Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ6423

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
05/700428-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:10047, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich zodanig roekeloos heeft gedragen dat mede aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] werd gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/700428-12

Datum zitting : 22 maart 2013

Datum uitspraak : 5 april 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 25 september 2011, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, in elk geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Volkswagen, kenteken [X]), tezamen en in vereniging

met [slachtoffer], eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een ander motorrijtuig (personenauto merk Renault, kenteken [X]), althans alleen,

rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Spijksedijk, zich zodanig roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een ander (voornoemde [slachtoffer]) werd gedood, hierin bestaande dat verdachte en/of voornoemde [slachtoffer];

- in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft/hebben deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd, althans een wedstrijd, en/of

- (daarbij) heeft/hebben gereden met een (veel) hogere snelheid dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum snelheid van 60 kilometer per uur, en/of

- (daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op korte afstand achter en/of

naast elkaar hebben gereden (over/op die Spijksedijk), en/of

- (daarbij) (meermalen) met hoge snelheid voornoemde [slachtoffer]/elkaar heeft/hebben ingehaald, althans heeft/hebben getracht in te halen, en/of

- (daarbij) zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door die

ander bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende op het voor hem/hen gelegen

gedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft/hebben gelet en/of is

blijven letten, en/of

- waardoor, althans mede waardoor genoemde [slachtoffer] het door hem bestuurde

voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle heeft gehad, en/of heeft gehouden en/of

- waardoor (het voertuig van) genoemde [slachtoffer] (vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

- (vervolgens) in de naast die Spijksedijk gelegen berm gegleden of gereden, in

elk geval is terecht gekomen, en/of

- (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een aldaar

geparkeerd staande motorrijtuig (personenauto merk Hyundai, kenteken

[X]), en/of

- (vervolgens) is terechtgekomen in de tuin van het perceel Spijksedijk [adres] en

daarbij is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meer in die

tuin aanwezig goederen en/of groenvoorzieningen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, in elk

geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), tezamen en

in vereniging met [slachtoffer], eveneens als bestuurder van een voertuig

(personenauto), althans alleen,

heeft gereden over de Spijksedijk en zich (daarbij) zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

welk gedrag hierin heeft bestaan dat verdachte en/of voornoemde [slachtoffer];

- in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994

heeft/hebben deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd,

althans een wedstrijd, en/of

- (daarbij) heeft/hebben gereden met een (veel) hogere snelheid dan de voor

hem/hen aldaar geldende maximum snelheid van 60 kilometer per uur, en/of

- (daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op korte afstand achter en/of

naast elkaar hebben gereden (over/op die Spijksedijk), en/of

- (daarbij) (meermalen) met hoge snelheid voornoemde [slachtoffer]/elkaar heeft/hebben ingehaald, althans heeft/hebben getracht in te halen, en/of

- (daarbij) zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door die

ander bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende op het voor hem/hen gelegen

gedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft/hebben gelet en/of is

blijven letten, en/of

- waardoor, althans mede waardoor genoemde [slachtoffer] het door hem bestuurde

voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle heeft gehad, en/of heeft gehouden, en/of

- waardoor (het voertuig van) genoemde [slachtoffer] (vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

- (vervolgens) in de naast die Spijksedijk gelegen berm gegleden of gereden, in

elk geval is terechtgekomen, en/of

- (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een aldaar

geparkeerd staande motorrijtuig (personenauto merk Hyundai, kenteken

[X]), en/of

- (vervolgens) is terechtgekomen in de tuin van het perceel Spijksedijk [adres] en

daarbij is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een of meer in die

tuin aanwezig goederen en/of groenvoorzieningen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, in elk

geval in Nederland, op de openbare weg, Spijksedijk, een wedstrijd met

voertuigen heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een wedstrijd met

