Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6457

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
14-03-2014
Zaaknummer
242796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 17 lid 3 Invorderingswet. Gedeeltelijke verjaring belastingschuld. Ontvanger mag dwangbevelen ten uitvoerleggen tot het bedrag dat niet verjaard is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/242796 / HA ZA 13-308

Vonnis van 20 november 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [plaats],

eisers in het verzet,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIVIERENLAND,

KANTOOR GORINCHEM,

kantoorhoudende te Gorinchem,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2013

  • -

    de onttrekking d.d. 6 augustus 2013 van mr. R.B.H. Beune te Nijmegen als advocaat van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2013

  • -

    de akte uitlaten van de Ontvanger van 25 september 2013 waarin vonnis wordt gevraagd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is al langere tijd actief op het terrein van administratieve, financiële en fiscale dienstverlening. Hij verrichtte deze diensten in de loop van de jaren (mede) vanuit een eenmanszaak, de besloten vennootschap Adviesbureau [eiser sub 1] B.V. die in 2009 is gefailleerd en vanuit Adviesbureau T. van Gessel Holding B.V. [eiser sub 2] was tot eind 2012 buiten gemeenschap van goederen getrouwd met [eiser sub 1].

2.2.

[eiser sub 1] en zijn vennootschappen hebben vanaf 2005 verzuimd aangiften te doen voor de inkomstenbelasting respectievelijk de vennootschapsbelasting. Ook [eiser sub 2] heeft verzuimd aangiften inkomstenbelasting te doen.

2.3.

De inspecteur van de Belastingdienst heeft daarom jarenlang op basis van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens ambtshalve aanslagen opgelegd. [eiser sub 1], zijn vennootschappen en [eiser sub 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen die aanslagen, zodat al die aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan.

2.4.

De in de aanslagen geformaliseerde belastingschuld van [eiser sub 1] is opgelopen tot een bedrag van € 408.891,00, exclusief invorderingsrente en kosten. Het gaat om aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2010, een naheffingsaanslag omzetbelasting, zeven naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en aanslagen bijdragen Zorgverzekeringswet over 2006, 2009 en 2010. Daarnaast is [eiser sub 1] op grond van aansprakelijkstellingen voor naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting van zijn vennootschappen een bedrag van € 160.073,00, exclusief invorderingsrente en kosten, aan de Ontvanger verschuldigd.

2.5.

De formele belastingschuld van [eiser sub 2] is opgelopen tot een bedrag van € 70.355,00, exclusief invorderingsrente en kosten. Het gaat hoofdzakelijk om aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2010.

2.6.

Hoewel [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door de inspecteur van de Belastingdienst en de Ontvanger meermaals in de gelegenheid zijn gesteld alsnog aangiften te doen, hebben zij dat niet gedaan.

2.7.

De Ontvanger heeft in het kader van de invordering van de aanslagen een groot aantal dwangbevelen voor die aanslagen jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] uitgevaardigd en aan hen doen betekenen. Het totaalbedrag van de jegens [eiser sub 1] uitgevaardigde dwangbevelen bedraagt € 642.757,25. Het totaalbedrag van de jegens [eiser sub 2] uitgevaardigde dwangbevelen bedraagt € 80.245,00. De Ontvanger is vervolgens de dwangbevelen gaan tenuitvoerleggen door middel van beslaglegging op de roerende zaken (de inboedel van hun woning) van [eiser sub 1] en [eiser sub 2].

2.8.

De Ontvanger heeft bij exploot van 7 november 2012 voor een deel van de belastingschuld van zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] cumulatief executoriaal beslag - er lag ten laste van ieder van hen al beslag van de Ontvanger voor andere aanslagen - doen leggen op de inboedel van hun woning. De verkoopdatum is daarbij bepaald op

23 januari 2013. De Ontvanger heeft daarnaast bij afzonderlijk exploot “vaststelling nieuwe datum verkoop” van 7 november 2012 voor de andere aanslagen waarvoor eerder executoriaal beslag was gelegd de nieuwe verkoopdatum ook op 23 januari 2013 doen bepalen.

2.9.

