Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6435

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
248153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Deskundigenbericht in deelgeschilprocedure in beginsel niet aan de orde. Geen begroting van kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/248153 / HA RK 13-136

Beschikking van 28 oktober 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. S. Demirtas te Arnhem,

tegen

naamloze vennootschap ALLIANZ NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Allianz genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de brief met productie namens [verzoeker] van 27 september 2013,

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: [verzoeker], mr. Demirtas voornoemd, [naam] (medewerker personenschade Allianz) en mr. Kragt voornoemd.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 2 maart 2012 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de N325 te Arnhem. Allianz, de WAM-verzekeraar van de bestuurder die het ongeval heeft veroorzaakt, heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van dit ongeval erkend.

2.2.

Tussen partijen is nadien gecommuniceerd over de schadeafwikkeling. Het schadebureau ITEB heeft namens Allianz de onderhandelingen met [verzoeker] gevoerd.

2.3.

Per brief van 1 augustus 2012 heeft mr. Demirtas namens [verzoeker] medische informatie aan Allianz toegezonden in verband met de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval. Tot die informatie behoorde het verslag van de spoedeisende hulp van 3 maart 2012. In dat verslag staat voor zover hier van belang als volgt geschreven:

“Bestuurder van een auto bij kop-staart botsing op een 80 km weg. Stonden stil voor een stoplicht, de auto achter hen werd aangetikt door een vrachtwagen, waarna kettingbotsing richting het stoplicht ontstond. Droeg gordel. Was op SEH vanwege bijrijder, echter nu zelf nekklachten. Voor de botsing al nekklachten aanwezig (nekhernia), de klachten nu zijn anders. Is niet buiten bewustzijn geweest.”

2.4.

Bij voornoemde brief was tevens een uitdraai van het huisartsenjournaal van 11 juli 2012 gevoegd. Daarin staat onder meer vermeld:

“08-03-2012 ongeval/letsel

S afgelopen vrijdag 2 maart kop-start ongeluk gehad, werd van achteren aangereden, naar SEH gebracht, niets gebroken, alles is gekneusd, toename pijn na 2-3 dagen; overal pijn, hoofd, nek, rug, buik, benen bdz.”

2.5.

Tevens was bijgevoegd een brief van de behandeld fysiotherapeut van 16 juli 2012. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“Meneer [verzoeker] is 16 maart 2012 onder behandeling gekomen ivm klachten na een kop-staart botsing op 2 maart 2012.

In het onderzoek is het volgende naar voren gekomen. Bij inspectie Thoracale kyfose zichtbaar. Pijn is gegeneraliseerd over de totale rug en hals waarbij met name de pijn rechts in de onderrug stekend aanwezig is. SLR is negatief maar geeft wel tintelingen tot aan de tenen van de rechtervoet. Actief BFO onderzoek van de nek is beperkt en ROM in alle richtingen waarbij flexie het meest pijn provocerend is in de vorm van hoofdpijn.”

2.6.

De ambulant begeleider van [verzoeker], die [verzoeker] sinds enkele jaren begeleidt bij financiële en administratieve zaken, heeft op 27 juli 2012 – onder meer – als volgt aan mr. Demirtas geschreven:

“Ik begeleidt de heer [verzoeker] al bijna 2,5 jaar en ik zie hem wekelijks buiten mijn vakanties om. Het is merkbaar aan [verzoeker] dat hij sinds 3 maart 2012 slechter is geworden door de auto-ongeluk. Ik heb al mijn rapportages over [verzoeker] vanaf 3 maart 2012 nogmaals doorgenomen en het is duidelijk gerapporteerd wat het verschil is voor het ongeluk en daarna.”

2.7.

Op 18 september 2012 heeft door (een medewerker van) ITEB een huisbezoek plaatsgevonden. Uit de conceptrapportage d.d. 20 september 2012 die ITEB naar aanleiding van dit bezoek heeft opgesteld wordt als volgt geciteerd:

LETSEL

Betrokkene (rb: [verzoeker]) ervaart het volgende letsel:

-hoofdpijn

-nekpijn

-rugpijn

-pijn op de borst en onder in de buik door het dragen van de gordel

(…)

GEZONDHEID VOOR ONGEVAL

Betrokken meldt omstreeks 2007/2008 een nek- en rughernia te hebben gehad. Hij had pijnklachten aan nek en rug en hierdoor beperkingen.(…)

Betrokkene meldt voor het ongeval slechts af en toe hoofdpijn te hebben gehad. Dit was als hij zich meer had ingespannen.

