Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6461

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
14-03-2014
Zaaknummer
244052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak ziet op het afleggen van rekening en verantwoording over het WSNP-traject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/244052 / HA ZA 13-363

Vonnis van 27 november 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. H.A. Schenke te Nijmegen,

tegen

1 J. GERRITSEN

in zijn hoedanigheid van voormalig bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van eiser,

kantoor houdende te Nijmegen,

2. J. GERRITSEN PRO SE,

gekozen woonplaats te Nijmegen,

3. E.F.C. TIMMERMANS PRO SE,

gekozen woonplaats te Nijmegen,

4. de naamloze vennootschap

POELMANN VAN DEN BROEK N.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagden,

advocaat mr. P. Wanders te Amsterdam.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser], Gerritsen, Timmermans en Poelmann van den Broek genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2013;

  • -

    de producties ten behoeve van de comparitie van mr. Schenke;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gerritsen en Timmermans zijn in dienst bij Poelmann van den Broek.

2.2.

[eiser] verkeerde op enig moment in financiële problemen en heeft Plangroep Millingen aan de Rijn als schuldhulpverlener betrokken. Het is [eiser] met behulp van Plangroep niet gelukt om met zijn schuldeisers tot een akkoord / regeling te komen.

2.3.

[eiser] heeft in februari 2011 een vrijblijvend kosteloos gesprek gehad met een kantoorgenoot van Gerritsen, waar is gesproken over zijn financiële problemen en de mogelijkheden die er waren als het minnelijk traject niet zou slagen. [eiser] is toen gewezen op de mogelijkheid om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verzoeken aan de rechtbank. Gerritsen was op verzoek van zijn kantoorgenoot bij het gesprek met [eiser] aanwezig.

2.4.

Naar aanleiding van het adviesgesprek heeft [eiser] een verzoek bij de rechtbank ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.5.

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2011 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [eiser] uitgesproken. Gerritsen is daarbij tot bewindvoerder benoemd.

2.6.

Op 4 juli 2011 heeft Gerritsen [eiser] thuis bezocht voor een inventariserend gesprek.

2.7.

[eiser] heeft Gerritsen bij brief van 14 juli 2011 bericht een voorstel tot het aanbieden van een akkoord te kunnen doen van € 6.625,00. Gerritsen heeft [eiser] daarop bij email van 18 juli 2011 bericht:

“Voor wat betreft het akkoord: zoals gezegd heeft u met uw opleidingen een goede kans om aanzienlijk meer te gaan verdienen dan u nu doet. € 6.600,00 is daarmee als gezegd niet genoeg. Nogmaals, het gaat er niet om dat u meer biedt dan eerder het geval was, maar voldoende biedt voor een akkoord. Mijn verwachting is

€ 12.000,00 - € 15.000,00. Dit geld dient ter beschikking gesteld door een derde te zijn.”

2.8.

Gerritsen heeft zijn taak als bewindvoerder met bijstand van Timmermans uitgevoerd.

2.9.

Op 6 augustus 2011 is de arbeidsovereenkomst van [eiser] van rechtswege geëindigd. Vanaf 7 augustus 2011 had [eiser] recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

2.10.

Op 11 oktober 2011 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Op 1 november 2011 is aan [eiser] een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.

2.11.

Op 19 januari 2012 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden. Daarbij is over het akkoord gestemd. De schuldeisers hebben ingestemd met het akkoord.

2.12.

De rechter-commissaris heeft zich onthouden van een advies over het akkoord.

2.13.

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 februari 2012 is het door [eiser] aangeboden akkoord gehomologeerd. Het akkoord houdt in dat [eiser] een bedrag van € 7.987,70 aanbiedt, zijnde 10,5 % van de totale vordering, tegen finale kwijting.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat -, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

  1. gedaagden veroordeelt tot het (meewerken aan) het afleggen van rekening en verantwoording over het WSNP-traject. De rekening en verantwoording dient in ieder geval de correspondentie met de rechtbank en rechter-commissaris te omvatten alsmede een financiële verantwoording van het bedrag van € 1.723,62 dat van de budgetbeheerrekening naar de boedelrekening is overgemaakt, een en ander op straffe van een dwangsom;