Op 4 december 2012 heeft [eiser sub 1] in een gesprek met de Ontvanger aangegeven dat hij per saldo een vordering op de Ontvanger heeft en dat hij alle aangiften over de jaren 2005 gereed had, deze op 12 december 2012 zou inleveren en per omgaande de openstaande naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting van € 5.167,00 zou betalen. Deze toezegging is niet gestand gedaan.

2.10.

De Ontvanger heeft het faillissement van [eiser sub 1] aangevraagd. [eiser sub 1] is op 7 juni 2013 failliet verklaard. [eiser sub 1] is daartegen in beroep gegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat zij goed opposant zijn tegen de betekende dwangbevelen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen het navolgende aan hun vordering ten grondslag. Zij stellen allereerst dat een deel van de belastingschuld van [eiser sub 1] is verjaard waardoor de Ontvanger niet meer het recht heeft om de dwangbevelen ten uitvoer te leggen. In dat kader stellen zij dat van het bedrag van € 141.687,25 waarvoor [eiser sub 1] in de beschikking aansprakelijkstelling van 10 maart 2009 aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van de gefailleerde Adviesbureau Van Gessel B.V. een bedrag van

€ 114.172,25 is verjaard. Ten tweede stellen zij dat de Ontvanger handelt in strijd met de Leidraad Invordering 1990 door geen, althans onvoldoende rekening te houden met hun belangen als belastingplichtige, temeer daar de Ontvanger weet dat de thans ingevorderde belastingschuld materieel niet is verschuldigd. Zij stellen dat hun belangen dienen te prevaleren boven het invorderingsbelang van de Ontvanger.

3.3.

De Ontvanger voert verweer. De Ontvanger verzoekt het verzet ongegrond te verklaren en voorts om dat te doen bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, omdat het verzet evident kansloos is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn op de voet van artikel 17 Invorderingswet 1990 (Iw) bij dagvaarding van 22 januari 2013 in verzet gekomen tegen de tenuitvoerlegging van een groot aantal dwangbevelen die de Ontvanger jegens hen heeft uitgevaardigd en aan hen heeft doen betekenen. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat zij in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen. Dit verzet schorst ingevolge artikel 17 lid 2 Iw de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen voor zover deze door het verzet worden bestreden. Dit betekent dat de executoriale verkoop van de roerende zaken die ten laste van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in beslag zijn genomen, welke verkoop laatstelijk was bepaald op 23 januari 2013, vooralsnog is geschorst.

4.2.

De Ontvanger erkent dat de belastingschuld van [eiser sub 1], voor zover het betreft de aansprakelijkheidsschuld voor de belastingschuld van zijn vennootschappen, deels, ten bedrage van € 118.801,00, is verjaard. Volgens de Ontvanger betekent dit dat de niet verjaarde belastingschuld van [eiser sub 1] die door middel van dwanginvordering kan worden geïnd hierdoor (€ 408.891,00 + € 160.073,00 – € 118.801,00) € 450.163,00 bedraagt, te vermeerderen met invorderingsrente en kosten. Deze opvatting is naar het oordeel van de rechtbank juist. De Ontvanger is dan ook gerechtigd om de dwangbevelen jegens [eiser sub 1] tot dat bedrag ten uitvoer te leggen door verhaal te nemen op de ten laste van hem in beslag genomen roerende zaken. Gesteld noch gebleken is dat de belastingschuld van [eiser sub 2] is verjaard, zodat de dwangbevelen jegens haar tot het volledige bedrag van € 70.355,00, te vermeerderen met invorderingsrente en kosten, ten uitvoer gelegd kunnen worden.

4.3.

Ten aanzien van de aangevoerde tweede grondslag, handelen in strijd met de Leidraad Invordering 1990, wordt als volgt overwogen. De kern van deze grondslag is dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van mening zijn dat de door de Ontvanger ingevorderde belastingschuld materieel niet is verschuldigd, althans tot een veel kleiner bedrag, waardoor de Ontvanger niet gerechtigd is over te gaan tot tenuitvoerlegging van de dwangbevelen door executoriale verkoop van de in beslag genomen roerende zaken.

4.4.

