Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ6196

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
03-04-2013
Zaaknummer
06/950693-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

team strafrecht

zittingsplaats Zutphen

meervoudige kamer

parketnummer: 06/950693-12 (parketnummer 850004-13 is afgesplitst ter terechtzitting van 26 maart 2013)

datum uitspraak: 3 april 2013 (bij vervroeging)

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

verblijvende in de PI Achterhoek, locatie Ooyerhoekseweg, Verlengde Ooyerhoekseweg 21 in Zutphen.

Raadsman: mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2013. De rechtbank heeft op verzoek van de raadsman van verdachte de feiten 3 en 4 van de oorspronkelijke dagvaarding met toepassing van artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, afgesplitst.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 mei 2012, te Neede, gemeente Berkelland, in ieder geval

in de gemeente Berkelland, opzettelijk brand heeft gesticht in een

loods/opslaghal (verhuurd aan de [huurder][adres]s],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk zich de toegang tot de

loods/opslaghal verschaft door middel van braak/verbreking en/of (vervolgens)

met een gieter dieselolie/gasolie gesprenkeld/verspreidt, althans verdeeld

over de vloer en/of goederen van/in die loods/opslaghal en/of vervolgens

(telkens) die dieselolie/gasolie aangestoken, althans tot ontvlamming

gebracht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

dieselolie/gasolie, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan

die loods/opslaghal en/of in die loods/opslaghal bevindende kermisattractie(s)

en/of een vrachtauto en/of een aanhangwagen en/of meerdere (andere)

goed(eren), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de loods en/of aangrenzende

loods(en) en/of panden en/of in die loods en/of aangrenzende loods(en)

bevindende goederen (hout en/of barbeques en/of tuinmeubelen en/of

buitenaccesoires en/of een caravan en/of snoepkraam en/of springkussen), in

elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2012, te Neede, gemeente Berkelland, ter uitvoering

van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een

loods/showroo[adres]s] (verhuurd aan de firma [naam]), met

dat opzet zich de toegang tot de loods/showroom heeft verschaft door middel

van braak/verbreking en/of (vervolgens) met een gieter dieselolie/gasolie

heeft gesprenkeld/verspreidt over de vloer van die loods/showroom en/of over

in die loods/showroom bevindende goederen, althans verdeeld over de vloer

en/of goederen van/in die loods/showroom, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 11 mei 2012, te Neede, gemeente Berkelland, opzettelijk en

wederrechtelijk houten wanden en/of houten banken en/of meubelen en/of houten

overkappingen, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Vrijspraak van het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde1

Aanleiding van het onderzoek

In de nacht van donderdag op vrijdag 11 mei 2012 heeft er brand gewoed in een loods aan de [adres] in Neede, gemeente Berkelland. In de deels uitgebrande loods stonden botsauto's en andere kermisartikelen van [bedrijf] opgeslagen. In een aangrenzende loods, in gebruik bij het bedrijf [naam], waren de vloer, houten meubels en overkappingen/tuinhuizen besprenkeld met een naar het zich liet aanzien brandbare vloeistof.

Op 16 december 2012 werd verdachte aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft - kort samengevat - vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, één en ander zoals verwoord in de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Hij heeft aangevoerd dat het dossier slechts één bewijsmiddel bevat dat verdachte betrokken zou zijn bij de brandstichting op 11 mei 2012, te weten een DNA-profiel dat is bepaald aan de hand van de bemonstering van een in de loods van [naam] aangetroffen gieter, welk profiel overeenkomt met dat van de verdachte. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA, te weten dat verdachte gieters gebruikt bij het verzorgen van de dieren op het kampje bij de woning van zijn ouders en dat dan voorafgaand aan de brandstichting twee gieters zijn weggenomen. Er is dus geen sprake van een evident dadergerelateerd spoor. Het spoor is niet op de plaats delict is aangetroffen, maar op een gebruikersvoorwerp dat is meegenomen naar de plaats delict. De raadsman heeft verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 maart 2013 (LJN: BZ2234).