  2. voor recht te verklaren dat gedaagden tekort zijn geschoten in hun taakuitoefening als bewindvoerder c.q. medewerker van de bewindvoerder en dat zij niet hebben gehandeld zoals een redelijk handelend en vakbekwaam bewindvoerder c.q. medewerker betaamt en dat het handelen c.q. nalaten van gedaagden de, althans een, belangrijke oorzaak is van de psychische gesteldheid van [eiser];

  3. voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade - zowel materieel als immaterieel - die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van hun handelen c.q. nalaten, en gedaagden hoofdelijk tot vergoeding van die schade te veroordelen, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

[eiser] voert ter onderbouwing van zijn vordering, samengevat weergegeven, aan dat Gerritsen ernstig is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn taak als bewindvoerder, dan wel is sprake van een onrechtmatige daad jegens [eiser] gepleegd door Gerritsen q.q. in de uitoefening van zijn beroep. Hierdoor is [eiser] ziek geworden, nam zijn ziekte steeds ergere vormen aan en is hij uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt geworden. Hierdoor lijdt [eiser] materiele en immateriele schade. De aansprakelijkheid van Timmermans baseert [eiser] op het feit dat zij Gerritsen heeft ondersteund bij de uitoefening van diens taken als bewindvoerder. Poelmann Van den Broek is als werkgever van Gerritsen en Timmermans aansprakelijk voor hun gedragingen aldus [eiser].

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden voeren aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat hij de verweren en de gronden daarvoor niet in de dagvaarding heeft vermeld. Nu dit voorschrift niet op sanctie van nietigheid is voorgeschreven, zal hieraan voorbij worden gegaan.

4.2.

De vraag naar de aansprakelijkheid van Gerritsen q.q. hoeft niet te worden beoordeeld. Deze aansprakelijkheid behelst feitelijk een aansprakelijkheid van de boedel in de schuldsanering, die resulteert in een boedelschuld. Vaststaat dat de schuldsaneringsregeling inmiddels is beëindigd. Er is geen boedel meer en Gerritsen is geen bewindvoerder meer van [eiser]. [eiser] moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering voor zover die is ingesteld tegen Gerritsen q.q.

4.3.

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de bewindvoerder pro se geldt het volgende. In artikel 316 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) staat dat de bewindvoerder is belast met het toezicht op de naleving door de schuldenaar van diens verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien en het beheer en de vereffening van de boedel. Het artikel stemt in hoofdlijnen overeen met artikel 68 Fw waar de taak van de curator in faillissement staat beschreven. Om die reden zoekt de rechtbank aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 19 april 1996, NJ 1996, 727 waarin de zorgvuldigheidsnorm van de curator is geformuleerd. Deze zorgvuldigheidsnorm houdt in dat de curator in privé aansprakelijk is indien hij niet handelt zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

4.4.

Gebleken is dat [eiser] en Gerritsen verschillen van inzicht over wat de taak van de bewindvoerder is. Volgens [eiser] is deze ruimer dan de in de wet en de Recofa-richtlijnen omschreven taak. [eiser] onderschrijft dat de bewindvoerder primair de belangen van de crediteuren behartigt, maar stelt dat de bewindvoerder een grotere inspanningsverplichting heeft dan een curator in een faillissement om tot een goede afwikkeling te komen, omdat het in een schuldsaneringsregeling, anders dan in een faillissement, om natuurlijke personen gaat die in de problemen zitten, aldus [eiser].

4.5.

De rechtbank deelt die opvatting niet. Van belang is te onderkennen dat de bewindvoerder door de rechtbank wordt benoemd en dus niet in opdracht van [eiser] het bewind voert over de boedel. De bewindvoerder voert zijn taak uit onder toezicht van de rechter-commissaris. De rechtbank gaat voor de invulling van de taakopvatting uit van de wettelijke regels en de Recofa-richtlijnen en jurisprudentie over de invulling van de taakopvatting van de bewindvoerder en sluit aan bij de conclusie van A-G mr. L. Timmerman bij het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2013, RvdW 2013, 720, waarin deze concludeert:

“De bewindvoerder is een toezichthouder, geen schuldhulpverlener: de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen rust op de schuldenaar. Indien de schuldenaar hulp nodig heeft om zijn verplichtingen na te komen, dient hij deze zelf te zoeken. Personen die niet in staat zijn de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen, worden immers niet tot de regeling toegelaten (art. 288 lid 1 sub c Fw).”