Betrokkene meldde tevens sinds zijn jonge jaren bekend te zijn met psychische klachten. Bij het Rijnstate ziekenhuis is hij al jarenlang bekend met een depressie. (….)

Betrokkene meldt dat in 2011 bij hem artritis is geconstateerd. Dit is een gewrichtsontsteking en in diverse gewrichten doen zich ontstekingen voor. Dit betekent onder andere dat hij niets meer met zijn handen kan doen. Betrokkene is onder behandeling bij een reumatoloog. Vanwege de reuma heeft hij in 2011 via een PGB huishoudelijke hulp gehad. Ook had hij toen recht op persoonlijke zorg via het PGB. Tot 1 februari 2012 heeft hij dit recht op de PGB-uitkering gehouden, daarna is dit stopgezet omdat betrokkene zijn medicijnen voor de reuma weigerde.(…)

[naam] van het R.I.B.W. lichtte zijn rol toe. Hij komt sinds augustus 2010 wekelijks bij betrokkene langs om hem te ondersteunen. Dit doet hij door een luisterend oor te bieden, eventueel dagbesteding te bespreken, betrokkene te helpen bij de organisatie van zijn leven en de administratie. [naam] meldt dat hij betrokkene sinds het ongeval in die zin veranderd vindt, dat de gesprekken veranderd zijn, dat betrokkene sneller geïrriteerd is en dat het voeren van gesprekken meer aandacht kost. Hij gaf tevens aan dat betrokkene voor ongeval al ondersteuning op diverse vlakken nodig had, maar dat de redzaamheid voor wat betreft kleine dingen minder is geworden. Zo ruimt hij kleine dingen minder snel op en laat meer liggen. De administratie is moeizaam. Hij moet betrokkene meer ondersteunen. Hij bevestigde dat betrokkene ook zonder ongeval behoefte zou hebben gehad aan huishoudelijke hulp en persoonlijke zorg.

Betrokkene meldt terloops nog in 1993 problemen te hebben gehad met een versleten schouderblad links, waarna hij nooit meer heeft gewerkt.(…)

ARBEIDSDESKUNDIGE ASPECTEN/EDUCATIEVE OMSTANDIGHEDEN

(…) Hij kreeg problemen met een versleten schouderblad en heeft sinds 1993 niet meer gewerkt, ook niet in loondienst. Betrokkene heeft een bijstandsuitkering, maar bevindt zich naar eigen zeggen in fase 5, hetgeen betekent dat hij geen sollicitatieplicht heeft vanwege psychische klachten.(…)

WOON- GEZINSSITUATIE / HOBBY’S

(…)

Aandeel in huishoudelijke taken voor ongeval:

beperkt, betrokkene gaf aan af en toe wel eens wat te doen, maar gaf anderzijds aan met de gewrichtsontstekingen niets met zijn handen te kunnen doen. De nek- en rughernia beperken hem ook, en door rustig te leven, door grenzen te hanteren en door handvaten van de fysiotherapeut in acht te nemen kon hij zijn pijnklachten beperken.

Tot 1 februari 2012 had hij via het PGB huishoudelijke ondersteuning en kreeg hij persoonlijke verzorging. Door het weigeren van medicijnen is dit stopgezet. Inmiddels is hiertegen bezwaar aangetekend en is alvast 2 uur huishoudelijke hulp toegekend. De verwachting is dat ook persoonlijke verzorging zal worden toegekend. De belangenbehartiger meldde dat bij het toekennen van 2 uur huishoudelijke hulp de klachten ten gevolge van het ongeval niet zijn meegenomen.

Aandeel in huishoudelijke taken na ongeval:

betrokkene meldt niets meer te kunnen doen in het huishouden en ook zichzelf niet meer te kunnen verzorgen.(…)

SCHADEPOSTEN/SCHADESTAAT

(…)

Ik heb de belangenbehartiger en betrokkene erop gewezen dat de medische informatie zal moeten bevestigen dat betrokkene door het ongeval extra hulp in het huishouden en op het gebied van persoonlijke zorg nodig heeft. Voor het ongeval was betrokkene al beperkt door diverse oorzaken en toen had hij tot 1 februari van dit jaar recht op huishoudelijke ondersteuning en persoonlijke verzorging. Vanwege medicijnweigering is deze hulpvraag tijdelijk stopgezet, maar ook zonder ongeval zou betrokkene in de problemen zijn geraakt en had er toch op de een of andere manier hulp moeten komen. Dit werd zo ook bevestigd door [naam]. Betrokkene acht zich door het ongeval meer beperkt. De medische informatie zal dit moeten bevestigen, maar op voorhand heb ik reeds aangegeven – gelet op de aard van de klachten en de pre-existentie – niet te verwachten dat persoonlijke verzorging gedurende 4 uur per dag, laat staan permanent, een gevolg kan zijn van het ongeval.(…)”

2.8.

