Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6432

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
522676 HA VERZ 13-105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechter wijst verzoek tot ontbinding van arbeidsovereenkomst af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2013/10
JAR 2014/39
AR-Updates.nl 2014-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

[522676 HA VERZ 13-105]

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer : 522676 HA VERZ 13-105

Afschrift aan : mr. Van de Ven-Meier

Grosse aan : mr. Ruijters

Verzonden d.d. :

beschikking d.d. 18 juni 2013

in de zaak van:

de besloten vennootschap Ekro B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verzoekster,

gemachtigde: de advocaat mr. B.K. van de Ven-Meier te Apeldoorn,

tegen

[verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. C.M.J. Ruijters (FNV Bondgenoten) te Deventer.

Partijen worden hierna Ekro en [verweerder] genoemd.

1 Het procesverloop

Deze blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift ter griffie ingekomen op 21 mei 2013;

  • -

    het verweerschrift ter griffie ingekomen op 7 juni 2013;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Van de Ven-Meier;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de op 13 juni 2013 gehouden zitting;

Uitspraak is -bij vervroeging- bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

[verweerder] is vanaf [2002] als medewerker uitbenerij in dienst van Ekro op basis van (laatstelijk) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.2

[verweerder] is lid van de Ondernemingsraad bij Ekro. Hij is eveneens kaderlid voor FNV Bondgenoten en in die hoedanigheid is hij in april 2013 betrokken geweest bij de door zijn vakbond gevoerde onderhandelingen met Ekro over een nieuwe CAO.

2.3

Na een incident d.d. 4 december 2012 tussen twee werknemers (de heren [naam 1] en [naam 2]), beiden ook werkzaam op de afdeling uitbenerij, heeft Ekro één van hen ([naam 1]) overgeplaatst naar de afdeling koud vlees.

2.4

[naam 1] heeft een gemachtigde, mr. I. Cuijpers van ‘Eerlijkarbeidsrecht’, ingeschakeld om te onderzoeken of tegen zijn overplaatsing iets kan worden ondernomen.

Mr. Cuijpers heeft daarover telefonisch gesproken met de heer [naam 3], hoofd personeelszaken bij Ekro. In een mail (die ongedateerd is, maar als ‘forward’ deel uitmaakt van het als produktie 1 bij het verweerschrift in het geding gebrachte mailbericht d.d. 10 april 2013 van [naam 1] aan [verweerder]) schrijft mr. Cuijpers hierover aan [naam 1]:

“Zojuist heb ik gesproken met de heer [naam 3]. Hij geeft aan dat als u een briefje kunt overleggen waarop staat dat samenwerken ok is en geen problemen oproept voor de heren [naam 2] en andere collega’s op de afdeling, dan zal de heer [naam 3] dit ondersteunen. Dit briefje dient dan wel ondertekend te zijn door [naam 2] en overige collega’s.”

2.5

[verweerder] heeft begin april 2013, buiten werktijd bij de McDonalds vestiging in Apeldoorn, als bemiddelaar een gesprek gevoerd met [naam 1] en [naam 2]. Hierna heeft [verweerder] bij Ekro handtekeningen verzameld van medewerkers op de afdeling uitbenerij van Ekro, als blijk van hun instemming met de tekst: “geen problemen met terugkeer van [naam 1]”.

2.6

[naam 1] heeft de manager operations bij Ekro, de heer [naam 4], d.d. 19 april 2013 deze handtekeningenlijst laten zien ter ondersteuning van zijn verzoek om de overplaatsing ongedaan te maken.

2.7

Voornoemde [naam 4] heeft [verweerder] in een gesprek d.d. 1 mei 2013 diverse verwijten gemaakt over de bemiddelende rol die hij gespeeld heeft bij de poging om Ekro ertoe te bewegen de overplaatsing van [naam 1] ongedaan te maken. In dit gesprek is [verweerder] op non-actief gesteld. Het gesprek is bevestigd bij brief d.d. 2 mei 2013, welke brief afsluit als volgt:

“Samengevat:

U heeft, doelbewust, het directiebesluit gediskwalificeerd, en het geprobeerd te dwarsbomen.

Met stiekume manipulaties heeft u de verhouding tussen u en de leiding, en de bedrijfsleiding totaal verziekt.

U vormt voor de afdeling uitbenerij een groot en acuut veiligheidsrisico.

Op basis hiervan zult u nooit meer op het bedrijf worden toegelaten.”

3 Het verzoek, het verweer en de beoordeling van het verzoek

3.1

Ekro verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] op grond van gewichtige redenen, primair wegens een (uitgestelde) dringende reden en subsidiair wegens een verandering in de omstandigheden, op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder]. Zijn gedragingen zoals opgesomd in de schorsingsbrief d.d. 2 mei 2013 moeten volgens Ekro worden aangemerkt als een dringende reden. In elk geval volgt daaruit dat terugkeer van [verweerder] onveiligheid met zich brengt, aangezien in dat geval opnieuw twee “kampen” op de afdeling uitbenerij zullen ontstaan met alle risico’s van dien vanwege het werken op deze afdeling met vlijmscherpe messen.

3.2

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, in het bijzonder de in artikel 7:670 leden 4 en 5 BW omschreven verboden. De enkele suggestie van [verweerder] (“kan zich niet aan de indruk onttrekken”) is daarvoor onvoldoende.