4.6.

De verwijten die [eiser] gedaagden maakt zien op de behartiging van zijn belangen, de communicatie en niet nagekomen gewekte verwachtingen. De verwijten zien uitdrukkelijk niet op het resultaat van de schuldsaneringsregeling: deze is binnen acht maanden geëindigd door homologatie van een akkoord waarbij de schuldeisers hebben ingestemd met betaling van 10,5% van hun vordering. Naar de rechtbank begrijpt luiden de klachten van [eiser] als volgt:

  • -

    Gerritsen en Timmermans hebben niet naar behoren gecommuniceerd,

  • -

    Gerritsen en Timmermans hebben onnodig lang aangedrongen op een medische verklaring, terwijl zij wisten dat [eiser] die niet kon overleggen. Zij hebben in strijd met artikel 3.5F van de Recofa-richtlijn geen medische keuring aangevraagd,

  • -

    Gerritsen heeft (onrechtmatig) met geld van de schikking van Plangroep geschoven en het bedrag ad € 1.723,61 dat voorafgaand aan de schuldsanering is gespaard, is niet verantwoord,

  • -

    de advisering aan de rechter-commissaris was niet transparant en niet waarheidsgetrouw,

  • -

    de totstandkoming van het akkoord en de homologatie daarvan hebben onnodig lang geduurd doordat Gerritsen en Timmermans de akkoordbehandeling hebben gefrustreerd en vertraagd,

  • -

    Gerritsen en Timmermans hebben geen berekeningen van het vrij te laten bedrag en verslagen aan [eiser] gestuurd.

De communicatie

4.7.

De algemene klacht van [eiser] over de communicatie treft geen doel. Indachtig het feit dat hij niet de opdrachtgever was van Gerritsen en indachtig hetgeen hierboven is geschreven over de taak van de bewindvoerder, is de communicatie - waarvan een groot deel is overgelegd - van Gerritsen, maar ook van Timmermans, voldoende zorgvuldig. Dit betreft zowel de voortvarendheid van de communicatie als de inhoud van de communicatie.

De medische keuring

4.8.

Volgens [eiser] heeft Gerritsen te lang bij hem aangedrongen op het verkrijgen een medische verklaring om vrijstelling van de sollicitatieplicht te kunnen vragen. Enerzijds legde dit teveel druk op hem, anderzijds was voor Gerritsen duidelijk dat hij geen medische verklaring kon verkrijgen, aldus [eiser].

4.9.

Artikel 3.5 onder f van de Recofa-richtlijn voor schuldsaneringsregelingen (hierna: Recofa-richtlijn) bepaalt het volgende:

Indien een schuldenaar zich erop beroept dat hij arbeidsongeschikt is, legt hij een medische verklaring of medische informatie over waaruit dit blijkt. Indien hij niet over een dergelijke medische verklaring of dergelijke medische informatie beschikt maar wel aannemelijk is dat sprake is van medische omstandigheden die de (mate van) arbeidsgeschiktheid beïnvloeden, laat hij zich keuren door een door de bewindvoerder of door de rechter-commissaris aan te wijzen deskundige, zoals een arts van de GGD. De kosten van een dergelijke medische keuring komen ten laste van de boedel of, indien het actief in de boedel ontoereikend is, ten laste van de Staat.

4.10.

Vast is komen te staan dat [eiser] niet te kennen heeft gegeven dat het voor hem onmogelijk was om een medische verklaring te verkrijgen. Op vragen van de bewindvoerder naar de status van de medische verklaring heeft [eiser] immers telkens geantwoord dat hij ermee bezig was, maar niet dat hij de verklaring niet kon krijgen. Nu [eiser] niet heeft aangegeven dat het voor hem niet mogelijk was een medische verklaring te krijgen, kan Gerritsen niet worden verweten dat hij verschillende keren om die medische verklaring heeft gevraagd. Dat hierbij teveel druk op [eiser] is uitgeoefend kan evenmin worden geconcludeerd; uit de overgelegde producties kan dit niet worden opgemaakt. Bovendien is het de taak van de bewindvoerder om op de nakoming van de verplichtingen door de schuldenaar toe te zien. Een behoorlijke taakvervulling houdt dan ook in dat de bewindvoerder de schuldenaar aanschrijft als die nakoming in het geding komt. Dit is ook in het belang van de schuldenaar, omdat bij niet nakoming van de verplichtingen het risico ontstaat dat de schuldsanering tussentijds wordt beëindigd zonder schone lei. Bovendien was de rechter-commissaris blijkens zijn advies van 19 januari 2012 (productie 18 bij dagvaarding) van mening dat de overgelegde stukken hem onvoldoende grond boden om een medische keuring te gelasten. Dat [eiser] niet gewezen is op de mogelijkheid om via de rechtbank een medische keuring te laten uitvoeren kan Gerritsen in dat licht dan ook niet worden verweten.