Allianz heeft de door [verzoeker] verstrekte medische informatie (r.o. 2.3, 2.4. en 2.5.) voorgelegd aan haar medisch adviseur. Diens advies dateert van 1 oktober 2012. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“Het gaat dus om een ongeval waarvoor betrokkene zich tweemaal bij de huisarts heeft gemeld en waarbij geen letsel is aangetoond. Na een van achteren aangereden met substantieel inwerkend geweld worden in de regel wel tijdelijk (enige weken tot maanden) beperkingen aangenomen voor zware nekbelastende arbeid. Aanwijzingen voor BI (rb: blijvende invaliditeit), of blijvende beperkingen heb ik niet.

Er lijkt overigens sprake te zijn van niet-ongevalsgerelateerd, althans zo leid ik af uit de wat summiere informatie van de fysiotherapeut.(…)”

2.9.

Per e-mail bericht van 19 oktober 2012 heeft mr. Demirtas namens [verzoeker] inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen de conceptrapportage van ITEB van 20 september 2012.

2.10.

Nadien heeft [verzoeker] bij brief van 19 maart 2013 aan Allianz een uitdraai van het medisch journaal van 18 september 2012, een schrijven van de huisarts van 28 januari 2013 en een indicatiebesluit AWBZ-zorg van het CIZ toegezonden. Uit de brief van de huisarts wordt het volgende geciteerd:

“Hij (rb: [verzoeker]) heeft op 3 maart 2012 een kop-staart botsing meegemaakt, hij werd van achteren aangereden. Sindsdien is er duidelijk progressie in zijn nek, rug, schouder en hoofdpijn klachten. Hij heeft ook sensibiliteit (gevoel-) veranderingen in zijn hoofd/hals gebied. Deze klachten zijn ook anders dan de klachten die hij voor het ongeval kende. Hij heeft deze klachten meteen kort na het ongeval op de SEH aangegeven dat hij nu andere pijn en/of klachten ervaart (zie brief SEH arts).Ik kan bevestigen dat zijn huidige klachten ook anders zijn dan de klachten die hij vroeg had bij de HNP en/of artrose/discopathie. Hij wordt zodanig ernstig beperkt in zijn leven door deze klachten dat hij tot niets komt.(…)”

2.11.

De medisch adviseur heeft vervolgens op 22 juli 2013 opnieuw een advies uitgebracht aan Allianz. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“De patiëntenkaart van de huisarts laat de volgende (niet limitatief) zaken zien.

  • -

    2007: (voorgeschiedenis 1998 arthrose van de nek C6-7),

  • -

    2007 (voorgeschiedenis: ernstige psychiatrische problematiek)

  • -

    2007 ernstige psychiatrische en psychosociale problematiek

  • -

    2007 chronische hoofdpijn vanuit de nek

  • -

    2008 acute hevige rugpijn. HNP (hernia) tussen 4e en 5e lendenwervel

  • -

    2008 depressieve klachten

  • -

    2011 rheumatoide arthritis

  • -

    2011 heftige pijn in de linkerarm, uitstralend vanuit de nek. Meerdere ruggenwervels zouden volgens de fysiotherapeut krom staan.

  • -

    2011 verzoekt kennelijk om MRI van nek en rug: huisarts vindt deze niet nodig.

  • -

    2012 het ons regarderende ongeval “alles is gekneusd”

  • -

    2012 verzoek om kuurreis: volgens de rheumatoloog zou hij hierbij baat kunnen hebben.

BESCHOUWING

De hypothetische situatie zonder ongeval is er dus één van een thans 48 jarige man, met sinds 1998 nekklachten met degeneratieve afwijkingen van de nek en uitpuilende tussenwervelschijven. Daarnaast lijdt betrokkene kennelijk aan rheumatoide arthritis. Daarnaast is er kennelijk sprake van chronische psychische en psychosociale problematiek.