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het tenlastegelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Op 11 mei 2012 hebben [naam 1] [naam 2] en [naam 3] aangifte gedaan van brandstichting/vernieling op diezelfde dag in loodsen aan de [adres] te Neede, gemeente Berkelland.2

B.J. Erlings, forensisch onderzoeker, heeft technisch onderzoek verricht naar sporen in verband met vermoedelijke brandstichting. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat in één loods waarschijnlijk sprake is geweest van twee onafhankelijke brandhaarden en dat in een aangrenzende loods met een vermoedelijk brandversnellend middel is gesprenkeld. De loodsen liggen op een omheind bedrijventerrein. Erlings heeft drie schoenindrukken veiliggesteld (SIN-nummers AAEH3927NL, AAEH3928NL en AAEH3929NL). De schoenindruk met het SIN AAEH3929NL is ongeveer 100 m van de omheining van het bedrijventerrein in een stuk landbouwgrond aangetroffen. Dit spoor leidde naar een gat in het hekwerk dat het bedrijventerrein [adres] omheint. Een schoenspoor met SIN AAEH3928NL is bij het binnenste hekwerk aangetroffen.3 Op het paneel dat was aangebracht tussen de deels uitgebrande loods en een aangrenzende loods is een schoenafdruk aangetroffen (SIN AAEH3927NL).4

Uit het onderzoek komt verder naar voren dat het in de loods van [naam] naar dieselolie rook en dat daar was te zien dat met een vloeistof was gesprenkeld. Er stond een grijze gieter van tien liter die naar dieselolie rook. Het handvat van de gieter is voor het bepalen van een DNA-profiel bemonsterd (SIN [nummer]). De vloeistof in de gieter werd eveneens bemonsterd: de zogeheten sniffer gaf aan dat er brandbare en vluchtige stoffen in de gieter aanwezig waren (SIN [nummer]). De eigenaar van [naam] en de eigenaar en verhuurder van de loodsen kenden de gieter niet. De eigenaar van [naam] wist zeker dat deze gieter zich vóór de brand niet in zijn loods bevond.

Erlings heeft geconcludeerd dat twee gaten in het hekwerk en een gat in een plexiglazen ruit in de roldeur van de loods op een inbraak duidden. De twee separate brandhaarden in de ene loods en het sprenkelen van vermoedelijk dieselolie in de andere loods, maken het waarschijnlijk dat de inbraken in de twee loodsen werden gevolgd door opzettelijke brandstichting.5

Onderzoek heeft uitgewezen dat het monster van de vloeistof in de gieter met SIN [nummer] een ontbrandbare vloeistof is: een aardoliedestillaat van de subklasse gasolie.6

Uit het rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek komt naar voren dat de bemonstering van het handvat van de gieter (SIN [nummer]) is onderworpen aan een LCN (Low Copy Number) DNA-analyse. Van de verkregen resultaten van die LCN DNA-analyse is een consensus DNA-profiel verkregen van een man, dat is vergeleken met de in de DNA-databank aanwezige DNA-profielen. Het DNA-profiel van [verdachte]nummer] matcht met dit consensus DNA-profiel, wat betekent dat het celmateriaal in de bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [nummer] is kleiner dan één op één miljard: de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man (niet zijnde een familielid van de verdachte) matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. In het DNA-profiel van het celmateriaal in SIN [nummer] zijn enkele niet reproduceerbare pieken zichtbaar waarvan niet duidelijk is of het DNA-kenmerken (van minimaal één andere persoon) of technische artefacten zijn. Deze pieken zijn daarom niet bij het vergelijkend DNA-onderzoek betrokken.7

In het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek is gerelateerd dat is onderzocht of en, zo ja, in hoeverre de verschillende op en bij de plaats delict aangetroffen schoensporen qua profiel onderling overeenkomen. Dit onderzoek leverde als conclusies op dat SIN AAEH3928NL (spoor in een stuk landbouwgrond) en SIN AAEH3929NL (spoor bij een hekwerk) onderling overeenkomen en dat die sporen niet overeenkomen met SIN AAEH3927NL (spoor op een paneel).8

Verder blijkt uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2013 dat door het ontbreken van voldoende informatie van de aangetroffen schoensporen, gipsafvormingen en foto's, geen schoenmaten kunnen worden bepaald. De schoenen van de aangehouden verdachte zijn niet voor vergelijkend onderzoek aangeboden, waardoor geen vergelijkend onderzoek mogelijk is naar het profiel van de aangetroffen sporen en het profiel van de schoenen van de verdachte, aldus de verbalisant.9

In het proces-verbaal staat aangegeven dat in/bij dezelfde loods(en) ook op 3 april 2012 en tussen 6 april en 10 april 2012 brand heeft gewoed en dat in verband daarmee aangifte is gedaan van brandstichting. Deze branden konden niet met verdachte in verband worden gebracht.