voertuigen.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 maart 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. E. Schippers, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft 25 september 2011 als bestuurder van een personenauto (merk Volkswagen, kenteken [X]) te Spijk, gemeente Rijnwaarden, met [slachtoffer], bestuurder van een personenauto (merk Renault, [X]), gereden op de openbare weg, de Spijksedijk. Deze weg is op een dijklichaam gelegen en heeft een breedte van ongeveer 6,2 meter. De weg kent naast rechte gedeelten tevens een flauwe bocht naar rechts. Op de Spijksedijk geldt voor personenauto’s een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Verdachte en [slachtoffer] hebben op de Spijksedijk deelgenomen aan een snelheidswedstrijd. Daarbij heeft [slachtoffer] verdachte ter hoogte van de afslag Dijkhoevestraat ingehaald. Vervolgens is [slachtoffer] ter hoogte van perceelnummer [adres] de controle over het door hem bestuurde voertuig verloren. De auto van [slachtoffer] is om zijn verticale as gaan roteren en zijdelings in de rechterberm gegleden of gereden. In de rechterberm is de auto van [slachtoffer] tegen een daar geparkeerd staande personenauto, zijnde een Hyundai (kenteken [X]) gebotst. Door de hoge mate van energie is de auto van [slachtoffer] via de voorzijde van de Hyundai en geheel los van de bodem in de tuin van perceel Spijksedijk [adres] terecht gekomen. De auto van [slachtoffer] is na het omver rijden van een ijzeren toegangshek, een houten speeltoestel, houten erfafscheidingsdelen en groenvoorzieningen tot stilstand gekomen. Als gevolg van het verkeersongeval heeft [slachtoffer] ernstig hersenletsel opgelopen met de dood ten gevolge.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte tezamen en in vereniging met [slachtoffer] heeft deelgenomen aan een straatrace, waarbij de officier van justitie tot uitgangspunt neemt dat de auto’s vanuit stilstand naast elkaar zijn gestart. Ondanks het feit dat verdachte de fatale stuurfout niet heeft gemaakt en de auto van [slachtoffer] niet heeft geraakt, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het verkeersongeval mede aan de schuld van verdachte is te wijten (onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad met de nummers LJN B13862 en LJN BJ9367). Verdachte en [slachtoffer] hebben gedurende de snelheidswedstrijd de maximumsnelheid op de Spijksedijk ver overschreden en waren vooral bezig met elkaar en met de snelheid van de auto’s. Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat de snelheidswedstrijd na de eerste afslag in Spijk feitelijk doorging, onverlet de eventuele afspraak dat de wedstrijd ter hoogte van die afslag zou eindigen.

Naar de mening van de officier van justitie hebben verdachte en [slachtoffer] door hun deelname aan een snelheidswedstrijd op een smalle dijk op een tijdstip waarop het reeds donker was dan wel donker begon te worden, tezamen en in vereniging roekeloos gereden met als gevolg een verkeersongeval met dodelijke afloop. Ten aanzien van het medeplegen geldt dat verdachte niet alle tenlastegelegde handelingen zelf begaan behoeft te hebben. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er een causaal verband is tussen het roekeloos rijgedrag en het verkeersongeval. Het primair tenlastegelegde kan naar mening van de officier van justitie, zelfs als de rechtbank het medeplegen niet aanwezig zou achten, wettig en overtuigend worden bewezen. Het verkeersongeval kan immers in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. De officier van justitie stelt zich tevens op het standpunt dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het verloop van de straatrace stelt de verdediging zich op het standpunt dat de snelheidswedstrijd ter hoogte van de eerste afslag naar Spijk is geëindigd, conform de vooraf tussen [slachtoffer] en verdachte gemaakte afspraak. De verdediging is tevens van mening dat de snelheid en de overige tenlastegelegde gedragingen niet vast staan. Mocht verdachte zich al schuldig hebben gemaakt aan één of meer tenlastegelegde gedragingen, dan kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen deze gedragingen en het verkeersongeval met dodelijke afloop. Naar mening van de verdediging is niet aan de vereiste causaliteit voldaan en kan het verkeersongeval niet in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. De verdediging stelt zich vervolgens op het standpunt dat zelfs wanneer er wel een verband zou bestaan tussen het verkeersongeval en de snelheidswedstrijd, het verkeersongeval niet aan de schuld van verdachte is te wijten, nu sprake was van een eenzijdig ongeval. Op grond van bovenstaande redenen is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat een enkele deelname aan een straatrace niet per definitie gevaarzetting met zich meebrengt. Aangezien zowel de gedraging als de reële kans op een ongeval niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, dient verdachte naar mening van de verdediging ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met [slachtoffer] op de openbare weg deelgenomen aan een snelheidswedstrijd, waarbij hij met zijn auto heeft gereden tegen de auto bestuurd door [slachtoffer]. De rechtbank stelt vast dat verdachte daarmee in strijd met artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehandeld.