Bij het ongeval van 2-3-2012 is er geen letsel vastgesteld. Ik lees op 2 spreekuren na geen consulten wegens ongevalsgerelateerde problematiek (wel een aantal contacten ter verkrijging van zijn patiëntenkaart ten behoeve van de letselzaak). Op basis van de mij beschikbare gegevens is er dus geen wezenlijk verschil tussen de hypothetische situatie zonder ongeval en de huidige.”

2.12.

Allianz heeft aan [verzoeker] (in delen) een voorschot betaald van in totaal € 6.000,00. Partijen hebben onderhandeld over een slotbetaling van Allianz aan [verzoeker]. Tot overeenstemming is het niet gekomen. [verzoeker] heeft zijn verzoekschrift ingediend op 24 juli 2013.

2.13.

Dr. J.A.M. van Son heeft op 26 september 2013 nog een medisch advies uitgebracht aan [verzoeker]. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“Op basis van de aangeboden medische informatie ga ik ervan uit dat cliënt als causaal gevolg van het verkeersongeval op 02-03-2012 een postwhiplashsyndroom heeft opgelopen. (…) Ik merk op dat cliënt in het verleden weliswaar bekend is geweest met eerdere nek-, rug- en hoofdpijnklachten, en wel intermitterend sedert 1998, echter de thans bestaande klachten zijn intensiever en anders van aard dan de klachten welke voor het ongeval aanwezig waren.

(…)

In tegenstelling tot de medisch adviseur van de wederpartij ga ik uit van een causale relatie tussen de aanhoudende nek-, rug- en hoofdpijnklachten en het ons regarderende ongeval. Er is weliswaar sprake van pre-existente nek- en rugklachten, doch in de maanden voor het ons betreffende ongeval wordt hiervan in het medisch journaal van de huisarts geen melding gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat er medisch gezien aanknopingspunten zijn dat het ongeval in maart 2012 heeft geleid tot de thans bestaande aanhoudende nek- en rugklachten. Dit heeft geleid tot negatieve repercussies voor de belastbaarheid van cliënt, die thans tot vrijwel geen activiteiten meer in staat is. In dit kader bestaat er een grote zorgbehoefte, zoals beschreven in uw berichtgeving.”

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat Allianz hoofdelijk aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat Allianz gehouden is de als gevolg van het ongeval d.d. 2 maart 2012 geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van de schade;

  2. Allianz te veroordelen tot betaling van € 11.548,00 (€ 15.048,00 minus het reeds betaalde voorschot van € 3.500,00), dan wel een nader door de rechtbank te bepalen voorschot, als voorschot op de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van de aanrijding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van verzoekschrift, te voldoen binnen zeven dagen na heden;

  3. Allianz te veroordelen tot betaling van € 230,88 voor de medische kosten;

  4. Allianz te veroordelen overeenkomstig artikel 1019aa Rv jo. artikel 6:96 BW tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 26.480,28;

  5. Allianz te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat Allianz aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 2 maart 2012 is overkomen. [verzoeker] lijdt door het ongeval aan - kort samengevat - een postwhiplash syndroom. Door de als gevolg van het ongeval ondervonden lichamelijke klachten is [verzoeker] beperkt en heeft hij behoefte aan huishoudelijk hulp. De daarmee gepaard gaande kosten bedragen in de periode 2 maart 2012 - 1 augustus 2013 in totaal € 15.048,00. Allianz is voor die kosten aansprakelijk.

3.3.

Allianz heeft verweer gevoerd. Allianz heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de onderhavige zaak en de door [verzoeker] verzochte beslissingen zich niet lenen voor een behandeling in een deelgeschillenprocedure. Subsidiair heeft Allianz zich tegen de verschillende verzoeken van [verzoeker] verweerd stellende dat op basis van de voorhanden zijnde medische informatie vastgesteld kan worden dat geen sprake is van klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval. Meer subsidiair heeft Allianz gesteld dat indien en voorzover het causale verband dient te worden onderzocht door middel van een deskundigenbericht, dergelijke bewijslevering niet past binnen het kader van een deelgeschillenprocedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna verder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft, nu de aansprakelijkheid door Allianz is erkend, ter zitting zijn verzoek onder 1) in die zin aangepast dat hij de rechtbank verzoekt om het causale verband vast te stellen tussen het [verzoeker] overkomen ongeval en de klachten en beperkingen die [verzoeker] thans ervaart. De overige verzoeken zijn ongewijzigd gebleven. Allianz heeft gepersisteerd in haar verweer.

