet op de trekker zat, in de afweging van mogelijke scenario’s niet op tegen het aantreffen van zijn DNA op de veiligheidspal.

Dit geldt eveneens voor het feit dat er geen bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen in de laadruimte van de bestelbus van verdachte. Gezien de wijze waarop [slachtoffer] is aangetroffen – met een plastic zak over zijn hoofd die met grijze ducktape om zijn nek was gewikkeld - acht de rechtbank het zeer wel mogelijk dat [slachtoffer] ingepakt is vervoerd.

2. Is er sprake van voorbedachte raad?

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Verder moet komen vast te staan dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet dus de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen wat de gemoedstoestand en gedachten van verdachte waren op het moment dat hij de twee schoten in het hoofd van [slachtoffer] loste, stelt de rechtbank op grond van bovenstaande wel vast dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank betrekt hierbij de moeite die verdachte heeft gedaan - gezien de vele telefonische en sms-contacten - om een afspraak te maken met [slachtoffer] en hem mee te krijgen naar de [adres], alsmede het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen voorzien van demper en gericht tweemaal heeft geschoten in het hoofd van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012 te

Nijmegen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen meerdere malen een aantal kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op/naar/in de

richting van die [slachtoffer], waarna die [slachtoffer] door een of meer

projectielen/kogels in het hoofd werd geraakt/getroffen, ten gevolge waarvan

voornoemde persoon is overleden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen wapens en patronen worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 6 maart 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer], een jonge man aan het begin van zijn actieve leven. Verdachte heeft op korte afstand twee kogels door het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer] geschoten ten gevolge waarvan deze is overleden. Het exacte motief heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, maar alles wijst op een koelbloedige liquidatie.

Het gepleegde feit is een zeer ernstig feit. De dood is onomkeerbaar. Door aldus te handelen heeft hij het slachtoffer zijn meest kostbare bezit ontnomen, te weten zijn leven. Hij heeft de ouders hun zoon, en zijn vriendin haar vriend, afgenomen en familie en vrienden hun dierbare. Hij heeft hen allen onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook naar voor kwam in de door [benadeelde partij vader so] afgelegde slachtofferverklaring ter terechtzitting.

Door dit handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Bijzonder koelbloedig en wreed vind de rechtbank het ook nog dat verdachte om 21.00 op de dag van de moord naar het restaurant van de ouders is gegaan, wetende dat hij [slachtoffer] net had gedood, en heeft geveinsd met [slachtoffer] om die tijd een afspraak te hebben, kennelijk om verdenking later van zichzelf af te wenden.

Alles overwegend, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar passend en geboden.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven wapens en patronen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet en zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.797,30 aan materiële schade (kosten crematie, kosten grafmonument, kosten grafrecht en bijzetting) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De beoordeling door de rechtbank

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt en de vordering niet gemotiveerd is betwist zal deze volledig worden toegewezen.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 10 maart 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36d, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven wapens en patronen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij], te betalen € 8.797,30 (achtduizendzevenhonderdenzevenennegentig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij], te betalen € 8.797,30 (achtduizendzevenhonderdenzevenennegentig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 79 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2013.