Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ6903

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
13/247
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking van politierechter. De wrakingskamer concludeert dat verzoeker geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid van de betrokken rechters schade zou kunnen lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Wrakingskamer

Zaaknummer: 13/247

Beschikking van 5 april 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker tot wraking,

tegen

mr. E. de Boer,

in haar hoedanigheid van politierechter in de zaken met de parketnummers 05-702654-10,

05/702951-10 en 05/700635-12

1. De procedure

1.1. Ter terechtzitting van 22 januari 2013 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen

mr. De Boer.

1.2. Bij schrijven van 8 februari 2013 heeft mr. De Boer aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft zij haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.

1.3. Op 19 februari 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daar in persoon verschenen, vergezeld van (gemachtigde). Mr. De Boer die schriftelijk heeft meegedeeld geen prijs te stellen om te worden gehoord, is evenmin verschenen.

1.4. Bij schrijven van 20 februari 2013 heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt. Dit verzoek is door de wrakingskamer in een andere samenstelling op 7 maart 2013 behandeld. Bij beschikking van 21 maart 2013 is door de wrakingskamer het wrakingsverzoek ongegrond verklaard.

2. De feiten

2.1. Ter terechtzitting van de politierechter te Arnhem van 22 januari 2013 zijn de strafzaken van het openbaar ministerie tegen verzoeker behandeld. Verzoeker is hierbij verschenen. De zaken met de parketnummers 05-702654-10 en 05/702951-10 betreffen eerder aangehouden zaken die ter terechtzitting van 18 januari 2011 zijn geschorst en verwezen naar de rechter-commissaris. Bij deze aangehouden zaken is ter terechtzitting van 22 januari 2013 de zaak met parketnummer 05/700635-12 gevoegd.

2.2. Bij brief van 21 januari 2013 heeft verzoeker verzocht alle zaken aan te houden en terug te verwijzen naar de rechter-commissaris voor zorgvuldig onderzoek. Dit verzoek is ter terechtzitting van 22 januari 2013 behandeld en door de politierechter afgewezen. Daarop heeft verzoeker de politierechter gewraakt.

3. Het wrakingsverzoek en het verweer

3.1 Verzoeker stelt dat de politierechter niet onpartijdig tegenover de zaak staat, dan wel dat bij

verzoeker de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechter niet onpartijdig tegenover de zaak staat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de politierechter haar ter zitting van 18 januari 2011 gedane toezegging niet nakomt, inhoudende dat de zaken naar de rechter-commissaris zouden worden verwezen. Daarnaast heeft de politierechter het verzoek tot toevoeging van een raadsman naar eigen keuze niet gehonoreerd. Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer deze gronden verder uiteengezet en toegelicht.

3.2. Mr. De Boer heeft schriftelijk verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig

besproken.

4. De beoordeling

4.1 Gelet op artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient in een wrakingsprocedure

te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid

schade zou kunnen lijden.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Allereerst overweegt de rechtbank het navolgende. Verzoeker heeft ter zitting van de

wrakingskamer nadere gronden ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek, te weten dat de politierechter de zaken ter terechtzitting van 22 januari 2013 niet heeft behandeld in de stand waarin deze zaken zich op het moment van de schorsing bevonden. Voorts doet de politierechter volgens verzoeker niet aan materiële waarheidsvinding, omdat verzoeker als verdachte wordt gehoord en niet de aangever. Tenslotte wordt hem het recht ontnomen om als verdachte een verklaring af te leggen bij de rechter-commissaris. De rechtbank zal met deze gronden rekening houden in de beoordeling, nu deze zijn te beschouwen als nadere toelichting op en vallend binnen de ter terechtzitting van 22 januari 2013 aangevoerde gronden.

4.4. Met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval sprake is van uitzonderlijke

omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is,

overweegt de rechtbank als volgt.

4.5. De rechtbank stelt vast dat ter zitting van 18 januari 2011 de zaken met de parketnummers 05-702654-10 en 05/702951-10 zijn verwezen naar de rechter commissaris ten behoeve van het horen van drie getuigen in de zaak met nummer 05/702951-10, en daarnaast om verzoeker samen met een nieuwe advocaat in de gelegenheid te stellen nadere onderzoekswensen te formuleren en het dossier te doen completeren. De nieuwe, door de rechter-commissaris toegevoegde, raadsman heeft zich teruggetrokken. De rechter-commissaris heeft daarna het onderzoek gesloten zonder de getuigen te horen en de zaken weer terugverwezen. Gelet op het vorenstaande ontbreekt feitelijke grondslag aan verzoekers standpunt dat de politierechter haar toezegging om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen niet gestand heeft gedaan. Dat de rechter-commissaris door het ontbreken van een raadsman het onderzoek heeft gesloten en de zaak heeft terugverwezen doet daaraan niet af.

Ter zitting van 22 januari 2013 heeft de politierechter mr. De Boer het nieuwe aanhoudingsverzoek afgewezen omdat het verzoek “voor zorgvuldig onderzoek” te weinig concreet is.

4.6. Een processuele beslissing levert op zichzelf geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden in de zin van artikel 512 Sv. Dat is alleen anders indien een dergelijke beslissing een zwaarwegende aanwijzing is voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid), althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (objectieve partijdigheid).

De beslissing van de politierechter om de zaken niet opnieuw te verwijzen naar de rechter-commissaris vormt op zichzelf geen aanwijzing voor subjectieve of objectieve partijdigheid van de rechter. Ook overigens is van partijdigheid niet gebleken. De omstandigheid dat de politierechter geen raadsman naar vrije keuze heeft toegevoegd, vormt evenmin een omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. De politierechter beschikt immers niet over de bevoegdheid tot toevoeging van een raadsman.

4.7. De stellingen van verzoeker dat de politierechter niet aan materiële waarheidsvinding doet, omdat verzoeker als verdachte wordt gehoord en niet de aangever en dat hem het recht is ontnomen om als verdachte een verklaring af te leggen bij de rechter-commissaris vallen buiten de omvang van de beoordeling, nu deze aspecten de inhoudelijke strafprocedure betreffen.

4.8. Het standpunt van verzoeker dat de politierechter de zaken ter terechtzitting niet heeft behandeld in de stand waarin deze zaken zich op het moment van de schorsing bevonden, mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag. Dat dit onjuist in het proces-verbaal is vermeld, is niet aannemelijk gemaakt.

4.9. De wrakingskamer ziet aanleiding te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken in deze zaak tegen mr. De Boer niet meer in behandeling zullen worden genomen. Hieraan ligt ten grondslag dat verzoeker het instrument van wraking gebruikt om zijn gelijk te bepleiten in de strafzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker misbruik maakt van het rechtsmiddel van wraking.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Vierveijzer, voorzitter, N.K. van den Dungen-Dijkstra en F.M.Th. Quaadvliet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.