Ingevolge artikel 17 lid 3 Iw kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Tegen aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen staan immers reeds in de heffingssfeer rechtsmiddelen open, zoals het instellen van bezwaar en beroep bij de belastingrechter. De burgerlijke rechter kan in een verzetprocedure als de onderhavige in beginsel niet treden in de beoordeling van de hoogte van de opgelegde aanslagen, daar dat is voorbehouden aan de belastingrechter. Uit vaste jurisprudentie en de wetsgeschiedenis van artikel 17 Iw blijkt dat in zeer uitzonderlijke gevallen van deze regel kan worden afgeweken en aanleiding kan zijn voor de burgerlijke rechter tot ingrijpen. Daartoe is niet voldoende de enkele grond dat ten aanzien van de juistheid van de onderwerpelijke belastingaanslag op zijn minst twijfel mogelijk is, maar moet er in ieder geval ook sprake zijn van andere, bijkomende omstandigheden waarin de tenuitvoerlegging van die belastingaanslag strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; daarbij is in het bijzonder gedacht aan gevallen van willekeur of een aanslag die op een feitelijke of juridische misslag berust of gevallen waarin met betrekking tot de vaststelling van de belastingschuld zelf niet een aparte, met voldoende waarborgen omgeven, rechtsgang bestaat.

4.5.

De aanwezigheid van omstandigheden van dergelijke aard is in het onderhavige geval niet komen vast te staan. Er is niet gesteld of gebleken dat de aanslagen naar willekeur zijn opgelegd of berusten op een feitelijke of juridische misslag. Tegen de aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] opgelegde aanslagen, die de Ontvanger door middel van het uitvaardigen van dwangbevelen tracht in te vorderen, en waartegen het verzet zich richt stond bezwaar en beroep bij de belastingrechter open, welke rechtsgang [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onbenut hebben gelaten. De aanslagen staan daardoor onherroepelijk vast en hebben formele rechtskracht verkregen. Daarenboven hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun stelling, dat de aanslagen waartegen het verzet zich richt materieel niet zijn verschuldigd omdat [eiser sub 1] per saldo een vordering op de Ontvanger zou hebben, niet, althans volstrekt onvoldoende onderbouwd.

4.6.

Ook overigens zijn geen omstandigheden komen vast te staan welke medebrengen dat te dezen hetgeen aan de zijde van de Ontvanger met het oog op de invordering is geschied in strijd moet worden geoordeeld met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het staat in deze omstandigheden de Ontvanger vrij de dwangbevelen jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tot een bedrag van € 450.163,00 respectievelijk € 70.355,00 ten uitvoer te leggen door executoriale verkoop van de in beslag genomen roerende zaken van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Nu geen van de aangevoerde gronden het verzet tegen de dwangbevelen kan dragen, zal de rechtbank het verzet ongegrond verklaren.

4.7.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

4.8.

De Ontvanger heeft nog verzocht dat de rechtbank het vonnis waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, zodat de schorsende werking van het verzet niet herleeft indien [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een rechtsmiddel tegen het vonnis aanwenden (vgl. HR 8 juni 2007, NJ 2008, 368). Volgens de Ontvanger is het verzet van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen de dwangbevelen evident kansloos, zodat er sprake is van misbruik van bevoegdheid, terwijl het belang van hen bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting daarvan.

4.9.

Uit hetgeen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben aangevoerd en waarover hiervoor een oordeel is gegeven, kan worden afgeleid dat het verzet duidelijk kansloos was zodat misbruik van bevoegdheid in de onderhavige zaak kan worden aangenomen. Nu [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de verschuldigdheid van hun belastingschuld enkel bloot hebben betwist zonder onderbouwing, is het verzet er enkel op gericht om de executoriale verkoop van de in beslag genomen roerende zaken uit te stellen. Nu voorts voldoende is gebleken dat de Ontvanger, gelet op de aanzienlijke omvang van de ingevorderde bedragen en de geruime tijd die na het opleggen van de aanslagen is verstreken, belang heeft bij onverwijlde invordering, brengt het voorgaande mee dat de verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijsbaar is.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet ongegrond,

5.2.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 1.493,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.

Coll.: HS