Plangroep

4.11.

Wat betreft de schikking met Plangroep staat vast dat een bedrag van € 950,00 naar de boedel is gevloeid, zoals door de rechter-commissaris was bepaald. De bewindvoerder heeft [eiser] hier over aangeschreven. Dat daarbij door Gerritsen druk op [eiser] is uitgeoefend, is tegenover de betwisting door Gerritsen zonder feitelijke onderbouwing niet aannemelijk geworden. De beslissing van de rechter-commissaris is [eiser] mogelijk onwelgevallig geweest, maar dat kan de bewindvoerder, die mededeling doet van die beslissing, moeilijk verweten worden. [eiser] verwijt Gerritsen ook dat het restantbedrag van de schikking niet aan hem ten goede is gekomen. In welke zin Gerritsen hiervan een verwijt kan worden gemaakt is echter niet duidelijk geworden. Dit restant is immers volgens [eiser] zelf op zijn budgetbeheerrekening gestort. Het had op de weg van [eiser] gelegen om dit met de budgetbeheerder te bespreken. Gerritsen heeft daarin geen rol.

4.12.

Gerritsen heeft toegelicht dat wat betreft het spaarsaldo van € 1.723,61 van een betaling zonder rechtsgrond of valsheid in geschrifte geen sprake is geweest. [eiser] heeft daarop vervolgens onvoldoende gereageerd. De vordering om rekening en verantwoording af te leggen over het overmaken van het bedrag van de budgetbeheerrekening naar de boedelrekening wordt dan ook afgewezen.

Het advies van de rechter-commissaris

4.13.

[eiser] zet vraagtekens bij de wijze van totstandkoming van het advies van de rechter-commissaris. De inhoud van dat advies wordt niet ondersteund door de inhoud van de verslagen van de bewindvoerder, zodat Gerritsen informatie buiten de verslagen om aan de rechter-commissaris moet hebben verstrekt, aldus [eiser]. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Gerritsen heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Het akkoord

4.14.

Op grond van artikel 329 Fw kan alleen de schuldenaar een akkoord aanbieden, maar volgens Recofa-richtlijn 5.1 a dient de bewindvoerder zo spoedig mogelijk in overleg met de schuldenaar de mogelijkheden voor een akkoord te onderzoeken en is hij de schuldenaar binnen redelijke grenzen behulpzaam bij het aanbieden van een akkoord.

4.15.

Voor [eiser] weegt met name zwaar dat hij bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling de verwachting had dat hij de schuldsaneringsregeling snel kon afsluiten door een akkoord aan te bieden, dat hij al helemaal had voorbereid. Na het huisbezoek bleek echter dat het door hem gespaarde bedrag niet hoog genoeg was, aldus [eiser]. Hij verwijt Gerritsen ook dat het tot stand komen van het akkoord te lang heeft geduurd.

4.16.

[eiser] heeft ter zitting erkend dat Gerritsen geen rol had in het aan de schuldsaneringsregeling voorafgaande minnelijke traject en dat tijdens het vrijblijvende gesprek dat hij met onder andere Gerritsen had voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling niet over bedragen voor een aan te bieden akkoord is gesproken. [eiser] erkent ook dat Gerritsen tijdens het huisbezoek te kennen heeft gegeven dat voor het aanbieden van een akkoord meer geld nodig was dan de € 6.600,00 die [eiser] wilde aanbieden en dat tijdens dat huisbezoek geen exact bedrag is genoemd. Gerritsen heeft toegelicht dat hij het door [eiser] genoemde bedrag van € 6.600,00 tijdens het huisbezoek heeft beoordeeld aan de hand van de verwachtingen op dat moment en voor de toekomst, aan de hand van de te verwachten verdiensten van [eiser]. Op dat moment beschikte Gerritsen niet over financiële gegevens, zodat het om een benadering ging. [eiser] verwijt Gerritsen dat hij het aangeboden bedrag te laag vond zonder dat hij de crediteuren had gebeld. Echter, [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de crediteuren in de schuldsaneringsregeling zouden hebben ingestemd met een akkoord voor € 6.600,00.