3.4

Aan de door Ekro beschreven voorgeschiedenis wordt evenmin enige voor [verweerder] belastende betekenis gehecht. Het betreft hier immers slechts de gemiddelde inhoud van een personeelsdossier (een keer te laat gekomen, tijdelijk tegenvallende produktieresultaten), maar belangrijker nog: die inhoud is ruimschoots gedateerd en heeft daarmee haar houdbaarheidsdatum wel bereikt.

3.5

De kern van de zaak gaat over de bemiddelende rol die [verweerder] feitelijk heeft gespeeld in een aangelegenheid waarin de directie van Ekro weloverwogen en begrijpelijk ervoor heeft gekozen de afdeling uitbenerij te behoeden voor een (werk)sfeer waarin (mogelijke) conflicten tussen werknemers tot een bedreiging van de veiligheid op deze afdeling aanleiding kunnen [naam 4].

3.6

Voorop gesteld wordt dat [verweerder] niet is aangesteld als ombudsman of professioneel bemiddelaar bij Ekro, terwijl een dergelijk optreden evenmin rechtstreeks voortvloeit uit zijn OR-lidmaatschap of zijn hoedanigheid als actief vakbondslid. Behoudens in het geval enige voor een individuele werknemer nadelige beslissing van Ekro tot zoveel (sociale) onrust in het bedrijf lijdt dat dit op zichzelf doelwit wordt van (enige vorm van) collectieve actie onder de bescherming van het Europees Sociaal Handvest, waarin [verweerder] dan een rol zou kunnen spelen, behoort hij zich dus in beginsel te onthouden van bemoeienis met een dergelijke beslissing.

3.7

Ekro stelt de zaak zo voor dat [verweerder] deze grens heeft overschreden en zijn neus zomaar in andermans zaken heeft gestoken. Het is de kantonrechter gebleken dat die conclusie echter te haastig is getrokken en berust op onvolledig en verkeerd onderzoek.

3.8

Cruciaal is de rol van de personeelsfunctionaris [naam 3]. Deze op de zitting aanwezige functionaris heeft (zoals is vastgelegd in de griffiersaantekeningen) over de onder 2.4 weergegeven mail van mr. Cuijpers aanvankelijk gezegd dat hij zich niet kan herinneren met mr. Cuijpers te hebben gesproken over een briefje waar iedereen van de afdeling uitbenerij zijn handtekening onder moest zetten, maar nadat de kantonrechter [naam 3] voorhield dat hij mogelijk bij een voortzetting van de procedure als getuige zou moeten worden gehoord, heeft hij letterlijk verklaard: “ik zeg niet dat de tekst van die mail niet klopt. Ik sluit niet uit dat er over een briefje is gesproken, maar ik kan het mij niet herinneren.” Met betrekking tot het contact over dit een en ander tussen hem en [verweerder] heeft [naam 3] voorts verklaard: “Het klopt dat ik [verweerder] heb gesproken. Dat was op de gang. Hij gaf aan dat hij met de beide heren wilde praten. Ik heb gezegd dat dat prima was, ik heb het niet tegengehouden.”

3.9

Met de openhartige verklaring van [naam 3], zoals hiervoor weergegeven, valt reeds het doek over de zaak. Niet kan immers door Ekro worden volgehouden, zoals zij in betonnen bewoordingen aan de ingestelde non-activiteit en het ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, dat [verweerder] [naam 3] op het verkeerde been heeft gezet en stiekem bezig is geweest om een directiebesluit te ondermijnen. [verweerder] heeft integendeel Ekro van zijn voornemen tot bemiddeling op de hoogte gesteld en daarvoor van [naam 3] groen licht verkregen. Aannemelijk is ook dat [verweerder] zich niet zomaar met de kwestie is gaan bemoeien maar een verzoek daartoe heeft gekregen van [naam 1] en/of [naam 2]. [verweerder] heeft daarbij voldoende prudent gehandeld.

3.10

Vanwege de onwrikbare opstelling van Ekro, ook op de zitting zelfs nadat Ekro de mogelijkheid van een voor haar onwelgevallige uitkomst van de procedure in het vooruitzicht is gesteld, heeft de kantonrechter zich nog wel afgevraagd of de arbeidsrelatie intussen wellicht te zeer verstoord is geraakt om uit te kunnen gaan van een vruchtbare voortzetting van het dienstverband van [verweerder]. Het valt te betreuren dat partijen na voormelde interventie niet iets constructiefs hebben kunnen bedenken om het aan de beslissing te ontlenen prestige gezamenlijk op een verstandige wijze te kanaliseren.

Wat daar verder van zij, duidelijk is hoe dan ook geworden dat [verweerder] groot belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Dat belang behoort te prevaleren. Het gaat er uiteindelijk ook om of de door een partij beleefde verstoring van de arbeidsrelatie op objectieve feiten en omstandigheden is terug te voeren. Dat is hier niet het geval.

3.11

Het verzoek tot ontbinding wordt dus afgewezen. Bij deze uitkomst moet Ekro de kosten van de procedure dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter,

wijst het verzoek af;

veroordeelt Ekro in de kosten van de procedure welke aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 500,-- wegens gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.