4.2.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het primaire verweer van Allianz, dat – kort samengevat – de verzochte beslissingen zich niet lenen voor een behandeling in een deelgeschillenprocedure omdat zij niet kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

Voorts geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschilprocedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008-2009, 31518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het primaire verweer van Allianz niet kan slagen. Het is in beginsel immers mogelijk om meerdere verzoeken ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. In casu gaat het om de causaliteitsvraag en de schade in verband met huishoudelijke hulp. Dat betreft weliswaar in deze situatie een omvangrijk gedeelte van het gehele geschil, het zijn echter wel degelijk delen van het geschil dat partijen verdeeld houdt en waarvan de beëindiging in principe kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, zoals is bedoeld in artikel 1019w Rv. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

4.5.

Dan dient de rechtbank te beoordelen of de door [verzoeker] verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Daarbij zal de investering in tijd, geld en moeite die met de deelgeschilprocedure gepaard gaat moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Daarbij wordt het volgende overwogen. Het antwoord op de vraag of tussen de thans aanwezige klachten en beperkingen van [verzoeker] causaal verband bestaat met het hem overkomen ongeval is niet aanstonds te geven. Tegenover de medische stukken van [verzoeker] waarin zulks wel wordt geconcludeerd heeft Allianz immers gemotiveerd en met stukken onderbouwd verweer gevoerd. Uit die stukken volgt dat [verzoeker] voor het ongeval bekend was met nek-, rug en schouderklachten en dat hij te kampen had met psychische klachten. Voor al deze klachten is hij onder (medische) behandeling geweest. [verzoeker] was ook voor het ongeval reeds aangewezen op huishoudelijk hulp; hij kreeg daarvoor aanvankelijk een PGB en in een later stadium was hij aangewezen op de hulp van vrienden en familie (zo heeft [verzoeker] gesteld). Hij genoot ook reeds een bijstandsuitkering en was ontheven van enige sollicitatieplicht in verband met zijn psychische problematiek. Tegen de achtergrond van die medische geschiedenis kan nu niet worden vastgesteld of de huidige klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval in maart 2012. Daarvoor is nader onderzoek door een deskundige vereist (en in zoverre faalt het subsidiaire gevoerde verweer van Allianz). De hierboven weergegeven belangenafweging brengt dan met zich meer dat in deze procedure geen deskundige zal worden benoemd. Dat geldt te meer omdat niet uitgesloten is dat meerdere deskundigenberichten nodig zullen zijn. Daarop strandt het gewijzigde verzoek onder 1.

4.6.

Omdat het causale verband niet vast staat, is een nader voorschot op de kosten van huishoudelijke hulp (verzoek 2) niet toewijsbaar. Ook de verzochte veroordeling in de medische kosten (verzoek 3) is om die reden niet toewijsbaar. Vast staat immers niet dat deze kosten zijn veroorzaakt door het ongeval.

4.7.

Dan de kosten (verzoek 4). Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.8.

[verzoeker] heeft in dat kader verzocht Allianz te veroordelen in de kosten van het geding, begroot op € 26.480,28.

4.9.

Allianz heeft aangevoerd dat het verzoek evident zinloos aanhangig is gemaakt, zodat de daarvoor gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.10.

De rechtbank zal niet overgaan tot begroting van de kosten. Deze kosten zijn immers naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid gemaakt. Daarbij is van belang dat partijen in het voortraject, voorafgaand aan deze zaak, reeds van mening verschilden – gelet op medische voorgeschiedenis van [verzoeker] – over de causaliteitsvraag en een deskundigenonderzoek op gezamenlijk verzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Gelet op de stand van de deelgeschiljurisprudentie (dat een deskundigenbericht in een deelgeschilprocedure gelet op de daarmee gepaard gaande investering in tijd, geld en moeite in beginsel niet aan de orde is) was het dan ook voor [verzoeker] voorzienbaar dat zijn verzoek niet toewijsbaar was en had een bodemprocedure, of een verzoek voorlopig deskundigenbericht, in de huidige stand van het debat tussen partijen voor de hand gelegen.

4.11.

Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2013.

Cc: AB