4.17.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de verwachting die bij [eiser] leefde door toedoen of mededelingen van Gerritsen is gewekt. Gerritsen kan daarom niet worden verweten dat een verwachting die bij [eiser] leefde - het sluiten van een akkoord voor € 6.600,00 - niet is uitgekomen.

4.18.

Ook het verwijt over de duur van de totstandkoming van het akkoord treft geen doel. Het verwijt dat [eiser] ook hier aan Gerritsen maakt, valt samen met de hiervoor vermelde verwachting van [eiser], namelijk dat hij dacht met het aanbieden van een akkoord van € 6.600,00 binnen een paar weken de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te hebben gebracht. Dat Gerritsen daarin tekort is geschoten is onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu [eiser] zelf stelt dat begin september 2011 nagenoeg alle schuldeisers akkoord waren, waaronder de grootste schuldeiser. Op 20 september 2011 is vervolgens aan de rechtbank verzocht een datum voor de verificatievergadering te bepalen. Dat hier het traject onredelijk is vertraagd, kan dan ook niet worden geoordeeld. De duur van acht maanden van toelating tot de schuldsaneringsregeling tot homologatie van het akkoord duidt eerder op een adequate en voortvarende afwikkeling van de regeling dan op frustratie en vertraging daarvan.

Toezending verslagen

4.19.

Artikel 2.4 onder d van de Recofa-richtlijn bepaalt dat de bewindvoerder de schuldenaar een afschrift verstrekt van ieder verslag. Bij elk verslag zit ingevolge 3.8 onder f van de Recofa-richtlijn een berekening van het vrij te laten bedrag. Gerritsen heeft erkend dat hij deze verplichting tijdens de regeling niet is nagekomen. Inmiddels heeft [eiser] naar eigen zeggen de verslagen ontvangen. Voor zover Gerritsen de verslagen niet aan [eiser] heeft gestuurd is door [eiser] onvoldoende onderbouwd in welke hij zin hij hierdoor schade heeft geleden.

Conclusie

4.20.

Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wordt geoordeeld dat Gerritsen zijn zorgplicht als bewindvoerder niet heeft geschonden. Gerritsen heeft de schuldsanering van [eiser] behandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Dat [eiser] dat, ondanks het bereikte akkoord, anders heeft ervaren mag zo zijn, maar hiervoor treft Gerritsen geen verwijt. Aan beoordeling van het gestelde causaal verband en de gestelde schade komt de rechtbank niet toe. Ook komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de vraag of Timmermans en/of Poelmann Van den Broek (mede) aansprakelijk zijn voor de door [eiser] gestelde schade, nu geoordeeld is dat Gerritsen zijn zorgplicht niet heeft geschonden. Ten slotte komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de subsidiaire grondslag van de vordering, de onrechtmatige daad. Dat de gedragingen van Gerritsen onafhankelijk van het hem verweten tekortschieten een onrechtmatige daad opleveren, is door [eiser] niet aangevoerd en volgt evenmin uit hetgeen hij wel heeft gesteld. De vorderingen onder 2) en 3) (zie hiervoor rechtsoverweging 3.1.) zullen daarom worden afgewezen.

Rekening en verantwoording

4.21.

De vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording over de afwikkeling van de schuldsaneringsregeling en inzage in de correspondentie die door of namens de bewindvoerder met de rechter-commissaris is gevoerd wordt afgewezen. Gerritsen heeft tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling rekening en verantwoording afgelegd aan de rechter-commissaris, zoals is voorgeschreven. Ook heeft Gerritsen voldaan aan de verplichting van artikel 162 lid 2 hierna: Fw, welk artikel op grond van artikel 340 lid 3 Fw. ook in de schuldsaneringsregeling geldt, om ten overstaan van de rechter-commissaris rekening en verantwoording aan de schuldenaar te doen als de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan.

4.22.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 904,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 904,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.