Het wegdek op de Spijksedijk was 25 september 2011 droog en het weer was helder. Ten tijde van het ongeval, gemeld om 20:21 uur terwijl de zonsondergang om 19:31 uur had plaatsgevonden, was het reeds schemerig dan wel nagenoeg donker geworden. Op de Spijksedijk was geen straatverlichting aanwezig. Nadat er bij het Kraantje op de Spijksedijk een discussie was ontstaan over de snelheid van de auto’s van verdachte en [slachtoffer], stelde [betrokkene] voor een snelheidswedstrijd te houden. Nadat de voertuigen naast elkaar gereed stonden voor de start, heeft [betrokkene] het startsignaal gegeven voor de snelheidswedstrijd. Verdachte en [slachtoffer] hebben gedurende de snelheidswedstrijd met hoge snelheden gereden. Er werd een flink toerental door de motoren van de auto’s gehaald. De hoge snelheid waarmee is gereden, wordt door de rechtbank tevens afgeleid uit de kracht waarmee de auto van [slachtoffer] tegen de geparkeerde auto is gebotst en waardoor zijn auto de tuin van perceel [adres] werd ingeworpen. De motor van de auto van [slachtoffer] draaide nog op het moment dat de auto in de tuin terecht was gekomen.

Ter hoogte van de eerste afslag naar Spijk, de Dijkhoevestraat, is verdachte door [slachtoffer] ingehaald. Daarbij reden de voertuigen van verdachte en [slachtoffer] op korte afstand achter en, gedurende de inhaalmanoeuvre, naast elkaar over de Spijksedijk. Vervolgens heeft verdachte door extra gas te geven en zijn snelheid te verhogen naar 100 kilometer per uur getracht [slachtoffer] bij te halen. Daarmee werd de maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gedurende de snelheidswedstrijd ver overschreden. Na de constatering van verdachte dat de afstand tussen hem en [slachtoffer] alleen maar groter werd, heeft verdachte afgeremd. Ter hoogte van een flauwe bocht naar rechts op de Spijksedijk heeft [slachtoffer] de controle over zijn auto verloren, waarna de auto in een slip is geraakt. De auto van [slachtoffer] is vervolgens in de rechterberm van de Spijksedijk gegleden of gereden, waarna hij is gebotst tegen een daar geparkeerde Hyundai (kenteken [X]). De auto van [slachtoffer] is door de botsing met de Hyundai de tuin van het perceel Spijksedijk [adres] ingeworpen en daar tot stilstand gekomen. Als gevolg van het verkeersongeval is bij [slachtoffer] ernstig hersenletsel ontstaan, waaraan hij op 27 september 2011 is overleden.