Daarnaast laten de uitkomsten van een onderzoek naar historische belgegevens van een mobiel nummer van verdachte geen verband zien tussen dat nummer en de plaats delict of tussen dat nummer en één of meer van de aangevers of de getuigen in dit onderzoek.10

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting het hem ten laste gelegde ontkend.

De rechtbank stelt vast dat het consensus DNA-profiel van [nummer] de enige aanwijzing vormt dat verdachte betrokken is geweest bij de brandstichting. Dit profiel is verkregen op basis van een LCN DNA-analyse. De rechtbank leidt hieruit af dat het bij SIN [nummer] gaat om minimale biologische sporen met zeer weinig DNA, passend bij een biologisch contactspoor. Het spoor is bovendien aangetroffen op een verplaatsbaar voorwerp, welk spoor daardoor niet per se delictgerelateerd is. De op/bij de plaats delict aangetroffen schoensporen en de historische gegevens van een mobiel nummer van verdachte belasten de verdachte niet. Noch uit de voorhanden processtukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van een relatie tussen verdachte en de aangevers. Dit klemt temeer nu er op dezelfde locatie kort vóór de ten laste gelegde brandstichting één of meer andere brandstichtingen zouden hebben plaatsgevonden en deze branden niet met verdachte in verband kunnen worden gebracht. Ook is er geen aanwijzing gevonden voor een eventueel motief bij verdachte, die een niet op voorhand onaannemelijke verklaring heeft voor het voorkomen van zijn DNA op het handvat van de gieter.

De rechtbank komt tot de conclusie dat alleen de gevonden match tussen het consensus DNA-profiel en het DNA-profiel van verdachte onvoldoende is om boven redelijke twijfel verheven te achten dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [naam 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 46.826,97 aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [bedrijf] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 191.657,82,- (€ 190.657,80 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de benadeelde partijen [naam 1] en [bedrijf] in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

De benadeelde partijen worden verwezen in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart de benadeelde partijen [naam 1] en [bedrijf] niet-ontvankelijk in hun vordering;

* verwijst de benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Prisse en Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 april 2013.

Mr. Vos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: : 06/950693-12 (parketnummer 850004-13 is afgesplitst ter terechtzitting van 26 maart 2013)

Uitspraak d.d. 3 april 2013 (bij vervroeging)

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 3 april 2013.

Tegenwoordig:

mr. Van Lookeren Campagne , rechter,

mr. , officier van justitie,

en mr. Buitenhuis , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De gedetineerde verdachte,

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

verblijvende in de PI Achterhoek, locatie Ooyerhoekseweg, Verlengde Ooyerhoekseweg 21 in Zutphen,

is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Ter terechtzitting van 26 maart 2013 heeft de verdachte aangegeven niet bij de uitspraak aanwezig te willen zijn.

De raadsman, mr. J.M. Keizer, is niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal,

1 Als hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0645-2012063098-35, Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, district Achterhoek, team Berkelland, gesloten en ondertekend op 14 januari 2013.

2 Processen-verbaal van aangifte door [naam 1] [naam 2] en [naam 3], respectievelijk p. 29-32, p. 25-28 en p. 33-35.

3 Een proces-verbaal sporenonderzoek van B.J. Erlings van 18 mei 2012, p. 36-37.

4 Een proces-verbaal sporenonderzoek van B.J. Erlings van 18 mei 2012, p. 38.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek van B.J. Erlings van 18 mei 2012, p. 38.

6 Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in Neede op 11 mei 2012, gedateerd 7 juni 2012, p. 67.

7 Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting in Neede op 11 mei 2012. gedateerd 30 augustus 2012, p. 61.

8 Een proces-verbaal vergelijkend sporenonderzoek van 14 januari 2013, p. 58.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2013, los bijgevoegd, p.1.

10 Een (stam)proces-verbaal, p. 4.