Ten aanzien van de causaliteit

De rechtbank stelt vast dat door verdachte en [slachtoffer] de afspraak was gemaakt om te racen tot de eerste afslag in Spijk ter hoogte van de steenfabriek, de Dijkhoevestraat. Wat daarvan ook zij, uit de getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat verdachte en [slachtoffer] na deze afslag niet zijn gestopt, maar met hoge snelheden zijn doorgereden. Verdachte heeft in strijd met de afspraak om de snelheidswedstrijd te laten eindigen bij de eerste afslag, na de inhaalmanoeuvre van [slachtoffer] ter hoogte van de afslag Dijkhoevestraat zijn snelheid zelfs nog verhoogd tot 100 kilometer per uur en daarmee de achtervolging ingezet. Uit de gedragingen van verdachte en [slachtoffer] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de snelheidswedstrijd na de eerste afslag feitelijk is doorgegaan. De omstandigheid dat verdachte na de korte achtervolging heeft afgeremd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte en [slachtoffer] door hun deelname aan de snelheidswedstrijd alleen nog maar bezig waren met elkaars gedragingen op de weg en met de hoge snelheid van de auto’s. Zij hadden derhalve onvoldoende aandacht voor de veiligheid op de weg, waaronder hun eigen veiligheid. Zij hebben elkaar opgejaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de deelname van verdachte aan de snelheidswedstrijd met [slachtoffer] en het verkeersongeval, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van de schuld van verdachte

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is van roekeloos rijgedrag van verdachte en [slachtoffer]. Roekeloosheid betreft de zwaarste vorm van schuld. Het gaat om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid duidt op een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

Verdachte heeft, hoewel hij wist dat de maximumsnelheid op de Spijksedijk 60 kilometer per uur was, deze fors overschreden door tezamen en in vereniging met [slachtoffer] een snelheidswedstrijd te houden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het houden van een snelheidswedstrijd op de openbare weg met zeer onverantwoord verkeersgedrag gepaard gaat. Daar komt bij dat het ten tijde van de snelheidswedstrijd reeds schemerig dan wel nagenoeg donker was en dat er geen straatverlichting aanwezig was, hetgeen de risico’s bij een snelheidswedstrijd extra heeft vergroot. Verdachte heeft zich ondanks dat hij ter plaatse bekend was en wist dat het houden van een snelheidswedstrijd op de Spijksedijk gevaarlijk was, laten overhalen. Verdachte heeft door zijn deelname aan de snelheidswedstrijd roekeloos rijgedrag vertoond, waarbij hij welbewust en met zeer ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich zodanig roekeloos heeft gedragen dat mede aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] werd gedood.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Primair

hij op 25 september 2011, te Spijk, gemeente Rijnwaarden,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Volkswagen, kenteken [X]), tezamen en in vereniging

met [slachtoffer], eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een ander motorrijtuig (personenauto merk Renault, kenteken [X]),

rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Spijksedijk, zich zodanig roekeloos, heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een ander (voornoemde [slachtoffer]) werd gedood, hierin bestaande dat verdachte en/of voornoemde [slachtoffer];

- in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft/hebben deelgenomen aan een snelheidswedstrijd, en/of

(daarbij) heeft/hebben gereden met een (veel) hogere snelheid dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum snelheid van 60 kilometer per uur, en/of

(daarbij) op korte afstand achter en/of

naast elkaar hebben gereden (over/op die Spijksedijk), en/of

(daarbij) (meermalen) met hoge snelheid voornoemde [slachtoffer]/heeft/hebben getracht in te halen, en/of

mede waardoor genoemde [slachtoffer] het door hem bestuurde

voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle heeft gehad, en/of heeft gehouden en/of

waardoor (het voertuig van) genoemde [slachtoffer] (vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) in de naast die Spijksedijk gelegen berm gegleden of gereden

(vervolgens) is gebotst tegen, een aldaar

geparkeerd staande motorrijtuig (personenauto merk Hyundai, kenteken

[X]), en/of

(vervolgens) is terechtgekomen in de tuin van het perceel Spijksedijk [adres] en

daarbij is gebotst tegen, een of meer in die

tuin aanwezig goederen en/of groenvoorzieningen.

2.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, op de openbare weg, Spijksedijk, heeft deelgenomen aan een wedstrijd met

voertuigen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 10, lid 1, van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie in combinatie met de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak een

gevangenisstraf voor de duur van 8 tot 12 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaar in de rede liggen. In het voordeel van verdachte houdt de officier van justitie rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat het gaat om een relatief oud feit. De officier van justitie merkt daarbij op dat het tijdsverloop een gevolg is van de opstelling van verdachte, die lange tijd heeft gezwegen over de werkelijke toedracht van het ongeval.

In het voordeel van verdachte houdt de officier van justitie rekening met de omstandigheid dat [slachtoffer] er zelf voor heeft gekozen om deel te nemen aan de race en daarbij de macht over het stuur heeft verloren. Daarnaast acht de officier van justitie het van belang dat verdachte door het ongeval een vriend heeft verloren. Gelet op deze omstandigheden acht de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Aangezien het gaat om een ernstig feit is volgens de officier van justitie echter wel een zware straf op zijn plaats. Van belang is dat het zowel verdachte als de samenleving duidelijk wordt dat een snelheidswedstrijd op de openbare weg verkeerd kan aflopen en dat aan de deelnemers zware straffen opgelegd kunnen worden. Naast speciale en algemene preventie, speelt volgens de officier van justitie ook vergelding een rol bij de strafmaat, ook omdat verdachte pas de waarheid heeft verteld toen hij niet anders meer kon. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts vordert de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, zijnde een overtreding, heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Het standpunt van de verdediging

In het kader van de strafmaat heeft de raadsman bepleit dat het doel preventie in deze zaak niet aan de orde is, aangezien zijn cliënt voor zijn leven gewaarschuwd is. Daarnaast is volgens de raadsman ook vergelding niet aan de orde, aangezien zijn cliënt verder zal moeten leven met het verlies van een goede vriend. De omstandigheid dat zijn cliënt lange tijd zijn mond heeft gehouden, kan hem niet worden aangerekend. Uit angst en paniek hebben de vrienden onderling afgesproken om hun mond dicht te houden, cliënt had daar al heel snel spijt van en heeft ter terechtzitting conform de waarheid verklaard.

De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, zijnde een overtreding, schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om¬stan¬dighe¬den waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij overweegt in het bijzonder het navolgende.

Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij de verkeersveiligheid voorop stelt. Verdachte en [slachtoffer] hebben ervoor gekozen om een snelheidswedstrijd c.q straatrace te houden. Verdachte heeft door zijn deelname aan deze snelheidswedstrijd bijgedragen aan de omstandigheid dat [slachtoffer] de controle over zijn auto heeft verloren, met een dodelijk ongeval tot gevolg. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Gelet op de ernst van het verkeersmisdrijf, de gevolgen van het verkeersongeval, alsmede uit oogpunten van speciale en algemene preventie, acht de rechtbank het opleggen van een forse straf geboden.

Voor een dergelijk feit is in beginsel richtinggevend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaar.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat het slachtoffer er zelf voor heeft gekozen om ook deel te nemen aan de snelheidswedstrijd. Het verkeersongeval is daarmee niet alleen aan verdachte, maar ook aan het slachtoffer te wijten. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte bij het ongeval een vriend heeft verloren. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij lange tijd de ware toedracht van het ongeval heeft verzwegen.

Alles overwegende zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Gelet op het uiterst onverantwoordelijke, roekeloze verkeersgedrag van verdachte zal de rechtbank, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf voor de maximale duur en een gedeeltelijk onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Deze laatste is korter dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten.

Gelet op de omstandigheid dat voor het onder 1 primair bewezenverklaarde feit reeds een voorwaardelijke gevangenisstraf, een maximale werkstraf en een gedeeltelijk onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte is opgelegd en daarbij is betrokken dat sprake was van een wedstrijd op de weg, acht de rechtbank een aparte straf ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit niet aangewezen en zal zij volstaan met de schuldigverklaring van verdachte zonder de oplegging van een straf of maatregel.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 10, 176, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Ten aanzien van feit 1 primair:

- Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

- Het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2 uren, zijnde 1 (één) dag hechtenis.

- Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 18 (achttien) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Ten aanzien van feit 2:

- Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen, mr. B.F.M. Klappe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2013.